Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de sidra (of parasja) Bemidbar is toegevoegd. 

Shabbat Machar Chodesh 

I Samuël 20:18-42 

Gewone Jaren  Hosea 2:1 - 2:22 (1)

Mannenvriendschap

door Rob Cassuto

Dit jaar valt de sjabbat op de dag voor de eerste dag van de nieuwe maand (Rosj Chodesj), het is Sjabbat Machar Chodesj (letterlijk: sjabbat morgen nieuwe maand) en dan wordt niet de reguliere haftara gelezen maar I Samuël 20:18-42, het prachtige verhaal over de grootste mannenvriendschap in de hele Tanach.

Al bij hun eerste kennismaking was het raak. Toen de jonge David na het verslaan van de reus Goliat bij koning Saul (Sjaoel) en diens zoon Jonatan (Jehonatan)  kwam, het hoofd van de Filistijn nog in de hand, ‘werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David en Jonatan hield van David als van zichzelf ‘(1 Sam 18:1). David werd opgenomen in het gevolg van de koning en bleek een rijzende ster te zijn in allerlei militaire ondernemingen tegen de Filistijnen.

Naarmate de populariteit van de jonge legeraanvoerder bij het volk steeg vatte een groot wantrouwen bij de koning post: David was vast van plan hem van de troon te stoten. Toen de ook muzikaal begaafde David de melancholieke koning met harpspel in een betere stemming trachtte te brengen wierp de koning plotseling een speer naar de muzikant, die deze maar net kon ontwijken; een boze geest was in de koning gevaren. Nu zouden we zeggen, een ongeneeslijke paranoia kwam over hem.  

Dat was het begin van een reeks pogingen van Saul om David te doden, hoewel de man daartoe geen aanleiding gaf, zoals zijn vriend Jonatan aan zijn vader Saul trachtte uit te leggen. Dat leidde ertoe dat David zich schuil moest houden op een plek buiten de stad. Hij vroeg de hulp van Jonatan om uit te zoeken of de koning het werkelijk op zijn leven had voorzien. De prins zegde zijn medewerking toe.

Hier begint de haftara met vers 18, waarin  - zie het verband - de nieuwe maan wordt vermeld: ‘Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwe maan (machar chodesj); dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn’. Op de eerste dag van de nieuwe maand zat de koning immers altijd met zijn staf aan een feestmaal aan. Rondom dit gegeven werd een plan gesmeed. David was er deze nieuwemaansdag dus niet bij. Op de tweede dag van het nieuwemaansfeest merkte de koning dat David alweer afwezig was en vroeg een verklaring.  Jonatan zei volgens plan: David was op familiebezoek in Betlehem. De vrienden hadden afgesproken: als de koning dit zou accepteren was er niets aan de hand, als hij razend zou worden zou het duidelijk zijn: David was ten dode opgeschreven. Het laatste was het geval: de koning kreeg een woedeaanval, viel uit tegen Jonatan en beval David onmiddellijk op te sporen. Jonatan ging de volgende dag de stad uit en schoot drie pijlen af op een rots in de buurt van Davids schuilplaats. Als er geen gevaar voor David zou blijken te zijn zou hij naar de schildknaap die de pijlen moest oprapen roepen: dichterbij! Was Davids leven in gevaar dan zou hij roepen: verder weg! Dat laatste deed hij dus nu Sauls voornemen duidelijk was: David moest vluchten voor zijn leven. Toen de schildknaap was weggestuurd kwam David tevoorschijn, hevig geëmotioneerd.  (20:41) ‘Hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande’.
Zo namen ze afscheid van elkaar, zworen elkaar nog eenmaal trouw en hebben elkaar nooit meer gezien.

David heeft daarna jarenlang een leven geleid als een niets en niemand ontziende roverhoofdman van een bende getrouwen met wie hij vele plundertochten ondernam. Af en toe zette Saul de jacht op zijn vermeende concurrent weer voort, maar hij kreeg hem nooit te pakken. Jonatan bleef zijn vader trouw. Jaren later verloor Saul een grote slag tegen de Filistijnen, waarbij hij sneuvelde. Ook Jonatan kwam daarbij om het leven.

Toen David daarvan hoorde hief hij een klaagzang aan over Saul, de koning die hij ‘als gezalfde door de Eeuwige’ altijd heeft willen respecteren en ondanks vele kansen daartoe nooit heeft willen doden.

Maar het diepste verdriet betrof Jonatan (2 Sam 1.25):
Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

De vriendschap tussen David en Jonathan oversteeg de gewone vriendschap, die toch meestal berust op gedeelde belangen, lotgenootschap, aantrekkingskracht of sympathie. Jonathan had geen enkel voordeel van David, integendeel als kroonprins had hij eerder van David voor zijn positie te vrezen. Het was een zielsverwantschap die boven alle belangen uitsteeg en die je zelden aantreft. Het deed mij denken aan de vriendschap van Michel de Montaigne (1533-1592) voor Etienne de La Boétie, ‘een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor valt te bekennen. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is, als zoiets eens in de drie eeuwen voorkomt’, zegt hij in zijn bekende essay ‘Over vriendschap’.(3) De erudiete Montaigne dist een aantal voorbeelden uit de klassieke oudheid op, maar verwonderlijk is dat hij de liefde van David en Jonathan onvermeld laat.

noten

(1) De parasja Bamidbar gaat voornamelijk over de volkstelling die Mozes houdt alvorens op te breken en verder de woestijn in te trekken. De eerste woorden van de reguliere haftara – in dit geval Hosea 2:1 - 2:22 – bij de parasja sluiten daar mooi bij aan (2:1):Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet meer,” zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd’. De verzen gaan verder met de metafoor van de ontrouwe vrouw, die Israël is.
Commentaren op de parasja Bamidbar zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Aldus zegt de Herziene Statenvertaling. ‘Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande’, zegt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat vermannen en wie zich vermant is een problematische vertaling. Het Hebreeuws zegt: ad Dawied higdiel. Het is dus David, die ‘higdiel’, wat elders wordt vertaald met dat David Jonatan in huilen overtrof. Zie ook de Engelse vertaling op sefaria.org en Strongs Hebrew op biblehub.com. De Oude Statenvertaling zegt: tot dat het David gantsch veel maeckte.
(3) Michel de Montaigne, Over vriendschap, vertaling F. de Graaff, in de Revisor,
jaargang 18, p. 90 ev
. Zie ook dit citaat uit het essay: ‘Onze zielen zijn zo eensgezind samen hun weg gegaan en hebben elkaar met zoveel innige genegenheid bezien en elkaar met dezelfde gevoelens tot in het diepst van hun innerlijk doorschouwd, dat ik hem niet alleen even goed ken als mijzelf, maar, waar het mijzelf betreft, nog eerder op hem dan op mijzelf afga’.

RC 2020