Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Choekat

De kinderjaren zijn voorbij.

door Rob Cassuto

Bemidbar/Numeri 19:1–22:1

De parasja Choekat begint met veel pesoekiem (verzen) over dood. 
Eerst krijgen we het ritueel van de ‘rode koe', het reinigingsritueel dat moet worden verricht na contact met een dode. De reis gaat verder. De Israeliëten breken na 38 jaar op van de oase van Kadesj en trekken verder richting Kenaän. Mirjam sterft. Mosjee en Aharon bewerken voor het dorstig volk het waterwonder, maar geven de eer ervan niet aan de Eeuwige, die hen aankondigt dat zij geen van beiden het beloofde land zullen betreden. Voor Aharon komt de dood al spoedig. Hij bestijgt, honderdentwintig jaar oud, de berg Hor om daar te sterven. Voor Mosjee zal het einde drie jaar later komen. (1)

De Israëlieten trekken zuidwaarts de woestijn in, waar de morrende en dorstende massa weer oude klachten aanheft. De Eeuwige laat als respons op dit protest nu giftige slangen los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Er volgt genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Mosjee. Daarna lijkt er een ommekeer te komen in de vordering van de lange zwerftocht en militaire successen worden behaald. Er lijkt in deze parasja een belangrijke wending gaande in het verhaal van de zwerftocht van de Israëlieten. Laat ik deze wending eens proberen al speculerend in te passen in het paradigma van Sjemot/Exodus en Bamidbar/Numeri als allegorie voor de reis naar en incorporatie van de ziel van de (Joodse) mens in de materiële wereld

Jacob en zijn zonen planten zich als het ware als kiem in de vruchtbare delta van de Nijl, Egypte als baarmoeder. Het verblijf in Egypte is een zwangerschap. De kiem bevindt zich in een spirituele ruimte die nodig is om uit te groeien tot een vorm, die geschikt is om verder in de werkelijkheid in te dalen. Na een lange draagtijd vindt met vele weeën de onvermijdelijke geboorte plaats, met de doortocht door de Rietzee als een waar baringsproces, de woestijn in. De kindertijd breekt aan, een lange periode, die een verdere voorbereiding is naar een definitieve stoffelijke gestalte in de ondermaanse materiële wereld.

Een vaderfiguur beschermt het kind (Israël, de ziel) en zorgt voor spiritueel brood (manna) en water. Die vader is de Eeuwige en zijn plaatsvervanger Mosjee. De ​kleren​ die het kind droeg raakten niet versleten en zijn voet raakte niet opgezwollen, zegt Deuteronomium 8:4 en volgens de midrasj groeiden de kleren zelfs mee. De milde Aharon en Mirjam met haar meereizende waterbron zijn misschien de moederlijke plaatsvervangers. Het is een tijd van opgroei en onderwijs. Ingeplant worden de beginselen van recht, liefde en compassie. De volgende fase, landing in de harde wereldse werkelijkheid, is nog ver.

Het kind groeit op, niet zelden onder veel protest. Maar het moment komt, dat het verder moet. Het zal voor zichzelf moeten gaan zorgen. Lange tijd - achtendertig jaren sinds het vertrek van Sinaj in het verhaal - zijn verstreken. Mirjam sterft, even later Aharon. Mosjee’s dood ligt in het verschiet. Het besef, dat de relatief veilige kindertijd voorbij is, dringt in deze parasja bij het kind door. God trekt zich op een bepaald moment ook terug van direct ingrijpen. Een eerste blijk daarvan doet zich voor als er weer watertekort is. Het kind, intussen al aardig opgeschoten, protesteert weer. ‘De Eeuwige liet slangen los' (Bamidbar/Numeri 21:6), staat er dan letterlijk (jesjalach (2)). Het vrijlaten van de slangen betekent dat de Eeuwige eerder de slangen heeft ‘vastgehouden', aldus de commentatoren. Tot dan toe heeft hij bescherming geboden tegen dit soort gevaren. Nu laat hij de natuurlijke loop van de natuur zijn gang gaan en duiken de slangen op. Nu de volwassenheid nadert merkt het kind, dat de vanzelfsprekende bescherming is weggevallen. De harde realiteit van het leven begint in het oog te komen. Ook zijn Mosjee en Mirjam (door het na haar dood opdrogen van haar waterbron) opgehouden voor water te zorgen. Niet lang daarna ontdekt de adolescent zelf – zonder tussenkomst van Mosjee – een waterbron (Bamidbar/Numeri 21:16-17). Het water staat symbool voor de eigen geestelijke creativiteit, een eigen toegang tot de bron blijkt mogelijk. Hij/zij is niet meer afhankelijk van ouderlijke interventie. De adolescent wordt weerbaarder. De kinderjaren zijn voorbij. Een nieuwe bevalling is in zicht met de bijpassende weeën, die aan het slot van deze parasja en de volgende parasjot zijn beschreven, de confrontaties met andere volken aan de oostelijke kant van de rivier Jordaan.

De rivier de Jordaan is de drempel naar de definitieve aanlanding in de aardse werkelijkheid. In het boek Jehosjoea zullen weer net zoals bij de doortocht door de Rietzee de wateren van de Jordaan weer wijken en een pad vrijmaken naar het beloofde land (Jehosjoea 3). De indaling in de aardse werkelijkheid is nu definitief aangebroken. Israël – de ziel – is afgerond en incorporeert in de stoffelijke materiële wereld. De sage wordt historie. De ziel is beland in persoonlijke lichamelijkheid en daarmee terechtgekomen in de geschiedenis, waar zij lang niet altijd welkom is. De materiële wereld is overweldigend. De veelheid aan vormen en driften is overstelpend. De afleiding is enorm. Het grote vergeten begint. Nu begint het immer durend polair proces van vallen en opstaan om als persoon te midden van ‘the slings and arrows of outrageous fortune’ (3) de spirituele afkomst weer terug te vinden, steeds weer te herinneren dan wel (steeds) weer de verbinding ermee te herstellen en verder te ontwikkelen. (4)

In de boeken, die in de Joodse benaming Neviïem (Profeten) worden genoemd (Jozua, Rechters, Samuel, Koningen e.a.), wordt beschreven hoe het de Israëlieten daarna is vergaan. Maar ook hebben we in onze eigen reis door het leven ons persoonlijke verhaal over de al dan niet ondernomen zoektocht.

Noten

(1) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2, ben ik uitgebreid ingegaan op de ‘fout’  van Mosjee en op de slangen.
(2) Nechama Leibowitz (Studies in Bamidbar, p. 260 ev) wijst erop dat dit een meer correcte vertaling is: want er staat niet de gewone term voor ‘zond' (zoals de HSV vertaalt) – jisjlach – maar een andere (Piel) vorm van deze wortel, jesjalach, wat de causatieve connotatie ‘loslaten', ‘vrijlaten' heeft.
(3) Natuurlijk uit de beroemde monoloog van Shakespeares Hamlet
(4) Ik waag mij als iemand die slechts aan de Kabbala heeft geroken toch aan de volgende gelijkstelling:
Periode tot en met de aanlanding in Egypte: de sfeer van Atsiloet
Periode in Egypte tot en met de doortocht door de Rietzee: de sfeer van Jetsira, tijd van de moeder
Periode in de woestijn: de sfeer van Berija, tijd van de vader
Na de aanlanding in Kena’an: de sfeer van Asija, tijd van volwassenheid


RC juni 2018

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.