Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Lech lecha

Avraham en Paulus

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 12-18 

In de pesoekiem (verzen) Beresjiet/Genesis 12:3,4 ontvangt Avraham (in deze fase van het verhaal nog Avram) zijn eerste zegen van de Ene. Niet alleen wordt Avraham persoonlijk zegen en bescherming toegezegd, hij zal ook een zegen zijn voor anderen, een natie zal uit hem voortkomen en dan de climax: ‘En in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’. Niet alleen voor de joden, ook andere volken en religies is Avraham een inspiratie voor juiste levenswandel en een voorbeeld van geloof.

In Beresjiet/Genesis 15:6 staat het geloof van Avraham nog eens uitdrukkelijk geboekstaafd: ‘En hij vertrouwde (geloofde, zeggen andere vertalingen) de Ene, en dit rekende Hij hem tot ​tsedaka’. In de Joodse Tora-vertaling van Dasberg en die van Onderwijzer wordt tsedaka vertaald als ‘deugd’. In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we ‘rechtvaardige daad’, in de Herziene Statenvertaling staat ‘gerechtigheid’.

Avrahams gerechtigheid komt terug als de apostel Paulus dit vers citeert in zijn zendbrief aan de Romeinen. We lezen: 41 (NBV) ‘Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader ​Abraham? 2 Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3 want wat zegt de Schrift? “Abraham​ vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van ​gerechtigheid​ (Grieks: dikaiosunè) toegerekend”’.

Dat lokte mij tot een korte verkenning in het christelijk gedachtegoed.
De term tsedaka, resp. dikaiosunè, ‘gerechtigheid’ krijgt hier bij Paulus een enorme zwaarte.

Aan de hand van dit begrip is een hele christelijke theologie gebouwd: de rechtvaardiging door het geloof alleen (sola fide). Wat betekent rechtvaardiging in dit verband? Ik betreed nu het gladde ijs van de theologie en probeer waarschijnlijk onvolledig het toch een beetje in mijn eigen woorden te vatten. Rechtvaardiging betekent dat de ziel – met name na de dood – door God als het ware wordt goedgekeurd en niet verworpen.  Paulus stelt, dat niemand in staat is de daarvoor nodige perfectie in het leven te bereiken, hoeveel goede werken je ook hebt verricht en hoezeer je je ook aan de regels van de wet hebt gehouden. Anders en christelijk gezegd, de mens is van huis uit zondig. Hoe onberispelijk je levenswandel ook is, het helpt je geen zier om deel te krijgen aan de genade. Paulus (of misschien Paulus volgens zijn latere verklaarders) moet hebben gedacht, dat zijn mede-joden met hun strikte wetsnaleving leefden in een soort onverlichte staat; ze zetten alle kaarten op het volgen van voorschriften en regels, maar de mens kan die nooit allemaal precies volbrengen met als gevolg een onvermijdelijke zondigheid. Om de mens te behoeden voor het afkeurend eindoordeel en de ellendige gevolgen van dien is het enige medicijn het geloof in Gods goedgezindheid, vergeving, genade zonder meer. Daarom zegt Paulus, dat vertrouwen in God belangrijker is dan wat hij ‘de werken der wet’ – goede daden en wettelijke volgzaamheid - noemt. (1) Hoe weet de apostel dit? Onder andere uit het net genoemde vers over Avrahams geloof. Als goed opgeleide schriftgeleerde haalt hij de Tora erbij. Niet omdat Avraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd (werd zijn ziel behouden in Paulus’ opvatting), niet om zijn verdiensten of zijn mooie karakter, maar louter doordat hij op God vertrouwde; dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. de de zgn. heiden-christenen – het geloof in God voldoende en het is voor het uiteindelijke heil niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt. Voor de niet-Joden gaf dit een veel gemakkelijker toegang tot het nieuwe geloof, dat Paulus zo hartstochtelijk onder hen wilde verbreiden.

