Bereshiet - Genesis

Parasja Wajechi   

Woede 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 47:28-50:26

In deze laatste parasja van Beresjiet/Genesis ligt Jaäkov op zijn sterfbed. Hij roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat ‘in latere dagen zal gebeuren'. Meer dan voorspellingen lijken het karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader van zijn weerbarstige zonen geeft in een stroom van in koortsdroom voortijlende poëtische beelden.  Hij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met name Sjimon en Levi krijgen het flink voor hun kiezen.
(HSV 49:5-7)   

Sjimon en Levi zijn broers,  
hun wapens zijn werktuigen van geweld.  
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,  
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen; 
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;  
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig, 
en hun verbolgenheid, want die is hard.  
Ik zal hen verdelen over Jaäkov 
en hen verspreiden in Israël.
  

Uit deze krachtige statements blijkt, hoe Jaäkov op zijn oude dag nog allerminst is vergeten, hoe  destijds onder leiding van Sjimon en Levi de inwoners van Sjechem (Sichem) zijn misleid en afgeslacht. (Beresjiet/Genesis  34) Niet alleen hebben zij daardoor het leven van hun familie in de waagschaal gesteld en blootgesteld aan de wraak van de omwonende volken, zij hebben daardoor ook de reputatie van  de Eeuwige beschadigd. Ook al is hun zuster Dina door de prins van Siechem verkracht geweest – dit riep om wraak, zo verdedigden de broeders zich tegenover hun vader - , dit kan deze meedogenloze gewelddaden niet rechtvaardigen. Op zijn sterfbed vervloekt de oude vader dit nietsontziende fanatisme; ‘hij zal hen (dwz de stammen van Sjimon en Levi) verdelen over Jaäkov (d.i. de andere stammen) en hen verstrooien in Israël’.

Inderdaad schijnt in de loop van geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kenaän de stam van Sjimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda.
De middeleeuwse meester Rabbi David Kimchi (Radak) brengt dit in zijn commentaar op deze passage in verband met de 24.000 mannelijke slachtoffers die het gevolg waren van de verboden seksuele gemeenschap van de Sjimonitische prins Zimri met de Midjanitische prinses (1).  De weduwen uit de stam van Sjimon werden verdeeld over de andere stammen, waar zij bedelend rondgingen, zo vermeldt Radak . Een andere lezing  - vermeld door Rasji ad loc - vermeldt dat de Sjimonieten arme schrijvers werden, die de voor hun brood het hele land moesten rondreizen. Hoe het ook zij, wat we hier gedemonstreerd zien is hoe fanatisme en extremisme over lange perioden hun negatieve doorwerking hebben.
De afstammelingen van Levi, de Levieten, kwamen er beter van af. Dat zij zulke vrome dienaren van de heilige ark en de tempel zouden worden is uit Jaäkovs woorden niet af te leiden. Maar hun lot was toch ook niet te benijden, zegt Rasji; weliswaar hadden ze recht op tienden van de oogst,maar daarvoor moesten ook zij het hele land rondreizen, van dorsvloer tot dorsvloer. Zo werden ook zij verstrooid.

Een meer morele draai aan deze voorspelling van Jaäkov geeft de laatmiddeleeuwse Isaac ben Arama (2):  De fanatieke woede van de twee broers is zeker te laken, maar in gedoseerde hoeveelheid stimuleert de eigenschap van woede (af) de mensen om hen uit apathie te wekken en te brengen  tot noodzakelijke actie. Daarom had het zin om de passies van Sjimon en Levi te als het ware te ‘verdunnen’ door deze stammen te  verspreiden over heel het volk van Israël. We naderen hier de inzichten van de Mussar om in alle karaktereigenschappen de extremen te vermijden en het uitgebalanceerde midden te zoeken.

noten

(1) Bemidbar/Numeri 25:4 ev. Zie ook Talmoed Sanhedrin 82a en b. En mijn commentaar op de parasja Pinchas
(2) in zijn Akedat Jitschak, waarin hij refereert aan de Ethica van Aristoteles, die op vele middeleeuwse rabbijnen – ook Maimonides – veel invloed had


 

Parasja Wajigasj  

Voorzienigheid 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27

Als Joseef na de emotionele pleitrede van Juda de overtuiging heeft gekregen dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midjanieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar de onderkoning Joseef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn. Niet met zoveel woorden vergeeft hij de mannen  hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij –  en hij plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid: Beresjiet Genesis 45: 7 (NBV) ‘God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden’. 

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers als idee verlaten. 

In de 18e eeuw deden de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen een poging om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van de natuurrampen en het morele kwaad en anderzijds met de steeds verfijndere concrete wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In veel van hun redeneringen werd het kwaad gezien als een door God ingestelde onvermijdelijke omweg naar de uiteindelijke goede eindbestemming.(1)

Later werden door moderne filosofen en wetenschappers dit soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele (existentialistische) denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de uitdaging het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levensontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot. Sterk wordt  de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrijheid  om vorm te geven aan dat leven, dat in grote mate maakbaar is.

In die sfeer kan Joseef gezien worden als een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een vermogen om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die gaven heeft hij uitstekend gebruikt. De misdaad die zijn broers aan hem gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Joseef kan prima geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbesloten is. Zò is hij opgeklommen uit het dal naar de top, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval. Waar is er die superviserende Voorzienigheid voor nodig? 

En bovendien: een Goddelijke voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we ‘zonden’, de geschiedenis juist essentieel vooruit hebben helpen duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis van de mensen; de jaloersheid van zijn broers brengen Joseef - en uiteindelijk de  Israëlieten – in Egypte; de zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batsjeva en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israël voort, Sjlomo  ha-melech, koning Salomo.  ‘Overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen’. (2)

Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Joseef zelf had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand.  Had hij dat verkeerd? Hoe kunnen we dat in ons hedendaags denken rijmen?
Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld en het menselijk bestaan gepercipieerd en onderzocht kan worden. (3)

De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens tot op grote hoogte de vrije wil ervaart om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin. De wetenschap is de meest rationele uitbouw van deze bestaanswijze.

De met hoe dan ook met enige reflectie  (misschien mogen we zeggen met religiositeit in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven (of onder) alle contingente fenomenen en menselijke onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar of vermoed kan worden omtrent onder- of bovenliggende richting, sturing, bestemming. Wat je als mens kan doen is je daarvoor trachten open te stellen en proberen  te zien of te luisteren naar wat de weg is die hem wordt aangeboden vanuit een volstrekt andere dan de vertrouwde dimensies.

In die termen is de kwaliteit van Joseef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere/hogere laag en voor de tekenen, die de noodzakelijke richting aangaven; wie weet geeft een dergelijke openstelling voor die andere dimensie (God zo je wilt, maar je mag het ook ongenoemd laten) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht over hoe dat bij hem het geval was moet bij Joseef ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders na ruim twintig jaar weer voor zich zag. (4)

Een mooie passage uit de Talmoed breng ik hiermee in verband:
‘Als een mens begint te zondigen worden de deuren voor hem wijd geopend, maar als hij zich wil zuiveren wordt hij geholpen. In de school van Rabbi Ishmael leerde men: het is als de verkoper van olie en balsem. Als de koper (gewone) olie komt kopen zegt de winkelier: hier is de maatkan, meet het zelf maar af. Maar als de koper balsem komt kopen zegt de winkelier: wacht, ik meet je balsem samen met jou af, zodat we beiden van de geur genieten.' (5)
Dat spreekt aan: God als de winkelier, die als je voor de foute weg kiest jou niet tegenhoudt, maar als je de goede weg kiest een handje helpt. Voor de seculiere lezer: als je voor de foute weg kiest houdt niets je tegen; maar als je voor de goede weg kiest krijg je een duwtje vanuit de kosmos mee. 

Overigens kwam ik ook de uitlegging tegen, dat als de klant iets duurs kiest - zoals balsem - de winkelier onder het voorwendsel dat hij wil meegenieten (om zijn wantrouwen te maskeren) er beter met zijn neus op kan staan om erop toe te zien, dat hij niet benadeeld wordt; dat is de cynische uitleg, die ik niet deel, zo multi-interpretabel kan het vaak zijn…

(1) Een overzicht in Susan Neiman, Evil in modern thought, Princeton University Press, 2002
(2) Citaat uit David Biale’s boek, Eros and the Jews, Basic Books, Harper Collins, 1992
(3) Verwante opvatting kwam ik tegen in Andreas Burnier, Ruiter in de Wolken, uitgeverij Augustus, 1955, p. 275 ev
(4) Van de Oude Wijzen vind ik merkwaardig weinig uitspraken over de betreffende passage. Als ik Maimonides goed begrijp, zegt deze middeleeuwse meester zoiets als: God heeft alles  geschapen, de natuurwetten, de driften en de menselijke vrije wil, en de gebeurtenissen zijn dus een samenspel van deze drie door God geschapen oorzaken, dus dan kan je ook zeggen, dat God Joseef heeft vooruit gezonden. Moses Maimonides,  Guide for the Perplexed, Part 2 48:2
(5) Reesj Lakiesj (plm 200) in het Talmoedtractaat Joma 39a


herzien jan 2017 RC


 

Parasja Mikeets  

Over de menora 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 41-44:18


Deze week is het de week van Chanoeka. De parasja Mikeets (1) valt tegen het eind van de week en omvat de sjabbat Chanoeka. Na de Toralezing komt altijd de lezing uit de Profeten (Neviïem) en in dit geval is dat een stuk uit de profeet Zecharja (Zacharia) 2:14-4:7.

 In deze passages is het thema van Chanoeka sterk aanwezig in het daar beschreven visioen, dat de profeet had van de gouden zevenarmige gouden Menora  omgeven door twee olijfbomen (2). 
Het was een spannende tijd (6e eeuw voor de gewone jaartelling) van overgang van vele ballingen vanuit Babylonië terug naar Jeroesjalajiem en de tweede tempel stond op het punt herbouwd te worden onder leiding van de gouverneur Zeroebavel, mede dank zij de royale giften en protectie van de Perzische koning Darius.

 Zo beschrijft de profeet Zacharja de menora in zijn droom (4:1 – 7): (NBG) ‘een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige : niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest (be-roechi)! zegt de Eeuwige van de heerscharen.’

Die laatste regel niet door ‘kracht noch geweld’ is waarschijnlijk duidelijker vertaald met ‘niet door militaire kracht (chajiel) noch door fysieke kracht (koach)’ (3). Rasji annoteert bij deze regel in de historische sfeer, dat het visioen van de menora een ‘hart onder de riem’ van de ondernemende Zeroebavel betekende en dat de Geest van de Eeuwige sloeg op de royale schenkingen, die hij Darius deed geven.

Wijder gezien zie ik een markant en inspirerend contrast tussen deze regels en de herinwijding van de tweede tempel. De tweede tempel is gebouwd en ingewijd in vreedzame omstandigheden, niet tot stand gekomen met militaire macht, maar dank zij de Geest.
De herinwijding – de chanoeka – is mogelijk gemaakt en tot stand gekomen door een wrede oorlog (van de Makkabeën) na veel wapengeweld en veel slachtoffers.
Die eerste inwijding maakt de indruk een superieure methode te zijn. Militair geweld kan misschien de  onontkoombare enige optie zijn, maar oplossingen die geïnspireerd zijn door de Geest – van verstand, vertrouwen, compassie, vastberadenheid, generositeit (zoals dat wellicht bij Darius het geval was) - verdienen toch verre de voorkeur, laten we dat toch nooit uit het oog verliezen.
Telkens worden de wereldleiders verlokt tot  de greep naar militaire oplossingen en eenmaal gemaakt is de geweldspiraal bijna niet meer terug te draaien. Leiderschap ‘vanuit de Geest’ is zo zeldzaam en zo broodnodig, ook in deze tegenwoordige wereld.

Dat spanningsveld van militaire macht en geweld enerzijds  en vertrouwen op de geest anderzijds wordt weerspiegeld in de geschiedenis van de menora als zowel politiek als spiritueel symbool.
De menora kreeg nieuw leven als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse legioen, dat in de eerste wereldoorlog voor de Engelsen met opmerkelijke dapperheid meevocht tegen het Ottomaanse rijk, had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord kadima, voorwaarts! Veel later bekend geworden zionisten telde dat legioen, waarvan de bekendste Ben Goerion is, de eerste premier van Israël. Nu staat de menora  in het wapen van de staat Israël en als sculptuur voor het Israëlisch parlement, de Knesset.
Aldus is de menora het symbool  geworden voor een democratische staat. Dat het ook vatbaar is voor usurpatie door rechts-messianistische kringen is een heel onwenselijke tendens. (4)

Zecharja’s  beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen,  is ook geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', dat we gerust een joodse mantra mogen noemen: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied en zo wordt die afbeelding van de menora met de twee olijfbomen ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagogen en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie. 

Chanoeka sameach en een jaar met veel  kracht, vrede en geest, koachsjalom we-roeach

Noten
(1) Voor een commentaar op de parasja Mikeets zie o.a. mijn commentaren in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, p.88 ev.
(2) die de hogepriester Jehosjoea en de politieke leider Zeroebavel representeren. 
Zie ook Ezra 6 en 7.
(2) Zo ook op chabad.org.
(4) Nu net nam ik kennis van het verschijnen van een boek The Menorah: From the Bible to Modern Israel door Steven Fine, die hiervoor waarschuwt.


 

Parasja Wajesjev  

Een iconisch fenomeen 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 37:1-40:23

In deze en de volgende parasjot Mikets, Wajigasj en Wajechi volgen we Jaäkov en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Joseef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht tot zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader en broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, waarna het voorspel tot de Exodus na zijn dood een aanvang neemt.

We focussen op het begin van de parasja en zien daar een iconisch fenomeen zich afspelen: (Beresjiet/Genesis 37:3-4 HSV) ‘Israël (dat is dus Jaäkov) had Jozef meer lief dan al zijn andere zonen, want hij was voor hem een zoon van zijn ouderdom. Ook liet hij een veelkleurig gewaad voor hem maken.  Toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers, haatten zij hem en konden niet vriendelijk  tot hem spreken’.

De jaloerse broers die de hele dag in hun eenvoudige plunje  het zware werk doen,  voelen zich ongeliefd als ze hun jongste broer zien rondlopen met zijn veelkleurige mantel, het bewijs van opperste vaderliefde, de knaap die hen ook nog eens als een soort werkmeester controleert en allerlei praatjes over hen aan hun vader overbrengt over wat ze allemaal niet goed zouden doen. (37:2) Als toppunt vertelt dat arrogante mannetje ook nog eens over dromen die hij heeft over hoe hij de baas wordt van de hele familie, broers incluis.(37:5 ev.)

Het is een verhaal over jaloersheid en haat. Het is eigenlijk heel invoelbaar, dat de broers deze haat hebben. Het is nooit goed als de vader één van zijn zonen voortrekt door bijvoorbeeld hem zo’n mooie mantel te geven. Daar begint het proces van opklimmend ongenoegen mee. (1)

Lange tijd gedogen de broers de situatie, maar ‘ze konden niet met hem spreken in vrede’, staat er letterlijk, lo jochloe dabro le-sjalom. Rasji annoteert  (2 ) zoiets als: het is niet goed, dat ze dat deden, maar je moet toegeven, dat ze met hun mond niet iets anders zeiden dan ze in hun hart voelden.

Ze hebben van hun hart geen moordkuil gemaakt. Ze potten hun gevoelens niet op, maar gaven er lucht aan.
Wat deden ze dan wel?  Hebben de broers Joseef  met reden terechtgewezen, geconfronteerd met zijn arrogantie? (3)  Of hebben ze hem gewoon bespot, belachelijk gemaakt, gepest, uitgemaakt voor alles wat lelijk was, uitgescholden. Misschien  moeten we denken aan al die moderne boze burgers – vergeef me de generalisatie -  , die de ’elite’  met scheve ogen aankijken, die bevoorrechte klasse met haar mooie huizen, baantjes en auto’s en die met veel mooie woorden zegt het beste voor te hebben met  de gewone mensen. Tegenwoordig pot ook de meute z’n ongenoegen  niet op en storten boze burgers hun ressentiment uit op de moderne digitale media, net as Joseefs broers kunnen ‘ze niet spreken in vrede’.

Hoe het ook zij, met beide partijen kon het op den duur niet goed gaan.
Joseef heeft, nog jong als hij was en naïef, de boosheid en de haat van zijn broers genegeerd of misschien niet eens goed tot zich laten doordringen.

De broers konden geen goede oplossing voor hun haatgevoelens vinden.  Toen de jongeman hen in het afgelegen grasland kwam opzoeken, met weer die prachtige kaftan aan, om hen weer eens te inspecteren ontlaadde de haat zich en besloten ze hem te doden.  Uiteindelijk doden ze hem niet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte.
 
Wat zou er gebeurd zijn als Joseef gevoeliger was geweest voor de boosheid van zijn broers? Wat zou er gebeurd zijn, als de broers meer begrip hadden gehad voor de jeugdige overmoed van de puber Joseef en  meer compassie voor Jaäkov en zijn speciale gevoelens voor de zoon van zijn zozeer gemiste overleden Rachel?

We zullen het niet weten, net zomin als wij in de toekomst kunnen kijken van onze wereld, die nu zo in de greep raakt van  het opgestapelde ressentiment van groepen van boze en ontevreden burgers.

Wat we wel uit de komende parasjot in de Tora weten is, dat ongeweten de broers toen  met de verkoop van Joseef als slaaf naar Egypte hun redding uit de ooit komende hongersnood vooruit hebben gezonden. Maar de prijs was hoog. En dat de geschiedenis niet lineair verloopt en volgens ethische paden maken deze verhalen maar al te zeer duidelijk

Hoe het ook zij, Chanoeka sameach met veel licht en simche!

noten

(1) Beresjiet Rabba  84:9 Resh Lakish, in the name of R. Elazar benAzaria said: One should not treat one of his sons differently, for because of the k'tonet passim his father Ya'akov made for Yosef, they hated him. . .
(2) Rasji ad loc.
(3) Dat is op te maken uit het commentaar op deze pagina  van de Shelah (plm. 1600) Shney Luchot HaBrit, Kedoshim, Torah Ohr 63.

 

 

Parasja Wajisjlach  

Samael 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 32:4 – 37

Jaäkov trekt zijn broer Esav (Ezau) , die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jaäkov de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de overkant van de rivier en vecht met een onbekende man.
Vele commentatoren hebben zich gebogen over de vraag wie de ‘man' (iesj) in het gevecht is geweest. Een niet gering aantal identificeert de man met Esav. Esav – ook wel genoemd Edom – is in vele uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden. Vele vijanden van Israël zijn later betiteld met ‘Edom' , met name het rijk van de Romeinse onderdrukkers. 

De middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt de vele Oude Wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esav. Die wordt dan weer geassocieerd met Samael, de prins der demonen, de koning van de duisternis, de engelachtige manifestatie van Satan, die al in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling zijn intree deed in de midrasj (1) en later regelmatig in de commentaren van middeleeuwse geleerden voorkomt als Radak en Maimonides en menigmaal  in de oude legenden, beurtelings als verleider tot de zonden, dan weer als aanklager voor het hemels gerechtshof, dan weer als engel des doods. Ambivalent als hij is, als ‘slechte’ engel is hij tevens  in dienst van de Allerhoogste. Eva heeft  hij  (als de slang) verleid van de verboden vrucht te eten; Sara’s dood heeft hij veroorzaakt door over het offer van haar zoon Jitschak te berichten.
En nu speelt hij zijn rol als belager van Jaäkov.

Om ons met de Joodse uitlegtraditie vertrouwd te maken  volgen we even de kabbalistisch georiënteerde rabbijn en geleerde Isaiah Horowitz (1564-1630) die als gedegen kenner van de kabbalistische ‘bijbel’,  de Zohar, uitgebreid ingaat op de rol van Samael. (2) Hij beschrijft hoe Samael zich voorziet van een menselijke gedaante met de trekken van Esav. Hij is als het ware even de hemelse afspiegeling van de verdorven tweelingbroer. Zo gaat hij het nachtelijk gevecht aan met Jaäkov.  In de complexe en verfijnde, maar ook gekunstelde redeneringen van Horowitz  rond het gebeuren licht opeens de passage op, waarin deze 17e-eeuwse mysticus beschrijft, hoe na Jaäkovs overwinning op de engel Samael, deze ‘besluit zijn slechte kant te verbergen en een “goede” engel  te worden. In die laatste hoedanigheid bevestigt hij, dat Jaäkov Jitschaks zegen had verdiend en toen zegende hij (Samael) zelf hem. Zodra dat was gebeurd werd de vrede tussen Jaäkov en Esav op aarde hersteld.’  Dan zegt Horowitz – ook genoemd de Shelah - : ‘Er is nog een andere mystieke dimensie in de liefde tussen Esav en Jaäkov of in de liefde in het algemeen. Onder bepaalde condities kan het gevoel van liefde kwaad in goed transformeren en de onwaardige uiterlijke schil (klipa) kan worden veranderd in iets heiligs’, aldus de kabbalist. Opmerkelijk: kwaad kan verkeren in goed.
Die passage zou zelfs de moderne lezer troost kunnen bieden, waar hij beseft hoe Edom (Esav) vaak geassocieerd wordt met de vijanden van Israël, als volk en als natie. Opeens wordt vijandschap, haat vatbaar voor transformatie.

Overigens wordt met name in de kabbalistische sfeer Samael (of Satan) vaak geassocieerd met seksualiteit en lust en heeft de angst voor zijn welhaast onweerstaanbare verleiderskunst deze ‘soul snatcher’ Samael  door de eeuwen heen tot demonische proporties opgeblazen en vele rabbijnen en ultraorthodoxe mannen gebracht tot een aan ascetische en preutse obsessie grenzende vroomheid. Samael wordt de demonische versie van de jetser ha-ra – de neiging tot verkeerd handelen – die vaak een sterk erotische lading kreeg, waar eigenlijk toch de jetser ha-ra als ethisch concept nog steeds hanteerbaar is voor de levenspraktijk, een kompas om de goede keuzen te maken. Een obsessie met de immer loerende Samael kan niet anders dan hypocrisie kweken.
We moeten oppassen de jetser ha-ra  - laat staan Samael - gelijk te stellen met het concept van het ego, wat in bepaalde spirituele kringen gebeurde en nog steeds gebeurt. Je hoeft om de jetser ha-ra in je leven te hanteren niet je ego te ontkennen of prijs te geven. Het ego is im Gründe een positief begrip: een innerlijke plek van realistisch zelfbewustzijn, die nodig is voor zelfhandhaving in een complexe wereld. (3) Met een goed ontwikkeld ego kan de mens verdergaan, voorbijgaan aan strikt eigenbelang en zich dienstbaar opstellen. Egoloos willen zijn is een illusie. Het ego leren kennen en hanteren, dat kan. Eventueel het ego opzij zetten, ontstijgen maar dan moet je het eerst wel hebben ontwikkeld. Met een goed ontwikkeld ego kan je Samael – de duistere kant van jezelf, je zwarte bladzijden - ontmoeten. Om aan je ego te ontstijgen moet je Samael wel in de ogen hebben gekeken en niet weggedoken zijn. Dan kan de demonische donkerte in de mens transformeren tot een kracht ten goede.

Misschien is dat wat gebeurd is in het gevecht tussen Jaäkov en de engel/man/Samael.
Jaäkov vocht met oude schuldgevoelens over het bedrog, dat hij gepleegd had tegenover zijn broer en zijn blinde vader (4), hij vocht met oude angsten en schuldgevoelens (5), die hij belichaamd voelde in zijn naamloze tegenstander. Toen hij die overmeesterd had, was – mogen we zeggen: toen hij ‘tesjoeva’ had gedaan? – was hij klaar om zijn broer te ontmoeten en regisseerde hij een omzichtig ritueel om een snaar van verzoening bij zijn onstuimige broer te raken.
Al eerder in andere commentaren heb ik gesteld, dat ik Esav niet zie als verpersoonlijking van het kwaad en als voorloper van alle latere vijanden van Israël. (6)
Hoewel de broeders elkaar gehaat hebben betekent de kus van Esav echt een moment van verzoening. Rabbi Sjimon bar Jochaj (2e eeuw) bevestigt dit graag: ‘Is het niet alom bekend dat Esav Jaäkov haatte? Maar op dat moment was zijn compassie echt gewekt en hij kuste hem met heel zijn hart’. (7) Dat die mogelijkheid tussen vijanden gegeven is, is een signaal voor alle tijden, zeker voor deze tijden waar de haat en vijandschap in het middenoosten tussen al die verre nakomelingen van de twee kleinzonen van Avraham in al zijn hevigheid woedt.

noten
(1) Bijv. Sjemot Rabba 18:5
(2) Mijn vertaling uit de Engelse vertaling van: Shney_Luchot_HaBrit,_Vayishlach,_Torah_Ohr, op sefaria.org
(3) Zo ook bijv. Andreas Burnier, Ruiter in de wolken, Uitgeverij Augustus, Amsterdam-Antwerpen, 2015, p. 206
(4) Zo ook Günther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar
(5) Zo ook Elie Wiesel  zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields
(6) in: Rob Cassuto, Reizen door de Tora, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, Mastix Press, 2016, p.75 ev
(7) Sifrei Bamidbar 69:2


 

Parasja Wajetsee  

De ladder 

door Rob Cassuto

Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4 


De parasja Wajetsee  begint met de reis van Jaäkov naar Charan en de beroemde droom over de ladder naar de hemel (28:10 ev): ‘Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen. En zie daar stond de Eeuwige boven hem, die zei: "Ik ben de Eeuwige , de God van je vader Avraham en de God van Jitschak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."’

Die droom heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en mystieke. 
Rasji (1) viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het  land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer. De midrasj ziet Jacobs slaapplaats graag als de berg van Avrahams bijna-offering van Jitschak, de berg Moria.

Een andere midrasj ziet drie stenen, waaruit Jaäkov zijn hoofdkussen gaat kiezen ruzie maken. Wie zal zijn hoofdkussen mogen zijn? Volgens een rabbijnse geleerde uit de vroege renaissance (2) gaat de ruzie om wie het fundament zal vormen voor Jaäkovs komende wijsheid; de drie stenen zijn dan als het ware als vertegenwoordigers van de drie disciplines: de theologie (metafysisch aspect), de wetenschap (materiële aspect) en de wiskunde (abstracte theorievorming). De vraag is of die ruzie al beslecht is. De laatstgenoemde twee stenen lijken wel aan de winnende hand…

Mij lijkt een goede uitleg zeker ook de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming in het barre buitenland (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd), maar in een meer transcendente laag tevens ook als de uiting van zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie. De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie). Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie. 

Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van Elohiem', het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem, die zei: ‘Ik ben De Eeuwige, de God van je vader Avraham en de God van Jitschak'  Nu wordt opeens het tetragrammaton JHWH – meestal uitgesproken als ‘Adonaj’ -  gebruikt, het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël. 
Jacob maakt hier op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid. De ladder is de expressie van het verlangen naar ontmoeting met De Ene, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem' (we-hinee Adonai nitsav alav). In welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie. 

In de kabbalistische visie – voor zover ik die begrijp - wordt de ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jaäkov geplaatst wordt gezien als midden tussen Avraham, de rechterstijl, die Chesed – stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak, de linkerstijl, die Gevoera – begrenzing, bedding, stabiliteit, oordeel  - belichaamt. In de droom maakt de Eeuwige Jacob, als het ware in een soort mystieke dialectiek, tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gevoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret – schoonheid,  harmonie, ziel, essentie - in de middenzuil. Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet – daar waar het goddelijke inwoont, de Sjechina –, van waaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt. 

De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarvan de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs trede voor trede ons verlangen, ons gebed en onze daden omhoog te sturen. 

Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon bij de ‘Jacobsbron’ de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zwaar putdeksel oplichten, die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen, later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en een enorm vermogen verzamelen in moeilijke omstandigheden om dan toch de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie. 

noten
(1) Rasji ad Beresjiet/Genesis 28:11
(2) Isaac Arama, Akeidat Yitzchak 25:16


 

Parasha Toldot   

Een gezinsdrama 

met een spirituele strekking 

door Rob Cassuto

Beresjiet/ Genesis 25:19-28:9 

Er is in de parasja Toldot duidelijk sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend van aard.

Esav – ‘de harige’ – is een kundig jager en een man van het veld. Hij is de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag het gebraden wild van zijn jagende zoon eet.

Jaäkov – ‘die op de hielen zit’ – is in alles zijn tegenhanger, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten blijft bij zijn moeder (de oude vrome rabbijnen wisten zeker dat hij daar al Tora studeerde). Hij is de oogappel van zijn moeder Rivka. Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweeling- broer, die als eerste ter wereld kwam en die hij bij de hiel vasthad in een poging hem in het geboortekanaal al voorbij te streven.
De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar blijkt behept met grote ambities en niet terug te schrikken voor list en bedrog ten aanzien van zijn broeder en zijn vader.

Esav is een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzensoep van zijn broeder opeist. De ambitieuze en slimme Jaäkov maakt hem in ruil voor de soep het eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalige Midden-Oosten – afhandig. Daarbij komt het verraad van Rivka aan haar echtgenoot Jitschak. Rivka is – mede door een voorspellende droom tijdens haar zwangerschap van de tweeling – vastbesloten om tegen de traditie en wil van haar man Jitschak haar oogappel Jaäkov in het zadel te hijsen als hoofd van de clan. Als Jitschak oud, blind en doodziek op sterven lijkt te liggen geeft hij te kennen aan Esav de vaderzegen te willen geven. Nadat Esav een bokje heeft geschoten en lekker heeft klaargemaakt voor zijn vader, instrueert Rivka Jaäkov om zich aan zijn vader voor te doen als vaders favoriet Esav, gekleed in diens kleren, de armen omrold met geitenhuid, om diens harigheid te veinzen, en voorzien van het gevraagde lekkere gebraad. Aldus gebeurt, een spannende scène: zal de wantrouwige Jitschak het bedrog ontdekken? Hij twijfelt, maar geeft zijn zegen. Jitschak moet later trillend van boosheid of angst aan zijn oudste zoon Esav de misleiding opbiechten. Esav brult van woede en zweert zijn broeder te zullen doden. Moeders plannen met haar lievelingszoon zijn gelukt. Maar het gezin is verscheurd, boosheid en bitterheid zijn het gevolg. Met dat alles rust Avrahams erfenis voortaan op de schouders van Jaäkov.

Om de woede van zijn broeder te ontlopen (en om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Jaäkov naar zijn oom Lavan in het land Aram.
Rivka en Jaäkov hebben met listen en lagen hun doel bereikt. Hebben we dat niet vaker gezien in legenden, drama en literatuur, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet? Was het de hogere bedoeling dat het zo zou gaan?
De schoonheidsprijs verdient het niet. Bepaald geen voorbeeld voor in het handboek ‘goede gezinsverhoudingen’. De televisieschrijver zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog van een broken home. Maar het is vaak wel de werkelijkheid die zo zich afspeelt, vroeger en nu. Er staan veel meer laakbaarheden in de Tora. Het absurde is dat laakbare daden het grote verhaal van Israël niettemin vaak juist verder brengen (wie wil mag er nog een paar noemen…).

 

We kunnen het verhaal ook proberen te hervertellen vanuit  een meer spirituele optiek. Misschien licht dan een andere laag op. Is Rivka in de gezinspsychologie de slechte moeder met haar eenzijdige voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (Beresjiet/Genesis 25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen.(1)  Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Jaäkov de kwaliteiten hebben opgemerkt die hem waardig maakten de erfenis van Avraham op zich te nemen.

In de wildheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag tegelijk zijn onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om een geestelijke dimensie te betreden.  In meer religieuze termen: om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee was Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij was eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij was zoals u of ik meestal zijn, als we niet boven onze emotionele impulsen uit kunnen stijgen en niet verder dan de aandriften van het moment kunnen kijken, en dat doen we meestal niet.(2)

Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Avraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Jaäkov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav, in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende.(3) (4)

In de boezem van Jitschaks familie kunnen we een strijd zich zien afspelen tussen kracht (Esav, gesteund door Jitschak) en geest (Jaäkov, gesteund door Rivka); een fundamentele strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël en meer algemeen de mensheid zal bestempelen. Fundamenteel omdat hij ‘in de baarmoeder van de menselijke ontwikkeling’ (als we de baarmoeder van Rivka als metafoor zien) al is begonnen. Uiteindelijk is het onvermijdelijk om in te zien dat kracht en geest niet zonder elkaar kunnen; kracht en geest zullen moeten erkennen elkaar nodig te hebben. Die momenten zijn zeldzaam, maar het is aan Jaäkov om tot die feitelijke erkenning te komen in de nog te beschrijven latere verzoening met Esav.

Dit is een publicatie uit Rob Cassuto, Reizen door de Tora, deel 1, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, verkrijgbaar in de webshop van Stichting Pardes.

Noten
1.            Beresjiet/Genesis 25:23: ‘De Eeuwige zei tegen haar: “Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.”’ Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wilt transcendent – voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute Godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels veel theologische discussies – met name in het christendom, Augustinus bijvoorbeeld – veroorzaakt over predestinatie, uitverkiezing, verlossing en genade: als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?

2.            In midrasj en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en men meende Edom te herkennen in de Romeinen en in vele andere groepen tot en met de nazi’s. Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot een dergelijke demonisering. In de parasjja Devariem lezen we hoe Mosjee gebiedt dat de binnentrekkende Israëlieten het land van Esavs nakomelingen, het gebied van Edom, niet mogen binnenvallen.

3.            Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary p.186) die ik voor deze parasja heb geraadpleegd, werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten dat Jaäov de meer geschikte was. Alles in de pesoekiem (verzen) 27:18-27 – lees het nog eens na – wijst op de twijfel die de bijna blinde vader ervoer al vanaf de binnenkomst van de als Esav zich voordoende en geklede Jaäkov. De vraag rijst: wilde Jitschak misschien misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen die Rivka wel had genomen? Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om dat te laten gebeuren waarvan hij ook diep in zijn hart wel wist dat het zou moeten gebeuren?

4.            Een veel verdere uitwerking van de spirituele strekking, mede aan de hand van de sefirot, treffen we aan in het commentaar van rabbi Simon Jacobson, www.meaningfullife.com/social/toldot-the-plot-thickens-jacob-esau-two-nations/.


 

Parasha Chajee Sara   

Gelukkige ontmoetingen 

door Rob Cassuto

Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18

De parasja Chajee Sara bevat dat het prachtige verhaal over hoe Awrahams vertrouweling, de knecht Eliezer,  opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe hij deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst. 

Degene die deze regels heeft geschreven moet een begaafd schrijver of dichter zijn geweest. De spanning van de knecht Eliezer wordt subtiel weergegeven, als hij wacht bij de waterput totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Hij bidt op een goede afloop en krijgt ingegeven aan welke test de toekomstige vrouw van de zoon van zijn meester zal moeten voldoen: ze zal hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken geven uit haar kruik en uit haarzelf aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken. En daar komt Rivka: jong, mooi en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht subsidiair voor Jitschak verliefd wordt op de knappe herderin.  Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt ze daarna de kamelen, snel en efficiënt.

Opvallend in deze passage over Rivka’s handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel’ en ‘rennen’ – maherrats – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt.(1)

De verraste knecht ziet in stille verbijstering  aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken, een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen. (2)

Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst en dan pas blijkt zij tot de familie van Avraham te behoren. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid en de uitmuntende eigenschappen van vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan de familie draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)(3)

Meer saillante details verschillen in het mondelinge verslag van de knecht aan de familie van Rivka. Want eigenlijk worden de gebeurtenissen  tweemaal verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Rivka’s broer Lavan. Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet zo zeer kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt. Bij voorbeeld: in Beresjiet/Genesis 24:3 laat Avraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de God van de hemel en de God van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed (Beresjiet/ Genesis 24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Avrahams familieleden natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kenden, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Eén zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Avraham te gaan om een vrouw te zoeken. Avraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats'. (Beresjiet/Genesis 24:4) De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland.

Hij voert Rivka mee terug naar de tenten van Avraham en Jitschak. 
Rivka heeft  kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'. 
Jitschak zal meer dan voldaan zijn geweest: de man ‘bracht haar naar de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara'. (Beresjiet/Genesis 24:67)

Hiermee bereikt dit verhaal  een happy end. Idyllische momenten zijn er bepaald wel in de Tora. Gelukkige ontmoetingen bij een put, daar zijn er meer van . Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers.  We denken aan Jaäkov, die zijn grote liefde Rachel  ontmoette bij de waterput, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte; de meest romantische scene in de Tora. Ook Mosjee ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan.  Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk in de zin van geestelijk en lichamelijk welzijn aanwezig. (4)

Noten
(1) zo ook Sforno ad loc
(2) Rasji ad loc,
(3) meer hierover in mijn boek ‘Reizen door de Tora. Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus’, p. 61 ev
(4) Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron - , Tweede Testament, Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over twee taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan’ en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.


 

Parasha Wajera   

Lust en nieuw leven 

door Rob Cassuto

Vaak treft het mij hoe de verhalen van de Tora doordrenkt zijn van de spanningen tussen lust en procreatie. Het gaat over het kanaliseren en vaak over het buiten de oevers treden van die machtige menselijke drijfveer, die toch nodig is om het volk (de mensheid) te laten voortbestaan.  Lust was volgens vele vroege rabbijnen de onvermijdelijke drijfveer, die de Schepper in de mens had geplant om tot het verwekken van nageslacht te komen. Als de lust wordt beheerst en ervaren in de binnenhuwelijkse procreatie is het oké. Dat is altijd de mainstream van het Jodendom geweest, overigens meestentijds geflankeerd door stromingen waar het paradoxale begrip jetser ha-ra (neiging ten kwade), waarmee vaak de seksuele aantrekkingskracht werd bedoeld, demonische trekken kreeg en in vrijwel alle eeuwen delen van de rabbijnse elite tot ascetische praktijken drong.


Met name in de parasja Wajera speelt het aspect van lust en procreatie een grote rol. Het  begint al met de aankondiging door de drie mannen/engelen aan  Sara van de geboorte van een zo lang al begeerde zoon. Sara vraagt zich af: ‘zal ik nog edna hebben, nu ik oud ben geworden en mijn heer is oud?’.  Edna wordt vertaald met ‘liefde’ (NBV), ‘liefdesgenot’ (HSV) en ‘wellust’ (SV1977). Dasberg’s vertaling: ‘bevrediging’. Het lijkt mij verantwoord om als gemiddelde betekenis ‘lust’  te nemen. De lust was Sara vergaan. Na de toezegging dat zij zal baren is aan haar blijkbaar weer meer lust toebedeeld evenals ook aan Avraham kennelijk meer potentie is geschonken. Het valt op dat Sara, hoewel dus al op leeftijd, niettemin in een latere fase in dit verhaal de begeerte van Avimelech, de  koning van Gerar, heeft opgewekt en dat Avraham na Jisjmael en Jitschak bij zijn latere vrouw Ketoera nog zes zonen heeft verwekt.

In Sedom heeft het onbegrensde uitleven van een overmaat aan  lust voorrang gekregen boven de waarden van gastvrijheid, menselijkheid en de integriteit van het lichaam. Dat beleeft zijn toppunt als de mannen van Sedom  -   ‘van jong tot oud, het huis, heel het volk, niemand uitgezonderd’ - aan Lot de uitlevering van zijn twee goddelijke boodschappers/bezoekers eisen om hen seksueel te gebruiken (we-neda otam). Lot gaat zo ver, dat hij liever zijn maagdelijke dochters aanbiedt dan de waarde van gastvrijheid te schenden.

Waar de lust is losgeslagen en ontgrensd en alleen zichzelf dient, staat de weg naar het kwade open. Hier zijn de mannen van Sedom het iconische voorbeeld van. Het kenmerk van deze losgeslagen dominantie van de lust is dat superieure waarden van gastvrijheid, waardigheid en integriteit met voeten worden getreden. Het tegendeel is de bijbelse ‘vrees voor God’ – jirat Elohiem - , waar deze waarden juist boven alles komen. Een paar passages verder als Avraham in de stad Gerar verblijft is hij bang, dat hij die vrees voor God daar niet zal aantreffen en dat Sara zal worden verkracht.

De twee bezoekers/engelen redden Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters (niet zijn twee ongelovige schoonzonen) uit de penarie en brengen hen buiten de stad voordat de vernietiging de stad zal treffen.  Als Lot uiteindelijk met zijn twee dochters zijn toevlucht heeft gevonden in een grot (zijn vrouw heeft tegen het gebod toch omgekeken en is geworden tot de befaamde zoutpilaar) dringt zich een prangende vraag op: hoe moet de familie zich nu voortzetten als er geen mannen meer zijn om daarvoor te zorgen? Er is alleen nog een vader. De twee dochters van Lot zien maar één oplossing: incest.
Dat is nogal wat. Het is immers een van de grootste taboes, ook buiten de kring van de Abrahamitische ethiek. Lot zelf zou hier in bewuste staat nooit in toestemmen.

De oudste dochter neemt het voortouw: Ze voert haar vader dronken. Zo kan zijn bewustzijn worden gedempt en zijn lust kan worden ontremd om zijn procreatieve werk te doen. Dan heeft ze  gemeenschap met hem. De volgende nacht volgt de jongste dochter haar na. Ze worden inderdaad beiden zwanger en baren ieder een zoon. De oudste dochter noemt haar zoon Moav – ‘van een vader’ – en de jongste dochter noemt haar zoon Ben Ammi – ‘zoon van mijn volk’ –.

Moav wordt de voorvader van het volk van de Moabieten en  Ben Ammi van het volk van de Ammonieten; beide volken zullen nog een grote rol spelen in de geschiedenis van de Israëlieten.

Sommige vroege rabbijnen uit de eerste eeuwen van de gewone jaartelling hebben moeite om een oordeel te vellen over de moraliteit van dit gebeuren in zulk een extreme omstandigheid. De dochters dachten, dat de wereld was vergaan door vuur, zoals eerder water de wereld had overstroomd. Geen mannen waren er meer beschikbaar.  De vraag waarmee die oude schriftgeleerden mee worstelden was zoiets als: wat was nu het belangrijkste motief om dit ontzaglijke incest taboe te doorbreken: pure lust of overleving van de familie, respectievelijk de mensheid? (1)

Tot op zekere hoogte kunnen we ons verplaatsen in de situatie van de dochters. Stel dat – God verhoede – een geweldige katastrofe de mensheid van nu zou uitroeien op één vader en dochter na. Stel dat jij de dochter zou zijn. Wat zou je doen? Zou je wanhopig zijn en zelfmoord plegen of zou je uiteindelijk besluiten nieuw leven te scheppen? Het is de premisse van een roman of film, die vermoedelijk vast wel al gemaakt is (2).

De 16e-eeuwse geleerde Sforno (3) kiest ervoor om de dochters een  nobele intentie (kavana) toe te dichten en hij wijst op het positieve gevolg van hun daad, twee volken zijn uit hen voortgekomen, de Moabieten en de Ammonieten, die beiden een mooi stuk land bezijden de rivier de Jordaan beërfden, dat later de Israëlieten bij de verovering van Kenaän met rust moesten laten.

Wat minder is, is dat later  - toen de Israëlieten  tegen het einde van hun veertigjarige zwerftocht onder Mosjee bij de Jordaan waren aangeland - de jonge vrouwen van Moav de Israëlitische mannen hebben verleid tot ongeoorloofde seksuele handelingen met rampzalige gevolgen (Bamidbar/Numeri 25). Maar daar staat weer tegenover dat weer veel later een andere Moabitische juist een heel positief effect heeft gehad in de geschiedenis van het oude Israël; ze verleidde met haar charme de rijke Israëlitische grootgrondbezitter Boaz op de dorsvloer en werd via haar zoon met Boaz de overgrootmoeder van koning David. Die vrouw heette Roet (Ruth) en over haar is een heel bijbelboek geschreven.

Sforno meldt bij zijn aantekening bij het verhaal van Lot en zijn dochters een citaat uit Misjlee (Spreuken): ‘Ken God in al je wegen, dan zal Hij je paden rechtmaken’ en voegt daaraan toe: ‘zelfs als het een zonde betreft’. Blijkbaar kan ook het begaan van een zonde vallen onder het gaan van Gods wegen. Voor mij betekent dit niet, dat het doel alle middelen heiligt. Wel, dat er noodsituaties denkbaar zijn waarin een inbreuk op geheiligde regels gerechtvaardigd of zelfs vereist is. De voortgang van de geschiedenis kan blijkbaar niet zonder.  (4)

Noten
1. Zie Beresjiet Rabba 51:8 ev.
2. Ik moet denken aan de roman van Bernard Malamud, ‘God’s grace’.
3. Ovadja Sforno (plm, 1470-1550) ad Beresjiet/Genesis 20:37 op Sefaria.org.
4. ‘misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit’ , David Biale: Eros and the Jews: from Biblical Israel to contemporary America 1992, p 20.


 

Parasha Lech Lecha  

De universele Abraham 

Beresjiet/Genesis12-18   

door Rob Cassuto

Verscheidene passages in de Tora houden in, dat in Abraham de volken van de wereld zullen zijn gezegend (zoals in de eerste zegening in Genesis 12:3, niwrechoe bechá kol misjpachot ha-adama). Bijbelprofessor Umberto Cassuto signaleert: ‘we hebben hier de eerste toespeling op het concept van universaliteit dat inherent is in het geloof van Israel, dat verder ontwikkeld zou worden in de leringen van de profeten’. (1)
Niet alleen voor de joden, ook voor andere religies is Abraham een voorbeeld van geloof en een inspiratie voor levenswandel. Zowel in het Christendom als in de Islam wordt hij boven zijn Joodse context uitgetild.

De apostel van het christendom, Paulus, wijdt een bij theologen befaamde passage aan Abraham. In zijn brief aan de Romeinen legt hij de nadruk op het onwankelbare geloof van Abraham in de Altijdzijnde. (2)  Als ik het goed begrijp komt het op het volgende neer. Niet omdat Abraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd, niet om zijn verdiensten, maar louter doordat hij op God vertrouwde, dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij al gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. de christenen - het geloof in God – en natuurlijk voor de christenen in Jezus - voldoende en het is voor rechtvaardiging niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt.

In de Koran speelt Abraham een belangrijke rol, in vele passages treedt hij op. Uit een artikel van prof.  Karl Josef Kuschel  (3) haal ik een belangrijk citaat uit de Koran: ‘O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham, wanneer de Tora  en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt gij dan niet begrijpen? Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet. 
 Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.’ (4)
Het blijkt te staan in het hoofdstuk  (soera) Al Imraam, o.a. een voor joden weerbarstige verhandeling over ‘het volk van het Boek’. Maar in bovengeciteerd vers ligt wel een helder statement: Abraham ging vooraf aan Tora, Evangelie en ook aan de Koran. Hij was ‘een vriend van God’.

Prof Kuschel neemt deze soera als uitgangspunt voor zijn pleitrede voor een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene. In zijn interreligieuze werk vindt hij zijn grondslag in de verhalen van Abraham, zoals zij verteld worden in de Tora, in het Nieuwe Testament en in de Koran. In de verhalen over Abraham komt – zo stelt hij – iets tot uitdrukking dat als grondhouding van mensen tegenover het heilige, het Absolute, tegenover God ook in andere religies te vinden is: de kracht om op grond van radicaal vertrouwen op God op te breken en iets nieuws te wagen. Dit ziet hij als Abrahamitische spiritualiteit, het radicaal vertrouwen om ondanks de deprimerende geschiedenis van conflict en geweld tussen de religies en tegen de verleiding van berusting in, vol te houden en met erkenning van verschillen steeds te zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Biedt de Tora in het verhaal van Abraham nog andere episoden, die inspireren tot een vredelievend samengaan van mensen van verschillende religies? Een late midrasj (5) verhaalt hoe een bezorgde Avraham na jaren tot tweemaal zijn zoon Ismael in de woestijn weer opzoekt en een derde keer zich met hem verzoent. Dit verhaal is in de islamtraditie in een aangepaste vorm overgenomen als basisuitleg voor de in de Koran vermelde bouw van de Kabaä door Abraham en Ismaël.  Ismaël kreeg twaalf zonen. In Beresjiet/Genesis 25 wordt de laatste episode in het leven van Abraham beschreven. Hij neemt na de dood van Sara waarachtig nog een tweede vrouw, Ketoera –  de midrasj zegt: dat is een teruggekeerde  Hagar – en krijgt nog zes zonen bij haar. Inderdaad, een vader van vele volken is hij. (6)
Hij wordt begraven door zijn twee oudste zonen, Isaac en Ismaël  (Beresjiet/Genesis 25:9). Aan het graf van hun vader ontmoeten de twee rivalen elkaar weer, dat is een hoopgevende metafoor.

Al eerder is in het leven van Abraham een signaal van een vreedzame oplossing van conflicten gegeven. Als de nog ‘jonge’ Abram  met zijn neef Lot is vertrokken uit Charan ontstaat er een conflict over de weidegrond voor hun vee. (Beresjiet/Genesis 13). De herders maken ruzie met elkaar. Er is te weinig levensruimte voor beiden. Dan zegt Abraham zoiets als: laten we toch geen ruzie maken, wij zijn immers mannen die broeders zijn! Ligt heel het land niet voor je open? Er is ruimte genoeg voor ons beiden, ga jij naar links, dan ga ik rechts en ga jij rechtsaf, dan ga ik linksaf.
Dat kan ook dienen als metafoor: er is ruimte genoeg voor allen, als we dat maar zien en elkaar dat gunnen. Eerst moeten we als joden, christenen en moslims ophouden ruzie te maken en elkaars waarheden aan elkaar op te dringen, stoppen met elkaar te onderdrukken en zelfs te doden. Dan kunnen we elkaar de ruimte gunnen, elkaars verschillen respecteren, dan kan een ontmoeting en werkelijke kennismaking zich ontwikkelen. 
Misschien gloort er dan iets als een oecumenisch gebeuren onder het patronaat van Abraham.

De laatste tijd lijkt dat nog ver weg.

noten

(1) U. Cassuto (1883-1951), A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Magnes Press, Jerusalem, 1977, p. 315
(2) Romeinen hfst 4
(3) Karl Josef Kuschel, ‘Op weg naar een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene’ in: In de voetsporen van Abraham, vele bijdragen aan symposia 2003 en 2004 te Nijmegen, Damon 2004
(4) Koran, Soera 3 (Al Imraan) 65-68
(5) Pirkee de Rabbi Eliezer, hfst. 30 e.v.
(6) Zie ook: Marcel Poorthuis, ‘Hagar’s Wanderings: Between Judaïsm and Islam’ (https://marcelpoorthuis.wordpress.com/publicaties/wetenschappelijke-publicaties/journal-articles/ )


 

Parasha Noach  

Een tweede schepping 

Beresjiet/Genesis 6:9-11:32  

door Rob Cassuto

De parasja Noach vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven landt de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. 
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Sjem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde. 
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooiing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen die zijn evenbeeld droegen. 
Tenslotte wordt gefocust op de nakomelingen van Sjem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham. 

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”. 
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach.
In het begin van paragraaf 6 komen die merkwaardige passages voor over de benee Elohiem  en de dochters der mensen en over de reuzen, anakiem, die de aarde bevolkten. (1)
Scheppingsverhaal-achtig doet aan de beschrijving van de dieren (b.v. 7, 14-15), die doet denken aan Beresjiet 24-25, en de uittocht uit de ark, die doet denken aan de uitstroom van een nieuwe creatie van levende wezens over de door het vernietigende maar ook schoonwassende water gerenoveerde aarde, afgesloten met opnieuw een: Peroe oereboe oemil'oe et ha-arets, ‘weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde’  (zoals in Beresjiet 1, 28). Even daarna wordt, zoals in Beresjiet 1, 29, het voedsel voor de mensen aangegeven, maar was in Beresjiet alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar niet het bloed. 

