Parasha van de Week

Onder de tabs in de rechterkolom vindt u eerder verschenen overdenkingen, verdeeld over de vijf boeken van de Tora.


Parasja Wajetsé

Tussen twee dromen

door Dr. Pinchas H. Peli 

Beresjiet/Genesis 28:10 - 32:2 

“Jakob vertrok uit Beërshèva en ging naar Charan. Op een bepaalde plaats gekomen, wilde hij daar overnachten nadat de zon reeds was ondergegaan. Een van de stenen die daar lagen nam hij als hoofdkussen en viel op die plaats in slaap. Hij kreeg een droom en zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen de engelen van de Almachtige op en af”. (Gen. 28, 10 -12) 

Jakob verliet zijn huis niet om naar Charan te gaan voor een pleziertocht of om avontuur te zoeken. Hij was een vluchteling die zijn leven in veiligheid wilde brengen, nadat hij was bedreigd door zijn broer Esau die “hevig op Jakob gebeten was vanwege de zegen die zijn vader over hem had uitgesproken”. (Gen. 27, 41)

De jonge Jakob moet erg van streek zijn geweest, gedwongen als hij was om zijn idyllisch leven van studie en persoonlijke groei “in de tenten van Shem en Evèr” te verlaten.

Zijn moeder, die hem waarschuwde dat Esau van plan was om hem te vermoorden en die hem aanraadde om te vluchten, was ver weg.
Hij miste zijn ouderlijk huis en vroeg zich af wat er nu zou gebeuren met zijn studies en wat hem te wachten stond bij zijn oom Lavan bij wie hij thans zijn toevlucht zocht. Lavans reputatie als gewiekste bedrijfsleider was immers zelfs in het land Kanaän niet onbekend. Hoe zou men hem ontvangen? En dan krijgt Jakob deze prachtige droom, waarin hemel en aarde zich verenigen. Hij ziet engelen op- en neergaan. Hij ontvangt een boodschap vanuit de hemel, een belofte van een grote toekomst. Als hij wakker wordt, roept hij uit: “Dit is een verblijfplaats van de Almachtige en een poort naar de hemel”. (Gen. 28, 17)

Ondanks de duistere omstandigheden waarin hij zichzelf op dat uur bevindt, weet Jakob dat de Almachtige met hem is en dat hij eens naar huis zal terugkeren. Hij is een man met een visioen. Een hemelse droom.

Dit is evenwel niet de enige droom die Jakob droomde. Er komt nog een andere droom, die van een heel andere aard is.

Eenentwintig jaren verlopen tussen de twee dromen en wanneer hij de tweede droom ontvangt, is Jakob een welgesteld man met twee vrouwen, met kinderen en eigendom. In Charan maakte hij kennis met Lavans materialistische maatschappij en waarden. Hij werd er zelfs deel van, doordat hij betrokken raakte  in een economisch gevecht met zijn uitgeslapen oom en schoonvader, waarbij het zijn opdracht was om voor zijn groeiende familie in het levensonderhoud te voorzien.

Jakob had net een keiharde onderhandeling met zijn oudere partner afgesloten, en had een schijnbaar bevredigende regeling bereikt, wanneer hij plotseling de droom ontvangt. In een geheime ontmoeting met zijn vrouwen in het veld, vertelt hij hen de droom. “In de tijd dat het vee paarde, zag ik plotseling in een droom dat de bokken die de schapen en de geiten besprongen gestreept, gespikkeld of gevlekt waren. In die droom sprak de engel van de Almachtige tot mij: Jakob. En ik antwoordde: hier ben ik. En hij zei: kijk rond en zie hoe al de bokken die de schapen en geiten bespringen gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want ik heb gezien hoe Lavan u steeds weer behandelt. Ik ben de God van Betel … Trek daarom onmiddellijk weg uit dit land en ga terug naar uw geboorteland”. (Gen. 31, 10 - 13)

De gebeurtenissen in de droom waarover Jakob zijn vrouwen vertelt schijnen niet te kloppen met het besluit waartoe de engel van de Almachtige komt. Nu Jakob ‘gearriveerd’ is, nu zelfs de biologie voor hem werkt dankzij de vernuftige uitvinding die hij bedacht, en nu de schapen ‘zijn weg opslaan’, is dat uitgerekend nu het moment om ‘het land onmiddellijk te verlaten’? Waarom?

