Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Beha’alotcha

Twee bijzondere profeten

Bamidbar/Numeri 8:1-12:15  

door Rob Cassuto

In deze parasja, waarin heel veel gebeurt (1), focussen we op één incident.

Niet lang nadat het volk na twee jaar bij de berg Sinaj is opgebroken en de imposante karavaan van zeshonderdduizend zielen verder de woestijn is ingetrokken bereikt gemopper en gejammer de oren van Mosjee; de eentonigheid van het manna wordt de mensen te veel en met veel misbaar uiten ze hun verlangen naar vlees, vis, augurken, watermeloenen, prei en uien (2). Dat wekt de boosheid van De Eeuwige op. Mosjee belandt in een van de grote crises in zijn leidersopdracht. Hij staat op het punt het bijltje erbij neer te gooien. De Eeuwige negeert de tot Hem gerichte luide klacht (11:11) van de radeloze leidsman en komt met een oplossing. Mosjee moet zeventig vooraanstaande mannen (oudsten) uit het volk kiezen en voor de tabernakel verzamelen; dan zal Zijn geest neerdalen, niet alleen op Mosjee zelf, maar ook op de zeventig oudsten, zodat deze een steun voor de leider kunnen worden.
 
Aldus gebeurt. Mosjee houdt een vlammende en begeesterende toespraak en ‘zodra de geest op hen (de oudsten) rustte begonnen ze te profeteren’. Dat was een eenmalig gebeuren, de profetische spirit bleef niet duren (11:25 ev). Twee mannen in het kamp, Eldad en Medad, begonnen ook te profeteren, hoewel ze niet bij de zeventig oudsten – wel het eerste Sanhedrin (religieus hooggerechtshof) genoemd - waren. Ze stonden wel op de lijst van uitverkorenen, maar waren niet naar de bijeenkomst gegaan en in het kamp gebleven. Waarom waren ze dan niet gegaan en waarom waren de twee desalniettemin met de gave van profetie bedeeld? De midrasj legt het als volgt uit (3): oorspronkelijk waren uit iedere stam 6 oudsten gekozen, dat maakt 72. Maar de Eeuwige had 70 verordonneerd. Eldad en Medad achtten zichzelf niet waardig en boden aan om niet mee te gaan naar deze belangrijke bijeenkomst. Ze offerden deze eer op om zo van de tweeënzeventig tot de vereiste zeventig te geraken. Vandaar dat ze alsnog om hun nederigheid beloond werden met een profetische gave. Omdat van de oudsten wordt gezegd, dat de profetische gave ophield, maar bij Eldad en Medad daarover niet wordt gerept, nemen de verklaarders aan, dat hun gave voortduurde tot hun dood. Jehosjoea (Jozua) vond dit ‘ongeautoriseerde' profeteren in het kamp maar niks en maande Mosjee om dit Eldad en Medad te verbieden. Maar Mosjee juichte het juist toe: hij antwoordde Jehosjoea (HSV 11:29): ‘Zet u zich voor mij in? Och, waren allen van het volk van de Eeuwige maar ​profeten, dat de Eeuwige Zijn Geest over hen gaf!’.

Samson Raphael Hirst (19e eeuw) (4) wijst op een onvermoede maar ingrijpende betekenis rond de uitspraak van Mosjee, dat Eldad en Medad evengoed recht hadden op hun gave en een voorbeeld waren voor de anderen. Daarmee legt Mosjee volgens de geleerde grondlegger van de moderne orthodoxie voor alle tijden vast, dat er geen monopolie bestaat op geestelijke en spirituele gaven, dat die niet afhangen van maatschappelijke positie of beroep en dat de laagste in rangorde evenveel recht heeft op Gods gaven als de allerhoogste in rang. ‘Met zijn uitspraak “zet u zich voor mij in?” – ha-mekanè ata li? – heeft Mosjee de scheidingsmuur doorbroken tussen de “intellectuelen” en de “lagere klassen”, tussen de geestelijkheid en het lekendom, voor altijd in Israel’, aldus Hirsch. Daar mogen we het mee doen.

Het zal niet verrassen, dat de geleerden zich hebben afgevraagd: wat profeteerden die Eldad en Medad dan precies? De wijzen uit de Talmoed hadden ieder een eigen mening daarover. (5): ‘Rabbi Sjimon zei: Mosjee zal sterven en Jehosjoea zal Israel in het land brengen. Abba Chanin zei op gezag van Rabbi Eliezer: het ging om de kwartels, ze zeiden: ‘stijg op, kwartels, stijg op!’ Rabbi Nachman zei: hun profetie ging over Gog en Magog. Gog in het land van Magog is de oppervorst, die volgens het in schrille en barokke beelden geschetste visioen van de profeet Jechezkel (Ezechiël) aan het eind der tijden Israel massaal zal aanvallen en door de Eeuwige vernietigend zal worden verslagen. (6)

Hirsch typeert de onheilspellende figuur van Gog als de extreme vorm van dictatuur die de eindtijd zal kenmerken, een eenhoofdig gezag, waarin alle macht is verenigd. Is deze absolute onderdrukker eenmaal verslagen, dan zal het tegenovergestelde principe van de democratie zegevieren (in het visioen van Jechezkel vertegenwoordigd in de stad Hamona, ‘menigte’ (7)). Een mooie gedachte, aldus Hirsch, dat Eldad en Medad, de bescheiden en nederige mannen die de officiële posities van macht afwezen, juist de voorspellers zouden zijn geweest van een ideale democratische verre toekomst, waar het centrum van welzijn niet zou berusten in een tent van de samenkomst (tabernakel) of in een legerkamp, niet in een absolute heerschappij à la Gog, maar bij de mensen zelf, bij de massa, de menigte, hamon.

Noten

(1) In mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, heb ik in drie commentaren andere aspecten van de parasja Beha’alotcha behandeld.
(2) In het commentaar van Nechama Leibowitz – Studies in Bamidbar, p.94 ev – wordt ingegaan op dat verlangen naar vlees, vis, augurken etc. en beschrijft ze de bijna Freudiaanse opvatting, dat het hier voedselbeelden betreft, die een verlangen van de nu door de Tora gebonden Israëlieten dekken naar de seksuele losbandigheid, die onverantwoordelijke slaven in Egypte zich konden veroorloven
(3) Sifrei Bamidbar 95:2, Rabbeinu Bahya ad Bamidbar 11:25:2
(4) Samson Raphael Hirsch, The Pentateuch, vol IV, Numbers, ad 11:29, p. 184 ev
(5) Talmoed Sanhedrin 17a
(6) Hoe komt Rabbi Nachman daarbij? R. Nachman haalt als ‘bewijs’ voor zijn stelling over de profetie van Eldad en Medad een passage uit de profeet Jechezkel aan (Jechezkel 38:17): “Dit zegt God, de Eeuwige: Ben jij de man (Gog) van wie ik in het verleden, vele jaren (sjaniem), bij monde van de ​profeten​ van Israël, mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem (Gog) zou sturen om de Israëlieten aan te vallen?” Maar waar zit dat bewijs dan? Dan zegt de talmoedgeleerde via een wat geforceerde talmoedische speling met de Hebreeuwse woorden: ‘je moet niet lezen sjaniem -  ‘jaren’ - , maar sjnajiem – ‘twee’ – ‘. Welke twee profeten waren dat? Natuurlijk Eldad en Medad!.
(7) Jechezkel  39:16: En Hamona is ook de naam van een stad. Zo zullen zij het land ​reinigen.

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.