Nog een parallel zie ik in de assertieve daden van de mens en een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen. Zie enerzijds Beresjiet 3, 22: ‘Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft.’  Volgt de verdrijving uit het paradijs. 
In Beresjiet 11, 6 sprak de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf: ‘Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn.’
En weer voelt De Eeuwige zich enigszins bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - , en neemt hij actie door het volk te verstrooien.
Eigenlijk is deze bezorgdheid de enige motivatie die in de Tora zelf wordt gegeven voor de verstrooiing. Zo letterlijk te lezen voeren de bouwers van stad en toren niets ongerechtigs uit. 
In een ander commentaar werk ik het verhaal van de toren van Bavel verder uit.  Ik vermeld hier nog alleen deze verklaringen:
De verstrooiing is een sanctie op de overmoed van de mensen. Dit is de meest populaire opvatting.
Iets verder zoekt men, als men de verstrooiing ziet als een zet van de Schepper aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen. Een uitgebreide midrasj voert koning Nimrod op als de dictator, die op Brave New World-achtige manier zijn mensen heeft gedrild tot een uniforme werkmachine; achter de ogenschijnlijke eenheid schuilt dwang, indoctrinatie en onmenselijkheid  (2).  De verstrooiing is dan de bevrijding uit deze dwangsituatie en de talenverscheidenheid een welkome erkenning van creatief noodzakelijke verschillen.

noten
(1) De Benee Elohiem in dit vers. Daarmee zijn ‘voorname mensen, de elite’ mee bedoeld, aldus de Radak (Rabbi David Kimchi, 13e eeuw, vgl. Ex. 22:27), die meldt dat Rabbi Sjimon bar Jochaj zei, dat wie vertaalde ‘zonen van God’  vervloekt moest worden; hopelijk is dat de vertalers van de NBG niet overkomen
(2) O.a. Josephus, Antiquities of the Jews


 

Parasha Beresjiet  

Er zij licht en er was licht 

Beresjiet/Genesis 1:1-6:8  

door Rob Cassuto

Met de oproep van het licht creëert de Schepper de noodzakelijke voorwaarde voor het vervolg van het scheppen. Beresjiet/Genesis 1:3-4 “God zei: ‘Er zij licht ' en er was licht. (wa-jomer Elohiem: jehi or) God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis”
Volgens de letterlijke lezing mogen we aannemen, dat bedoeld is het fysieke licht, dat wij zien. Filoloog en bijbelwetenschapper Umberto Cassuto neemt dit als vanzelfsprekend aan. (1) Hoe is dit te rijmen met de latere schepping van zon en maan (1, 14-19), die toch ook bron van licht zijn en de taak krijgen dag en nacht te markeren? Cassuto in parafrase: eerst is er het fysieke licht zonder meer en worden de dag en nachtfasen in het leven geroepen, later worden het licht en de functie van dag- en nachtmarkering overgedragen op de hemellichamen.
Cassuto meent, dat de traditionele rabbijnse uitleg dat het allereerste  licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Inderdaad zal de redacteur van het vers deze interpretatie vermoedelijk niet voor ogen hebben gehad. Toch mogen we onze ogen er niet voor sluiten, dat deze gebeitelde pregnante bijbelwoorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Het woord ‘licht' alleen al roept associaties op, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre bovenuit gaan. Licht is de metafoor voor inzicht, wijsheid, inspiratie, liefde. Neem in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', die - naast de letterlijke betekenis van ‘voorzien van lichtbronnen (bv straatverlichting)’ -  merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omarming van het principe dat de ratio en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële menselijke ervaring van een sprong naar dieper inzicht en wijsheid. 

Zo hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht al bij de vroege rabbijnen ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Het licht van het ‘Er zij licht' is dan niet het fysische licht, want daar zorgt de Eeuwige later voor als hij zon en maan schept op de vierde scheppingsdag. De oude wijzen – met name ook in het kabbalistische grondgeschrift, de Zohar -  zagen het licht van vers 3 als het goddelijke licht van mystieke wijsheid en fundamenteel inzicht, dat de Hij heeft verborgen voor de ‘gewone’ mensen en bewaard tot de laatste dagen. (2)  
De kabbalisten hebben zeer uitgewerkte uitleggingen over het goddelijk licht. Gangbaar is de opvatting geworden (van R. Isaac Luria) dat dat licht in een aantal dramatische fasen neerdalend grotendeels verborgen is geraakt in omhullende schillen: de materiële wereld zoals die zich manifesteert in onze daagse belevingswereld. (3)
De goddelijke lichtvonken zijn omhuld geraakt door schillen van donkerte. Maar dit licht is niet helemaal verborgen. Het is meer als het zaad, dat in ieder mens kan ontkiemen. De  schrijver van de Zohar laat een van zijn personages, Rabbi Judah, zeggen:
 
Als het (licht) volledig verborgen zou zijn zou de wereld geen moment kunnen bestaan! 
Eerder is het verborgen en gezaaid als zaad 
dat zaad laat ontstaan en fruit. 
Zo wordt de wereld bewaard. 
Iedere dag schijnt een straal van dit licht in de wereld 
en zo houdt hij alles in leven, 
want met deze straal voedt de Eeuwige, gezegend zij Hij, de wereld
.(4)

De kabbalist wil deze vonken weer bevrijden en ze opheffen, zodat ze zich weer kunnen verenigen met het oorspronkelijk goddelijk geheel. Dit wordt genoemd Tikoen Olam. Op allerlei niveau kan de bevrijding van dit oorspronkelijke licht uit de duistere omhulling gebeuren, van het meest mystieke, individuele, tot het relationele, zelfs materiële globale niveau.
Het licht van Genesis 1, 3 was volgens de Zohar het licht dat David tot zijn psalmen inspireerde, dat Mozes omstraalde toen hij van de Sinai neerdaalde, het licht dat Mozes in staat stelde het hele land Israël van Gilead tot Dan te zien voor hij stierf, het licht dat is gereserveerd voor de rechtvaardigen.
Een ander mystiek commentaar suggereert dat het licht, dat van de brandende doornstruik in Sjemot/Exodus (3, 1-5) naar Moses uitging het oerlicht was van de eerste scheppingsdag, het vuur dat zijn aanhangers verlicht en niet verteert. In die passage wordt het woord doornstruik (sneh) vijf keer gebruikt, in Beresjiet (1, 1-5) komt het woord licht (or) vijf keer voor; het geschrift stelt die vijf keer doornstruik gelijk met de vijf boeken van de Tora, die op dat moment al aan Mozes werden geopenbaard.(5)

Het krachtigste licht ligt vaak in het diepste donker opgesloten, dat is de paradox. 
In een geestig verhaal uit de moslimtraditie is de wijze dwaas Moella Nasroeddin zijn huissleutel kwijtgeraakt en hij is hem aan het zoeken in het licht van een lantaarn. Iemand komt hem helpen zoeken. Als deze na lang zoeken aan Nasroeddin vraagt
- Heb je de sleutel werkelijk hier verloren? luidt zijn antwoord:
- Nee, maar in het licht zoekt het makkelijker… (6). 

We kunnen dit ook op ons zelf betrekken. Ook in onszelf is het sterkste licht, de krachtigste energie opgeslagen en gebonden in het donker, in onze schaduwkant. Het vraagt moed om op weg te gaan om deze schaduwkant te betreden en die donkere kanten (vaak geassocieerd met ‘het slechte', ‘het kwaad') te accepteren, te leren kennen en de daarin gebonden lichtkracht eruit vrij te maken. Vele mythen en sprookjes zijn daaraan gewijd. De lagere weg is de schaduw te bestrijden (St, Joris), de hogere is hem te omarmen en hem te transformeren (de prinses die de draak kust). De lagere weg betekent het tackelen van de primaire passies en driften, de hogere weg vereist het betreden van het donkere innerlijke terrein van de schaduwenergie en het herintegreren van wat daar gaandeweg naar toe is verdrongen en verwrongen. Daar in het donker zoek je liever niet, maar juist daar kan de essentie zijn te vinden.
De grote kunstenaar en architect van de tabernakel heet Betsalel, een naam die meestal vertaald wordt als ‘in de schaduw (tsel) van God'. De kabbalist leest er ook in: ‘in de schaduw is God'. 

In wat je zou  kunnen noemen wijsheidspoëzie kom je die intuïtie, dat wijsheid en waarheid in de donkerte is te vinden herhaaldelijk tegen. Juist waar de oppervlakte van de realiteit barsten vertoont, onze alledaagse doen en laten ons pijnlijk falen openbaart, daar waar we in de donkerte lijken te vallen, daar kan onverwacht licht ontstaan.

De Engelse dichter W.H. Auden dicht in ‘One Evening’ (‘As I Walked Out One Evening’) (7), dat hij op een mooie avond door de stad loopt als hij door klokgelui in een sombere stemming wordt geworpen:

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
And the crack in the tea-cup opens
 A lane to the land of the dead.


De barst in het theekopje opent een laan naar het duistere land van de doden, een land, waarin blijkens het volgende vers de kinderwereld is veranderd in een harde en bizarre  realiteit van desillusie. De dichter ziet zijn wanhoop in de spiegel en komt niettemin tot het pijnlijk inzicht, dat hoewel hij geen zegen ervaart, het leven toch een zegen is:
You shall love your crooked neighbour. With your crooked heart.

Your pain is the breaking of the Shell that encloses your understanding - Jouw pijn is het breken van de schelp, die jouw inzicht bevat – onderwees de poëtische Libanese Profeet Kahlil Gibran (8)

En niet lang geleden zong dichter/zanger Leonard Cohen nog in de song ‘Anthem’:
There is a crack in everything
That's how the light gets in 
(8)

Noten

(1) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 26 ev

(1)  Rasji ad Beresjiet 1:4 en Beresjiet Rabba III:6
(2) Uitgebreid hierover de controversiële Marc Gafni, die als men kritisch leest toch wel behartenswaardige inzichten onder woorden brengt
http://www.marcgafni.com/blog-post-two-light-from-darkness-marc-gafni/
(3) Zohar1: 31b-32a geciteerd in bloemlezing van teksten uit de Zohar met commentaar, 'Zohar', translation and introduction by Daniel Chanan Matt, Paulist Press, 1983 ,

(4) Een stelling geopperd in Yalkut Reuveni, geciteerd door Rabbi Judith Abrams z.l. op haar website www.maqom.com, die helaas van internet is verwijderd
(5) ‘De sleutel in het donker', bewerkt door Wim v.d. Zwan, Altamira-Becht, Haarlem, 2000
(6) W.H. Auden, a selection by the author, Penguin Books, 1958, p.33
https://www.poets.org/poetsorg/poem/i-walked-out-one-evening
(7) Kahlil Gibran (1883-1931), The Prophet, Alfred A. Knopf, New York2004, p. 52
(8) ‘Anthem’  op de CD ‘The Future’, 1992
https://www.youtube.com/watch?v=mDTph7mer3I


 

Parasha Wajechi

Het sterfbed van Jaäkov 

Bereshiet/Genesis 47:28-50:26  

door Rob Cassuto

De parasha

Deze parasha Wajechi (Hij leefde) verhaalt over het sterfbed van Ja'akov, die nog 17 jaar in Egypte heeft geleefd. Als zijn einde nadert, bezweert hij Joseef zijn lichaam te begraven in het land Kenaän in de grot Machpela, waar zijn voorvaderen liggen. Hij zegent de twee zonen van Josef, Efrajim en Menasje en roept zijn zonen bij elkaar. Voor ieder heeft hij een speciale uitspraak. Na zijn laatste woorden tot hen sterft hij, 147 jaar oud. Een grote stoet begeleidt zijn gebalsemde lichaam naar de grot Machpela. Na de dood van hun vader zijn de broers van Joseef alsnog bang voor de wraak van Joseef. Ze sturen een bode met de melding, dat Jaäkov op zijn sterfbed heeft geboden, dat Joseef hen zal vergeven (1), maar deze stelt hen gerust. Ze mogen in alle vrede in Egypte blijven wonen in de landstreek Gosjen. De dood van Joseef, 110 jaar oud, besluit het eerste boek van de Tora, Beresjjiet/Genesis. Ook zijn lichaam wordt gebalsemd. Josef heeft nog voorspeld dat ooit het volk van Israël zal terugkeren naar het land van herkomst en hij laat beloven zijn lichaam dan mee te nemen. 
De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Sjemot/Exodus zal een natie geboren worden. 

Het sterfbed van Jaäkov. 

Jaäkov roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat in ‘latere dagen zal gebeuren'
Voorspellingen zijn het maar ten dele. Het lijken eerder karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader zijn weerbarstige zonen voorhoudt in een stroom van in koortsdroom voortijlende beelden. 
Bijbelwetenschappers kenmerken deze verzen als een zang, die gecomponeerd is in de tijd van de Sjoftiem (Rechters), verzen die een epische schets geven van de situatie van de stammen in het toenmalige Kenaän. De zang zou later ingevoegd zijn in het verhaal van Jaäkov. (2) 

Los van de bijbelwetenschappelijke filologie en meer in de sfeer van tekstcommentaar lopen de meningen over de intentie van Jaäkovs zwanenzang uiteen. Sommigen zien deze laatste woorden van Jaäkov in de educatieve sfeer; hij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met deze confrontatie moeten sommige zonen het doen. Sjimon en Levi bijvoorbeeld krijgen het flink voor hun kiezen. Wat moeten de mannen met deze woorden: 

(HSV)  Sjimon en Levi zijn broers, 
hun wapens zijn werktuigen van geweld. 
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen, 
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen; 
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen; 
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard. 
Ik zal hen verdelen over Jakob 
en hen verspreiden in Israël 


Duidelijk klinkt hier de verbittering bij Jaäkov door over de wrede en gevaarlijke wraakneming van de twee broers op de bewoners van Shechem. De vader neemt afstand van de twee mannen en wil niets meer met hun plannen te maken hebben. 
Inderdaad schijnt in de loop van de geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kenaän de stam van Sjimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda. 
Dat de afstammelingen van Levi, de Levieten, zulke vrome dienaren van de ark en de tempel zouden worden is uit deze woorden niet af te leiden. 

Andere commentatoren leggen het accent op de uitverkiezing van Juda als de nieuwe leider onder zijn broeders. Duidelijk komt dat tot uiting in Jaäkovs woorden: ‘voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen'. Nog niet lang geleden had Juda leiderschap getoond door zich als woordvoerder op te werpen voor zijn broeders met zijn indringende pleidooi tegenover de onderkoning voor het sparen van zijn jongste broer Benjamin. Jaäkovs woorden zouden volgens deze commentatoren dan een soort verantwoording zijn van zijn keuze voor Juda tegenover zijn andere zonen. Hij is ook de enige, die direct wordt toegesproken: 

Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven! 
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden; 
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp; 
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon, 
en zo verder 

Naast Juda is het Joseef, over wie de meest lovende en zegenrijke woorden worden uitgestort. Ook Joseef krijgt zijn deel. Jaäkov erkent de beproevingen die zijn zoon doorstaan heeft:
 
Boogschutters hebben hem verbitterd, 
beschoten en hem gehaat, 
maar zijn boog bleef gespannen; 
zijn armen en handen bleven soepel 
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël – 


Zo gaat verder de stortvloed van zegeningen voor Joseef, lees zelf verder in uw Tenach of bijbel. Als we deze zegenspreuken annex orakels verder trekken, voorbij aan de historische vertelling, dan zijn ze welhaast te zien als archetypen, oerkarakters van mannen in hun gemeenschap:

Re'oeven, hartstochtelijk, onstuimig, fier, impulsief, immoreel. “Hij heeft mijn bed beslapen!“ hoor ik Ja’akov nog steeds verbijsterd roepen.
Shim’on en Levi, eeuwige samenspanners, oorlogshitsers, die geen geweld schuwen.
Jehoeda, schoon, trots, gracieus, de man met gezag, echte leider.
Zwoeloen, de man van het geld en de materie, de vervoerder, de handelaar. 
Jissachar , de noeste arbeider, de ijverige dienaar, de toegewijde volgeling.
Dan, de onbetrouwbare regelaar. 
Gad, de politie-agent. 
Asjer, de genieter, fijnproever, restaurateur. 
Naftali, de ongebondene, de kunstenaar. 
Joseef, degeen die alle tegenslagen overwint, zijn kompas trouw blijft, de rechtvaardige, de ‘tsadiek’.
Benjamin, de egoïst, die leeft bij de dag. 
Tot wie hoor jij, lezer?

Eigenlijk is het merkwaardig, dat Joseef niet als de leider wordt aangewezen. In de eerste plaats was hij feitelijk al de leider en de meest machtige van zijn broeders. 
Maar ook Joseefs levensloop en karakterontwikkeling zouden er alle reden toe hebben kunnen geven. Van verwende arrogante jongen met vele talenten, een dromer, ontwikkelt hij zich in een grillige levensloop vol tegenslagen tot een man, die zich zelf niet meer centraal stelt, maar zich een instrument weet in dienst van een hoger doel. Een man, die door zijn broeders is verraden, tot slavernij is gebracht en in de gevangenis is terecht gekomen, maar die zich niet door wraak laat leiden, maar de stap doet naar vergevingsgezindheid. Hij redt niet alleen zijn eigen volk van de catastrofe, maar ook het volk van Egypte door transformatie van zijn visionaire gaven in vooruitziendheid en wijze strategie. 

Ondanks dat voorvoelde Jaäkov, ergens voorbij de muren van de tijd, dat op Juda de bestemming rustte van de continuïteit van het Joodse volk. Alleen zijn stam zou uiteindelijk (met die van Benjamien) de geschiedenis overleven tot in de moderne tijden en zijn naam zou de naam worden van dat volk, het Joodse volk. Niettemin blijft Joseef in de Joodse traditie in wijsheid en deugd boven allen uitsteken, een unieke figuur. Hij wordt een tsadiek genoemd.

Niet onderschat mag worden de enorme overgang die met Joseef wordt ingeluid, Joseef, die als eerste in de familiegeschiedenis de sprong heeft gemaakt van herdersjongen naar een nieuw sociaal niveau, naar een functie waarin politiek, vooruitzien, beleid op lange termijn, centraal stond, anders gezegd: naar een positie binnen de toenmalige ‘moderniteit' van de georganiseerde naties van het Midden-Oosten. Vanuit die positie leidde hij als het ware de familie van Jaäkov uit de anonimiteit van de steppen binnen in de politieke geschiedenis, die met het boek Sjemot/Exodus in volle omvang wordt voortgezet.

noten
(1) Heeft Ja'akov inderdaad dit dringende verzoek doen zenden via de boodschapper? Nechama Leibowitz beschrijft hoe de rabbijnen betwijfelen of Jaäkov zo’ n bevel heeft gegeven. De meeste geleerden (zoals Rasji) denken dat de broeders dit hebben verzonnen om als het ware de autoriteit van een vaderlijk verzoek te geven aan hun smeekbede niet alsnog gestraft te worden. Een leugentje om bestwil is daarom niet altijd verkeerd concluderen zij. Een aantal geleerden meent, dat Jaäkov helemaal niet ingelicht was over de wandaden van zijn zonen tegen de jonge knaap Joseef. De vader leefde in het geloof dat zijn zoon verdwaald was op zijn weg en gevonden en verkocht door slavenhandelaren. Nachmanides zegt, dat de broeders het niet verteld hebben uit angst voor woede en vervloeking, en Joseef niet om zijn vader geen verdriet te doen.


 

Parasha Wajigash

Vergeving,

een revolutionaire uitvinding


Bereshiet/Genesis 44:18 – 47:27 

door Rob Cassuto

De parasha

In de parasja Wajigash (Hij naderde) vindt dan eindelijk de verzoening plaats tussen Joseef en zijn broers. Het hele verhaal wordt in geuren en kleuren, met veel detail en dialoog verteld. Ook verhaaltechnisch zit het goed in elkaar en is het boeiende lectuur.

De machtige onderkoning eist als sanctie op de zogenaamde diefstal door Binjamien van een kostbare bokaal (zie vorige parasja) de jongen als slaaf op;  benieuwd is de nog niet als zodanig herkende Joseef over wat de reactie van de broers zal zijn. Jehoeda neemt het woord. In een lang betoog om Binjamien vrij te pleiten bespeelt hij alle snaren van Joseefs gemoed, als hij de vader Jaäkov beschrijft als een wanhopige oude man, die ooit de oudste zoon van zijn geliefde Rachel heeft verloren en nu ook de jongste lievelingszoon, het enige wat hem nog aan het leven bindt,  niet zal terugzien; de grijsaard zal dan prompt van verdriet sterven. Jehoeda smeekt om hèm als slaaf te houden en Binjamien te laten gaan. Als de man zich zo laat kennen als redder en beschermer van de jonge knaap en als ook de andere broeders Binjamien niet laten vallen, - zoals ze ooit met hem, Joseef, hebben gedaan -  maakt de machtige gezagsdrager een eind aan de beproeving; hij laat de tranen eindelijk gaan en maakt zich bekend als hun doodgewaande broeder, Joseef; een emotionele ontmoeting en verzoening vindt plaats. Joseef laat ook Jaäkov en zijn huishouding en vee uit Kenaän halen; de hele familie van zeventig personen wordt hartelijk en feestelijk binnengehaald en krijgt van Paro een woonplaats in Egypte, in de vruchtbare streek Chosjen.

Er volgden nog een aantal jaren van hongersnood en de onderkoning Joseef verkocht het in pakhuizen opgespaarde koren aan de bevolking. Straf en streng ging hij te werk, hij redde het land, maar haalde tegelijk ook al het geld, vee, land van de wanhopige kopers voor zijn heerser binnen; tenslotte gaf hij de boeren zaaigoed en voerde een pittige oogstbelasting in ten gunste van Paro’ s kas.

Vergeving, een revolutionaire uitvinding 

Vergeving is beter mogelijk als de aangedane partij tekenen ziet van een veranderde houding en ten goede gekeerde daden bij de tegenpartij.  Een veranderde houding van schuldgevoel en berouw bleek al uit het gesprek van de broers tijdens hun driedaagse gevangenschap (zie vorige parasja); veranderd gedrag bleek uit de heftige pleitrede van Jehoeda voor zijn jongste broer Binjamien.  Jehoeda, die nota bene hem, Joseef, ooit als slaaf had verkocht, kwam nu op voor het heil van de andere zoon van Rachel. Ook een duit in het zakje deed Jehoeda's begaanheid met het welzijn van zijn vader, die hij ooit zo'n verdriet had gedaan en had bedrogen. Dat lange hartstochtelijke blijk van familieliefde – in contrast met de vroegere onderlinge ‘kinnesinne’– bracht Joseef tot de onthulling van zijn identiteit als hun broeder. Tegelijk deed hij aan iets, dat daarvoor nog nooit zo duidelijk in de Tora was beschreven: vergeving.

Rabbijn Jonathan Sacks (1) merkt dit aan als een revolutionaire daad in de geschiedenis van de mensheid, te vergelijken met de uitvinding van de boekdrukkunst, de elektrische motor en internet! In de evolutie van het ethisch bewustzijn van de mensheid is het een essentiële sprong. 

Er zijn in de Tora vóór de geschiedenis van Joseef wel bewegingen in de richting van vergeving geweest. Avraham beweegt Hashem de inwoners van Sedom en Amora te sparen, maar hij dringt niet aan op vergeving van deze zondaren. Jaäkov nadert zijn boze broer Esav met zeven buigingen een grote geschenken; hij probeert zijn broer te kalmeren en gunstig te stemmen om af te zien van wraak en geweld; ze begraven de strijdbijl, maar Jaäkov vraagt niet om vergeving en Esav geeft die ook niet.

Joseef vergeeft wel, als hij zegt: ‘ Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden ' (Ber/Gen 45: 5). Het dringt nog niet echt door tot de mannen, dat hiermee vergiffenis is geschonken voor de mishandeling van hun broer. In de volgende parasja Wajechi willen ze zekerheid daarover hebben, beangst als ze nog zijn om na de dood van hun vader Jaäkov alsnog het voorwerp van wraak te worden. Daarom vragen ze aan hun machtige broer nog een keer om vergeving: ‘Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders ' (Ber/Gen 50:17).
 
Wat is er zo revolutionair aan het fenomeen van vergeving? Rabbijn Jonathan Sacks signaleert, dat in vele culturen, bv. ook in de oude Griekse, geen vergeving bestaat; wel zijn er verwante mechanismen, rituelen van kalmering en zelfvernedering, om wraak, geweld en straf te voorkomen. Een voorbeeld in de Tora hebben we juist genoemd: de benadering van Jaäkov van zijn broer Esav. Het gaat om culturen, waarin schaamte en eer de hoofdrol spelen. In het Jodendom overheerst een cultuur van schuld, schuld die vergeven kan worden. 

We citeren uit het diepzinnig commentaar van R. Sacks: ‘Binnen het jodendom werd een nieuwe vorm van moraal geboren. Jodendom is (hoofdzakelijk) een ethiek van schuld, in tegenstelling tot de meeste andere systemen, die een ethiek van schaamte zijn. Een van de fundamentele verschillen tussen hen is dat schaamte en schande zich hechten aan de persoon. Schuldgevoel hecht zich aan de handeling. In schaamte-culturen is een persoon die verkeerd doet als het ware, besmeurd, getekend, verontreinigd. In schuld-culturen is niet de dader fout, maar de daad, niet de zondaar, maar de zonde. De persoon behoudt zijn of haar fundamentele waarde ("de ziel die u me gaf is zuiver", zeggen wij in onze ochtendgebeden). Het is de daad die op een of andere manier moet worden rechtgezet. Dat is de reden waarom in schuld-culturen er processen zijn van berouw, vergeving en verzoening'. 

Dat maakt mogelijk, dat de vicieuze cirkel doorbroken kan worden, de cirkel van actie en tegenactie, van wraak en weerwraak. We hoeven het verleden niet eeuwig te herhalen. Vergeving maakt verandering mogelijk en schept een nieuw perspectief van vrijheid voor de toekomst. Rabbijn Sacks: ‘De mensheid veranderde op de dag dat Joseef zijn broers vergaf. Als we vergeven en waardig zijn om vergeving te ontvangen, zijn we niet langer gevangenen van ons verleden’.

noot
(
1) Zie op zijn website zijn commentaar op Wajigasj van 5775/ 2014.


 

Parasha Mikeets

Doorbrekend schuldbesef


Bereshiet/Genesis 41-44:18

door Rob Cassuto

De parasha

In de parashat Mikeets (‘aan het eind van’) neemt het verhaal van Joseef en zijn familie een aantal spannende en ingrijpende wendingen. Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette koeien, die worden opgegeten door zeven magere koeien en de zeven volle aren, die worden verzwolgen door zeven lege aren. Joseef verklaart hem: er komen zeven vette jaren, waarna zeven magere jaren zullen volgen; hij geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren te verwachten hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie van bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenote.

Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen na zeven jaren van welvaart zeven jaren van hongersnood, die ook het land Kenaän teisteren. Tien broeders van Joseef trekken naar Egypte om koren te kopen en komen voor de onderkoning Joseef, die zij niet herkennen, maar andersom wel. Binjamien, nog een knaap, zo vertellen zij aan de nieuwsgierige onderkoning, is achtergebleven bij zijn vader.

