Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Nitsaviem-Wajelech  

Het begin van de wijsheid


door Rob Cassuto

Devariem/Deuteronomium 29:9-31:30   

De parasja Nitsaviem wordt in de meeste (niet-schrikkel) jaren tezamen met de parasja Wajelech gelezen. De tekst begint met: ’Hier bent u allen nu bijeen (nitsaviem), ten overstaan van de Eeuwige, uw God: de stamhoofden, de ​oudsten, de ​schrijvers, alle mannen, vrouwen en ​kinderen​ van Israël, en alle ​vreemdelingen​ die als houthakker of ​waterputter​ in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het ​verbond​ dat de Eeuwige, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden’.

Heel Israel, van hoog tot laag, mannen, vrouwen en kinderen (ik zie de vrouwen met kleuters om hen heen en baby’s op de arm), stamhoofden maar ook waterputters, staan in onafzienbare scharen voor Mozes, en als het ware ook voor de Eeuwige. Hajom, vandaag, dat wil zeggen toen, maar ook nu heden ten dage nog steeds.

Binnenkort is het Rosj Hasjana en Jom Kipoer en staan ook wij weer daar tezamen in grote schare in sjoel.  Ervaren wij als schare voor Zijn aangezicht nog hetzelfde als toen?
Kent de ervaring en de perceptie van het Altijdzijnde een (r)evolutie?

Enkele dagen geleden is een bekende protestante theoloog overleden, Harry Kuitert, een man die vanuit de gereformeerde orthodoxie zich ontwikkelde tot theoloog, die uiteindelijk tot ontsteltenis van de gereformeerd-protestante wereld bekende: God bestaat niet. Van hem zijn de in protestante kringen beruchte woorden:
‘Al het spreken over boven komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - een slogan, die voor velen klonk als een vloek en die voor anderen een bevrijding uit een orthodox keurslijf betekende. Voor Kuitert – als je hem ziet spreken in een interview op zijn 80ste verjaardag een intens religieus man -  betekende het dat de verhalen in de bijbel over God niet betekenisloos zijn, maar ze zijn wel door de menselijke geest gemaakt en geschreven.

In de Joodse sfeer wordt er naar mijn indruk niet zoveel gediscussieerd over of God (of de Eeuwige of Hasjeem) nu wel of niet bestaat. Het lijkt wel of het bestaan van de Eeuwige niet ‘im Frage’ is. Zelfs al zingen de sjoelgangers een dienst lang ‘Adonai Elohenoe’, Eeuwige onze God, over Hem wordt na de dienst bijna nooit gesproken .

Het doet mij denken aan die witz van de rijke Joodse New Yorker, al lang niet meer ‘observant’, die de beste school van de stad voor zijn zoon wilde. Hij stuurde hem naar het katholieke Trinity College. Na een jaar vroeg hij zijn zoon, wat leer je daar nou allemaal? De zoon zegt, nou over de Heilige Drie-eenheid van God de vader, de Zoon en de Heilige geest.
Vader: ‘ik haal je direct van die school af: God is één, hoor je, al geloof ik niet in hem!’.

In de Joodse sfeer ligt het discours over God misschien anders dan in het christendom, en moet hij anders gevoerd worden, maar de ‘slogan’ van Harry Kuiterts geeft ons toch een uitgangspunt. Als al het spreken van beneden komt, ook het spreken dat het van boven komt, hoe zit dat dan met het feit, dat uit de natuur (in de zin van Spinoza) een wezen voortkomt, dat het over ‘boven’ kan hebben en  zichzelf dit antwoord kan geven?

We kunnen het met Kuiterts antwoord deels eens zijn: de verhalen van de bijbel en ook van de Exodus en Sinaj zijn door mensenhand geschreven. Het zijn verhalen geworden, die Israël en later nog andere volken een basis hebben verschaft om een samenleving sturing en richtlijnen te geven, succesvolle verhalen, die in hun eeuwenlange geschiedenis vele andere verhalen hebben overleefd (je zou bijna zeggen succesvolle ‘memen’ in de zin van de atheïst Daniel Dennett), al verkeren ze heden wel in de gevarenzone. Verhalen, die in mijn visie niet de waarheidsclaim van de dogmatiek hebben, maar ook weer meer zijn dan poëzie. literatuur of mythologie. Verhalen, die steeds iedere generatie weer om een nieuw antwoord vragen. Wat geeft die verhalen dan hun bijzondere karakter? Nu kom ik op een vruchtbaarder vraag dan de vrij zinloze vraag of God wel of niet bestaat, zinloos te meer omdat het woord God een woord is met een zo grote kring van associaties in alle richtingen, dat het of teveel of te weinig zegt.

