Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Acharee Mot

Een verbond van liefde

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30

Nauwelijks is Aharon bekomen van de dood van zijn zonen Nadav en Avihoe of de instructies gingen verder over zijn rol als hogepriester die verzoening moest brengen voor de zonden van het volk van Israël.  De procedures, die hij heeft te volgen worden uitgebreid beschreven. Op andere plaatsen (1) zijn wij er uitgebreid op ingegaan.

In hoofdstuk 17 begint wat bijbelwetenschappers de ‘holiness code’ noemen, een stuk Leviticus van hoofdstuk 17 tot 26, een deel, dat wordt gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van het woord ‘heilig’ en ‘Ik ben de Eeuwige’ en merendeels korte voorschriften bevattend. In hoofdstuk 17 vallen – na de regel dat offerdieren alleen bij de tabernakel mogen worden geofferd en het verbod om bloed te eten - vooral de regels op omtrent seksuele omgang. Allerlei vormen van verboden relaties met bloedverwanten en schoonfamilie worden opgesomd. Veel van die relaties, met name in de kernfamilie, zijn in onze seculiere samenleving nog steeds taboe. In hoofdstuk 20 worden ze nog eens herhaald met daarbij niet misse straffen, van doodstraf tot uitstoting.

In de Tora is seksualiteit eigenlijk als fenomeen geen issue op zich. In feite is het concept ‘seksualiteit’ uitgevonden in de 19e eeuw. Wel worden er duidelijke grenzen aangegeven waarbinnen seksuele gemeenschap is geoorloofd. Er is geen lustvijandige sfeer te bespeuren. Binnen vroom-rabbijnse kringen is dat wel anders (geweest). Persistent is vaak de overtuiging, dat geest en zinnen niet samengaan en dat genieting van seksualiteit ten koste gaat van Torastudie en de toenadering tot God. Staan seksuele activiteit en genieting spirituele ontwikkeling in de weg of is een combinatie mogelijk? Daarmee hebben de rabbijnen uit alle eeuwen zich intensief beziggehouden. In hun midrasj op Bamidbar/Numeri 12:1 (over de kwaadsprekerij van Mirjam over Mozes) concludeerden gezaghebbende commentatoren, dat Mosjee was overgegaan tot het celibaat (zie mijn commentaar op Behaälotcha (2)). Een man die constant in verbinding staat met de Eeuwige is boven de wereld van seks en gemeenschap uitgestegen. Dit veronderstelde Mozaïsche ideaal is echter uniek en vrijwel voor niemand weggelegd. Bovendien is daar de onverbiddelijke mitswa om kinderen te krijgen (maar wel binnen het huwelijk). Het procreatie-gebod eist van de man om periodiek tot zijn vrouw te komen. Vooral in chassidische (ultraorthodoxe) kringen werd (en wordt) die spanning nog steeds gevoeld: de man – meestal al heel jong getrouwd - hoort eigenlijk in de studiezaal en soms met tegenzin vervult hij op vrijdagavond bij zijn vrouw de mitswa om zich te vermenigvuldigen. Binnen het ‘gewone Joodse volk’ is door de bank genomen seksuele genieting tussen man en vrouw binnen het huwelijk meestal niet problematisch geweest. Een probleem was – en is in orthodoxe kringen – nog wel het geval met homoseksualiteit. Immers onontkoombaar staat er in Wajikra/Leviticus 18:22: ‘Jullie mogen niet slapen met een mannelijk persoon, zoals jullie met een vrouw slapen. Dat is een gruwel’ (et zachar lo tisjkewoe misjkewee isha, to’ewa).

Nu zoemen er vele interpretatiemogelijkheden rond deze grammaticaal wat enigmatische zin. Omdat misjkav ook ‘bed’ kan betekenen zou je zelfs kunnen concluderen, dat mannen alleen niet met elkaar in het bed van een vrouw mogen slapen. Ook de context kan een rol spelen: de bepaling staat immers in een reeks verbodsbepalingen, die zich afzetten tegen de Kanaänitische en Egyptische erotisch-religieuze rituelen (zie 18:3 over het niet navolgen van de gebruiken van het land Egypte en van het land Kanaän, veelal vruchtbaarheidsrituelen), zodat het verbod van seksuele handelingen tussen mannen (mutatis mutandis voor vrouwen) misschien vooral slaat op publiek erotisch vertoon. In feite wordt alleen het ‘liggen’ verboden, dus andere liefkozingen mogen kennelijk wel. Laten we beseffen, dat homoseksualiteit als identiteit een maaksel is van de moderniteit, dat toen en lang daarna nog niet bestond en als zodanig ook niet verboden kon worden. Maar dat neemt niet weg, dat zowel in Christendom als Jodendom en ook Islam dit verbod als een absoluut verbod van (openlijke) homoseksuele verhoudingen is opgevat en doorgevoerd tot wanhoop en zielenmarteling van vele mannen – en vrouwen -  door alle eeuwen heen.

Ik denk, dat een uit de prehistorie ons tegemoet komend taboe een heel grote doorwerking heeft gehad (en nog steeds). Soms bergen taboes oeroude wijsheid in zich, vaak zijn ze gelukkig door het wetenschappelijk verstand ontkracht of is hun dwingende macht verminderd. In het geval van de Tora is het taboe onder vele regels vooral ingegeven door het heilig ontzag voor de organen en lichaamsvochten, die met seksuele gemeenschap van doen hebben en te maken hebben met de voortbrenging. Het goddelijk mysterie van oerkrachten bracht mits met voorzichtigheid en behoedzaamheid benaderd de zegen van kinderen, maar zou indien zorgeloos en onachtzaam behandeld vloek en onheil (met name onvruchtbaarheid) kunnen veroorzaken. Het taboe gold dus ook voor het mannelijk zaad, dat niet verspild mocht worden, maar alleen daar terecht mocht komen waar het binnen de regels om het taboe te bezweren uitgestort moest worden, de plek van de voortbrenging, de baarmoeder. We moeten de invloed van die oude krachten - denk ik - nog steeds niet onderschatten ook al hebben we ze voor een deel fysisch, sociologisch en psychologisch verklaard.

Intussen is in vele delen van de westerse maatschappij de seksualiteit voor een groot deel van zijn worteling in de oude taboe-ondergrond losgekomen en is ook de erotische genieting gedemocratiseerd, geseculariseerd en losgekoppeld van de seksuele gemeenschap. (Misschien is de secularisatie van de seksualiteit naar grenzeloze vrijheid wel te ver doorgeschoten). Daarmee zijn openlijke homoseksuele relaties ook in beter vaarwater gekomen. Je mag nu uit de kast komen. Wat geholpen heeft is dat wetenschappelijk ook de genetische aanleg of toeneiging aannemelijk is gemaakt.
Niet alle groepen in de samenleving zijn in de erkenning van homoseksualiteit als leefwijze in dezelfde mate meegegaan. In liberaal-joodse kringen is homoseksualiteit volledig geaccepteerd en is zelfs een vorm van religieus homohuwelijk mogelijk geworden (soms genoemd briet ahawa, ‘verbond van liefde’ (3))
 

  1. In Reizen door de Tora, deel 2, p.88 en bv ook op mijn website
  2. In Reizen door de Tora, deel 2, p.105
  3. Zie ook Briet Ahawa ook in Amsterdam

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.