Joseef gaat nu een gecompliceerd spel met zijn onwetende broers spelen. Hij beschuldigt hen van spionage; ze protesteren heftig en Joseef eist dat ze om hun onschuld te bewijzen terug naar Kenaän moeten gaan en Binjamien met hen mee terug naar Egypte moeten nemen,  als bewijs dat zij de waarheid spreken. Ze krijgen wel koren mee, maar Sjimon blijft als gijzelaar achter.

Jaäkov weigert zijn oogappel Binjamien -  naast Joseef de tweede zoon van Rachel  - naar Egypte te laten gaan, maar ten langen leste als de honger weer toeslaat en Jehoeda zich borg stelt voor zijn jongste broer, stemt hij toe en de broers trekken nu met hun jongste broer weer naar Joseef. Joseef ontvangt hen vorstelijk maar laat in de voederzak van Binjamien een kostbare bokaal van zijn tafel stoppen, die hij later, als de broers weer met gevulde korenzakken de terugweg aanvaarden, zogenaamd weer door zijn agenten laat vinden.

De broeders worden teruggehaald en Joseef veinst dat hij 'de dief' Binjamien als slaaf bij zich wil houden. Jehoeda neemt het woord en in de volgende parashat Wajigash houdt hij een lang betoog om Binjamien vrij te pleiten.

Joseef en zijn broeders

Joseef is een uitgebreid beschreven karakter en we volgen hem in deze en in de volgende  parashot in zijn ontwikkeling. Nog meer dan bij Jaäkov blijkt zijn personage te zijn uitgewerkt in markante trekken.

In het begin van zijn leven komt Joseef over als een jongen met een uitstekend verstand, een rijke fantasie en een uitzonderlijk vermogen om dieper te schouwen.

Duidelijk is hij verwend en de kleurige mantel symboliseert zijn kleurige en beeldrijke talenten en tegelijk belichaamt deze uitdossing ook zijn voorgetrokken positie als zoon van Jaäkovs grote liefde Rachel. Jong, overmoedig en arrogant weet Joseef zijn talenten en geestkracht nog niet in de hand te houden. Hypocriet klikt hij over zogenaamde zonden van zijn broers en met zijn op zich veelbetekenende dromen gaat hij slordig en ontactisch om. Dat leidt tot de heftige poging van zijn gekwetste en getergde broers hem uit de weg te ruimen.

De doodsangst en de spanningen van de slavernij zullen de jonge Joseef tot inkeer hebben gebracht. In zijn positie als slaaf en gevangene gaat hij zijn gaven beter gebruiken. Hij leert op langere termijn te denken en blijkt een uitstekend organisator. Hij is allengs meester geworden over zijn dromen en doorziet andermans dromen. Hij kan zijn gaven nu inzetten voor zijn eigen zaak, zaken van anderen en zaken van de gemeenschap.

In dat proces speelt een belangrijke rol, dat hij is gaan beseffen dat hij een dienaar is, dat hij een instrument is geworden van een oneindig grotere macht, zoals hij zelf naar voren brengt tijdens de droomuitleg aan Farao: het is God die Farao zijn bedoeling te kennen geeft en Joseef is alleen maar de doorgever. Op zijn manier heeft hij contact gemaakt met de God van zijn vaderen. Nog duidelijker komt dit besef naar voren gedurende de latere hereniging van Joseef met zijn broers.

Het lijkt wel of Joseef voor zijn broers een subtiel maar lastig parcours heeft uitgezet, waarlangs zij geleidelijk tot inkeer en tot besef van schuld kunnen komen. Na de beschuldiging van spionage worden de broers gevangen gezet. In de loop van drie dagen detentie onderzoeken de broers vertwijfeld waar ze hun tegenslagen aan te danken hebben. Heeft misschien hun mishandeling van Joseef, nu tweeëntwintig jaar geleden, er mee te maken en betalen ze nu de prijs? Bereshiet/Genesis 42: 21, vertaling Dasberg: “We hebben inderdaad schuld tegenover onze broer wiens doodsangst wij hebben gezien toen hij ons smeekte en wij niet naar hem geluisterd hebben, daarom is deze ellende over ons gekomen.”

In de verzen, waarin wordt verteld hoe Joseef in de put wordt geworpen (Beresjet/Genesis 37:21 e.v.) wordt van de doodsangst en van de smeekbeden van Joseef geen gewag gemaakt. Pas hier, na drie dagen afzondering in gevangenschap en in deze penibele omstandigheden, dringt de impact van die smeekbeden tot de broeders door en beseffen ze de verharding van hun hart. Pas nu, vele jaren en bladzijden later, lezen wij over die hartverscheurende smeekbeden; commentator Nechama Leibowitz wijst op de narratieve vondst om dit nu pas te vermelden: het is een krachtig literair middel om het berouw van de broers tastbaar te maken.

Joseef luistert dit gesprek in de gevangenis af en begint te vermoeden, dat zijn broers misschien wezenlijk zijn veranderd. Als dat werkelijk ook uit hun daden zal blijken kan hij zijn eventuele wraakplannen laten varen, kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, voor de ook altijd levend gebleven liefde; dan kan hij zich bekendmaken en komen tot ontmoeting en verzoening. Dan zal hij kunnen zeggen: ‘Maar God heeft mij vooruit gezonden tot grote redding …’  (Ber/Gen 45:7).

De Haftara en Chanoeka

Het is de tijd van Chanoeka en in de Haftara: Zecharja 2:14-4:7 is het thema van Chanoeka zeer sterk aanwezig in het visioen van de gouden zevenarmige Menora. De afbeelding van dit visioen is een meditatie object geworden in de joodse spirituele praktijk, een zg "Shiviti".

De zevenarmige gouden Menora wordt omgeven door twee olijfbomen, die de hogepriester Jehoshoea en de politieke leider Zerubavel representeren. Deze twee waren betrokken bij de restauratie van de tempel in 516 BCE na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De olijfbomen voorzien de Menora van een voortgaande stroom van olie. De beschrijving van de Menora uit Zecharja (Zacharia) wordt gelezen in de Haftara van de eerste sjabbat van het Chanoekafeest en besluit met een messiaans visioen van vrede, "Niet door macht, niet door kracht maar door mijn Geest"(Zech: 4.)


 

Parasha Wajeshev

Karakter in ontwikkeling:

Joseef

Bereshiet/Genesis 37-41

door Rob Cassuto

De parasha

In deze parasha zet het familieverhaal van Avrahams nakomelingen zich voort. Een nieuwe generatie betreedt het podium, de zonen van Avrahams kleinzoon, Ja'akov. Hoofdfiguur is diens lievelingszoon Joseef. In deze parasha en de volgende parshiot Mikets, Wajigasj en Wajechi speelt zich de geschiedenis van de familie om Joseef heen af. Het is het laatste bedrijf van de family story van Bereshiet/Genesis; in het volgende boek, Shemot/Exodus zal het over een volk gaan, in de volgende boeken aangeduid als de ‘benee Jisraël', de kinderen van Israël.

De parashat Wajesjev valt eigenlijk in twee bedrijven uiteen.
Het eerste bedrijf vertelt hoe de puber Josef – naïef of arrogant, naar men wil – zijn dromen vertelt aan zijn broers, dromen met beelden van hoe hij de baas is in de familie. Korenschoven, zon, maan en sterren, allemaal buigen ze voor hem, Joseef; daarbij gaat de jongen gekleed in het sjieke kleurig gewaad dat zijn vader hem heeft geschonken. De broers hebben schoon genoeg van dat verwaande knaapje en ze zijn ook nog jaloers. Als de ruige herders ver van Jaäkovs tenten de schapen weiden en hun vaders oogappel in zijn mooie mantel zien naderen om hen te controleren besluiten ze hem te doden en gooien hem in een lege put. Uiteindelijk doden ze hem niet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte (1). Ze vertellen aan de ontroostbare vader, dat zijn zoon is verscheurd door wilde dieren en tonen hem het met geitenbloed besmeurde kleurig gewaad. Het thema misleiding en leugen, ook dat thema zet zich in deze generatie voort.

Vóór het dan volgende tweede bedrijf rond Joseef krijgen we nog in een intermezzo verhaald over Jehoeda en zijn schoondochter Tamar, weduwe van twee zonen van Jaäkovs zonen, een vrouw, die verlangend naar een kind, haar schoonvader listig als hoer vermomd verleidt en een tweeling baart. (2)

Het tweede bedrijf is het begin van de carrière van Joseef als slaaf in Egypte, die het in latere parshiot tot onderkoning zal brengen. Zijn eerste baantje als huismeester van een generaal eindigt in de gevangenis als hij door de meesteres des huizes ten onrechte wordt beschuldigd van aanranding. In de gevangenis weet hij toch weer op te klimmen tot manager en vestigt hij zijn reputatie als droomuitlegger door uit twee dromen van in ongenade gevallen hoffunctionarissen, de schenker en de bakker, correct hun toekomst te voorspellen, voor de een eerherstel, voor de ander de dood. Die reputatie zal hem later nog van pas komen.

De wegwijzer; toeval of sturing?

Van de vele kleurige en dramatische gebeurtenissen kies ik  een passage over één bepalend moment, dat zich voordoet tijdens Joseefs zoektocht naar zijn broers, die hem als slaaf zullen verkopen. Het lijkt een vrij onbelangrijk detail dat in hoofdstuk 37: 15-18 wordt verteld: (NBV) “Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. ‘Ik ben op zoek naar mijn broers', antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?' ‘Ze zijn hier niet meer', zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden'. Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan“. Uitgangspunt bij Tora-verklaring is dat er nooit iets voor niets staat.
Ook al lijkt het een onbelangrijk detail, het feit dat het is opgenomen in het verhaal houdt in dat het een betekenis of boodschap heeft.

In de hierboven opgenomen vertaling staat, dat Joseef ‘iemand tegenkwam'. Letterlijk vertaald staat er: ‘Jiemtsehoe iesh' ofwel: een man (iesh) vond hem. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een belangrijke wending teweeg brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Avraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en denk ook aan de ‘man' met wie Jacob heeft geworsteld aan de Jabbok. Soms wordt hij een boodschapper genoemd, een ‘malach', later via het Griekse equivalent ‘angelos' vertaald als ‘engel'.

De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Sjlomo Jitschaki (Rasji) verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gavriël; zie ook het boek Daniël, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een man Gavriël', waar het duidelijk gaat om een engel-achtig fenomeen (Daniël 9:21). Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft.

Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het hier een draaipunt betreft in de afwikkeling van het drama van Joseef en zijn broeders, ja zelfs in de geschiedenis en het lot van Israël. Joseef was verdwaald. Als hij de man niet had ontmoet had hij zijn broeders waarschijnlijk nooit gevonden. Misschien was hij wilde dieren tegengekomen, rovers, misschien was hij onverrichter zake teruggekeerd naar het kamp van zijn vader.

Hij was waarschijnlijk nooit in Egypte terecht gekomen (en als hij er onverhoopt toch terecht zou zijn gekomen had zijn geschiedenis zich daar heel anders verder ontwikkeld, was de broederschuld niet opgetreden, was Joseef nooit de redder van zijn familie geworden). Waarschijnlijk was Jacob met zijn zeventig mensen nooit in Egypte aangeland, althans niet op de manier zoals in de Tora beschreven staat met de vestiging in het land Chosjen, de bevolkingsaanwas, de toenemende onderdrukking en tenslotte de Exodus.

Is het toeval dat de ‘man' op de weg van de verdwaalde Joseef kwam?
Eeuw in eeuw uit is de vraag of een essentiële schakelgebeurtenis (b.v. een ontmoeting) nu zuiver toeval is geweest of een ingreep Gods. Het is een onderwerp, dat gezellig bediscussieerd werd en wordt aan de borreltafel (of bij het nomaden kampvuur, wie weet). Ook tussen wetenschappers, theologen en filosofen, in gewichtige academische fora. Op belangrijke historische wendingspunten, maar ook in de individuele levens van niet beroemde personen zijn er staaltjes van al dan niet schijnbaar toeval te geven.

Wie ben ik om een overzicht te geven van de stand van deze discussie, die in populair wetenschappelijke vorm een eigentijdse variant kent – waar het gaat over biologische evolutie - onder de noemer van ‘intelligent design'.
Ik wijs er hier op, dat de Tora suggereert, dat er een bovenmenselijke, zo u wil goddelijke sturing is. Een sturing, die kennelijk wil, dat Joseef zijn beproeving tegemoet gaat, dat de broeders hun dwaling aan hem begaan, zodat Joseef vanuit de diepste put via toppen en dalen naar zijn hoogste glorie kan stijgen, waardoor hij zijn familieleden vanuit hun ontberingen een veilige plaats van welvaart kan bieden, welke plaats weer wordt tot een oord van ellende, van waaruit zij uiteindelijk uit de slavenketens bevrijd optrekken naar de Sinaj, waar zij de openbaring van de Tora krijgen, waarna etcetera de geschiedenis verder rolt met een beurtelings oplichtende dan weer in duistere raadselachtigheid verzinkende finaliteit.

Misschien is onze grootste vrijheid als mens niet zozeer dat wij in opperste vrijheid kunnen kiezen als wel dat wij de vrijheid hebben ons af te sluiten óf ons te openen voor welke boodschapper dan ook die ons vanuit een grotere dimensie met zijn tekens, met zijn richtingwijzing tracht te bereiken. Misschien is dat de kwaliteit van Joseef geweest - behalve dat hij een helder verstand had, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen - : de kwaliteit om in de nood van het moment, verdwaald in eindeloze velden, open te staan voor tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wil) de gelegenheid om zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is.

Tenslotte: het is opvallend hoe af en toe in de Tora (in de Tanach, in de historie) de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, misstappen, dwalingen, vooruit: zeg de zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen, de jaloersheid en naijver van Joseefs broeders brengen Joseef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. In deze zelfde parasha brengt de zonde van Juda met Tamar het nageslacht voort dat zal leiden tot David ha-melech (koning David) en diens zonde met Batsjewa brengt Sjlomo ha-melech (koning Salomo) voort.

noten
(1) Hebben de broers nu Joseef eerst aan de Midjanitische kooplieden verkocht of waren die hen voor? De tekst is niet duidelijk. Nechama Leibowitz behandelt in haar commentaar uitgebreid deze kwestie; ze vermeldt hoe vele commentatoren komen tot een viervoudige doorverkoop van Joseef: broers naar Midjanieten, Midjanieten naar Ishmaëlieten, Ishmaëlieten naar Medanieten. Medanieten aan Farao's generaal Potifar.

(2) Voor de liefhebber: het verhaal over Jehoeda en Tamar. Klik hier.


 

Parasha Wajisjlach

Jaäkov en Esav:

de mogelijkheid tot verzoening

Bereshiet/Genesis 32:4 – 37

door Rob Cassuto

De parasja

Jaäkov trekt Esav, die hij tweeëntwintig jaar geleden was ontvlucht, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jaäkov de ontmoeting naderen. Hij vreest de wraakzucht van zijn ooit zo bedrogen broer.

Verschillende preventieve maatregelen tegen de te verwachten vergeldingsacties treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zendt rijke geschenken vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man, die  na een heftige worsteling Jaäkov zegent en hem de naam Jisraël (Israël) geeft. Jaäkov herkent de man als (een engel van) God. De dag daarna loopt hij met zeven buigingen Esav tegemoet (1). Deze sluit hem in de armen en kust hem ‘en zij huilden'. Als Esav aandringt om samen op te trekken wijst Jaäkov dit af en ze scheiden weer. Jaäkov slaat zijn tenten op bij Sjechem.

De prins van die stad verkracht Jaäkovs dochter Dina. De tot over zijn oren verliefde prins wil toch Dina trouwen en is daartoe tot vele concessies bereid. De zonen van Jaäkov brengen hem ertoe zichzelf en alle mannen van de stad te besnijden, maar dat is een bedrieglijke valkuil. Onder leiding van Sjimon en Levie nemen ze alsnog afschuwelijk (eer)wraak voor hun zuster door de mannen die nog ziek waren van de besnijdenis om te brengen en de stad te plunderen. Jaäkov is hier zeer ongelukkig over. Hij trekt verder en slaat zijn tenten op bij Beet El en brengt offers en neemt maatregelen tegen de afgoderij bij zijn zonen en personeel in een poging de bescherming van de Eeuwige te behouden en de toorn van de omwonende stammen en steden af te wenden. De Eeuwige bevestigt opnieuw de nieuwe naam ‘Jisraël’ en geeft wederom zijn zegen. Verder trekkend in de richting van het kamp van de oude Jitschak komen ze bij Beet Lechem (Betlehem), waar Rachel Jaäkov nog een zoon schenkt – Benjamin –, maar zij sterft in het kraambed.  Reöeween (Ruben) legt het aan met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Jitschak sterft en wordt begraven door Jaäkov en Esav. Blijkbaar zijn de twee broers bij die gelegenheid nog een keer bij elkaar gekomen. De parasja besluit met een overzicht van de nakomelingen van de beide broeders.

We zoomen in op de op de nachtelijke worsteling van Jaäkov met de man/engel vóór de ontmoeting met Esav.

Strijd en verzoening

Het is de moeite waard het leven van Jaäkov bekijken vanuit het perspectief van rijping en groei naar volwassenheid en zelfs grootheid.

Lang is Jaäkov's coming out voorbereid. De begaafde dromer is steeds meer geïncarneerd in het leven van de aarde.  Hij is geworden tot een aanzienlijk man, aan het hoofd van kudden en omringd met vrouwen en kinderen. En nu staat hij voor Esav, vijand en tegenpool, de verpersoonlijking van kracht, geweld, impulsiviteit. Hij voelt zich aan een afgrond van angst staan, angst voor vernietiging door de vloedgolf van wraak en geweld van zijn broer. Maar die diepe doodsangst gaat gepaard met de angst om in een nieuwe grootheid te gaan staan, zijn werkelijke ruimte in te nemen, zijn essentie onder ogen te zien en voluit te omhelzen. Om die sprong te kunnen wagen, moet Jaäkov eerst schoon schip maken, d.w.z. zijn verleden onder ogen zien, en met name zijn bedrog ten aanzien van zijn vader en broer, hij zal de intense gevoelens van schuld en waardeloosheid moeten doorwerken. Dat is een gevecht op leven en dood. Als hij dat een nacht lang gedaan heeft en de man/engel heeft overwonnen – je kan ook zeggen: grondig ommekeer, teshoeva, heeft gedaan – is hij klaar om in zijn nieuwe grootheid te stappen, bevrijd van oude ballast. Dan is hij van een Ja'akow, een hielenvolger, een Godstrijder, Israël, geworden (1)

De nacht van Jaäkovs worsteling met de ‘man’ (‘iesj’) is een beproeving (3). De paradox is, dat de duistere kracht die Jaäkov aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem zelfs kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jaäkov kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) inleidt. Het is Jaäkov die zijn inzet ten volle moet doen, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de Goddelijke zegen schuil te gaan.
 
Ik denk dat ieder mens in zijn leven één of wel meerdere nachten heeft gekend van gevecht met de engel, met God, met het lot, misschien niet zo spectaculair en mythisch van proportie als die van Jaäkov, misschien wat minder heftig, hoewel wie zal dat meten…..In Jaäkovs eenzame nacht aan de beek is ons in ieder geval het prototype gegeven van hoe grootse krachten op beslissende momenten ons kunnen beproeven en ons een nieuwe levensfase kunnen induwen met een aanvankelijk onbegrepen duistere kracht die geleidelijk een zegen blijkt te zijn. 

Esav – ook wel Edom genoemd – is in vele rabbijnse uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden(2) Vele latere vijanden van Israël zijn betiteld als ‘Edom'. De tekst van de Tora zelf gaat in deze demonisering niet mee.  Jaäkov en Esav zijn beschreven als heel uiteenlopende mensentypen. Jaäkov was meer een man van geest en verstand, een intellectueel, zouden we nu misschien zeggen.  Esav was een man van het lichaam, bezield met hartstocht en kracht, een macho. Ieder had zijn slechte en goede kwaliteiten. De mannen hebben elkaar dwars gezeten, gehaat. Zoals in ieder mens geest en lichaam met elkaar overhoop liggen. Maar laten we niet vergeten: de zo tegengestelde helften van deze tweeling  hebben zich verzoend en daarna elkaar getolereerd in de streken van het toenmalige Palestina. Samen begroeven de mannen hun vader en ze rouwden samen aan zijn graf (Bereshiet/Genesis 35:29). Zo zijn ze niet alleen symbool van rivaliteit en strijd geworden, maar ook symbool van de mogelijkheid tot verzoening en verdraagzaamheid.

Laten we op dit laatste element het accent leggen wanneer we dit verhaal in het licht houden. Laten we de verzoenende strekking laten spreken en niet meegaan in de zo aanlokkelijke en gemakzuchtige neiging om in andersdenkenden, andersgeaarden en andersgelovigen een gedemoniseerde Edom te zien. Hielden Jaäkov en Esav na hun verzoening van elkaar of bleven ze elkaar haten? Ik weet het niet, maar ze respecteerden elkaar en gunden elkaar de nodige levensruimte. In deze tijden van interculturele en interreligieuze spanningen zou dat al heel wat zijn.

noten 
(1) De geschenken en buigingen van Jaäkov bij de ontmoeting met Esav zijn te correleren aan de aan Esav ontstolen zegen, zoals te lezen in een van de  commentaren van Jonathan Sacks op parashat Toldot.
(2 Sommige oude midrasjiem gaan daar ver in. Zo is het opgevallen dat in de Hebreeuwse tekst in  de Tora ‘hij kuste hem' – wajishakehoe – voorzien is van extra puntjes op de letters; Rabbi Yanai zegt dan, dat dat is om ons te vertellen, dat Esav niet van plan was om Jaäkov te kussen maar om hem te bijten, maar Jaäkovs keel werd van marmer en brak de tanden van de slechtaard (Midrash Rabba, op Chabad.org).
(3) Een niet gering aantal identificeert de ‘man’ met Esav of met de beschermengel van Esav. Ook de middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt die oude wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esav. Bepaalde kabbalistische bronnen associëren deze met Samaël, de engelachtige manifestatie van Satan en tevens de verleider van Chava (Eva) in Gan Eden (overzicht in Wikipedia http://en.wikipedia.org/wiki/Samael ).  
Mijn duiding gaat  meer in de richting van de interpretaties van Gunther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar– Jaäkov vocht met oude schuldgevoelens over zijn bedrog - en Elie Wiesel - Jaäkov vocht met oude angsten en schuldgevoelens – zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields


 

Parasha Wajetsé

List en bedrog

als thema in Ja'akovs leven

Bereshiet/Genesis 28:10 – 32:4

door Rob Cassuto

De parasha

Deze parasha vertelt over Jacobs tocht naar en verblijf in de streek Charan in het land Aram (ongeveer het tegenwoordige Syrië), waar zijn oom, de Arameeër Lawan, woont. Op de vlucht voor zijn uitzinnig boze broer en op zoek naar een vrouw. Het familieverhaal van de vorige parasha Toldot zet zich voort. Het bevat alle gevoelens en emoties die een familie kan beheersen, liefde, haat, jaloersheid, woede, angst, ambitie. Interessante thema’s – ik meld er drie - springen naar voren.

Het eerste thema heeft te maken met bewustwording van roeping en bestemming. Het speelt vooral in de aanvang van de parasha als Ja’akov zijn lange reis begint. ‘Ja’akov verliet dus Be’ershewa en ging op weg naar Charan’ (28:10).’s-Nachts ziet hij, slapend met het hoofd op een steen, de engelen langs een ladder naar de hemel opklimmen en neerdalen en hij hoort hoe de Eeuwige zich aan hem bekend maakt met de woorden "Ik ben de Hashem, de God van je vader Awraham en de God van Jitschak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven etc."  Min of meer gelijke woorden hebben ook al geklonken voor grootvader Avraham en vader Jitschak. De Eeuwige bevestigt hiermee de positie van Ja’akov als hoeder en doorgever van Avrahams erfenis. Jitschak had bij het vertrek van zijn zoon deze positie ook al erkend (aan het slot van de vorige parasha, Ber/Gen 28:1 ev). Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest, lijkt hier bij Bet-El de inwijding van een jongeman plaats te vinden, middels een openbaring, die eerst nu pas de zoon op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming (1).

Het tweede thema betreft huwelijk en relatie. Het wordt ingeleid door het prachtige verhaal van Ja’akovs ontmoeting bij de put met Rachel, de dochter van zijn oom Lawan. Eerst moet hij echter de oudste dochter Lea trouwen. Een belangrijk deel van de parasha gaat over de ingewikkelde verstandhouding van de man met de twee vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Lea. Met de twee vrouwen en de twee bijvrouwen Bilha en Zilpa krijgt hij gedurende zijn diensttijd bij Lawan elf zonen en een dochter.

In de loop van lange jaren wordt hij ondanks de listen van Lawan, die Ja’akov in zijn macht wil houden, een welvarend man dankzij zijn eigen listige tegenzetten. Na twintig jaar trouwe dienst ontsnapt hij aan de greep van zijn oom en aanvaardt met zijn hele gezin en met al zijn enorm gegroeide bezit aan slaven en vee de terugtocht naar het land van zijn vaderen. Er volgt nog een laatste ontmoeting en verzoening met Lawan. Intussen trekt zijn broer Esav hem tegemoet.

Misleiding als levensthema

Het derde thema is het thema van list, bedrog en misleiding en hoe dat een rol speelt in het leven van gemeenschap en familie. Daar ga ik wat verder op in.

In de vorige parasha Toldot is het spel van machinaties al begonnen en in deze parasha zet het zich voort. Blijkbaar is het een centraal  thema in Ja'akovs leven. Misleiding heeft een stempel op zijn leven gedrukt. Als ik me een term uit een andere religie mag veroorloven, is het deel geworden van zijn karma. In de termen van de psychologie, is het onderdeel gaan uitmaken van zijn levensscript. Telkens duikt bedrog en misleiding in zijn leven op. In deze parasha dus ook weer, maar ook later nog vele malen.

Aan de ene kant betekent de droom over de ladder bij Bet-El  samen met de openbaring van de Eeuwige  het begin van een grote ommekeer bij Ja'akov.  Een proces van ‘teshoewa' is ingezet. Hij is een man met een roeping geworden, met verantwoordelijkheid voor zijn gepleegde daden. Hij moet nu echt het rechte pad op. Aan de andere kant wordt hij steeds betrokken in gebeurtenissen, waarbij  bedrog en misleiding een beslissende rol spelen. Hoe menselijk allemaal! Alsof zijn eigen list en bedrog van vroeger resoneren in wat het leven hem later brengt. Dat krijg je ervan, boontje komt om zijn loontje, zegt de volksmond.

