We hebben ze als gebruikelijk verdeeld over de 5 boeken van de Torah plus die welke met specifieke feestdagen zijn verbonden.
De meest actuele staat hieronder, de overigen kunt u onder de genoemde tabs in de rechterkolom terugvinden.
Sjemini (Wajikra (9:1 - 12:1)
Korte inhoud: Op de achtste dag (jom ha-sjemini) van de inwijding van het Misjkan, brengen Aharon, zijn zonen en heel het volk verschillende korbanot (offers), zoals Mosjé hen geboden had. Aharon en Mosjé zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (kawod) waar te nemen.
Nadaw en Awihoe, twee zonen van Aharon bedenken en brengen een nieuw soort offer, dat de Eeuwige niet gevraagd had. Een vuur verteert hen, waarmee duidelijk wordt dat alleen die geboden mogen worden uitgevoerd die Mosjé heeft opgedragen. Mosjé spreekt Aharon toe, die in stilte treurt. Mosjé geeft de kohaniem instructies hoe zij zich moeten gedragen tijdens hun rouw¬periode, en waarschuwt hen dat zij geen sterke drank mogen drinken voordat zij in het Misjkan dienst gaan doen.
De Tora geeft de twee kenmerken van een kosjer dier: het heeft gespleten hoeven; het kauwt zijn voedsel, geeft het weer op en herkauwt het nog eens. De Tora specificeert de namen van niet-kosjere dieren die slechts één van beide kenmerken hebben. Een kosjere vis heeft vinnen en makkelijk te verwijderen schubben. Alle vogels die niet voorkomen op de lijst van verboden families zijn toegestaan.
De Tora verbiedt alle soorten insecten, met uitzondering van vier soorten sprinkhanen.
"Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.(SV)" Een allegorische uitleg van dit verbod om je consumerend in te laten met het kruipend gedierte zou te maken kunnen hebben met het mysterie van het kwaad: hoe we kunnen leven - en zelfs kunnen groeien - temidden van de laagste krachten, die op de aarde 'kruipen'. ( geparafraseerd naar R. Simon Jacobson)
Er worden details gegeven van het reinigingsproces nadat men in contact is gekomen met ritueel onreine dieren. Het joodse volk wordt opgedragen zich af te scheiden en heilig te zijn.
De meest opvallende gebeurtenis in deze parasja is de tragedie rond de zonen van Aharon.
Een snelle opeenvolging van gebeurtenissen moeten hebben plaatsgevonden tijdens de offerplechtigheden ter inwijding van de tabernakel (Misjkan):
(NBV Lev. 9:23-10:4) Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de HEER aan het verzamelde volk. 24 Een felle vlam kwam uit het heiligdom (anders vertaald: een vuur ging uit van de Eeuwige) en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde.
Aärons zonen Nadaw en Awihoe deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd (‘esj zara’, vreemd vuur) vuur dat ze de HEER wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan de voorschriften van de HEER. 2 Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de HEER, stierven. 3 Mozes zei tegen Aäron: ‘Dit bedoelde de HEER toen hij zei: “Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit.”’ Aäron zweeg.
Vele vragen liet en laat dit accident open en vele antwoorden van vroeger en nu hebben geprobeerd een verklaring te vinden.
Het meest voor de hand liggend is de uitleg, die de Tora al geeft: Nadaw en Awihoe hebben zich niet aan de voorschriften van de Eeuwige, zoals die waarschijnlijk door bemiddeling van Mosjé zijn gegeven, gehouden en hebben op eigen houtje opgetreden.
Dat de straf zo zwaar was probeert Mosjé dan aan zijn broeder Aharon, de vader van de twee slachtoffers, uit te leggen: ‘Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid’.
Dat zou kunnen betekenen: de meest nabijen dragen de grootste verantwoording, ze hebben de zwaarste consequenties te dragen, als de heiligheid niet gerespecteerd wordt.
Het tragische zit vooral in de goede bedoelingen die de twee priesters gehad moeten hebben.
Er is wel gesuggereerd (genoemd in het commentaar van R. Ari Kahn op aish.com), dat ze ook wijn gedronken hadden, zoals ook verboden was bij betreding van het heiligdom (pasoek 9), mede waardoor ze misschien in hun oordeel beneveld waren.( Hoewel ook nobele bedoelingen aan deze mogelijke wijnconsumptie worden toegedicht)
Ook is gesuggereerd, dat zij misschien overambitieuze bedoelingen hebben gehad om Mosjé en Aharon opzij te zetten als leiders van het volk; dat is als interpretatie wellicht veel te vrijmoedig.
