Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Emor 

"Is onze vrijheid goed afgestemd?"

Vajikra / Leviticus 21:1-24:3   

door Rob Cassuto

In de parasja Emor vinden we verdere voorschriften en bepalingen over de priesters en de offergaven. Dan worden de hoogtijdagen voorgeschreven en omschreven, de sjabbat, Pesach, Sjawoeot, Rosh Hashana, Jom Kipoer en Soekot. Tenslotte volgen bepalingen over de twaalf toonbroden en wordt naar aanleiding van een geval van godslastering nog eens teruggekomen op het ‘oog voor oog, tand voor tand etc.’, de lex talionis, waarover we al vaker hebben gesproken.

De tekst maakt een zeer oude indruk, want de drie pelgrimsfeesten, Pesach, Sjawoeot en Soekot worden hier vooral als oogstfeesten beschreven. De nu gebruikelijke namen worden daar niet genoemd; wel wordt het Pesachoffer genoemd. Pesach wordt gevierd ten tijde van de gerstoogst en heet het feest van het ongezuurde brood. 

Sjawoeot heeft in deze parasja nog geen naam (elders in de Tora wel, het heet het oogstfeest of het feest van de eerstelingen of inderdaad het wekenfeest), het is een offerplechtigheid ten tijde van de tarweoogst . 
Soekot heeft ook nog niet zijn naam, al worden de hutten als tijdelijke verblijfplaats wel verordend, hutten die mogelijk afstammen van de hutten op de oogstvelden, waarin de boeren en hun knechten de nacht doorbrachten tijdens de late oogst. Ook was Soekot een smeekfeest voor voldoende regen.
Het is kenmerkend voor het jodendom, dat deze agriculturele feesten in de loop der jaren ook een geschiedenis aspect kregen en een spirituele betekenis. Het oude herdersfeest in de lente werd (ook) herdenking van de uittocht uit Egypte en werd het symbool van uiterlijke en innerlijke vrijheid. Het late oogst-  en regenfeest in de herfst moest gaan herinneren aan de tocht door de woestijn en verwees naar de afhankelijkheid van de mens van de natuur en het vertrouwen om het leven voort te zetten.

Op Sjawoeot, het wekenfeest, dat aanstaande is, het feest van het geven van de Tora op Sinaj,  gaan we wat verder in. 
Zoals gezegd wordt het feest nog niet als zodanig genoemd op deze plaats. 
In de parasja Emor wordt het meest van alle vermeldingen in de Tora in detail  ingegaan op wat er op die dag precies aan offers moet worden gebracht als dank voor de nieuwe graanoogst. Wat opvalt zijn vooral de twee broden. 
Maar het gebeuren wordt in het geheel niet in verband gebracht met het geven van de Tora, het is (nog) niet chag matan Tora, het feest van het geven van de Tora, geworden, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinaj aan het volk werd geopenbaard.

Hoe komt het, dat – blijkbaar in latere tijd – dat verband wel werd gezien?
Historisch bekeken, lijkt het aannemelijk, dat een proces van de-agriculturisering, als ik dat zo mag noemen, is begonnen, in ieder geval versneld, in de eerste eeuw van de gewone jaartelling, vooral na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Het centrum van de offergaven was daarmee vervallen en sowieso was er al een behoorlijke diaspora, die alleen nog maar toenam. 
De tempel was er niet meer, offers konden daar niet meer worden gebracht, maar de Tora kon niet vernietigd worden en reisde altijd mee. 
Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag.

De Rabbijnen begonnen eens goed te rekenen: als de uittocht uit Egypte begonnen was op 14 Niesan, in de lente, en je telt daarbij zeven weken op - dat tellen wordt zelfs uitdrukkelijk genoemd -, dan moet het volk na zeven weken reizen in de woestijn aangeland zijn bij de Sinaj. Dan moet er toch een verband bestaan met wat er op die datum van 6/7 Siewan op de Sinaj is gebeurd, de bekendmaking aan Moshé van de Tora.

Een indicatie vinden de uitleggers op het rituele vlak:  

Op Pesach worden de ongedesemde broden gegeten, ze zijn nog in het begin van het bakproces, ze zijn zonder ‘chameets’ dus nog niet gerezen, het zijn ‘matsot’. Ze zijn als het ware nog niet ‘af’.
Op Sjawoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, nu gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk voorgeschreven. De broden zijn nu ‘af’.
Dat verwijst naar een verband, naar een ontwikkelingsrelatie tussen Pesach en Sjawoeot.
Zoals de door de chameets gerezen broden op Sjawoeot de voltooiing betekenen van het bakproces en het hoogtepunt markeren van de oogst van het graan, dat de basis is van het fysieke bestaan, zo is het geschenk van de Tora het hoogtepunt  van de bevrijding, die met de uittocht uit Egypte begon, en vormt die Tora de spirituele basis voor het leven. 
Daarom wordt op Sjawoeot niet deze parasja gelezen, maar de Tien Uitspraken in Sjemot 20.

Als we deze relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken naar ons dagelijks leven, dan kunnen we zien, hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een leidraad van gekozen begrenzing. 

De Israëlieten reisden uit de slavernij niet in het wilde weg de leegte van de woestijn in. 
Welbewust voerde Moshé hen naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze de leidraad konden vernemen hoe hun vrijheid een basis te geven in essentiële waarden en vorm te geven in leefregels om een goede samenleving te vormen. De tweede bestemming was het beloofde land, dat we nu wellicht mogen ‘ontgeografiseren’ als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaanse toekomst, die hoe schimmig ook toch ergens als een vonk van verlangen blijft gloeien.

Maar ook vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot moeten ontworstelen heeft een bestemming nodig, en misschien is Sjawoeot een goede gelegenheid om nog eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd’.

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.