Een grote kool wordt hem gestoofd door zijn oom Lawan. Na zeven jaar werk voor zijn oom heeft Ja'akov als loon zijn lang verbeide Rachel verdiend, de mooie dochter, op wie hij op eerste gezicht smoorverliefd werd  - ‘En Ja’akov kuste Rachel en verhief zijn stem en weende’- , iets wat in de Tora zelden expliciet voorkomt, romantische liefde. Waarschijnlijk dronken geworden op het huwelijksfeest – veronderstellen de rabbijnen – merkt de bruidegom niet, dat de in zijn tent gebrachte gesluierde bruid niet de mooie Rachel was, maar haar oudere minder mooie zuster Lea (over wie geschreven staat dat haar ogen ‘rachot' waren, steevast vertaald als ‘mat' of ‘flets', maar wat voor hetzelfde geld ook kan betekenen ‘teder', ‘zacht', of ‘lief'). 's Morgens ontdekt Jak'akov dat het Lea was met wie hij had geslapen. ‘Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen?' werpt hij Lawan voor. ‘Ik heb toch om Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me zo bedrogen?' ( Ber/Gen 29:25 ). Later werd na weer zeven jaren zwoegen Rachel toch zijn vrouw;  lees de boeiende passages over de wederzijdse jaloersheid van de twee vrouwen …

Het was niet de laatste streek die Lawan hem flikte. Ook met de afspraken over het vee werd de schoonzoon benadeeld, overigens zonder succes ( Ber/Gen 30). Ja'akov werd een welgesteld man – mede door zijn listig management van het paringsgedrag van zijn geiten en schapen - en hij kreeg vele zonen en één dochter bij Lea en een zoon bij Rachel.

Na twintig jaar trouwe dienst besluit Ja'akov naar zijn geboortestreek terug te gaan. Ook dat gaat niet zonder complicaties (Ber/Gen 31:19, 20): 'Rachel nam de kans waar om de godenbeeldjes van haar vader te stelen en Jakob bedroog de Arameeër Lawan door er heimelijk vandoor te gaan.'
Wat Rachel bewoog, daarover lopen de meningen uiteen. Vast staat dat godenbeeldjes door de Arameeërs van groot belang werden geacht voor de bescherming van huis en familie.


Als Lawan hem na een lange achtervolging vindt en hem beschuldigt van diefstal, antwoordt de overigens van Rachels handelwijze onkundige Ja'akov (Ber/Gen 31: 32): ‘” Ik was bang dat u mij zou beroven van uw dochters. Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven. Stel samen met onze verwanten maar een grondig onderzoek in, kijk of ik hier iets heb dat van u is en neem dat dan terug.” Jakob wist namelijk niet dat het Rachel was die de godenbeeldjes had gestolen'. Lawan vindt ze niet omdat Rachel de beeldjes listig heeft verborgen in het kameelzadel, waarop ze is gaan zitten. Ongeweten heeft Ja'akov met zijn uitspraak hoog spel gespeeld; volgens de commentatoren (o.a. Rashi) heeft hij daarmee de vroege dood van Rachel over zich afgeroepen; als uitvloeisel van Ja'akovs woorden = Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven  - stierf zijn zo geliefde vrouw in het kraambed van haar tweede zoon Benjamin (zie de volgende parasha, Ber/Gen 35:19), een afloop die doet denken aan hoe veel later de rechter Jiftach zijn dochter verspeelde.

Veel heeft Ja'akov nog moeten meemaken, het overspel van Re'oewen met zijn bijvrouw Bilha, de misleiding door zijn zonen rond hun broer Joseef, wiens dood hem werd gemeld, hoewel hij als slaaf naar Egypte was verkocht, de machinaties rond Benjamin, die hij moest afstaan voor een ongewisse reis als gijzelaar naar Egypte. Als hij eindelijk na een lang leven is aangeland in Egypte verzucht hij aan Fara'o (Ber/Gen 47: 9): ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders’. Was dat nu alleen maar een soort hoffelijkheid om jezelf niet al te gelukkig aan te prijzen of was dit een werkelijk gevoelde klacht, waarvoor de oude man reden genoeg had om die te uiten? Een midrash zegt niettemin dat Ja'akov om deze woorden ‘niet zo oud' als zijn vader en grootvader is geworden: ‘maar'  honderd en zevenenveertig.

De maakbaarheid van het lot 

Zijn de listen en lagen van Rivka en Ja'akov nodig geweest? Misschien niet. Er ligt hier een paradox. Laten we uitgaan van een onvermijdelijk vastliggende richting in de materiële, culturele en spirituele evolutie van het universum, de aarde en zijn bewoners, waaronder de mensheid. In vrome vertaling zou je dit Gods plan kunnen noemen. Maar voor velen klinkt dat veel te personalistisch, te direct, te simplistisch, ook voor mij. Ik gebruik graag het beeld van een grote rivier, die soms onmerkbaar rustig dan weer met woeste stroomversnelling, soms gladjes, soms tegen de klippen op  naar zee afdaalt, de zee niet als een implosie en ook niet als een paradijs, maar als een mysterieus en geweldig doel ver achter onze horizon.  Als mensen vragen we ons af wat die richting, die sturing is – dat is het kenmerk van mensen, dat ze bewustheid hebben en nieuwsgierig zijn naar zin en verlangend naar bedoeling. Soms vangen we iets van een glimp op, een onthulling, een openbaring, menen we iets op te vangen. Soms is de antenne goed afgesteld, soms minder goed. Dat is onderdeel van het kosmische spel. Rivka kreeg een onthulling over de toekomst en de potentie van de tweeling in haar buik. Daarna heeft ze samen met Ja'akov gepoogd die voorzegging een handje te helpen met list en bedrog. De verleiding was groot, maar de twijfelachtige middelen waren toch in de grond verkeerd. In de stress om de gewenste uitkomst te forceren is de greep naar verkeerde middelen snel gedaan. Met meer vertrouwen en geloof was het waarschijnlijk ook goed gekomen. Het vraagt een grote en open geest om te zien waar vertrouwen op zijn plaats is en waar en wanneer ingrijpen wordt gevraagd.

Ondanks alles nam het leven van Ja'akov na zijn vertrek uit Charan in grootheid toe. Het proces van Ja’akovs ommekeer (teshoewa) zette zich verder door. Het culmineert in de ontmoeting met zijn broer Esav, twintig jaar na hun laatste confrontatie in de tenten van Jitschak. Daarover verhaalt de volgende parasha Wajishlach en mijn commentaar daarop.

noot
(1) Over de ladder-droom valt nog veel meer te zeggen en daarvan is iets te lezen in
een ander commentaar van mij.


 

Parasha Toldot

Een gezinsdrama

met een spirituele strekking

Bereshiet/Genesis 25:19-28:9

door Rob Cassuto

De parasha 

In de parasha Toldot (‘generaties’) wordt de familiegeschiedenis van Avraham en de uit hem gesproten nakomelingen voortgezet. We zien een levendige en van drama doorspekte kroniek zich voor ons ontrollen met markante karakters en boeiende verwikkelingen van alle tijden. De hoofdpersonen in dit bijbelstuk zijn Jitschak, zijn gemalin Rivka, een mooie vrouw en een sterke persoonlijkheid, en hun pas na twintig jaar huwelijk geschonken zonen Ja'akov en Esav (ook wel Edom genoemd). Esav – ‘de harige' – is een kundig jager en een man van het veld. Hij was de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag de producten van zijn jagende zoon at.  

Ja'akov - ‘die op de hielen zit' -  was in alles zijn tegenhanger, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten bleef en bij zijn moeder (de oude vrome rabbijnen wisten het al zeker, dat hij daar al Tora studeerde). Hij was de oogappel van zijn moeder Rivka. Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweelingbroer, die als eerste ter wereld kwam en die hij bij de hiel vasthad in een poging hem in het geboortekanaal al voorbij te streven.

Jitschak, tweede aartsvader, is een niet al te opvallende man geweest. Voor een deel heeft hij de belevenissen van zijn vader in licht gevarieerde wijze nog eens dunnetjes overgedaan. Ook hij heeft hongersnood gekend en was op weg naar Egypte, maar strandde in het gebied van Avimelech. Ook hij heeft zijn vrouw Rivka aan een machtige heerser, Avimelech, voorgesteld als zijn zuster, maar voor het tot de zonde kwam ontdekte Avimelech de waarheid. Ook Jitschak had ruzie over de bronnen voor het vee, maar hij wist grote conflicten uit de weg te gaan en werd een welvarend en rijk man met veel vee en veel knechten.

Esav was een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzensoep van zijn broer opeist. De ambitieuze en slimme Ja’akov maakt hem in ruil voor de soep het eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalig Midden-Oosten – afhandig. Esav komt ons later weer tegemoet als hij veertig is en twee Hittitische vrouwen huwt tot verdriet van zijn ouders. Dan volgt het beroemde verhaal over hoe Ja’akov op instigatie van zijn moeder zijn blinde vader op zijn sterfbed misleidde door zich voor te doen als Esav en zo de vaderzegen binnen te halen, die de oude Jitschak voor zijn favoriete zoon had gereserveerd. Jitschak moest trillend van boosheid of angst voor zijn zoon Esav de misleiding opbiechten en Esav brulde van woede en zwoer zijn broer te zullen laten boeten. Om de woede van zijn broer te ontlopen (en ook om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Ja’akov naar zijn oom Lawan.  Esav trouwt alsnog een vrouw in de familie, een dochter van Jishma’el, om de liefde van zijn ouders te winnen.

Een psychologische diagnose van de familie

Er is duidelijk sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend geaard. De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar blijkt behept met grote ambities en niet terug te schrikken voor list en bedrog ten aanzien van zijn broer en zijn vader. Daarbij komt het verraad van Rivka aan haar echtgenoot Jitschak. Rivka  is – mede door een droom tijdens haar zwangerschap van de tweeling -   vast besloten om - tegen de traditie en tegen de wil van Jitschak - haar oogappel Ja'akov in het zadel te hijsen van stamhoofd; zij is het die Ja’akov instrueert zich aan diens blinde en doodzieke vader voor te doen als vaders favoriet Esav. Het gezin is verscheurd, maar moeders plannen zijn gelukt en Avrahams erfenis rust voortaan op de schouders van Ja'akov. Het is gebeurd met listen en lagen van de kant van Rivka en Ja'akov.

Hebben we dat niet vaker gezien in legenden, drama en literatuur, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet? Was het de hogere bedoeling, dat het zo zou gaan? De schoonheidsprijs verdient het niet. Bepaald geen voorbeeld voor het handboek ‘goede gezinsverhoudingen’. De TV-maker zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog van een broken home. Maar het is vaak wel de werkelijkheid, die zo zich afspeelt, vroeger en nu. Er staan veel meer laakbaarheden in de Tora. Het absurde is dat die niettemin het grote verhaal van Israël vaak juist verder brengen. (huiswerk: noem er een paar…)

Een spirituele visie

Maar we kunnen het verhaal ook proberen te hervertellen vanuit een meer spirituele optiek. Misschien licht dan een andere laag op. Is Rivka in de gezinspsychologie de slechte moeder met het eenzijdig voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene, die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen (1). Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Ja'akov de kwaliteiten hebben opgemerkt die hem waardig maakten om de erfenis van Awraham op zich te nemen.  

In de woestheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag tegelijk een onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee is Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij is eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij is zoals u of ik, als we niet boven onze emotionele impulsen uit kunnen stijgen en niet verder kunnen kijken dan de aandriften van het moment, en meestal doen we dat niet.  (2)

Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Awraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Ja'akov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende (3)

noten
(1) Bereshiet/Genesis. 25:23:  De Eeuwige zei tegen haar:
‘Twee volken zijn er in je schoot,volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard.
Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.' 

Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wil transcendent - voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels veel theologische discussies - met name in het Christendom, bv. Augustinus - veroorzaakt over predestinatie, uitverkiezing, verlossing en genade; als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?
(2) In midrash en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en men meende Edom te herkennen in  de Romeinen, in vele andere groepen tot en met de Nazi's . Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot een dergelijke demonisering. In de parasha Dewariem lezen we hoe Moshé gebiedt, dat de binnentrekkende Israëlieten het land van Esavs nakomelingen, het gebied van Edom, niet mochten binnenvallen.
(3) Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary) die ik voor deze parasha heb geraadpleegd,
werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten, dat Ja'akov de meer geschikte was. Alles in de pesoekim (verzen) 27: 18-27 – lees het nog eens na – wijst op de twijfel die de bijna blinde vader al vanaf de binnenkomst ervoer van de als Esav zich voordoende en geklede Ja'akov.  De vraag rijst: wilde Jitschak misschien misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen, die Rivka wel had genomen. Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om te laten gebeuren wat ook hij diep in zijn hart wist, dat zou moeten gebeuren?


 

Parasha Chajé Sara

Een sterke vrouw,

wie zal haar vinden?

Bereshiet/Genesis 23:1–25:18

door Rob Cassuto

De parasha

De parasha Chajé Sara, ‘het leven van Sara', gaat niet over het leven van Sara. De betiteling hangt samen met de gewoonte het bijbelstuk van de week  te noemen naar de eerste belangrijke Hebreeuwse woorden van de tekst, in dit geval ‘het leven van Sara (bedroeg 127 jaar etc.)’. De parasha begint met haar dood en begrafenis. Maar we kunnen er toch wel een betekenis aan hechten: het bijbelstuk gaat over continuïteit. Van Awraham en Sara gaat de estafettestok van Israëls bijzondere geschiedenis over naar Jitschak (Isaäk) en Rivka (Rebekka). De hoofdmoot gevormd door twee verhalen, die de continuïteit van de generaties in beeld brengen, eerst de dood van Sara en de aankoop door echtgenoot Avraham van een graf voor haar en de hele familie en vervolgens de verwerving van een bruid voor hun zoon Jitschak, volbracht door de ‘hofmeier' Eliëzer.

Voor de nomade Avraham is de aankoop van de grot van Machpela en het stukje grond daarbij het eerste echte eigendom in het land Kena'an, dat aan zijn nageslacht is beloofd. De oude commentatoren zien er een voorteken in van het komende beloofde land, reden waarom de onderhandelingen tussen de vreemdeling van over de rivier, de ‘Ivri'  Avraham , met de eigenaren, de zonen van Heth (de Hittieten), zo uitgebreid beschreven zijn. Deze beschrijving geeft trouwens een aardige inkijk in de uitgebreide beleefdheden en schijnbewegingen, waarmee dit soort onderhandelingen plachten (en vaak nog plegen) plaats te vinden.

Het tweede verhaal gaat over de opdracht van Avraham aan zijn trouwe knecht Eliëzer om een vrouw te zoeken voor Jitschak, maar ‘geen vrouw van de dochters van de Kena'anieten in wier midden ik woon. Maar dat je naar mijn land en geboorteplaats (artsi we-moladti) zult gaan om een vrouw voor mijn zoon Jitschak te nemen ' (Ber/Gen 24:3,4).

Wat is belangrijker, deugd of afkomst?

De vraag is gesteld (1) waarom Avraham geen vrouw voor zijn zoon uit het midden van de Kena'anieten wilde hebben. Ging het hem om ‘ethnische zuiverheid'? Absoluut niet. ‘Geen idee is meer vreemd aan onze Tora en Jodendom', zegt de moderne commentator Nechama Leibowitz op deze vraag. Goed bekeken geeft de aartsvader ook niet aan, dat zijn knecht Eliëzer beslist een bruid onder zijn familieleden moet zoeken; hij heeft het slechts over mijn land (van afkomst) en mijn geboortestreek/vaderland.

Wat was er nu mis met de dochters van de Kena'anieten? Dat ze afgoden dienden kan niet doorslaggevend zijn geweest. Avraham was de enige die Hashem diende, om hem heen waren alle volken ‘heidenen' en ook in zijn geboortestreek diende men andere goden, Avrahams familieleden, zijn broer Nachor en zijn huis inbegrepen. Afwijkende geloven en gebruiken vind je overal. Nechama Leibowitz  redeneert: maar de Kena'anieten gingen verder, zij begingen ronduit slechte daden, verrichtten ‘abominations', schanddaden. Herhaaldelijk veroordeelt de Tora de Kena'anieten hierom. Zie bijvoorbeeld  in het boek Wajikra/Leviticus 18:3: ‘Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kenaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen’. Met de schanddaden van de Kena'anieten wordt zeer waarschijnlijk gedoeld op seksuele perversies en dergelijke, aangezien dat vooral het onderwerp is van genoemd hoofdstuk 18 van Wajikra/Leviticus. Rashi zegt hierover, dat dit vers ons vertelt, dat die Kena'anitische volken meer verdorven waren dan alle andere volken (zelfs de Egyptenaren). Het ging Avraham dus niet om afkomst, ras of religie, maar om zekerheid omtrent het moreel niveau van een aanstaande bruid.

Dat blijkt ook uit de gang van zaken bij de put, waar Avrahams afgezant Eliëzer, aangekomen in de streek waar Avraham vandaan is gekomen, buiten de stad post heeft gevat met zijn kamelen bij een waterput en heeft besloten om hier met Gods hulp een keuze te maken; de vrouw die hem op zijn vraag naar een slok water te drinken zal geven, zij zal de ware zijn voor zijn meester Jitschak. Rivka, een van de meisjes die het vee komt drenken, overtreft alle verwachtingen en geeft niet alleen hem een slok uit haar kruik, maar haast zich ook nog al zijn tien kamelen te drenken.

Verbijsterd door zoveel grootmoedigheid, overrompeld door zoveel vriendelijkheid en blij verrast door zoveel dienstbaarheid aan mens en dier (alle drie centrale karaktertrekken in de Joodse deugdenleer Moessar (2)) geeft hij haar een gouden neusring en twee gouden armbanden (Ber/Gen 24:22 ev). Zijn keuze is dan al gemaakt. Daarna pas vraagt hij haar naam en dan blijkt zij een kleindochter te zijn van Nachor, de broer van Avraham. Niet het feit, dat zij familie is en blijkt te behoren tot de clan van Avraham en Nachor, geeft de doorslag maar haar vriendelijkheid en gedienstigheid tegenover een vreemde.

Samenvattend, ongeveer in de woorden van Nechama Leibowitz, heeft de knecht een karaktertest toegepast met als criteria vriendelijkheid en grootmoedigheid (generosity) . Het was passend, dat deze toekomstige schoondochter werd uitgekozen op grond van haar betoon van juist die kwaliteit, die kenmerkend is geweest voor het Joodse gezin. Het roept het loflied op de vrouw in Mishlei (Spreuken) hoofdstuk 31 vanaf vers 10 in herinnering, dat in veel Joodse gezinnen het begin van de de shabbat wordt gezegd en dat onder de titel Eshet Chajil op muziek is gezet. Niet voor niets is dit hoofdstuk 31 de haftara (aanvullende Bijbellezing uit Tanach) bij deze parasha (3).

10 Een sterke vrouw ( eshet chajil ), wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
11 Haar man vertrouwt op haar
en zal daar rijkelijk bij winnen.
12 Ze brengt hem voorspoed, geen ellende,
alle dagen van haar leven.
13 Ze zoekt wol en linnen uit,
en spint en weeft met vreugde
. Etc.

Als Eliëzer aan Rivka's grootvader Nachor en vader Bethuel uitgebreid verslag doet van zijn missie en van het gebeuren bij de bron met de jonge vrouw blijkt hij voor het front van de familie de volgorde van het geven van de neusring en het vragen naar naam en clan zaken net omgekeerd weer te geven; eerst – zo vertelt hij – heeft hij haar naam en afkomst gevraagd en toen pas heeft hij de neusring en de armbanden gegeven (Ber/Gen 24:47). De woorden in de Tora zijn heel vaak zorgvuldig zo gekozen en subtiele overwegingen liggen vaak aan de basis van een bepaalde formulering. Die laatste opgepoetste versie diste de afgezant van Avraham natuurlijk op uit diplomatieke overwegingen om zo de belangrijkheid van de mogelijk aanstaande schoonfamilie voorop te zetten.

In de tijd van Avraham en ook in latere generaties waren de grenzen tussen de Israëlieten en niet-Israëlieten nog niet zo nauw getrokken. Voor Avraham stond het moreel niveau van de aanstaande echtgenote voorop. Voor Moshé rabbenoe was het feit dat Tsipora, die hij trouwens ook bij een waterput tegenkwam, een Midjanitische was, geen verhindering om haar tot vrouw te nemen en ook de Koeshitische tweede vrouw was later welkom in zijn tent. De Moabitische Roet (Ruth) werd de vrouw van Boaz. De deugden – karaktertrekken, soul traits, psychische kwaliteiten, zo u wilt – zijn belangrijker dan afkomst en bloedverwantschap, is dat niet de les die we uit deze parasha kunnen trekken?

noten
(1) Dankbaar is geput uit de commentaren van Nechama Leibowitz op deze parasha,
Studies in Bereshit/Genesis, WZO, Jerusalem, 1981,  4e ed.
(2) Voor meer over Moessar, zie mijn inleiding in de spirituele ontwikkelingsweg van de Moessar 
(3) In deze regels valt op, dat de Eshet Chajiel  wol en linnen weet te combineren, wat elders is verboden ( sha'atnez verbod, Wajikra/Lev 19:19 and Dewariem/Deut 22:11); zo krachtig is de uitstraling van de Joodse vrouw, weten de oude wijzen…


 

Parasha Wajera

Gastvrijheid en het begin

van een moreel debat

Bereshiet Genesis 18 - 23

door Rob Cassuto

De parasha

In de parasha Wajera, worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Awrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:

  • het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Awraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen;
  • de verwoesting van Sedom en ‘Amorra, die ondanks de discussie tussen Awraham en de Eeuwige, plaats zal vinden;
  • het lot van Lot die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken;
  • de ontmoeting met Awimelech, die Sara in zijn gevolg haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Awraham teruggeeft;
  • de geboorte van Jitschak;
  • het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst;
  • conflict en verbond met Awimelech;
  • beproeving van Awraham met het gevraagde, op het laatste moment afgelaste offer van Jitzchak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht. (1)

Uit deze rijke geschiedenissen wil ik twee items naar voren halen.

Gastvrijheid

De parasha begint met ‘wajera', ‘hij verscheen’. De Eeuwige verscheen aan Avraham.
Dat verschijnen wordt beschreven onmiddellijk na het verslag van de besnijdenis (eind van de vorige parasha). In de Joodse verhalende uitlegkunde (de midrash) worden gebeurtenissen, die vlak na elkaar plaatsvinden heel vaak causaal met elkaar in verband gebracht (post hoc propter hoc). Daarom zien rabbijnse commentatoren als Rashi de oude Awraham voor zijn tent nog bijkomen van deze ingreep. Hij is nog herstellend en heeft veel pijn. Bovendien is het brandend heet op die dag. ‘De Eeuwige verscheen hem …' wordt dan mede gezien als een soort archetypisch ziekenbezoek van de Eeuwige aan Awraham, een bezoek, dat een voorbeeld zet voor de mens om dat na te volgen. “Wie een zieke bezoekt verlicht diens aandoening met een zestigste", zegt de Talmoed (Nedarim 39b). Ziekenbezoek is volgens diezelfde Talmoed (Sjabbat 127a) een van de zes zaken waarvoor je nog in dit leven beloning krijgt of - laten we in een wat modernere terminologie zeggen  - de positieve gevolgen mag ervaren. Wat zijn de andere zes? Dat zijn: meditatie in gebed, vroege aanwezigheid in sjoel (!), je kinderen opvoeden met Torastudie,  met een positieve houding oordelen over je naaste en tenslotte gastvrijheid voor reizigers. En van dat laatste krijgen we  in dit zelfde begin van deze parasha ook een voorbeeld, gegeven door Avraham.

De Tora vertelt over drie mannen, die voor Avraham opdoemen. Avraham , voor zijn tent zittend, ziet de mannen als voorbij reizende vreemdelingen, misschien rondtrekkende Bedoeïenen. Zoals gezegd heeft Awraham nog veel pijn. Maar dat verhindert hem niet op te springen en de uiterste gastvrijheid te betonen aan de passerende vreemdelingen, hij biedt een plaatsje in de schaduw aan, roept Sara op koeken te bakken en kiest een uitgelezen kalfje uit en laat dit klaarmaken.

De toewijding waarmee hij dat doet blijkt uit de woorden spoeden, vlug, rende, Hebreeuws: ‘wajarats', ‘jemaher', ‘mahari', ‘rats'. Zo is Awraham voor de latere generaties het durend toonbeeld geworden van toewijding (‘zerizoet' (2)) en van gastvrijheid. Hoe hoog gastvrijheid wordt geschat in de Joodse traditie blijkt uit de interpretatie, dat Avraham zelfs de Eeuwige gevraagd heeft om eventjes te wachten, zodat hij de vreemdelingen kon bedienen. Dat wordt uit de tekst afgeleid: het Hebreeuwse ‘Adonai' in 18:3 wordt dan niet gezien als  ‘mijne heren' en gericht tot de bezoekers, maar gericht tot de Eeuwige met zijn gebruikelijke aanspraak Adonai. De conclusie (3) is: gastvrijheid naar reizigers is groter dan het verwelkomen van de Sjechina, want er staat, ‘Mijn heer, als ik gunst in uw ogen heb gevonden, ga niet weg (denk erbij: want ik moet eerst mijn gasten bedienen)’. Beetje geforceerd,maar de boodschap is duidelijk. 

Die gastvrij verwelkomende houding van Avraham naar vreemde bezoekers  roept ons op dat na te volgen. Het zit in de Joodse genen om gastvrij te zijn. Begrijpelijk genoeg hebben traumatische ervaringen van vervolging en onderdrukking die genen vaak onderdrukt en een gereserveerde en soms ronduit afwerende houding naar vreemden in de hand gewerkt.

Deze Abrahamitische passages roepen ons op die houding te doorbreken en de vreemdeling, de nieuweling, de ander, de ‘watandersdenkende' weer welkom te heten. Neem weer een risico, in het kleine: groet wie voorbijkomt, reik een hand uit naar de nieuweling, uit een vriendelijk woord ook naar de onbekende die je tegenkomt. In het grote komen ons tegemoet de mensen, die uit benarde en uitzichtloze en soms levensgevaarlijke situaties wegreizen om elders een toevlucht te vinden,vluchtelingen. Soms staan ze plotseling en masse op je drempel. Als we Avraham navolgen, laten we angst en eigenbelang terzijde en nemen we een verwelkomende houding aan.