Wel valt op dat zij als enige met name worden genoemd in Sjemot (24:9) als metgezellen van Mosjé en Aharon bij het bestijgen van de berg om de Eeuwige te ontmoeten.
De beide mannen zagen nu dus voor de tweede keer een manifestatie van de Eeuwige.
In deze extatische beleving moeten zij in een roes zijn geraakt, die hun alle voorzichtigheid uit het oog deed verliezen. Wat opvalt is dat als het vuur op het altaar is geschoten in een imposant bliksemgebeuren Nadaw en Awihoe eveneens met vuur aan de slag gaan. Er zit daar iets van overmoed in, een hybris, een Icarusscenario. Ze braken uit het via de mond van Mosjé gegeven systeem in een extatische poging en verbraken het evenwicht met fatale gevolgen.
De uitleggers hebben altijd ook in Nadaw en Awihoe hun enthousiaste bedoelingen gewaardeerd en zagen hun zielen in Pinchas weer gemanifesteerd, Aharons kleinzoon Pinchas, die ook op eigen houtje optrad, maar nu met een betere uitslag (Bamidbar 25:7) en zelfs Elia is genoemd als nieuwe belichaming van hun zielen.
Me’aféla le-or gadol
In het voorjaar vieren wij weer Pesach. We herdenken de bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij, lang, lang geleden….
De afstammelingen van Jacob, de “Benee Jisraël”, ooit in Egypte, vluchtend voor de hongersnood, aangeland, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder onderdrukt; onder de profetische leiding van Mozes en in een reeks wonderlijke gebeurtenissen worden zij door Far'o vrijgelaten en beginnen zij een reis door de woestijn op weg naar Sinaj waar de volkswording zijn beslag krijgt in het verbond met de Eeuwige die hen naar hun vrijheid geleid heeft.
Archeologisch is er maar weinig voorhanden.
De Joodse theoloog en filosoof Martin Buber vat het op als een bijzondere sage, waarbij Moshé het oude Semitische herdersmaal zou hebben omgevormd. Dit maal werd in de lente gehouden, waarbij eerstgeboren bokjes werden geslacht en de demonen werden geweerd door het bloed van de bokjes aan de tentpalen te smeren. Het woord Pesach komt van het werkwoord "pasach", dat pas later "overslaan om te ontzien" is gaan betekenen; nog oorspronkelijker betekende het huppelen van het ene been op het andere en kan het geduid hebben op een rituele reidans ("chag" = "feest" betekent ook oorspronkelijk reidans), die wellicht ook werkelijk is uitgevoerd en die de uittocht al voorafspiegelde. Met deze omvorming door Mozes van het lentefeest is, aldus Buber, Pesach van een ritueel bezwerend feest het ‘Geschiedfeest' bij uitstek geworden.
Pesach: feest van de gemeenschap
Pesach is vooral ook het feest waarin wij met familie, vrienden en leden van onze plaatselijke gemeenschap samenkomen, samen spreken en samen genieten.
Eigenlijk is het passend bij iedere Seider te denken aan alle omgekomenen, wier schreeuw om bevrijding niet is beantwoord.
Pesach: feest van de doorgaande bevrijding
‘In iedere generatie ben je verplicht jezelf te zien alsof jijzelf uit Egypte bent vertrokken', staat er in de Haggada. Je herbeleeft niet alleen de tijd van toen, maar beleeft ook het nu. We overstijgen de historische details van ooit naar nu. Het proces van bevrijding uit slavernij naar werkelijke vrijheid is nooit afgelopen.
In hoeverre is er nu nog sprake van onderdrukking?
Op vele niveaus is het niet moeilijk, ook niet in de relatief vrije maatschappij waarin wij in Nederland leven, om sporen van onderdrukking te traceren. Op veel plaatsen in de wereld liggen symptomen van onderdrukking openlijker aan de oppervlakte. Laat dit eens onderwerp zijn in een fase van de Seider: waar speelt onderdrukking? Waar in de wereld, de maatschappij, in de buurt, in je persoonlijk leven? Waar is nog sprake van onvrijheid, discriminatie, vervolging, antisemitisme? Waar is er bij jezelf nog dwang om dingen te doen,
die je niet wil, om te zwijgen waar je wil spreken? Waar word je weerhouden te doen wat jou werkelijk goeddunkt, waar word je geblokkeerd om het beste in jezelf te manifesteren?