Die vraag is: is er openbaring (revelation)? Is er bij religies - met name de monotheïstische religies, voorop het Jodendom – sprake van een openbaring, die uitgaat boven de gebruikelijke kennisverwerving door schade en schande, noodzaak of nieuwsgierigheid? Toegespitst op het Jodendom: gebeurde er iets bijzonders op de heilige berg Sinaj of was het niet meer dan illusie of zelfhypnose? Of kwam de ervaring van de Ene en zijn tien geboden  uit de onderverdieping van de psyche à la Sigmund Freud, als een troostende illusie in een harde wereld? (1)

De Joodse filosoof Martin Buber meent, dat er wel degelijk sprake was van een openbaring, niet van Gods essentie, maar van Zijn relatie met de mens. Buber is universalist. Er is sprake van een intense ervaring van Zijn presentie, die op zich nog geen geboden inhoudt. Maar de vertaling van deze ervaring in geboden (mitswot) is het werk van de mens Mozes.
Daarom zijn ze slechts bindend voor het individu in zoverre als deze, vanuit zijn persoonlijke ervaring van de relatie met de Ene, de geboden vrijwillig op zich neemt. Franz Rosenzweig, Martin Bubers medevertaler van de Tanach en medestichter van het Freies Jüdisches Lehrhaus, ging nog een stap verder. Rosenzweig erkent weliswaar dat de openbaring van de presentie van de Ene niet de openbaring van de mitswot met zich meebrengt. Maar hij bepleit wel de acceptatie van het geheel van de mitswot. Dat is rationeel niet te beredeneren, maar vraagt een daad van geloof. Die daad van geloof springt voort uit de loyaliteit aan de voorvaderen, die het Hajom (‘vandaag’) van toen tot het Hajom van nu maakt. Rosenzweig is particularist.(2)

De antropoloog en stichter van de psychoanalyse Sigmund Freud heeft de traditie geheel afgezworen. Hij accepteert ook Bubers mystieke presentie van de Eeuwige in relatie met de mens niet;  religie, God en de goddelijke autoriteit van de geboden zijn een kinderlijke illusie van de mens. Freuds hoop is gevestigd op de Wetenschap, die met zijn Rede, de mensheid, als het meezit, uit zijn waanidee zal helpen uitgroeien. En toch komt de atheïstische antropoloog  er toe om in zijn boek over Mozes en het Monotheïsme te zeggen, dat het in het Jodendom gaat om de door Mozes gestichte en vooral door de profeten bewaarde en doorgegeven leer, dat ‘de godheid offers en ceremonieel afwijst en enkel geloof en een leven in waarheid en gerechtigheid (…) eist’ (3). Freud noemt de ethische uitstraling van het Jodendom een ‘geistige Leistung’, voor het overige is hij volstrekt areligieus.

Hoewel? Hij heeft ook geschreven: ‘Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld’ (Freud bedoelt dus zichzelf, RC), ‘diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt (dus de religie RC). Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus’. (3)

Ik behoor tot de critici, die dit wèl een diep religieus besef noemen. Dit existentiële gevoel van de mens, verloren in het totaal open veld, kan inderdaad enerzijds leiden tot de sprong in de zekerheid van religieuze dogmatiek of (ultra)orthodoxe leerstellige waarheidspretentie - het vanzelfsprekende systeem -, maar anderzijds kan die openheid ook betekenen - zet u even schrap -  een beschikbaarheid voor een werkelijk contact met wat voorbij ligt aan wat menselijkerwijs is te weten, voor een ‘inbreuk’ of ‘inbraak’ van het oneindige op/in de totaliteit van het ons bekende en vertrouwde, in de zin van Emmanuel Levinas (4), een inbreuk die niet rechtstreeks naar een God wijst maar vooral naar de Ander.

Ik moet denken aan de bekende uitspraak uit Spreuken (Misjlee):
Het ontzag voor de Eeuwige (jirat Hasjem, zeg het Freudiaanse ‘gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld’) is het begin van de wijsheid (resjiet chochma). Zo staan we weer een aantal momenten stil op de Hoge Feestdagen.


Sjana Tova!

noten

(1) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(2) Gebruikt is ook: Benny Kraut, The approach to Jewish law of Martin Buber and Franz Rosenzweig, Tradition: A Journal of Orthodox Jewish Thought. Vol. 12, No. 3/4 (Winter-Spring 1972), pp. 49-71

(3) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheïsme, 1939, Boom, p. 64. 
Een lezing over Freuds boek, toetsing van zijn stellingen – waaronder ook de beruchte ‘moord op Mozes' – en de rol van het boek in de context van Freuds leven is in voorbereiding. 
(3) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(4) Zie bijv. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat, (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat, Ambo, 1969, 1987, p. 191, over Sjemot/Exodus 33:23.

Geciteerd ook in Rob Cassuto’s commentaren op de vijf boeken van de Tora:
Reizen door de Tora, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus
p. 167

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.