Begin van een moreel debat

Een van de andere markante momenten in het verhaal van Avraham is zijn dialoog met de Eeuwige over Sedom en ‘Amorra, een dialoog over een vraag, die de mensheid sindsdien zou bezig houden: als er een wereld is geschapen, waarin de mens wordt uitgedaagd het goede te doen, hoe kan dan (door God) worden toegelaten, dat de rechtvaardigen (de goede mensen) lijden onder de kwaden?

Avraham gaat in discussie met de machtige stem die hem vernietiging van Sedom en ‘Amorra aankondigt. De aartsvader trekt zich het lot aan van de onschuldigen, die mogelijk zouden worden meegesleept in het harde oordeel over de schuldige bewoners van deze twee steden (Ber/Gen.: 18:22 e.v.). Hij gaat een discussie aan over wat gerechtigheid is en de morele afweging die daarbij hoort. Bij Avraham zien we de gewaarwording doordringen, dat religie en ethische opdracht niet los van elkaar staan. Religie, dat is niet alleen ritueel, maar ook - hecht daarmee verbonden - een juiste levenswandel. Daarom waagt Avraham het erop de strenge godheid te bevragen en erop aan te dringen om de goddelijke boosheid op zondige stervelingen te matigen en rekening te houden met gerechtigheid en compassie. Hier zien we, dat een mens nadenkt en zijn gevoel voor redelijkheid en recht ontwikkelt en in het geding brengt tegenover de goddelijke autoriteit.

De principes van gerechtigheid en compassie – hoe vervormd soms ook in de contingente praktijk van het mensdom –, hebben doorgewerkt in het Jodendom en daarna – soms anders begrepen – in het christendom. Avrahams leven geldt in het Jodendom (ook in de islam) als een lichtend voorbeeld. En als ‘Jood avant la lettre' kan hij dialoog en debat niet nalaten. Jodendom is voortdurend bevragen, in Frage stellen.

Ethiekprofessor Susan Neiman zegt: 'Avraham was een ware man des geloofs, maar toch gebruikte hij zijn eigen morele redeneren op gevaar af van Gods woede. (…) Soms kan het in Frage stellen van religieus gezag een morele actie zijn. Het verhaal van Avraham geeft aan, dat, als God ons verstand heeft gegeven, Hij ook de bedoeling heeft gehad, dat we dit zouden gebruiken – zelfs als dat zou betekenen, dat we daarmee de hoogste bevelen zouden uitdagen' (4).

RC Okt 2015

Noten
(1) Over de binding van Jitschak en de verschillende visies daarop zie een ander commentaar van mij
(2) Zerizoet, ijver, een nastrevenswaardige eigenschap,  mida, van de spirituele ontwikkelingsweg van de Moessar
(3) van Rav Juda in Rav's naam in Talmoed Sjabbat 127a
(4) In: ‘Is Morality Driven by Faith?' Washington Post, okt. 2008


Parasha Lech Lecha

Avraham, een nieuw inzicht

Bereshiet Genesis 12-18

door Rob Cassuto

De parasha

Als de Tora het verhaal van de schepping heeft verteld en daarna het verhaal van Noach, de zondvloed en de toren van Babel, verlaat het geschrift de sfeer van mythen en sagen. Het boek Genesis/Bereshiet betreedt de voorgeschiedenis van het volk van Israël. Het verhaal zoomt in op een specifiek individu, dat nauwkeurig wordt gevolgd in zijn persoonlijke en spirituele ontwikkeling gedurende de vele wederwaardigheden van zijn leven: Avram, later hernoemd tot Avraham (Abram, Abraham).

De jonge Avram was mogelijk geen uitzonderlijke hoogverheven man. De Tora geeft vooraf geen bijzonderheden over hem, zoals bij Noach, van wie wordt gezegd, dat hij een rechtschapen man was. Hij kon en kan iedereen zijn. Hij was geen uitzonderlijke hoogverheven man, totdat de roep “Lech lecha!” hem dat opriep te zijn en dat waar te maken. Zijn leven is iconisch geworden voor een leven, waarin de beproevingen, die ons onvermijdelijk toevallen, met sterk geloof en standvastige liefde overkomen kunnen worden, dit alles in een intense verhouding met een godheid, die hem als Ene onthuld werd. Zo is hij de grootvader geworden van drie wereldreligies.

De Mishna zegt, dat het leven van Avr(ah)am getekend werd door tien beproevingen.
Met tien beproevingen werd onze vader Avraham, hem zij de vrede, beproefd en hij doorstond ze allen, om ons te tonen hoe groot de liefde was van onze vader Avraham, hem zij de vrede ” (Pirké Avot 5:3). Welke beproevingen dat waren noemt de Mishna niet.

Sommige oude wijzen zoals de middeleeuwse commentator Rashi noemen als eerste twee beproevingen de vlucht in het ondergrondse van de jonge Avram voor koning Nimrod en de wonderbaarlijk overleefde verbranding verordend door deze legendarische koning. Deze verhalen staan niet in de Tora en behoren tot de volksverhalen van de midrash (1).
Rambam (acroniem van Rabbi Moshé ben Maimon, Mozes Maimonides) beperkt zich tot de Tora en komt tot deze tien beproevingen, waarvan de eerste zes in deze parasha voorkomen:
1) Avraham's afscheid van zijn familie en thuisland.
2) De hongersnood die hij in Kena'an aantrof.
3) De trek naar Egypte en de ontvoering daar van Sara.
4) De oorlog met de vier koningen, die Avrams neef Lot hadden meegenomen.
5) Zijn verbintenis met Hagar als gevolg van de durende onvruchtbaarheid van Sara.
6) Het gebod tot besnijdenis. Avram omgenoemd tot Avraham.

In latere parshiot volgen dan nog:
7) Avimelech's ontvoering van Sara.
8) De verdrijving van Hagar.
9) De verdrijving tegen Avrahams zin van Ishmaël.
10) De binding (akeda) van Jitschak op het altaar.

In de geschriften en gebeden wordt Avraham aangeduid als ‘Avraham Avinoe', Avraham onze vader. Het Joodse volk ontstond eigenlijk pas met de uittocht uit de slavernij in Egypte, de Exodus onder Moshé (Mozes), die vaak gesierd wordt met de toevoeging ‘rabbenoe', onze leraar. Maar met Avraham wordt wel de kiem van het jodendom gelegd en wordt de mogelijkheid van het volk Israël geboren. Tegelijk begint ook de ontvouwing van een culturele en religieuze geschiedenis van de hele wereld.

De doorbraak van een nieuw inzicht

Wat is er nou bijzonder aan Avraham (Abraham)?
Bij Avraham brak het werkelijk nieuwe inzicht in de eenheid van het scheppend principe in al zijn volheid door. In de nanacht van de betoverde, chaotische wereld van magisch bezielde natuur en de versplinterende fantasieën van met willekeur heersende halfgoden en afgoden brak het heldere licht door van een onderliggende al verbindende eenheid.
Avraham staat voor de eerste mens, die de illusie van de afgoden doorzag. Een misschien van tijd tot tijd wel angstig inzicht maar – zeker in de periode van het tweede millennium voor de gewone jaartelling - een inzicht van zo'n nieuwheid en een ervaring van zo'n geweldige ruimtelijkheid, dat het individu dat dat inzicht durfde te omhelzen en die nieuwe ruimte durfde betreden een naam heeft gekregen in de geschiedenis: Abraham, hebreeuws dus: Avraham.

Avraham staat aan een puur begin. Er waren nog geen geschriften, waarop je kon terugvallen, nog geen commentaren op geschriften en commentaren op commentaren op geschriften. Er was nog geen baaierd van wettische voorschriften of een Halacha, de joodse wet. Avraham was geen wetgever als Moshé, geen profeet. Hij was niet missionair bezig en wilde niet bekeren en leverde geen strijd met de belijders van andere goden om hem heen om redenen van hun afgodendienst. Zijn betekenis voor later ligt vooral in een exemplarisch leven in een complexe wereld, waarin hij geslingerd werd tussen de eisen van een aards leven met alle intriges van dit ondermaanse en de opdrachten en eisen vanuit uit de transcendente wereld, zoals die zich in zijn innerlijk wilden onthullen. Als zodanig geeft hij generaties na hem tot nu herkenning en inspiratie.

Avraham vertrouwde de stem die hij hoorde. Lech lecha! Verlaat je land! Spiritueel gezien was die eerste etappe uit Charan richting Kena'an ‘a great step for a man, but a giant leap for humanity'.
De stem die Abraham hoorde was niet zomaar een metafysisch fenomeen; het was een stem die uitnodigde tot indringende overdenking over wat goed is om te doen, over wat rechtvaardig is. Ook in die zin was dat een revolutionaire vernieuwing in verhouding tot de godsdiensten in dat oude Midden-Oosten met zijn grillige en amorele goden.

Noot
(1) meer over de legenden die de lege plek hebben ingevuld, zie een ander commentaar van mij, dat begint met: ‘“Cuando el rey Nimrod al campo salía ”, toen koning Nimrod naar buiten trok – zo begint een liedje in het Ladino, het ‘joodse Spaans' – zag hij in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en als een Herodes avant la lettre gebood hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden etcetera’.

Zie ook het korte essay over Avraham elders


 

Parasha Noach

Eenheid en verscheidenheid 

door Rob Cassuto

Bereshiet/Genesis 6:9-11:32        

De parasha

De parasha Noach – Genesis 6 tot 12 – vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige onder de verdorven mensheid gespaard voor vernietiging door de komende watervloed en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven landt de ark op de droogvallende aarde en stelt de Almachtige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. Noach wordt landbouwer en wijngaardenier en zet met zijn gezin het leven voort.

In de volgende episode wordt het incident rond Noachs dronkenschap beschreven . Hij ligt in zijn tent naakt zijn roes uit te slapen, als zijn zoon Cham binnenkomt en hem open en bloot ziet. Hij laat zijn vader  maar zo liggen en vertelt het dan het aan zijn broers, Shem en Jefet.  Deze twee andere zonen handelen  wél met het nodige respect en benaderen hun vader met afgewend gelaat om hem te bedekken met de mantel der liefde.
Dan volgt het verhaal over de nakomelingen van Noach, die allen samen bleven wonen op dezelfde plaats en die met het bouwen van de stad  Bawel (Babel) met haar hoge toren de Eeuwige ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. Hij veroorzaakte verwarring door de eenheid van hun taal te doorbreken, waarna de mensen zich verstrooiden over de aarde.

Tenslotte focust de parasha zich op de reeks nakomelingen van Shem, die in tien geslachten uitmonden in de stamvader van het monotheïsme, Avraham.

Een tweede schepping

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een ‘herschepping’,
een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping, die door het wangedrag van de haar bevolkende mensen in diskrediet was gebracht. Een ‘tweede schepping’ mag als het ware letterlijk met een schoongewassen lei en een nieuwe Adam opnieuw beginnen in de persoon van Noach.

Weer klinkt de opdracht: ‘Peroe oereboe oemil'oe et ha-aret‘, ‘weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde’, zoals dat eerder werd opgedragen aan Adam en Chawa (Eva) in de allereerste parasha (Bereshiet/Genesis 1:28). Evenals voor Adam en Chawa  wordt het voedsel voor de Noachidische generatie  benoemd, maar was in  Bereshiet 1, 29 alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar uitdrukkelijk niet het bloed (1 ). Nog een parallel zie ik in het gepaard gaan van assertieve daden van de torens bouwende mens aan een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen. Ten aanzien van de eerste mens In de parasha Bereshiet/Genesis overlegt de Eeuwige  ( Bereshiet 3, 22): ”Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft” (en dan volgt de verdrijving uit het paradijs). In deze parasha Noach (Bereshiet 11, 6) spreekt de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf:“Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn”.

En weer voelt zich De Eeuwige bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst -  en neemt hij actie door het volk te verstrooien.

Eén plaats, één taal, één streven

De geschiedenis van de Toren van Bawel (Babel) is een van de bekendste verhalen uit de bijbel.
Na de zondvloed is een nieuwe generatie neergestreken in de vlakte van Shin'ar – de vlakte rond Bawel, neemt men aan – en de mensen hebben nog één taal, sfat achat oedewarim achadim, een taal en eendere woorden. Ze besluiten om als één grote gemeenschap bij elkaar te blijven en daartoe een grote stad te bouwen met een hoge toren. De Eeuwige is niet gelukkig met de torenhoge ambities van zijn schepselen en hun voornemen bij elkaar te blijven klitten. Hij besluit de eenheid van taal te doorbreken, waarna de bouw van de stad niet meer kan doorgaan en de mensen zich verspreiden over de hele aarde.

Gangbaar is de uitleg van dit verhaal als een goddeloze opstand van de overmoedige mensen tegen de Almachtige. Aldus ook de gezaghebbende middeleeuwse commentator Rashi, die zich baseert op een midrash (verklarende vertelling) uit het begin van de jaartelling. Die vermeldt de opvatting, dat  ‘een taal en eendere woorden' erop duidt, dat de mensen het met elkaar eens waren geworden over dit punt: “God heeft het recht niet om voor zich de hemel te kiezen; laat ons opklimmen naar het uitspansel om met Hem oorlog te voeren”, hebben ze tegen elkaar gezegd.
En zo bouwden ze een toren en zette er een afgodsbeeld op met een zwaard in de hand om zo de oorlog tegen de Eeuwige te verbeelden, zo gaat de midrash verder. Dat ging wel erg ver, dat plan. De verklaarders vroegen zich dan ook af: Als de mensen van de zondvloed wegens hun slechtheid werden vernietigd en verzwolgen in de vloed, waarom werd de generatie van de torenbouwers dan gespaard? Er was echter een principieel verschil, vonden de verklaarders: de generatie van de zondvloed, dat waren mensen, die elkaar bedrogen, elkaar oplichtten en elkaar beroofden, terwijl de goddeloze torenbouwers dat niet deden, maar in vrede en liefde met elkaar leefden en samenwerkten. Een Talmoedleraar zei dan ook: ‘Groot is de vrede, want zelfs als Israël aan afgoderij doet, maar in vrede met elkaar leeft, zegt de Heilige, Hij zij gezegend, als het ware, ik heb geen zeggenschap over jullie'; knoop dat in de oren: vrede gaat boven religieuze correctheid! (2 )

De mens wil, maar het leven (de natuur, het lot, God, vul maar in) wil anders.

De moderne bijbelwetenschapper Umberto Cassuto (3) ziet echter deze opstand tegen God als een niet-bijbelse uitbreiding, die van de essentie van het verhaal afleidt. De wezenlijke betekenis van het verhaal ligt niet in het verklaren van het ontstaan van de verschillende talen of in de illustratie van een opstand tegen de Eeuwige door het  bouwen van een toren.
De vertelling is volgens hem  in wezen een ethische kritiek van de Israëlieten op de wereld van die tijd om hen heen in de vorm van een satire.


Hij belicht daarom de historische oorsprong en context  van het verhaal. Die ligt volgens hem in het midden van de zestiende eeuw voor de gewone jaartelling, in de tijd dat in de stad Bawel (Babel) de tempel van Mardoek was verrezen, een ontzagwekkend bouwsel met een immens hoge toren (ziggurat), opgetrokken met gebakken stenen, een revolutionaire vondst in die tijd gedaan. De stad en het gebouw werden  vervolgens verwoest door de Hittieten; de ruïnes ervan waren eeuwenlang als imponerende resten te zien.  Umberto Cassuto meent, dat het verhaal uit de parasha Noach verwant is met of teruggaat op een dichtstuk, dat destijds door Israëlieten met een welhaast satirisch karakter is geschreven over deze verwoesting en de neergang van de zich welhaast God wanende Babylonische  stervelingen. Daarin bestaat de belangrijkste strekking volgens de bijbeluitlegger, die Cassuto tegelijk ook is, uit twee boodschappen.
De eerste is de boodschap, dat hoogmoed  - gevoed door de eigen superieure  technische vermogens -  en louter vertrouwen op de eigen materiële macht de verkeerde weg is, ‘een zonde in de ogen van de Eeuwige'. Aan mijn lezend oog reizen onvermijdelijk voorbij de glinsterende torens van Doebai, Shang Hai ,Londen, New York, de poenige hoofdkantoren van banken en internationale concerns, noem maar op. Maar ook minder tastbare projecten, die gebaseerd zijn op mateloos prestige, grenzeloos machtsvertoon, rancune, nog daargelaten de overmoedige overschatting van de maakbaarheid van het lot. Vast komen er bij de lezer eigen beelden op.

De tweede boodschap gaat er vanuit dat boven de mensheid uit een plan zich aan het realiseren is, dat zich wil doorzetten ondanks alle menselijke strevingen in andere richtingen.
Je zou in wat meer seculiere termen kunnen zeggen, dat in de evolutie, biologisch, antropologisch, sociaal, spiritueel, een drijfkracht is ingebouwd, die ondanks schijnbare afwijkingen zich onvermijdelijk in een bepaalde richting ontrolt. Zoals een rivier via allerlei kronkels, lussen, omwegen en hoogteverschillen onvermijdelijk naar zee stroomt. Als optimist of gelovige zeg je: in een richting uiteindelijk ten goede.

In termen van dit verhaal over de bouwers van Bawel was het Gods plan, dat de mensheid zich na de zondvloed weer zou verspreiden over de hele aarde. Aldus was ook de nakomelingen van Noach geboden: peroe oereboe, wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde. De mensen van na Noach hadden echter hun eigen plan. Ze wilden juist graag bij elkaar blijven en zich veilig verschansen in een grote stad; ze verzetten zich tegen het grotere plan – Gods bedoeling of de essentiële bestemming - om uit elkaar te gaan en de aarde weer te bevolken. De taalverwarring is als het ware ‘een zet van de Schepper' aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen.

De daardoor ontstane verscheidenheid in plaats, taal en cultuur betekende een diversiteit, die op langere termijn een bron van veelkleurigheid en creativiteit tot gevolg heeft gehad, nog steeds heeft en zal blijven hebben. Tegelijk bergt deze diversiteit ook de mogelijkheid van gevaarlijke spanningen in zich. In combinatie met economische en militaire macht en menselijke eerzucht is ontaarding in haat, onverdraagzaamheid en oorlog aan de orde van de dag geweest en nog steeds niet ver weg.  Dan is het goed te beseffen, hoe wij mensen zijn ontsproten  - in het narratief van Babel - aan ‘één taal en eendere woorden, sfat achat oedewarim achadim'. Een beetje daar naar terug te streven kan geen kwaad,  zeg maar: naar goed verstaan en wederzijds begrip, verscheidenheid onder een koepel van eenheid. Daaraan te werken mag toch een mitswe worden genoemd.

noten
(1) Zie over het eten van vlees mijn commentaar op de parasha Re’é
(2) Zie voor de midrash Genesis Rabba (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de eerste eeuwen van de gebruikelijke jaartelling) 38, 6-7,  de Talmoedleraar is Jehoeda Hanasi, (bijgenaamd Rabbi, tweede eeuw, de samensteller van de Mishna) die zich beroept op Hoshea 4:17: (NBV) Het volk van Efrajiem heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar!
(3) Umberto Cassuto (1883-1951), U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Jerusalem, The Magness Press, p.225 ev.


Parasha Bereshiet

De eerste drie woorden 

door Rob Cassuto

Bereshiet/Genesis 1:1-6:8        


De parasha

Bereshiet (Genesis) is het eerste boek van de Joodse bijbel, genoemd naar het eerste woord ‘Bereshiet’ - ‘in het begin’ -  . De kern van die bijbel bestaat uit de vijf boeken van Mozes, die de hoeksteen vormen van de Joodse geloofserfenis: de Tora. Bereshiet is dus het eerste van die vijf boeken ; de andere vier zijn Shemot/Exodus, Wajikra/Leviticus, Bemidbar/Numeri en Dewariem/Deuteronomium. Maar ook is Bereshiet de betiteling van de eerste parasha van het hele boek Bereshiet, ‘In het begin’ van ‘In het begin’, waarmee de jaarcyclus van de wekelijkse Tora-lezingen bgint. Het hele boek Bereshiet vertelt in bloemrijke taal over de schepping van het universum en van de mens, over aartsvader Avraham en de generaties na hem tot en met de vestiging in Egypte van Ja’akov, zijn zonen en zijn huishouding.

De parasha Bereshiet bevat op zich al een schat aan ingrijpende iconische gebeurtenissen, die een altijddurend stempel hebben nagelaten in het bewustzijn van een groot deel van de mensheid.

In Bereshiet 1 tot 2-4 is een zelfverzekerde Schepper bezig de wereld te scheppen,  met veel overleg; hij noemt, ordent, scheidt, maakt en schept als kroon op het werk de mens naar Zijn evenbeeld, om de aarde te vervullen en over haar te heersen.

Bereshiet hoofdstuk 2 zoomt in op de mens, Adam, die nu door de Schepper gevormd wordt uit stof, geplaatst wordt in een tuin, Gan Eden, geconfronteerd wordt met een verbod om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, in zijn alleenheid en onvervuldheid wordt gezien en wordt gecompleteerd met een helper, de vrouw, Chawa (Eva), die uit zijn zijde is gebouwd.

In hoofdstuk 3 vindt het drama plaats van de verdrijving uit Gan Eden na de overtreding van het verbod aan beiden om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten.

Bereshiet 4 verhaalt over de gezinsvorming van de mens en zijn vrouw. Het gaat mis tussen hun zonen Kajin en Hewel (Kaïn en Abel); de dood doet zijn intrede, als Kajin zijn broer doodslaat. Hij wordt verbannen. Een derde zoon wordt geboren als ‘compensatie’, Shet (Set).

Hoofdstuk 5 en 6 t/m vers 8 behandelen het nageslacht van Shet tot aan Noach en zijn tijdgenoten die kwade dingen gingen bedrijven.

In dit commentaar gaat het over de eerste drie woorden van de Tora: ‘In het begin schiep De Ene …’ (1)

In het begin schiep De Ene (de hemel en de aarde).

 

 

 

 

De machtige eerste drie woorden zijn: ‘In het begin schiep De Ene (de hemel en de aarde)’, Bereshiet bara Elohiem (et ha-sjamajim we-et ha-arets). Al meteen zijn deze woorden het onderwerp van een zee aan commentaren geworden, grammaticale, diepzinnige, esoterische, noem maar op.

In de gebruikelijke interpretatie van deze eerste zin van Bereshiet lijkt natuurlijk De Ene het onderwerp; HIJ schiep in dat mysterieuze begin-moment. Maar sommige commentatoren zien toch andere opties. Zo wil de gerenommeerde middeleeuwse commentator Rashi  (acroniem van Rabbi Shlomo Yitzchaki) vertalen ‘In het begin van de schepping door de Ene van hemel en aarde etc’, dit om taalkundige redenen (2); De Ene is dan niet het onderwerp van de zin en de zin geeft geen volgorde van de scheppingsdaden. De 20ste-eeuwse bijbelgeleerde en semiticus Umberto Cassuto –aantoonbaar een heel verre verwant en naamgenoot -  toont aan, dat het wel degelijk gaat om een zelfstandige zin, die in majestueuze beknoptheid de hele paragraaf samenvat. ‘In het begin' is: in het begin van de tijd, in het verste verleden, dat de menselijke geest zich kan voorstellen. (3)

Maar in een nog weer andere redenering kan je het woord Elohiem ook zien als het object van de zin. Dat is de visie van de kabbalistische verklaarders in de Zohar, het esoterische bijbelcommentaar, toegeschreven aan de 2e-eeuwse Sjim'on bar Jochai, maar waarschijnlijk geschreven door Moses de Leon in de twaalfde eeuw,  puttend uit oude tradities (4). Zij gaan uit van de Hebreeuwse woordvolgorde: ‘In-het-begin (subject) schiep Elohiem (object)'. Wie is het uiteindelijke onderwerp?
Dat is het Niets, de Altijd Zijnde, de ‘Ein Sof', de ‘Zonder Einde', de Onzegbare die niet in enig woord of begrip gevat kan worden. Kabbalisten menen niettemin toch een beschrijving te kunnen geven van een ingewikkeld creatie-proces, dat ik niet pretendeer zelf voldoende te kunnen begrijpen laat staan weergeven, maar toch waag ik een poging tot benadering. In dit creatieproces dus, dat de weg beschrijft van gefaseerde neerdaling uit Ein Sof naar uiteindelijk de materiële wereld, vloeit uit het Ein Sof voort het ‘Bereshiet', dat gelijk te stellen is aan de oervonk, en uit die oervonk  Bereshiet komt weer voort de Elohiem, de bron van waaruit de overige schepping voortspruit.
(Voor wie enigszins bekend is met de Levensboom, de Ets Chajim: alle scheppingsniveaus ontrollen zich trapsgewijs volgens de tien scheppingsprincipes, de Sefirot; in dit geval is de allereerste sefira Ein Sof = Keter, de Kroon, de tweede is Bereshiet = Chochma, de Vonk, de Wijsheid, de derde is Elohiem = Bina, begrip, het paleis. Overigens is het geen toeval dat het boek van de schepping begint met een beth, niet met een alef, om de onzegbaarheid van Ein Sof te symboliseren).

Natuurlijk zou een degelijk taalkundig en rationeel redeneren de voorkeur geven aan de duidelijke logica van Elohiem als het onweerlegbare onderwerp van die eerste zin.  De esoterische taalspelen van de kabbalisten zouden de deskundige en nuchtere bijbelcommentator Umberto Cassuto niet erg bekoren, denk ik, gezien ook zijn rationele weerlegging van Rashi’s vertaling van de eerste drie woorden met doorwrochte grammaticale argumenten.
Mij spreekt de mogelijkheid wel aan om, naast het gedegen filologisch commentaar en de gangbare uitleg, deze teksten ook te zien als geladen met potenties om spiritueel doorzicht te geven voorbij hun misschien oorspronkelijke letterlijke betekenissen.

