Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de sidra (of parasja) Wajikra is toegevoegd. 

Jesaja 43:21-44:23 

Een opschorting van het normale strakke

regime van offerrituelen?

door Rob Cassuto   

We leven momenteel in een uitzonderlijke periode. Onder invloed van de corona crisis zijn we aan huis gebonden. Straten zijn verlaten. Ouderen als het ware gevangen in hun appartement. Zij die tot de vitale beroepen behoren werken zich een slag in de rondte om levens te redden. Vele mensen uit het MKB maken zich grote zorgen. Kerk- en sjoeldiensten zijn opgeschort. Eigenlijk zijn we min of meer ballingen in eigen land. Het bespreken van een haftara die betrekking heeft op een situatie van 2500 jaar geleden lijkt opeens een futiele zaak. Maar in het beeld van ballingschap ligt misschien een link met de haftara van deze week.

Het gaat om dat deel van Jesaja (Jesjajahoe), dat vermoedelijk is geschreven door een tweede Jesaja (zg deutero-Jesaja) die twee eeuwen later leefde dan de eerste Jesaja. Hij verbleef in ballingschap in Babylonië, het grote rijk dat toen al wankelde onder de aanstormende Perzen en Meden. De Joden konden in Babylon hun normale rituelen in de tempel niet verrichten. Het is niet zeker in hoeverre de Babylonische heersers de Joden vrijlieten in andere aspecten van hun godsdienstoefening.(1)

Tegelijk waren die 70 jaren ballingschap een kweekbed voor vernieuwing. Geleerden herinnerden zich de oude verhalen, herlazen oude geschriften, bespraken ze en redigeerden ze tot een bruikbaar boek. Een van hen was Ezra, die de hand zou gaan hebben in de totstandbrenging van een gezaghebbende versie van die geschriften, ongeveer die wij nu kennen als de Tora. Intussen verlangden de ontheemde Joden hevig naar normalisatie van hun situatie, dat wil zeggen om terug naar huis, naar Judea, te gaan en hun normale leven weer op te pakken, het land te gaan bewerken en hun stad en tempel weer op te bouwen.

Jesaja voorzag de val van de machthebbers die hen verbannen hielden en voorvoelde dat een massale terugkeer van de joodse ballingen naar huis op komst was. Zo’n tweede exodus bezingt hij in de verzen die voorafgaan aan het gedeelte dat is gekozen voor de haftara (het zou ook een haftara kunnen zijn, gezien het binnenkort aanstaande Pesach).
De haftara begint met verzen die betrekking hebben op het nalaten van de tempeloffers – en hier ligt waarschijnlijk het verband met de parasja Wajikra (Leviticus/Wajikra 1:1 – 5:26) (2) die ook gaat over de verschillende offers, die in de tabernakel verricht moeten worden. Zo staat er in vers 43:23 van de haftara:

43:23: U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het
graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met
wierook.

Ik denk, dat het hier niet een verwijt betreft. Immers in de ballingschap was er geen tempel voorhanden, waar offers konden worden gebracht. In dit vers gaat het meer om een constatering.  Dat maakt dan logisch dat er staat in vers 43:25

 Ik, Ik (Anochi, Anochi) ben het Die uw overtredingen uitwist omwille van Mijzelf, (dwz niet om jullie verdiensten) en aan uw zonden denk Ik niet.

Je zou dit kunnen opvatten als een divine dispensatie, een opschorting van het normale strakke regime van offerrituelen, iets waartoe een toestand van ballingschap aanleiding geeft. Het gaat immers niet om de rituelen en de offers. Hier uit zich een voorbode van het inzicht, dat de Ene geen offers nodig heeft (3).

Waar gaat het dan om? Al in het eerste hoofdstuk van het boek Jesaja staat een antwoord:

1:16 Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de ​weduwe!

Noten
(1) De profeet Jeremia bepleitte aanpassing aan de situatie waarin ballingen zich bevinden in zijn brief aan hen Jer 29:7: Zoek de ​vrede​ voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. ​Bid​ ervoor tot de Eeuwige, want in haar ​vrede​ zult u ​vrede​ hebben.
(1) Commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Sowieso was de God van de ‘eerste Jesaja’ al geen enthousiast voorstander van offers.
Jesja 1:11 Waartoe dienen voor Mij uw vele ​offers?
 zegt de Eeuwige
Ik heb genoeg van de ​brandoffers​ van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het ​bloed​ van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.

beSjalom, Blijf gezond

RC 26-03-2020

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.