Pesach: feest van de innerlijke bevrijding
Pesach is ook het moment van besef dat innerlijke bevrijding en ontwikkeling tijdens het leven naar verlossing mogelijk is. Dit is het revolutionaire inzicht dat in het Joodse volk is doorgebroken. Dat bedoelt waarschijlijk Rabbijn Yitz Greenberg als hij zegt: Wat is het meest betekenisvolle gebeuren in de menselijke geschiedenis geweest? De uitvinding van het wiel of van de drukpers? De Industriële Revolutie? Het Internet? de Uittocht uit Egypte! Dit is dé hoofdoorzaak van alles wat erop is gevolgd en nog volgt (als dit niet was gebeurd, was niets anders tot stand gekomen), want de boodschap van Pesach, van verlossing blijft weerklinken als de krachtigste verklaring van hoop in de geschiedenis van de mensheid. Met Pesach bezingen we de ultieme (en hopelijk heel dichtbije) dag waarop de profeet Elia de uiteindelijke bevrijding van elke vorm van onderdrukking zal aankondigen.
Dan krijgen begrippen als Egypte, de afgoden en slavernij een wijdere en diepere betekenis. Dan kunnen we in ons leven eens nagaan in hoeverre wij slaaf zijn, d.w.z. in hoeverre wij niet vrij zijn. In hoeverre wij niet meester zijn over ons leven. In welke mate geven wij het meesterschap uit handen en zijn slaaf van onze vastgeroeste ideeën, gewoonten, gefixeerde overtuigingen over ons zelf en over anderen, hoezeer lopen we aan de leiband van onze persoonlijke routines, zorgjes, probleempjes en problemen die geest en ziel grote delen van de dag vullen met gepieker, gemok, gemaal, haat, jaloersheid, machtsspellen etc.?
Maar er is een weg naar de vrijheid en het moment van Pesach is een groot kosmisch raam, waardoor het goddelijk licht valt, waarin we uit onze beperkingen kunnen groeien naar meer vrijheid.
Mi-aféla le-or gadol.
Een visie op dit verhaal, geïnspireerd op de esoterische opvatting, dat de geschiedenis van Israël in Egypte en de verlossing uit de slavernij een diepere betekenis heeft voor de gang van de mens door het leven in deze wereld, anders gezegd dat het verhaal een allegorie is van de weg van de ziel door het fysieke bestaan.
'Israël' staat dan voor onze essentie, voor onze werkelijke bestemming, voor onze ziel.
In een onontkoombaar verlangen om te beleven, ervaren, te leren daalt de ziel af in de fysieke wereld, incarneert in de materie, dit is de aankomst van Jacob - Israël - en zijn door hongersnood gedreven directe afstammelingen in het voedselrijke Egypte; met deze aankomst begint het boek Exodus.
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien dringt de materiële wereld zich met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen steeds onvermijdelijker op. Steeds meer wordt het volk Israël – onze essentie – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Opvoeding, vorming en andere ingrijpende lotgevallen, die ons overkomen doen ons steeds meer accommoderen aan het systeem, tot in die mate dat we ons bijna geheel geïdentificeerd hebben met dat omringende en onderdrukkende systeem; het systeem hebben we zelfs binnen onszelf gehaald, het heeft ons bezet.
Dit onderdrukkende systeem, dat we nodig denken te hebben voor onze overleving in de fysieke wereld, wordt in de verschillende psychologische en esoterische richtingen wel genoemd: het ego, of: de persoonlijkheid (soms ook: karakter). In het pesachverhaal wordt het belichaamd door Farao en zijn slavendrijvers, de Egyptische opzichters.
Vaak zijn we onze meest eigen essentie geheel vergeten; hij ligt verborgen achter vele schillen (‘klipot' in de Joodse esoterie) van het ego. We zijn bijna helemaal ons ego geworden, meer Egypte dan Israël, voor de goede verstaander. Het is een onvermijdelijke fase van de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).
Maar helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak ondershuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp.
Die hulp komt in de vorm van Mozes, de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je idee over de weg die te gaan is.
Maar de strijd is nog niet beslist. Het echte gevecht is net begonnen.
Het ego is hardnekkig. Het vindt zichzelf onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn misschien wel meerdere crises ( psychische dieptepunten, tegenslagen, soms zelfs verliezen, ziekten, kortom: de plagen, in het hebreeuws de ‘makot') nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen en dat ego te brengen tot vrijlating van ons diepste verlangen, op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.
Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken.
Lees het oude bijbelverhaal eens opnieuw vanuit deze optiek en je vindt nog veel meer aanrakingspunten.