De goddelijke oorsprong van alles te erkennen als gaande boven en buiten iedere menselijke poging om te kennen en te omschrijven, wat kunnen we anders doen dan dat? En te erkennen, dat een nooit eindigend Creatief Vormend Principe eens een universum begon te creëren en dat steeds door blijft doen, wat kunnen we anders doen dan dat? En dat in dat proces wij als miniem onderdeel daarvan zijn geschapen met niettemin een drang om dat oneindig grotere te onderzoeken en te spreken over een schepping en een schepper; wat kunnen we anders doen dan dit onder ogen zien en accepteren? En dat Scheppend Principe is tegemoet gekomen aan ons beperkte bewustzijn, aan ons gelimiteerd kennen en ervaren, door ons een verwijzingsmiddel te geven, de taal, en door zich te kleden in de eerste drie woorden van Bereshiet;  niet in het allereerste woord, dat nog niet is geland in een bewustzijnsmogelijkheid, niet in het tweede woord, dat nog aan het landen is, maar pas in woord nummer drie (5).

noten

(1) Commentaren op andere aspecten van de parasha Bereshiet, zie op mijn website hier
(2) Het komt hierop neer dat de woordvorm ‘reshiet’ nooit zelfstandig voorkomt, maar altijd verbonden wordt met een volgend woord, zoals Rashi met voorbeelden aan wil tonen
(3) Zie U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noach, Jerusalem, The Magness Press, p. 19 en 20, met argumenten op grond van  de woordvolgorde
(4) Ik heb voor deze passage o.a. geput uit een bloemlezing van teksten uit de Zohar met commentaar, 'Zohar', translation and introduction by Daniel Chanan Matt, Paulist Press, 1983
(5) Iets heb ik proberen te vangen in dit gedicht:


a fathomless knowing blue as a soul, travelling space
searches for landing
and having landed
dies from being born
left with a mouth sealed
but for a delayed stammering


RC 7 okt 2015


Parasha Wajechi

Bereshiet/Genesis 47:28-50:26

Een leugen om bestwil

door Rob Cassuto 

Beknopte inhoud

Deze parasha verhaalt het sterfbed van Ja'akov, die nog 17 jaar in Egypte heeft geleefd, als zijn einde nadert. Hij bezweert Jozef zijn lichaam te begraven in het land Kena'an in de grot Machpela, waar zijn voorvaderen liggen. Hij zegent de twee zonen van Jozef, Efrajim en Menashe en roept zijn zonen bij elkaar. Na zijn laatste visionaire woorden tot hen sterft hij, 147 jaar oud. Een grote stoet begeleidt zijn gebalsemde lichaam naar de grot Machpela in het land Kena’an, waar zijn voorouders zijn begraven. Na de dood van hun vader zijn de broers van Jozef alsnog bang voor de wraak van Joseef, maar deze stelt hen gerust. Ze mogen in alle vrede in Egypte blijven wonen in de landstreek Goshen. De dood van Jozef, 110 jaar oud, besluit het eerste boek van de Tora, Bereshiet/Genesis. Ook zijn lichaam wordt gebalsemd. Joseef heeft nog voorspeld dat ooit het volk van Israël zal terugkeren naar het land van herkomst en hij laat beloven zijn lichaam dan mee te nemen.
De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Shemot/Exodus zal een natie geboren worden.

Het bevel van Ja’akov verzonnen?

Als Ja’akov op zijn uitdrukkelijk verzoek met veel eerbetoon is bijgezet in de grot van Machpela, in Kena’an – om zijn nakomelingen te herinneren aan hun land van herkomst, zeggen de geleerden – worden de broeders van Joseef opeens bang, dat de machtige heerser hen alsnog zal straffen, nu het oog van zijn vader niet meer op hem rust.

Toen Joseefs broeders zagen, dat hun vader gestorven was, zeiden zij: Als Joseef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons ten volle al het kwaad vergeldt, dat wij hem hebben aangedaan. 16 Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden: 17 zo moet gij tot Joseef zeggen: och, vergeef toch de overtreding uwer broeders en hun zonde, want zij hebben u kwaad aangedaan. Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders. En Joseef weende, toen men zo tot hem sprak (Ber/Gen 50:15 ev)

Eerder ben ik ingegaan op het vergevingselement in dit gebeuren. Nu weid ik verder uit op de vragen, die de commentatoren hebben gesteld rond de vermeende order van de oude vader om zijn zonen te sparen.
Heeft Ja’akov inderdaad dit dringende verzoek doen zenden via de boodschapper?

De meeste geleerden denken van niet. De broeders hebben dit verzonnen om als het ware nog de autoriteit van een vaderlijk verzoek te geven aan hun smeekbede om niet alsnog gestraft te worden.

Rashi zegt: de broeders weken van de waarheid af in het belang van de vrede; want Ja’akov had een dergelijk bevel niet gegeven, omdat hij van Joseef niet verwachtte dat deze hen enig geweld zou aandoen.

Sterker nog, een aantal geleerden meent, dat Ja’akov helemaal niet ingelicht was over de wandaden van zijn zonen ten aanzien van Joseef. De vader leefde in het geloof dat zijn zoon verdwaald was op zijn weg en vervolgens gevonden en verkocht door slavenhandelaren. Nachmanides zegt, dat de broeders het niet verteld hebben uit angst voor woede en vervloeking, en Joseef niet om zijn vader geen verdriet te doen. Want had de oude man het op zijn sterfbed wel geweten, dan hadden zijn zonen tijdens de laatste woorden hem wel gesmeekt zo’n bevel aan Joseef te geven.

Joseef huilde toen hij de boodschap hoorde en besefte hoe bang zijn broeders waren en hoe zij niet door hadden, dat ondanks alle geleden misère nu alles goed was.

Is de waarheid een absoluut principe?

Afgezien van de al dan niet terechte angst van Joseefs broeders, kan de vraag gesteld worden of een leugen om bestwil af en toe geoorloofd is om de vrede te bewaren. 

Die vraag stelt de 20ste-eeuwse leraar Nechama Leibowitz en ze haalt een passage aan uit Bereshiet Rabba (Midrash verzameling), waarin een oude wijze zegt: Groot is vrede, want zelfs de stammen brachten verzinsels te berde om de vrede tussen elkaar en Joseef te bewaren, zoals geschreven staat: “Daarom zonden zij Joseef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden…”. Want waar staat dat hij heeft geboden? We vinden nergens dat hij aldus heeft geboden’.

De oude Talmoedgeleerden wijzen op een autoriteit die het verhullen van de waarheid bekrachtigt en die het verzinnen van een beetje misleiding  ten behoeve van een groot belang zelf beoefent, de Eeuwige, zie 1 Shmoeël 16:1 ev (NBG): ‘De Eeuwige zeide tot Samuël: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht. 2 Maar Samuël zeide: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. De Eeuwige zeide: Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben gekomen om de Eeuwige een slachtoffer te brengen. 3 Dan zult gij Isaï tot dit offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven wat gij doen moet; gij zult voor Mij zalven wie Ik u zal aanwijzen’.

Wat hebben we nu? Schiet Shmoeël te kort in zijn geloof in de bescherming van zijn God? Neemt de Eeuwige het ook niet zo nauw en suggereert hij zelfs een list om de waarheid over de missie van zijn profeet te verhullen? De diverse rabbijnse wijzen worstelen met deze teksten.

Nechama kiest de mening van  de vroegmiddeleeuwse Bachya Ibn Pakuda, die over deze passage zegt dat de Eeuwige de voorzichtigheid van Shmoeël  juist waardeert.  Daarom ordonneert Hij, neem een jonge koe etc. Waarmee aangegeven wil zijn, dat soms de waarheid moet wijken voor een groter belang als vrede of levensbehoud.

De broers voelden zich doodsbang omdat ze wel zagen, dat ze objectief wel voor hun daden de dood verdienden door de machtige heerser, in wiens vergevingsgezindheid ze nog niet zomaar geloofden.

De oude wijzen zagen daarom hun gedrag als gerechtvaardigd op grond van het principe, dat soms de waarheid ondergeschikt moet worden gemaakt aan een groter belang, in dit geval hun leven.

Bent u het daarmee eens, lezer? *) **)

noten

*)

Dit commentaar is grotendeels gebaseerd op een commentaar van Nechama Leibowitz  op deze parasha (Studies in Bereshit/Genesis).
**) 


Ik kan mij een chassidische anekdote herinneren van een Oost-Europese rebbe, die bekend stond om zijn compassie. In zijn kille (gemeente) was een man stervend, die op zijn doodsbed vertwijfeld worstelde in wanhoop, dat hij geen plek zou krijgen in de komende wereld, de ‘olam haba’. Hij kon zich niet aan de dood overgeven. De Rebbe ging naar de man en zei hij dat hij zijn eigen  plek in de komende wereld aan de stervende afstond en hij liet dit geschenk vastleggen  in een document, dat hij samen met getuigende omstanders tekende en aan de arme man gaf, die daarop rustig heenging.  Leugen om bestwil?

RC dec 2014


Parasha Wajigash

Bereshiet/Genesis 44:18 – 47:27

Vergeving, een revolutionaire uitvinding

door Rob Cassuto

In de parasha Wajigash vindt dan eindelijk de verzoening plaats tussen Joseef en zijn broers, na de pleitrede van Jehoeda ten behoeve van Benjamin, de langste rede in de hele Tora.

Deze verzoening is wel een model voor hoe verzoening in zijn werk kan gaan.
Voor er sprake kon zijn van een verzoening moest Joseef zijn wrok opgeven, maar dat zou alleen kunnen als van de kant van zijn broers óók een verandering merkbaar was geworden, een verandering in de zin van een bewustzijn over de door hen gepleegde daden, een schuldbesef en een erkenning daarvan en een navenante verandering van gedrag (zoals Maimonides het proces van verzoening beschrijft).
Daartoe heeft Joseef hen als het ware aan een test onderworpen, een beproeving die deels een zekere ‘gecontroleerde' genoegdoening inhield en deels inzicht moest geven in hun huidige ‘state of mind'. Men zou zich kunnen afvragen of deze test niet wel erg lang was uitgesponnen en de genoegdoening niet overmatig bemeten; die waardering zal uiteenlopen bij een ieder, ik weet het zelf niet goed. In ieder geval had de test zijn beoogde uitwerking. De broers bleken inderdaad zich schuldig te voelen. Dat schuldbesef bleek bijvoorbeeld uit  Ber/Gen 42: 21, waar ze in de gevangenis gezet met elkaar overlegden: ‘Zij nu deden aldus en zeiden tot elkander: Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons gekomen’.
Een duidelijke  verandering  van houding en gedrag bleek uit de heftige pleitrede van Jehoeda voor zijn jongste broer Benjamin, de volle broer van Joseef. Jehoeda, die nota bene hem, Joseef, ooit als slaaf had verkocht, kwam nu op voor het heil van de andere zoon van Rachel. Ook een duit in het zakje deed  Jehoeda’s  begaanheid met het welzijn van zijn vader, die hij ooit zo’n verdriet had gedaan en had bedrogen. Dat lange hartstochtelijke blijk van familieliefde – contrast met het vroegere onderlinge gedoe – bracht  Joseef tot de onthulling van zijn identiteit als hun broeder . Tegelijk liet hij iets zien, dat daarvoor nog nooit zo duidelijk in de Tora was beschreven: vergeving.

Rabbijn Jonathan Sacks*)  merkt dit aan als een revolutionaire daad in de geschiedenis van de mensheid, te vergelijken met de uitvinding van de boekdrukkunst, de elektrische motor en internet!
In ieder geval is het op het vlak van de antropologische evolutie van de mensheid en de evolutie van diens ethisch bewustzijn een essentiële sprong.
Er zijn in de Tora eerder dan Joseefs geschiedenis wel bewegingen in de richting van vergeving, bewegingen die toch niet echt daarop neerkomen. Avraham beweegt Hashem de inwoners van Sedom en ‘Amorra te sparen, maar hij dringt niet aan op vergeving van deze zondaren. Ja’akov nadert zijn boze broer Esav met zeven buigingen en grote geschenken, maar Ja’akov probeert zijn broer te kalmeren en gunstig te stemmen om af te zien van wraak en geweld; hij vraagt niet om vergeving en Esav geeft die ook niet.
Joseef vergeeft wel, als hij zegt: ‘Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden’ (Ber/Gen 45: 5).  Het dringt nog niet echt door tot de mannen, dat hiermee vergiffenis is geschonken voor de mishandeling van hun broer.  In  de volgende parasha Wajechi  willen ze zekerheid daarover hebben, beangst als ze nog zijn om na de dood van hun vader Ja’akov alsnog het voorwerp van wraak te worden. Daarom vragen ze aan hun machtige broer nog een keer om vergeving: ‘Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders’ (Ber/Gen 50:17).
Wat is er zo revolutionair aan het fenomeen van vergeving? R. Sacks signaleert, dat in vele culturen, bv. ook in de oude Griekse, geen vergeving bestaat; wel zijn er verwante mechanismen, rituelen van kalmering en vernedering, om wraak, geweld en straf te voorkomen. Een voorbeeld in de Tora hebben we juist genoemd:  de benadering van Ja’akov van zijn broer Esav. Het gaat om culturen, waarin schaamte en eer de hoofdrol spelen. In het Jodendom overheerst een cultuur van schuld, schuld die vergeven kan worden.
We citeren uit het commentaar van R. Sacks: ‘Binnen het jodendom werd een nieuwe vorm van moraal geboren. Jodendom is (hoofdzakelijk) een ethiek van schuld, in tegenstelling tot de meeste andere systemen, die een ethiek van schaamte zijn. Een van de fundamentele verschillen tussen hen is dat schaamte en schande zich hechten aan de persoon. Schuldgevoel hecht zich aan de handeling. In schaamte-culturen is een persoon die verkeerd doet als het ware, besmeurd, getekend, verontreinigd. In schuld-culturen is niet de dader fout, maar de daad, niet de zondaar, maar de zonde. De persoon behoudt zijn of haar fundamentele waarde ("de ziel die u me gaf is zuiver," zeggen wij in onze gebeden). Het is de daad die op een of andere manier moet worden rechtgezet. Dat is de reden waarom in schuld-culturen er processen zijn van berouw, vergeving en verzoening’.

Dat maakt mogelijk, dat de vicieuze cirkel doorbroken kan worden, de cirkel van actie en tegenactie, van wraak en weerwraak. We hoeven het verleden niet eeuwig te herhalen. Vergeving maakt verandering mogelijk en schept een nieuw perspectief van vrijheid voor de toekomst.
Rabbijn Sacks: De mensheid veranderde de dag Joseef zijn broers vergaf. Als we vergeven en waardig zijn om vergeving te ontvangen, zijn we niet langer gevangenen van ons verleden.

*) Zie http://www.rabbisacks.org/birth-forgiveness-vayigash-5775/, zijn diepzinnig en zeer lezenswaardig commentaar op Wajigash, waaraan ik veel heb ontleend in dit stuk.

RC dec 2014


Parasha Mikéts

Bereshiet/Genesis 41-44:18

Let op je dromen!

door Rob Cassuto

korte inhoud

Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette en zeven magere jaren. Josef verklaart hem en geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren verwachte hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie als bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenote. Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen de zeven jaren van hongersnood, die ook het land K'na'an bereiken alsmede Jacob en zijn kroost. 
De tien broeders van Joseef trekken naar Egypte om koren te kopen en komen voor Joseef, die zij niet herkennen, maar andersom wel. 
Joseef gaat nu een gecompliceerd spel met zijn broers spelen. Hij beschuldigt ze van verspiederij, ze protesteren heftig en Joseef eist dat ze om hun onschuld te bewijzen terug naar K'na'an gaan en Benjamin naar hem mee terug naar Egypte moeten nemen. Ze krijgen wel koren mee, maar Shimon blijft als gijzelaar achter.
Jacob weigert Benjamin naar Egypte te laten gaan, maar ten langen leste als de honger weer toeslaat stemt hij toe en de broers trekken nu weer naar Joseef. Joseef ontvangt hen vorstelijk, maar laat in de voederzak van Benjamin een kostbare bokaal van zijn tafel stoppen, die hij later, als de broers weer met gevulde korenzakken de terugweg aanvaarden, zogenaamd weer door zijn agenten laat vinden. 
De broeders worden teruggehaald en Joseef veinst dat hij 'de dief' Benjamin als slaaf bij hem wil houden. Jehoeda neemt het woord en in de volgende parasha Wajigash houdt hij een lang betoog om Benjamin vrij te pleiten.

Dromen in de Tora

Elders heb ik deze rijke parasha vanuit het aspect van teshoewa belicht, nu ga ik wat verder in op het fenomeen  dromen. In de Tora wordt niet veel gedroomd. Tien zijn er te traceren waarvan zes te maken hebben met Joseef als dromer (in de vorige parasha Wajeshev) en als droomuitlegger (in deze parasha Mikets). De vier andere dromen zijn duidelijke boodschappen van de Ene (of zijn engel) en behoeven geen interpretatie, de droom van Avimelech (Ber 20:3 ev), Jacob’s ladder (Ber 28:12 ev),  Jacob’s gespikkelde schapen (Ber 31:10 ev) en  Lawan gemaand Ja’akov met rust te laten (Ber 31:24 ev). De twee dromen van Joseef  en de vier die hij heeft geduid zijn in beelden verpakt en vereisen een goede uitleg. De ene droom van Joseef is die over de elf schoven, die zich voor hem buigen (Ber37:5 ev), de ander die hij een tijd later droomt gaat over de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem buigen (Ber 37:9 ev). De schenker droomt over de wijnrank met drie knoppen en over dat hij Far’o weer een beker overhandigt (Ber 40:9 ev); de bakker droomt over de drie manden met brood op zijn hoofd die door vogels worden weggepikt (Ber 40:16 ev); Far’o droomt over de zeven magere  koeien, die de zeven dikke koeien opeten (Ber  41:1 ev) en diezelfde nacht over de zeven dunne korenaren, die de zeven dikke korenaren verzwelgen ( Ber 41:5 ev).

Rabbijnen over dromen

De waarde van dromen wordt door vele oude commentatoren erkend. De Talmoed zegt, dromen zijn een zestigste van profetie. (‘vuur is één zestigste van Gehinnom (plm = hel), honing is één zestigste van manna. Shabbat is één zestigste van de komende wereld, slaap is één zestigste van dood, een droom is één zestigste van profetie’, Berachot 57b).
Het beeld dat de oude wijzen schetsen over de menselijke capaciteit om dieper te schouwen, is dat van teruggang in de loop der mensengeschiedenis. Oorspronkelijk hadden alle mensen de gave van profetie. De gave ging verloren behalve voor profeten. In Talmoedische tijden achtte men de tijd van de profetie voorbij. Alleen dromen waren er nog als restanten van de oude profetische mogelijkheden.
Maimonides is wat de gave van profetie betreft wat optimistischer, een waarlijk wijs en verheven mens zou in principe nog kunnen profeteren. Evenals de Talmoedische wijzen ziet de oude middeleeuwse meester dromen als  een onvolmaakte uiting van profetische verbeelding: ‘…en zij (de rabbijnen) herhaalden het idee  in de Midrash Bereshiet Rabba en zeiden “dromen zijn de knoppen van profetie”. Dat is inderdaad een mooi beeld, want een knop is de vrucht die nog niet volledig is ontwikkeld, zo is ook de verbeeldingskracht ten tijde van de slaap precies datgene  wat werkzaam is ten tijde van profetie, in een onvolmaakte en incomplete toestand’ (Gids der Verdoolden 2:36).

Veel dromen zijn nogal chaotisch, maar te midden van verwarrende beelden kan toch een boodschap zijn verborgen. Daarom zijn dromen de moeite waard om herinnerd te worden en bezien te worden op hun mogelijke betekenis. In het tractaat Berachot van de Talmoed zijn interessante discussies te lezen over dromen en hun mogelijke betekenissen. De rabbijnen presenteren vele mogelijke betekenissen van droombeelden van de meest wisselende aard. Sommige zijn echt verrassend.
Rabbi Chisda zei: Een droom, die niet is uitgelegd is als een brief die niet is gelezen (Berachot 55a).
Niet zozeer de droom op zich, maar hoe een droom wordt uitgelegd is bepalend. De rabbijnen van de Talmoed zeggen: ‘alle dromen volgen de mond (de uitleg). Is deze uitspraak volgens de Tora? Ja, volgens de verklaring van R. Eleazar. Want R. Eleazar zei: hoe weten we dat alle dromen de mond volgen? Omdat wordt gezegd, ‘en zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd’ (uit het verslag van de schenker aan Far’o, Ber 41:13). Raba zei, alleen als de uitleg beantwoordt aan de inhoud van de droom (Berachot 55b)’. Een droom kan dus alleen dan zijn belang hebben, als hij in woord en duiding door de dromer of zijn uitlegger is vertaald.
Het kan lang duren voordat een droom uitkomt.  Joseef heeft als jongen twee keer een droom gehad over dat buigen voor hem, twee keer, dat  tekent het belang van de droom, zeggen de rabbijnen. De vervulling van Joseefs dromen duurt wel heel erg lang. Aanvankelijk lijkt er weinig uit te komen van het beeld van de meester voor wie zelfs de sterren buigen; integendeel niet lang na de dromen is Joseef slaaf geworden. Het duurt nog tweeëntwintig jaar voordat de broers van de onderkoning geworden Joseef zich neerbuigen als de korenschoven van de jongensdroom. Dat de vervulling zo lang duurt heeft te maken met dat  de dromen op verschillende dagen zijn gedroomd. De twee dromen van Far’o  daarentegen zijn in dezelfde nacht gedroomd: dat betekent dat de boodschap bijzonder urgent is en hun vervulling aanstaande. Joseef benadrukt: ‘Dat de droom tot tweemaal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen dat de zaak bij God vaststaat, en dat God die spoedig zal volbrengen’ (Ber 41:32). Let dus op dromen die zich vaak herhalen!

Joseef is niet alleen een dromer, hij is ook en vooral een uitlegger. Daarbij ziet hij zichzelf als instrument, als kanaal voor de Ene. Als uitlegger moet je helemaal leeg zijn van eigenbelang en subjectieve associaties en oordelen, zou je kunnen stellen. Joseef begrijpt ook dat de boodschap in de dromen van Far’o vraagt om actie en hij komt onmiddellijk met een strategisch plan om de gevolgen van de voorspelde hongersnood na de zeven jaren van welvaart op te vangen.
Als je de boodschap van de droom hebt begrepen kan je maar beter de vereiste actie ondernemen.

De eerder genoemde Rabbi Chisda zei ook: ‘een slechte droom is beter dan een goede droom’, waarmee hij bedoelde dat de boodschap van een slechte droom de richting aanwijst voor ommekeer (teshoewa). Hij signaleerde ook dat noch een goede droom, noch een slechte droom ooit helemaal uitkomt. Zelfs de legendarische droom van superdromer Joseef kwam niet helemaal uit: de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem buigen zijn z’n vader, moeder en broers, maar zijn moeder zou nooit voor hem kunnen buigen, Rachel was immers al lang overleden.

Dromen kunnen verwarrend zijn en soms misleidend, maar ze zijn geen bedrog, ze gebruiken alleen allerlei trucs om de boodschap zowel te brengen als te verbergen, zoals Freud dat heeft beschreven. Mijn ervaring is dat ze vrijwel altijd iets te zeggen hebben over de grondstemming in onze lichamelijke of psychische constitutie, die overdag vaak onder de oppervlakte van ons daags bewustzijn duikt. Vaak manifesteren dromen iets van onze al dan niet heimelijke verlangens, van de meest nobele tot de meest verwerpelijke. Gedachten, driften en frustraties kunnen stof leveren voor bizarre droomverhalen. Soms gaat een droom niet over onszelf maar over anderen, of zelfs over de samenleving en de wereld. Dan naderen zij de profetie. Het loont de moeite onze dromen niet te vergeten, maar ze onder ogen te zien en ze te overdenken. Ze dragen bij tot de kennis van onszelf.

 

bronnen: Rabbi Jonathan Sacks over dromen: http://www.ou.org/torah/parsha/rabbi-sacks-on-parsha/the_power_of_dreams
Rav Kook over Mikets en dromen: http://ravkooktorah.org/MIKETZ63.htm
De passages over dromen zijn vooral te vinden op de folia 55a t/m 57b van Berachot, in Engelse vertaling te lezen op internet, http://www.come-and-hear.com/berakoth/berakoth_55.html
Degelijk artikel is ‘Torah Dreams’, door Rabbi Dr. Hillel ben David (Greg Killian)

Chanoeka Sameach, Happy Hanukkah, vrolijke Chanoeka! 

RC dec 2014

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Parasha Wajeshev

Bereshiet/Genesis 37 - 41

Joseef en Jehoeda, karakters in ontwikkeling

door Rob Cassuto

In deze parasha zet het familieverhaal van Avrahams nakomelingen zich voort. Een nieuwe generatie betreedt het podium, de zonen van Avrahams kleinzoon,  Ja’akov. Hoofdfiguur is diens lievelingszoon Joseef. In deze parasha en de volgende parshiot speelt zich de geschiedenis van de familie zich om Joseef heen af, het is het laatste bedrijf van de family story van Bereshiet/Genesis; in het volgende boek, Shemot/Exodus zal het over een volk gaan, de ‘bené Jisraeel’.

Dit Bijbelhoofdstuk valt eigenlijk in twee bedrijven uiteen.
Het eerste bedrijf vertelt hoe de jonge puber Joseef – naïef of arrogant, naar men wil – zijn dromen vertelt aan zijn broers, dromen met beelden van hoe hij de baas is in de familie, korenschoven, zon, maan en sterren, allemaal buigen ze voor hem, Joseef; daarbij gaat de jongen gekleed in het sjieke kleurige gewaad dat zijn vader hem heeft geschonken. De broers hebben schoon genoeg van dat verwaande knaapje en ze zijn ook nog jaloers. Als de ruige herders ver van Ja’akovs tenten de schapen weiden en hun vaders oogappel in zijn mooie mantel zien naderen om hen te controleren, besluiten ze hem te doden en gooien hem in een lege put. Uiteindelijk doden ze hem niet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte*. Ze vertellen aan de ontroostbare vader, dat zijn zoon is verscheurd door wilde dieren en tonen hem het met geitenbloed besmeurde kleurig gewaad. Het thema misleiding en leugen, ook dat thema zet zich in deze generatie voort.
Het tweede bedrijf is het begin van de carrière van Joseef als slaaf in Egypte, die het in latere parshiot tot onderkoning zal brengen. Zijn eerste baantje als huismeester van een generaal eindigt in de gevangenis als hij door de meesteres des huizes ten onrechte wordt beschuldigd van aanranding. In de gevangenis weet hij toch weer op te klimmen tot manager en vestigt hij zijn reputatie als droomuitlegger door uit twee dromen van in ongenade gevallen hoffunctionarissen correct  hun toekomst te voorspellen. Die reputatie zal hem later nog van pas komen.