Maarrr …. Gods goedgunstigheid is niet zomaar a priori voor iedereen weggelegd. God wilde – aldus een vrije versie van Paulus’ verkondiging –, dat er toch één iemand boete zou doen voor allemaal, Joden en niet-Joden, en degene die zich daarvoor ter beschikking had gesteld was de Jood Jezus. De dood aan het kruis was een bloedoffer ter verzoening met God en het geloof daarin stelde de stichter van het christendom tot een sine qua non voor de toegang tot de goddelijke genade. Waar Paulus aanvankelijk een breed perspectief lijkt te openen op de beschikbaarheid van de goddelijke barmhartigheid en genade voor iedereen, werpt hij opeens een poort op, waar je eerst doorheen moet, zijnde de omarming van het absolute geloof in (Paulus’ interpretatie van) Jezus’ kruisdood als een door God gewild offer. De precieze condities voor de doorgang door deze poort en de status van de heiland als wel of niet zoon van God zullen nog stof opleveren voor tweeduizend jaar heftige theologische discussie.(2)

Bij dit alles is een misverstand gewekt, dat van oudsher in veel theologische debatten heeft rondgewaard, namelijk dat het in het christendom louter gaat om genade en het Jodendom blijft steken in een obsessionele fixatie op regels en goede daden.
Maar genade – het Hebreeuwse woord is chèsèd, liefde, vriendelijkheid, compassie, of soms ook cheen, goedgezindheid – is ook in het Jodendom een centraal begrip.  Het besef, dat het praktiseren van de voorschriften van de Tora en het doen van goede daden op zich niet voldoende kunnen zijn en dat wij per definitie tekortschieten naar de maat van wie we potentieel kunnen zijn en dat we daarom de gift van genade en barmhartigheid niet kunnen missen, is een hoeksteen van het Joodse levensbesef (het woord vertrouwen past beter dan het woord geloof). In de gebeden wordt een beroep op de genade gedaan, zoals in het belangrijke gebed op grote verzoendag, Avinoe Malkenoe: ‘Onze Vader, onze Koning, wees ons goed gezind, antwoord ons, wij hebben geen daden waarop wij ons beroepen kunnen, maar doe ons recht en wees genadig en red ons.’ Zoals ook in het boek Daniel wordt gevraagd, Dan 9:18: ‘Niet omdat wij ​rechtvaardig​ zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan u voor, maar omdat uw ​barmhartigheid​ groot is’. De psalmen zingen over de chèsèd van de Ene. Zij komt in de midrasj en de Rabbijnse literatuur vaak ter sprake (3). De Joden hebben geen behoefte aan een geofferde Galileesche middelaar tussen mensen en de Ene. De genade staat al klaar voor wie haar wil ontvangen. Ommekeer – tesjoeva – is wel een voorwaarde.

Voor de Joden – maar waarom niet: voor alle mensen – geeft tesjoeva de mogelijkheid om zich weer terug te vinden in het licht van goedheid en genade, die voor allen in principe overvloedig en altijd aanwezig en beschikbaar is.
Rabbi Arthur Segal zegt het in vromere termen zo: ‘God neemt zijn genade (grace) nooit van ons weg, Hij keert Zijn rug niet naar ons toe. Wij zijn het die onze rug toekeren naar God en zijn overvloedige genade negeren’. (4)

Noten

(1) b.v. ook Romeinen 3:28: ‘Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken der wet’. 
(2) Pinchas Lapide legt uit hoe Joods Paulus ondanks alles ook is. Hij constateert, dat het een feit is dat het Paulus gelukt is om het geloof in de God van Israël tot aan de einden der wereld te verbreiden. Pinchas Lapide, de rabbi van Tarsus, in ‘Paulus, rabbi en apostel’, 1981, Kok, Kampen.
(3) De zogenaamde toorn, woede, gramschap van de God van het Oude Testament wordt door de oude rabbijnen danig gerelativeerd, zie b.v. Talmoed Berachot 7a: En hoe lang duurt zijn woede? Een moment. En hoe lang is een moment? R. Abin zegt: zo lang als het duurt om rega (moment) te zeggen. En hoe weet je dat hij maar één moment boos is? Omdat er is gezegd in psalm 30:6: Zijn woede duurt een oogwenk, zijn ​liefde​ een leven lang.
(4) Rabbi Arthur Segal op zijn blog

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.