Een nauwkeurige lezing van de Bijbel leert ons dat deze laatste droom van Jakob niet zo plotseling kwam als op het eerste gezicht schijnt en dat deze droom te maken heeft met Jakobs vroegere droom in Betel. Er zijn twee factoren die Jakob ervan bewust maken dat het hoog tijd voor hem wordt dit land voorgoed te verlaten en naar huis terug te keren. Een factor is dat de zonen van Lavan zich beklagen dat hij rijk wordt op hun rug. Hij voelt zich ongewenst, het slachtoffer van economische naijver. Wellicht had Jakob hier het hoofd aan kunnen bieden, maar er was een andere factor die hem ervan overtuigde dat hij niet hoorde in het land van Lavan en zijn zonen.

In de taal van de Bijbel (Gen. 31, 2): “Jakob merkte op dat Lavans gezicht hem niet voorkwam als tevoren”(deze vertaling staat dichter bij de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst dan de gangbare vertalingen). Wat was dat ‘nieuwe gezicht’ van Lavan dat Jakob zo ontstelde? We weten uit wat het verhaal ons tot nu toe heeft verteld, dat Lavans houding van het begin af aan niet bijzonder vriendelijk was. Wat was er dan nu veranderd?

We zouden willen suggereren dat datgene wat Jakob ontstelde in de ‘lezing’ van Lavans gezicht niet was dat het was veranderd van een vriendelijk gezicht in een onvriendelijk, maar dat dit gezicht hem voorkwam als een ‘normaal’ gezicht. Tot nu toe, telkens wanneer Jakob naar Lavan keek en naar zijn volledige verslaving aan het materialisme, voelde hij zich ongemakkelijk en werd hij erdoor ontzet. Hij was zich voortdurend bewust van de kloof tussen zijn eigen waarden en die van Lavan. Nu hij zichzelf in de materialistische wereld van Lavan had ondergedompeld, realiseerde hij zich plotseling dat het gezicht van Lavan ‘hem niet [zo vreemd] voorkwam als tevoren’.

Alles wat volgt, is een direct resultaat van dit moment van waarheid. Op dat moment hoort Jakob de Almachtige tot hem zeggen: “Keer terug naar het land waar ge geboren zijt”. (Gen. 31, 13) Van dat ogenblik af weet hij dat hij daar niet langer meer thuishoort. Hij roept zijn vrouwen bijeen voor een ontmoeting in het veld en vertelt hen over zijn plannen door middel van de droom die hij ontving.

Jakob vindt zichzelf terug wanneer hij zich bewust is wat er is gebeurd met zijn droom. Hoe die veranderd is van een droom over een ladder die op de aarde staat en tot in de hemel reikt, waarop engelen opstijgen en neerdalen, in een droom over vee, allerlei vormen van vee, gestreept, gestippeld of gevlekt. Hij herneemt zichzelf op tijd om te realiseren dat dromen vol schapen, die zoals we weten de harde valuta waren van die dagen, niet de plaats kunnen innemen van de dromen van zijn jeugdige idealisme, waarin de mens met de Almachtige in verbinding treedt. Het is dan, wanneer de materialistische dromen dreigen bezit van hem te nemen, dat Jakob zich ervan bewust wordt wat Lavan en het Lavanisme hem hebben aangedaan en dat hij nú moet handelen wil hij nog een nieuwe kans krijgen. Het is dan dat hij beslist om terug naar huis te gaan, terug naar het land van de vaders en de moeders waar hij weer de oude droom kan heroveren. Waar Jakob weer Israël wordt.

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier.