Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Tetsawee 

Een prachtige uitdossing 

door Rob Cassuto

Sjemot/Exodus  27:20 - 30:1

Parasja Tetsawee beschrijft heel exact Aharons hogepriestergewaad en het te volgen ingewikkelde ritueel voor de inwijding van hem als hogepriester en zijn zonen als priester. In groot detail wordt het gewaad van Aharon met al zijn toebehoren beschreven. Lees eens aandachtig met hoeveel precisie op vele bladzijden deze prachtige uitdossing wordt beschreven. Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest om de hogepriester gekleed te zien.

Over de onderkleding en de blauwe mantel draagt Aharon de efod, een soort veelkleurige en rijkgeborduurde kunstig geweven overgooier, om de lendenen een mooi bestikte gordel; voor de borst heeft hij de 'chosjen miesjpat', een soort vest met daarop de twaalf edelstenen, die de twaalf stammen van Jisraël symboliseren. Op dit vest rust een buidel waarin de orakelstenen Oeriem en Toemiem rusten. Op het hoofd van de hogepriester rust een hoge tulband en een diadeem omspant het voorhoofd. (1)

Een anekdote uit de Talmoed (2) vertelt hoe een niet-Jood eens deze beschrijvingen van de hogepriesterkleding hoorde voorlezen, toen hij de studiezaal van Joodse studenten passeerde. Het was in de tijd van de milde meester Hillel en de strenge meester Sjammai rond het begin van de gewone jaartelling. De stem van de leraar die Tora onderwees reciteerde juist het vers Sjemot Exodus 28:4: Dit zijn dan de ​kledingstukken​ die zij (de Israëlieten) moeten maken: een ​borsttas, een efod, een ​bovenkleed, een ​onderkleed​ van bewerkte stof, een ​tulband​ en een ​gordel etc’. De niet-Jood vroeg: voor wie zijn deze kledingstukken bestemd? De leerlingen antwoordden: voor de Hogepriester. De Man dacht, dat wil ik ook wel, ik zal me bekeren en dan zullen ze me wel willen benoemen tot Hogepriester. Hij ging naar de beroemde leraar Sjammai en zei: bekeer mij en benoem me dan tot Hogepriester. Sjammai joeg hem met zijn ellemaat weg van zijn erf. Toen ging hij naar de even beroemde Hillel en Hillel bekeerde hem. Maar Hillel zei wel tot de bekeerling: is het niet gebruikelijk in de wereld, dat alleen wie de procedures van het koningschap kent tot koning wordt benoemd? Ga heen en leer de procedures door Tora te gaan studeren. Dat deed hij en hij ging de geschriften lezen. Toen hij kwam bij het vers in Bamidbar/Numeri 1:51, ‘En de gewone man (zar) die te dichtbij (de heilige objecten van de tabernakel en het hogepriesterambt) komt, moet ter dood gebracht worden’, vroeg de bekeerling, op wie slaat dit vers? En Hillel zei, zelfs op David, de koning van Israël. De bekeerling redeneerde hierop verder bij zichzelf: als het Joodse volk kinderen van de Eeuwige worden genoemd en de Eeuwige zijn liefde betuigt door te zeggen: Israel is mijn eerstgeborene, mijn zoon (Sjemot/Exodus 4:22) en er niettemin ten aanzien van hen is bepaald, dat de gewone man die te dichtbij de tabernakel komt wordt gedood, hoeveel te meer zal dat gelden voor mij, die bij hen komt zonder verdienste en met alleen een wandelstok en een knapzak. De bekeerling ging weer naar Sjammai en vertelde dat hij op zijn sollicitatie naar het ambt van Hogepriester terugkwam. En hij ging naar Hillel en zei hem: Hillel, geduldig mens, moge zegeningen rusten op uw hoofd, omdat u mij hebt gebracht onder de vleugels van de goddelijke aanwezigheid (sjechina).

Laten we eens uit deze anekdote een paar inzichten proberen te destilleren. Wat mij betreft zou dat dit kunnen zijn:
De niet-Joodse man is betoverd door de uiterlijke pracht van het priestergewaad. Door de pracht en praal van het ritueel wordt hij aangelokt. In een vlaag van ijdelheid wil hij als het ware zijn ego ermee aankleden, een herkenbare menselijke neiging.

Rabbi Hillel laat zich door het potsierlijke verzoek van de man niet van de wijs brengen, zoals zijn kortaangebonden collega Sjammai wel doet, en ziet onder de menselijke ondeugd een authentiek verlangen. De wijze meester heeft weet van geduld en empathie. (3)

De verse bekeerling ontdekt, dat het in wezen niet gaat om de indrukwekkende mooi opgesierde aankleding, maar hij beseft gaande zijn studie en reflectie, dat een prachtige uitdossing, een indrukwekkend uniform, niets voorstelt als de drager het niet beleeft als een nederige poging het sublieme te benaderen of op zijn minst (wat meer seculier uitgedrukt) als de uitdrukking van een boven zijn individuele persoon uitgaande opdracht in het geheel van de samenleving. Anders is hij niet meer dan een ijdele windbuil. Aharon droeg zijn gewaad niet als de persoon Aharon voor eigen meerdere glorie, maar als Jisraël, als een sjaliach tsiboer, een afgezant van de gemeenschap naar de Eeuwige. Zonder deze missie en het besef daarvan is de schitterende uitdossing niet meer dan een zielige lege huls. Naakt gaan wij uiteindelijk het leven uit, zoals misschien juist daarom uitdrukkelijk wordt vermeld in de Tora (4), dat, als Aharon voor de drempel van de Eeuwigheid staat, de Eeuwige aan Mosjee beveelt: ‘En trek ​Aharon​ zijn kleding uit en trek ze ​Eleazar, zijn zoon, aan, want ​Aharon​ zal daar (op de berg Hor) sterven’.

In feite ontdekt de niet-Joodse man wat nederigheid is, in de zin van de Moessar (anava), hij krijgt weet van zijn juiste plaats in de kosmos van de samenleving, waar hij is toegetreden.

Noten
(1) Over de verhouding tussen de broers Mosjee en Aharon zie mijn commentaar op deze parasja in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, p. 152 ev
(2) Talmoed Shabbat 31a, waarin meerdere anekdotes over hoe het geduld van Hillel op de proef wordt gesteld
(3) welke karaktertrekken in de Joodse leer van morele en spirituele ontwikkeling, de Moessar, optreden onder de naam savlanoet en chesed. Zie een beknopte inleiding in Moessar op mijn website robcassuto.com
(4) in Bamidbar/Numeri 20:26

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.