Parasha van de Week

In de regel publiceren wij op deze site een commentaar op de wekelijkse voorlezing uit de Tora in de synagoge, de sidra of parasja.

In het Joodse jaar 5780 willen we echter commentaren wijden aan de haftarot (enkelvoud ’haftara’) die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing.

De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi’iem, de Profeten, het tweede deel van Tanach.

Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die aan de sidra (of parasja) Jitro is toegevoegd. 

Jesjajahoe 6:1-13

Het visioen van Jesjajahoe

van Hasjem op Zijn troon

door Zwi Goldberg

Het  verband  met  de  parasja: In  de  parasja  neemt  het  Volk  Israël  de  Openbaring van  Hasjem op  Sinaï waar, in de Haftara heeft de Profeet een visioen van Hasjem op Zijn Troon.

Jesjajahoe’s  profetie  begint  met de Ma’asee  Merkawa,  het  visioen  van  de  Hemelse Wagen  (die  ook door Jechezkel werd  waargenomen). Jesjajahoe  heeft  ook  een  visioen  van  Hasjem  op  Zijn  Hemelse  Troon, omgeven door engelen. De engelen reciteren het bekende „Kadosj, kadosj, kadosj, Hasjem Tsewa’ot melochol haärets” [Heilig, heilig, heilig is Hasjem Tsewa’ot, Zijn Glorie vult heel de wereld]. De deurposten van het Beit HaMikdasj schudden van het lawaai en de Tempel werd gevuld met rook. Dan zegt Jesjajahoe: „Ik ben het niet waard om deze dingen te aanschouwen, want ik ben een man van onreine lippen, die leeft tussen mensen met onreine lippen.” Wat Jesjajahoe bedoelde, was: „Ik ben deze opdracht niet waardig want ik heb lasjon hara gesproken [geroddeld] en het Volk Israël heeft lasjon hara gesproken.”

Het visioen van G-ds troon werd om drie redenen aan Jesjajahoe getoond.

Eén daarvan was om Jesjajahoe’s geest te openen, zodat het ontvankelijk zou zijn voor de oneindige heiligheid van Hasjem.
Een andere reden waarom Hasjem wilde dat Jesjajahoe zou zien hoe de Troon der Heerlijkheid uit het Beit HaMikdasj zou worden weggenomen, was om een  symbolische  schaduw  vooruit  te  werpen  van  de  ballingschap  die  het Joodse  volk  te  wachten  zou staan.
Een engel raakt vervolgens Jesjajahoe’s lippen aan met een gloeiend kooltje dat hij van het altaar heeft genomen en „verwijdert” daarmee de zonde van de lasjon hara van zijn lippen. Dan hoort Jesjajahoe de stem van Hasjem: „Wie zal Ik zenden en wie zal voor ons uitgaan?” Jesjajahoe antwoordt: „Zend mij.” Dan geeft Hasjem  Jesjajahoe  instructies  om  een  boodschap  over  te  brengen  aan  Koning  Achaz  van  Jehoeda.  Hem wordt  verteld  dat  vijanden  zullen  trachten  tegen  hem  in  opstand  te  komen,  maar  zij  zullen  geen  succes hebben.

Wilt u reageren op dit verhaal? Graag! Klik hier.