Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Bo 

Een hart dat open is leert   

Sjemot/Exodus 10:1 - 13:16 

door rabbijn Arnold Eisen, rector van het Jewish Theological Seminary *)

De Farao krijgt niet veel sympathie van de Tora en dat verdient hij ook niet. De oppermachtige koning van Egypte heeft zich net een keer te vaak met hardheid afgekeerd van de Jisraelitische slaven (en, mogen we aannemen, niet alleen van hen). Er zijn dingen waarover hij weigert na te denken, emoties die hij niet kan voelen en mogelijkheden die hij niet in overweging wenst te nemen. Nu heeft God „[farao’s] diens hart versteend en dat van zijn hovelingen”, om hen en de hele wereld de pijnlijke en moeilijke les te leren waar de macht zich werkelijk bevindt. Ik denk dat we, om die les te verstaan, moeten proberen de Farao te begrijpen. De sleutel tot de les die God en de Tora willen leren ligt in zijn „verharde”, „sterke” en „zware” hart.

Wie is deze man? De eerste aanwijzing die we krijgen is dat hij niet is als de eerdere Farao in het Exodusverhaal: in het geheel niet de soort leider (zijn vader?), de grondlegger van het systeem van onderdrukking waarvan deze Farao de erfgenaam is. Tegen de tijd dat hij regeert is het regime van kwaad grondig ingeburgerd. Het is zijn taak om dit te handhaven. Je zou hem een routineuze despoot kunnen noemen; een manager en helemaal geen creatieve of doelgerichte leider. Zijn totale gebrek aan politieke verbeeldingskracht zal fataal blijken te zijn.

En dan is daar Mosjé, een bekende aan het hof, die spreekt uit naam van een God die Farao niet herkent en ook niet kan herkennen. De staatsgodsdienst van Egypte staat dat niet toe, evenmin als de spelregels van de machtspolitiek dat doen. Stel dat de Farao zijn slaven zou toestaan op vakantie te gaan om een eredienst in de woestijn te houden - en dan nog wel om een vreemde godheid te aanbidden - wie weet wat voor schade dat aan de economie en de staat zou doen? De koning weigert in te gaan op of  te onderhandelen over Mosjé’s eisen. Hij zal Jisraels verwachtingen er met brute kracht uit slaan.

Derhalve moet God zijn almacht aan de Farao bewijzen, in plaats van die slechts te laten gelden. „Elke staat is geworteld in macht”, zei Trotski. De Farao vertegenwoordigt en verpersoonlijkt de essentie van de logica van macht.

God daagt deze macht uit – en leert de machthebbers een les – via een serie van plagen die geleidelijk in kracht toenemen: van irritatie en hinder tot lichamelijk letsel en dood. Elke plaag volgt na een specifieke waarschuwing, zodat de hele serie niet kan worden toegeschreven aan toeval, noodlot of de natuur. Uiteindelijk wordt het duidelijk – zelfs de Farao ziet dit in -  dat de plagen het werk zijn van de God van de Natuur - nu ook actief in de geschiedenis van de mensheid, op een manier zoals niet eerder is vertoond. Het is een duidelijke les: de wetten van de politiek moeten veranderen, want die van de godsdienst zijn veranderd. De Farao weigert beide veranderingen te onderkennen. Hij probeert ze beide te verhinderen door een combinatie van manipulatie, afdingen en brute macht.

De Farao onderhandelt op onregelmatige momenten, onvoorspelbaar en weifelend. Hij „verhardt zijn hart” en blijft bij zijn ingenomen standpunt, doet vervolgens  concessies, waarop hij daarna terugkomt, totdat God de macht gaat uitoefenen over het hart van de Farao en ervoor zorgt dat diens hart onbuigzaam blijft. Uiteindelijk reageert de Farao op de hagelplaag door toe te geven: „Ik heb deze keer gezondigd. J-H-W-H is rechtvaardig. Ik en mijn volk zijn de slechterikken.”

De tekst maakt duidelijk dat de vorst nog even harteloos is; zodra de plaag voorbij is vervalt de Farao meteen weer in zijn rol. Hij handelt met „een verhard hart”. Ons wordt niet verteld of hijzelf of God deze keer zijn gevoelloosheid hebben doen ontstaan. Daar gaat het nu om: de man die Jisrael niet laat gaan en die Egypte met ijzeren vuist regeert, kan er niet langer zeker van zijn dat hij feitelijk baas is over zijn gevoelens, dat hij zelf de politiek voor Egypte bepaalt, en dat hij het scenario schrijft voor het verhaal. We weten dat Farao’s rol is uitgespeeld en hij beseft dat waarschijnlijk ook zelf.

Hier is sprake van een leider die niet kan leiden, van een heerser die zich niet aanpast aan de nieuwe werkelijkheid, die de gegevenheden van zijn systeem niet heroverweegt, de feiten niet onder ogen ziet en het geweeklaag niet hoort; daardoor kan hij niet langer met succes regeren. Daarom begint parasja Bo, denk ik, met de opdracht van God aan Mosjé om naar Farao te komen (en niet, zoals vaak vertaald wordt, naar Farao te gaan). De voorgaande scene vervaagt als het ware, terwijl onze blik strak gericht is op deze nogal tragische figuur, die in toenemende mate wordt opgeslokt door de schaduw. Het verhaal houdt onze aandacht nog even vast, kijkend naar hem op zijn totaal lege toneel. God is daar eveneens aanwezig en duidelijk degene die nu de touwtjes in handen heeft. Mosjé komt het toneel op, waar wij al gekluisterd naar zitten te kijken.

Het blikveld van de Farao is gekrompen tot het koninklijke vertrek. Hij kan niet verder kijken dan deze kamer; hij kan zich met geen mogelijkheid voorstellen dat er meer is dan die paar basisregels van de machtspolitiek, waarmee hij werd opgevoed, zelfs niet nadat hij zich heeft gerealiseerd dat die regels hem niet kunnen redden. De hemel staat op het punt te worden verduisterd door sprinkhanen en het licht zal weldra totaal verdwijnen. En nog onderhandelt de Farao met Mosjé: Jij kunt vertrekken en je kinderen mogen met je mee, maar niet jouw vee.

Deze laatste woorden komen ons onbegrijpelijk voor. De essentie van Sjemot [Exodus] was immers het brengen van een offer aan God. Opnieuw wil de tekst dat wij ons inleven in wat er in het hart van de Farao omgaat, om zo Gods bedoeling beter te kunnen doorgronden. Het is alsof de koning tot Mosjé zegt:  ‘Ga gewoon weg. Dat is toch wat je wilt? Dat hele offeren was slechts een voorwendsel. Wat jij wilt is vrijheid. Geef het toe en ga weg.’ Hij heeft het deels bij het rechte eind… en zit er toch volledig naast. De essentie van de nieuwe politiek die hier door God wordt geïntroduceerd is juist dat politiek niet los kan worden gemaakt van geloof en verbond. God wordt niet alleen in Sinai aanbeden, maar betrokken bij het vestigen van een rechtvaardige rechtsorde op aarde. Slaven van de Farao moeten dienarenvan God worden. En het feit dat de woorden voor ‘slaaf’ en ‘dienaar’ in het Hebreeuws dezelfde kern van drie letters hebben, net als het woord dat wordt gebruikt voor verering/dienst aan God, is betekenisvol; deze kernbetekenis transformeert de politiek, verandert de godsdienst en breng een nieuwe relatie tussen politiek en godsdienst tot stand.

In Gods nieuwe bestel bestaat de godsdienst niet om de staatsmacht te dienen.

Koningen zijn niet goddelijk. Geen status quo is heilig. Deze God geeft om gerechtigheid en medegevoel, en werkt in de wereld samen met menselijke partners om samenlevingen te creëren die op gerechtigheid en compassie zijn gegrondvest. De Jisraelieten verlaten Egypte om God in Sinai te aanbidden, zoals Mosjé steeds heeft gezegd, maar die verering is bepalend voor het instellen van een nieuwe orde die veelomvattender is. De Jisraelieten zullen offers brengen aan hun God in plaats van aan die van de Farao. 

De klassieke vraag, waar we in deze sidra niet omheen kunnen, is hoe God de Farao rechtvaardig kan straffen voor besluiten waarop God controle uitoefent door het hart van de koning te verharden.  Ik heb de indruk dat de Farao, zoals zo veel andere mensen, de gevangene wordt van de opeenstapeling van zijn keuzes. Hij kan tot op zekere hoogte er andere inzichten op na houden, maar daar niet meer naar handelen. Hij houdt al zo lang zijn oren dicht voor het lijden, dat hij het op een dag niet meer hoort. Enige keuzes resten hem zelfs nog tot op het laatst – hoewel hij die niet kan waarnemen. Zijn verstarde hart zit in de weg.

Had de Farao berouw kunnen tonen, zoals de stad Ninevé en zijn heerser ten tijde van Jona? Had ook de Farao de goddelijke macht kunnen onderkennen zonder J-H-W-H te kennen? Had hij kunnen besluiten dat zijn regeringsbeleid een andere koers moest inslaan, dat zijn eigen gezag veeleer afhing van breken met het regime dat zijn voorgangers hadden opgelegd dan juist dat opleggen? Veel heersers zijn van koers veranderd. Zo’n verandering heeft hun vermogen om te regeren veilig gesteld.

Had de Farao zijn hart de ruimte moeten geven om te treuren over al het lijden om hem heen? Had hij zijn geest vrij moeten laten en kennis moeten nemen van wat zijn hart hem leerde, opdat hij had kunnen heroverwegen de economie, de machtsstructuur van de staat en de staatsgodsdienst om te vormen en stappen daartoe te nemen?

We weten niet wat de Farao had kunnen doen; de tekst zegt ons er niets over. Ik vind het belangrijk te kijken welke wegen de Farao niet is ingeslagen. Niet alleen omdat daarmee de man de mogelijkheid tot keuze en handelen terug wordt verleend, en hem medelijden kan worden ontzegd - als zou hij op tragische wijze gegijzeld zijn door het lot -, maar ook omdat dit elke leider van een staat, iedereen die beslissingen neemt, in welke situatie dan ook – dat wil zeggen wij allemaal – eraan zou moeten herinneren dat het hart niet onnadenkend of ongevoelig mag blijven, niet doof voor lijden of afgesloten voor ervaringen. Alleen zo voert de Uittocht naar Sinai en leidt Sinai naar de verlossing van de wereld. 

*) 

Het Engelse origineel

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.