Is Joseef de hoofd persoon van deze parasha, een dragende bijrol heeft zijn broer Jehoeda. De eerste keer, dat deze vierde zoon zich profileert is, als hij oppert Joseef niet te doden, maar te verkopen als slaaf. De tweede keer staat hij even middenin de schijnwerpers. Want tussen de twee net kort samengevatte bedrijven rond Joseef speelt zich nog een intermezzo af rond Jehoeda en zijn schoondochter Tamar. Tamar – een Kena’anitische vrouw - huwt de oudste zoon  van Jehoeda, Er, die ze aan de dood verliest. De tweede zoon Onan weigert zijn zwagerplicht te vervullen om zijn overleden broer alsnog een erfgenaam te bezorgen en ‘verspilt zijn zaad op de grond’ **. Ook hij overlijdt en dan is volgens de regels van het zwagerhuwelijk (Jiboem) de derde zoon Shelach aan de beurt.  Jehoeda voelt daar helemaal niets voor en schuift het op de lange baan en Tamar voorvoelt op de lange duur dat de toezegging niet tot het huwelijk zal leiden, er zal niets van komen. Ze verzint een list – alweer misleiding! - , nu is Jehoeda het slachtoffer. Als de man op weg is naar zijn  schapenscheerders in Timna komt hij onderweg - bij ‘petach enajim’, de poort van het dorp Enajim,  letterlijk ‘opening der ogen’ –  een  gesluierde hoer tegen, de onherkenbare Tamar. Zij verleidt haar schoonvader (en inmiddels ook weduwnaar}. Ze baart een tweeling  - Perets en Zerach - en als Jehoeda deze schande wil bestraffen met verbranding stelt zij hem aan de kaak als de vader van die twee zonen, door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg voor de betaling van haar diensten met een geitje: zijn zegel, zijn koord en zijn staf.

Jehoeda herkent ze en zegt: ‘Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Shelach heb gegeven’. Rabbijn Sacks wijst erop, dat dit in de Tora de eerste keer is dat iemand met zoveel woorden zijn fout aan een ander toegeeft.***)
Eén van de zo op de wereld gekomen zonen, Perets, zal de voorvader worden van koning David, die zijn opvolger, Shelomo, ook verwekte bij een via een misstap aan zijn zijde gekomen vrouw, Batshewa (David die volgens de sage van het Nieuwe Testament de voorvader van Jezus zou zijn).

Ook hier zien we hoe de geschiedenis voortschrijdt middels misstappen van de hoofdpersonen van het drama. De geschiedenis van Israël is allerminst een geschiedenis van verheven personen van onberispelijke levenswandel. De voortstuwing van de gebeurtenissen houdt zich niet aan religieuze regels en ethische voorschriften. David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews' met verleidelijke ironie: “Nogmaals, (…) misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen” .
Zijn de dramatis personae  geen zondeloze figuren, wat wel opvalt is dat het levende mensen zijn in ontwikkeling. Het zijn geen stereotypen, maar het zijn karakters, die groeien met de jaren. Misschien is dat wel het belangrijkste. Ze worden wijs door schade en schande; getekend door de gevolgen van hun beslissingen en hun daden winnen ze aan statuur. Dat geldt voor Ja’akov, voor Joseef en ook voor Jehoeda. De derde keer dat Jehoeda in de spotlight staat is zijn ‘finest hour’. Dat is later als de broers in Egypte zijn en voor de machtige onderkoning van Egypte staan, die ze nog niet als hun broer hebben herkend. Dan houdt Jehoeda als spreekbuis van zijn peers zijn lange pleitrede ten behoeve van Benjamins terugkeer naar zijn vader, de langste monoloog in de Tora, woorden die het hart van de machtige heerser doen breken en deze ertoe brengen zich als hun broer bekend te maken (parashat Wajigash,Gen/Ber 44:18 ev).
Als de oude Ja’akov op zijn sterfbed ligt, zal hij in zijn visionnaire woorden niet Joseef omschrijven als de leider van zijn broers, maar Jehoeda (Ber/Gen 49):

Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!  
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon, 
en zo verder

Jehoeda zal  uiteindelijk de voorvader en naamgever van het Joodse volk worden.

noot:
*  Wie nu precies Joseef aan wie verkocht, daarover is nog veel gissing mogelijk, want de tekst is niet duidelijk daarover. Zie een vorig commentaar van mij en Nechama Leibowitz hierover.
** Van Onan is afgeleid het woord onaneren, in mijn jeugd nog gebruikt in de betekenis van masturberen. In feite heeft Onan dat helemaal niet gedaan, blijkens de tekst praktiseerde hij de zg coïtus interruptus.

*** En redde daarmee Tamars leven!  Toen Jehoeda hoorde van de hoererij en zwangerschap van zijn schoondochter beval hij dat zij verbrand moest worden. Tamar klaagde hem toen niet rechtstreeks aan, maar gaf hem de gelegenheid zelf naar voren te komen en te bekennen. Ze zei immers: ‘Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn.‘ (Ber/Gen 39:24). Jehoeda had ook zijn reputatie de voorrang kunnen geven en kunnen ontkennen. Tamar liep dus een groot risico, bij ontkenning door haar schoonvader zou ze verbrand worden.  Dat gaf de Talmoedische Rabbi Jochanan de gelegenheid op te merken:  ‘Het is beter voor een mens zich in een brandende oven te werpen dan een medemens openbaar te schande te zetten. Hoe komen we daarbij? Van Tamar.’ (Sota 10b). Leggen we deze maatstaf langs recente berichten over burgemeester Hoes van Maastricht, dan is de uitkomst duidelijk.


RC dec 2014


Parasha Wajishlach

Bereshiet/Genesis 32:4 – 37

De weg naar verzoening

door Rob Cassuto

Ja’akov trekt zijn broer, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Ja’akov de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zendt rijke geschenken vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje en vecht met een onbekende man, die Ja’akov later associeert met God. Met vele (zeven) buigingen loopt hij Esau tegemoet en deze sluit hem in zijn armen en kust hem ‘en zij huilden'. Als Esau aandringt om samen op te trekken wijst Ja’akov dit af en ze scheiden weer. Ja’akov slaat zijn tenten op bij Shechem.

In mijn commentaren op de vorige twee parshiot heb ik het leven van Ja’akov  al bekeken vanuit het perspectief van rijping en groei naar volwassenheid en zelfs grootheid. Een belangrijke mijlpaal  daarin was de ladderdroom bij Beet-El als een soort begin van een proces van teshoewa, van ommekeer van  de misstappen in zijn jeugd ten opzichte van zijn vader en zijn broer.  Het gevecht met de man-engel is daarbij mede te zien als een diepgaande cheshbon hanefesh, als een zich rekenschap geven van het gebeurde en gedane rond zijn broer Esav op zielsniveau. (meer daarover in een ander commentaar)

Nu zijn broer en tegenhanger, de verpersoonlijking van kracht, geweld en impulsiviteit, met zijn machtige schare vlakbij is heeft angst en beven de jongere broer bevangen, maar toch ook een diep verlangen om schoon schip te maken. Dat verlangen wint in de nacht met de engel. Had Ja’akov het gevecht opgegeven, dan had de angst gewonnen en had hij net zo goed met zijn mensen en zijn vee een andere route kunnen nemen. De ontmoeting met Esav is het beste te begrijpen als de culminatie van Ja’akovs verlangen om zijn ommekeer tot een goed einde te brengen met een daadwerkelijke teruggave van de aan Esav ontstolen zegeningen *).

Aan Esav zou welvaart beloofd zijn (Ber/Gen 27: 28, God geve je dauw uit de hemel, en vette, vruchtbare aarde,een overvloed van koren en wijn), welnu, Ja’akov geeft hem die welvaart in de vorm van het grootvee en kleinvee, dat hij hem schenkt ( Ber/Gen 32:15, 16, tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 16 dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten) .
Aan Esav zou macht beloofd zijn (Ber/Gen 27: 29, Volken zullen je dienen, naties zich voor je buigen. Je zult heer zijn over je broers, macht hebben over je moeders zonen), welnu , Ja’akov boog zich zeven maal voor zijn broer (Ber/Gen 33:3, Zelf liep hij voor iedereen uit, en terwijl hij zijn broer naderde boog hij zevenmaal diep voorover). Daarna naderen zijn vrouwen, kinderen en slaven die allen diep neerbuigen.
Ja’akov bewijst in de ontmoetingsprocedure zijn diplomatieke en strategische talenten. Daar bovenuit rijst toch het proces van werkelijke verzoening met zijn broer, de voltooiing van teshoewa, als Ja’akov tegen zijn broer zegt: want oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend (Ber/Gen 33:10).

Esav – ook wel genoemd Edom – is in vele uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden.**) Vele vijanden van Israël zijn betiteld met ‘Edom’, maar laten we dit niet vergeten: Ja’akov en Esav waren heel uiteenlopende  mensentypen met slechte en goede kwaliteiten. Ze hebben elkaar dwars gezeten, bestreden, gehaat, maar ze hebben zich verzoend en daarna elkaar getolereerd in de streken van het toenmalig Palestina. Samen begroeven ze hun vader en ze rouwden samen aan zijn graf***). Zo zijn ze niet alleen symbool van strijd geworden, maar ook symbool van de mogelijkheid van verzoening en verdraagzaamheid. Laten we op dit laatste element  het accent leggen wanneer we dit verhaal in het licht houden. Laten we de verzoenende strekking laten spreken en niet in andersdenkenden en andersgelovigen een gedemoniseerde Edom menen te ontmoeten. Hielden Ja’akov en Esav na hun verzoening van elkaar of bleven ze elkaar haten? Ik weet het niet, maar ze respecteerden elkaar en gunden elkaar de nodige levensruimte. In deze tijden van interculturele en interreligieuze spanningen zou dat al heel wat zijn.

Ja’akovs leven verloopt daarna bepaald niet rustig. Rachel, de liefde van zijn leven, overlijdt jong in het kraambed. Hij heeft heel wat te stellen met zijn zonen, die zich overgeven aan afgodische neigingen en een afschuwelijke moordpartij begaan op de mannen van Shechem. Daarover schrijf ik later een keer.

noten


*) Mijn begrip van Ja’akovs levensfeiten bleek aardig parallel te lopen met commentaren van Rabbi Jonathan Sacks. De opvatting dat de geschenken en buigingen van Ja’akov bij de ontmoeting met Esav te maken hebben met de aan Esav ontstolen zegen ontleen ik aan zijn commentaar op Toldot.

**) Bijvoorbeeld: als in de tekst staat, dat Esav zijn broer tegemoet rende, hem om de hals viel en kuste, wat toch gezien kan worden als het begin van een echte verzoening, speuren sommige midrashim toch naar blijken van Esavs slechtheid. Zo is het opvallend dat in de Tora ‘hij kuste hem’ – wajishakehoe – voorzien is van extra puntjes op de letters en Rabbi Yanai zegt dan, dat het is om te ons te vertellen, dat hij niet van plan was om Ja’akov te kussen maar om hem te bijten, maar Ja’akovs keel werd van marmer en brak de tanden van de slechtaard (Midrash Rabba, op Chabad.org).

***) Ber/Gen 35: 29. Jitschak was “zakèn we-sew’a jamim”,  “oud en der dagen zat” , zegt de oude Statenvertaling. “Oud en voldaan met het leven”, zegt de vertaling van Dasberg.  Merk op het verschil met hoe Ja’akov op zijn oude dag over zijn leven spreekt: weinig en ellendig waren mijn levensjaren (Ber.47:9, me’at oera’im hajoe jemé shené).

RC dec 2014


 

Parasha Wajetsé

Bereshiet/Genesis 28:10 – 32:4

List en bedrog als thema in Ja’akovs leven

door Rob Cassuto

Heel kort: In dit bijbelstuk het verhaal van Jacobs tocht naar en verblijf in het land Charan, bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen.  

Wat was de werkelijke zegen?

Het familieverhaal van de vorige parasha Toldot zet zich voort. Het bevat alle gevoelens en emoties die een familie kan beheersen: liefde, haat, jaloersheid, woede,  angst, ambitie. Nieuwe personages komen aan bod:  Jacobs schoonvader Lawan, de met veel inzet van Ja’akov verworven echtgenotes, Lea en Rivka. De machinaties zijn in deze generatie nog niet uitgeput. Ook in deze parasha treden ze weer op. Blijkbaar is het een thema in Ja’akovs leven.

Eerst grijpen we even terug op de vorige parasha Toldot en op de vraag of alle machinaties van Ja’akov en Rivka om de zegen voor de eerstgeborene van vader Jitschak los te krijgen ten gunste van de iets later geborene Ja’akov nu wel terecht waren. Het vrome voor de hand liggende antwoord zou kunnen zijn: Rivka en Ja’akov deden het juiste, ze waren uitvoerders, instrumenten  van Gods plan, want Ja’akov was duidelijk de meest geschikte erfgenaam van Avrahams erfenis en Jitschak zag dit totaal niet in. Ze zijn geëxcuseerd al wandelden ze langs het randje van het ethisch toelaatbare en eigenlijk eroverheen.
Er is echter  een meer genuanceerde en dieper gaande visie op het gebeuren mogelijk. *)
Aan het slot van het commentaar op Toldot trok ik de naïviteit van Jitschak al in twijfel, gezien zijn aarzelingen en de emoties bij het geven van de zegen aan Ja’akov. Maar nog een andere vraag doet zich voor: was de zegen, die Jitschak uitsprak voor de eerstgeborene – bestemd voor Esav, maar gegeven aan Ja’akov – wel de zegen bestemd voor degeen die de erfenis van Avraham moest overnemen? De zegenspreuk die hij uitsprak paste inderdaad uitstekend bij een oudste zoon en de latere zegen voor de echte Esav paste goed bij Esav, misschien had de beproefde vader al meerdere soorten zegenende uitspraken voor zijn zoons ‘in mind’ gehad.
Maar laten we verder lezen over het vertrek van Ja’akov, dat dringend door beide ouders aan hun zoon wordt aangeraden – zowel om aan de wraak van zijn woedende broer te ontkomen als om alsnog een degelijk meisje uit de clan te vinden. We komen dan het volgende tegen.  We horen de vader weer een zegen over Ja’akov uitspreken (Ber/Gen 31:3):

God, de Ontzagwekkende, moge je zegenen, je vruchtbaar maken en je veel nakomelingen geven, zodat er een groot aantal volken uit je voortkomt. 4 Moge hij jou en je nakomelingen de zegen van Abraham geven, zodat je het land waar je nu nog als vreemdeling woont en dat God aan Abraham heeft gegeven, in bezit krijgt.

Deze bewoordingen komen mij bekend voor. Kijk eens naar hoe de Ene Avram/Avraham toespreekt (Ber/Gen 17:9)

Ik doe jou deze belofte: je zult de stamvader worden van een menigte volken. 5 Je zult voortaan niet meer Abram heten maar Abraham, want ik maak je de vader van vele volken. 6 Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Er zullen veel volken uit je voortkomen en onder je nazaten zullen koningen zijn. 7 Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en ik zal hun God zijn.’

Ook aan Jitschak valt een dergelijke zegen van de Ene ten deel (Ber/Gen 28:3 ev):

Blijf voorlopig in dit land, ik zal je terzijde staan en je zegenen: ik zal dit hele gebied aan jou en je nakomelingen geven en zo de eed gestand doen die ik je vader Abraham heb gezworen. 4 Ik zal je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en dit hele gebied aan hen geven, en alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen’.

Blijkbaar zijn deze en dergelijke woorden en geen andere de passende woorden van de zegen voor de voortzetter van Avrahams erfenis. Juist die woorden  gebruikt Jitschak om Ja’akov te zegenen. Dit was het moment, het vertrek voor waarschijnlijk heel lange duur naar het buitenland, om deze zegen te geven. De eerdere twee zegeningen waren de zegeningen van een oude vader op een ernstig ziekbed, dat hij trouwens goed heeft overleefd want pas veel later overleed hij - 180 jaren oud - begraven door zijn twee inmiddels verzoende zonen.
Maar de zegen van Jitschak bij het vertrek van Ja’akov, dat was de hoofdzegen. Heeft de aartsvader dit spontaan uitgesproken of had de oude baas dit al lang in gedachten? Hoe het ook zij, hij hoopt nog wel, dat deze zegen, die voor hem en zijn vader Avraham van boven kwam, door de Ene ook voor Ja’akov zal worden bevestigd. En dat gebeurt, bij wijze van spreken nog op dezelfde bladzij;  tijdens zijn beroemde droom in Beet-El over de ladder, staat de Ene boven hem (alav) en zegent hem,  in ongeveer weer dezelfde woorden als gebruikt bij Jitschak en Avraham,  woorden over talrijke nakomelingen en bezit van het land (Ber/Gen 28:13,14). (over de ladderdroom zie een eerder commentaar)

De maakbaarheid van het lot

Waren de listen en lagen van Ja’akov en Rivka nu allemaal eigenlijk niet nodig geweest? Waarschijnlijk niet. Er ligt hier een paradox. Laten we uitgaan van een onvermijdelijk vastliggende sturing van de ontwikkeling van het universum, de aarde en zijn bewoners, waaronder de mensheid, zoals een grote rivier soms onmerkbaar rustig dan weer met woeste stroomversnelling naar zee afdaalt, de zee niet als een implosie en ook niet als een paradijs, maar als een mysterieus en geweldig doel ver achter onze horizon. In vrome vertaling zou je dit Gods plan kunnen noemen. Als mensen vragen we ons af wat die richting, die sturing is – dat is het kenmerk van mensen, dat ze bewustheid hebben en nieuwsgierig zijn naar zin en verlangend naar bedoeling. Soms vangen ze iets van een glimp op, een onthulling, een openbaring, menen iets op te vangen. Soms is de antenne goed afgesteld, soms minder goed. Dat is onderdeel van het kosmische spel. Rivka kreeg een onthulling over de toekomst en de potentie van de tweeling in haar buik. Daarna heeft ze samen met Ja’akov gepoogd die voorzegging een handje te helpen met list en bedrog. De verleiding was groot, maar de twijfelachtige middelen waren toch verkeerd. In de stress om de gewenste uitkomst te forceren is de greep naar verkeerde middelen snel gedaan. Met meer vertrouwen en geloof was het waarschijnlijk ook goed gekomen. Het is een  uitdaging om  te zien waar vertrouwen op zijn plaats is en waar en wanneer ingrijpen wordt gevraagd.

Misleiding als levensthema

De misleiding door Ja’akov heeft een stempel op zijn leven gedrukt. Als ik me een term uit een andere religie mag veroorloven, het is deel van zijn karma geworden. In termen van de psychologie, het is onderdeel gaan uitmaken van zijn levensscript. Telkens is er sprake van bedrog en misleiding in zijn leven. In deze parasha zien we dat terugkomen, maar ook verder in zijn leven.
Enerzijds betekent de openbaring bij Beth-El  (zie verder daarover een eerder commentaar) het begin van een grote ommekeer bij Ja’akov, een proces van ‘teshoewa’ is ingezet. Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Ja’akov toch minstens veertig moet zijn geweest krijg ik hier de indruk van een inwijding van een jongeman, een overweldigende openbaring, die eerst nu pas de jonge Ja’akov op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming.
Anderzijds komen steeds gebeurtenissen rond bedrog en misleiding op zijn pad. Alsof zijn eigen list en bedrog resoneren in wat het leven hem later brengt. Retributie, zeggen sommigen. Boontje komt om zijn loontje, zegt de volksmond.
De grootste kool wordt hem gestoofd door zijn oom Lawan. Na zeven jaar werk voor zijn oom heeft Ja’akov zijn Rachel verdiend, de mooie dochter, op wie hij op het eerste gezicht smoorverliefd werd, iets wat in de Tora zelden voorkomt, romantische liefde. Waarschijnlijk dronken geworden op het huwelijksfeest – veronderstellen de rabbijnen – merkt de bruidegom niet, dat de in zijn tent gebrachte gesluierde bruid niet de mooie Rachel was, maar haar oudere minder mooie zuster Lea (van wie staat dat haar ogen  ‘rachot’ waren, steevast vertaald als ‘mat’ of ‘flets’, maar voor hetzelfde geld kan het ook betekenen ‘teder’, ‘zacht’, of ‘lief’). ’s Morgens ontdekte Jak’akov dat het Lea was met wie hij had geslapen. ‘Hoe hebt u mij dit kunnen aandoen?’ wierp hij Lawan voor. ‘Ik heb toch om Rachel bij u gewerkt? Waarom hebt u me zo bedrogen?’ (  Ber/Gen 29:25  ) Later werd Rachel toch zijn vrouw. Lees de boeiende passages over hun wederzijdse jaloersheid …
Het was niet de laatste streek die Lawan hem flikte. Ook met de afspraken over het vee werd de schoonzoon benadeeld, overigens zonder succes. ( Gen/Ber 30) Ja’akov werd een welgesteld man – mede door zijn listig management van het paringsgedrag van zijn geiten en schapen -   en hij kreeg vele zonen en één dochter bij Lea en een zoon bij Rachel.
Na twintig jaar trouwe dienst besluit Ja’akov naar zijn geboortestreek terug te gaan. Ook dat gaat niet zonder complicaties: (Ber/Gen 31:19)’Rachel nam de kans waar om de godenbeeldjes van haar vader te stelen, 20 en Jakob bedroog de Arameeër Lawan door er heimelijk vandoor te gaan.
Wat Rachel bewoog, daarover lopen de meningen uiteen. Vast staat dat godenbeeldjes door de Arameeërs van groot belang werden geacht voor de bescherming van huis en familie.
Als Lawan hem na een lange achtervolging vindt en hem beschuldigt van diefstal  antwoordt de overigens van Rachels handelwijze onkundige Ja’akov: (Ber/Gen 31: 32): ‘” Ik was bang dat u mij zou beroven van uw dochters. 32 Maar degene bij wie u uw goden aantreft, mag niet in leven blijven. Stel samen met onze verwanten maar een grondig onderzoek in, kijk of ik hier iets heb dat van u is en neem dat dan terug.” Jakob wist namelijk niet dat het Rachel was die de godenbeeldjes had gestolen’.  Lawan vindt ze niet omdat Rachel de beeldjes listig heeft verborgen in het kameelzadel, waarop ze is gaan zitten. Ongeweten heeft  Ja’akov met zijn uitspraak hoog spel gespeeld en de vroege dood van Rachel over zich afgeroepen;  de commentatoren zien althans de vroege dood van Rachel (Ber/Gen 35:19) in het kraambed van haar tweede zoon Benjamin als uitvloeisel van Ja’akovs woorden, een afloop die doet denken aan hoe - veel later - de rechter Jiftach zijn dochter verspeelde.

Veel heeft Ja’akov nog moeten meemaken, het overspel van Re’oewen met zijn vrouw Bilha, de misleiding door zijn zonen rond Joseef, wiens dood zij hem meldden, hoewel hij als slaaf naar Egypte was verkocht, de machinaties rond Benjamin, die hij moest afstaan voor een ongewisse reis naar Egypte. Als hij eindelijk na een lang leven is aangeland in Egypte verzucht hij aan de Far’o (Ber/Gen 47:9): ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’ Was dat nu maar een soort hoffelijkheid om jezelf niet al te gelukkig aan te prijzen of was dit een werkelijk gevoelde klacht, waarvoor de oude man reden genoeg had om die te uiten?  Een midrash zegt niettemin dat Ja’akov om deze woorden ‘niet zo oud’ als zijn vader en grootvader is geworden:
‘maar’ honderdzevenenveertig.

Dat neemt niet weg, dat het leven van Ja’akov na zijn vertrek uit Paddan Aram toenam in grootsheid. Het proces van teshoewa zette zich verder door. Het culmineert in de ontmoeting met zijn broer Esav, twintig jaar na hun laatste confrontatie in de tenten van Jitschak. Daar verhaalt de volgende parasha Wajishlach over en mijn commentaar daarop.

*) Deze passages zijn mede geïnspireerd op de commentaren van R. Jonathan Sacks

RC nov 2014

 

 

Parasha Toldot

Bereshiet/Genesis 25:19-28:9

Een gezinsdrama met een hoger doel

door Rob Cassuto

In de parasha Toldot (Bereshiet/Genesis 25:19-28:9) wordt de familiegeschiedenis van Avraham en de uit hem gesproten nakomelingen voortgezet. Als we even afzien van de context van semi nomaden van rond het millennium vóór de gewone jaartelling  en de spirituele strekking even tussen haakjes plaatsen, dan zien we een levendige en van drama doorspekte kroniek voor ons met markante karakters en boeiende verwikkelingen van alle tijden. Een ontwikkelingspsycholoog, gezinstherapeut of televisieschrijver op zoek naar een nieuwe serie zou hier volop materiaal vinden.
De hoofdpersonen in deze parasha Toldot (‘generaties’) zijn Jitschak, zijn gemalin Rivka en hun zonen Ja’akov en Esav (ook wel Edom genoemd).

De tweede aartsvader is een niet al te opvallende man geweest. Zijn belevenissen zijn voor een deel een variant geweest op die van zijn vader. Ook hij heeft hongersnood gekend en was op weg naar Egypte, maar hij strandde in het gebied van Avimelech.  Ook hij heeft zijn vrouw Rivka aan een machtige heerser, Avimelech, voorgesteld als zijn zuster, maar voor het tot de zonde kwam zag Avimelech vanuit een raam zijn gast ‘spelen’ met Rivka en Jitschak werd op het matje geroepen. Ook Jitschak had ruzie over de bronnen voor het vee, maar hij wist grote conflicten uit de weg te gaan en werd een welvarend en rijk man met veel vee en veel knechten. Sommige bijbelwetenschappers hebben er wel een soort van in latere volksverhalen gecreëerde pseudo-Avraham in gezien, maar dat doet hem wel onrecht.  Hij had genoeg aan één vrouw, Rivka, die een grote invloed had op haar echtgenoot. Vermoedelijk is Jitschak een rustige man geweest, een niet al te grote spirituele geest zoals zijn vader. Hij is zijn positie  van laat geboren zoon uit bejaarde ouders en oogappel van zijn moeder en ook het jeugdtrauma van een vader, die met een mes boven hem stond om toe te stoten, goed te boven gekomen, vooral ook door zijn voortreffelijke vrouw, die ook als een moeder voor hem was.

Zo was hij een stabiele man geworden en een stevige manager van zijn have en goed. In de sefirot van de levensboom vertegenwoordigt hij de sefira Gewoera, kracht. Zijn favoriete zoon is dan ook Esav, de krachtige krijger, die met stevige behaarde armen boog en zwaard hanteerde, een gepassioneerde jager, die zijn vader behaagde met wildschotels. Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweelingbroer, die bij de geboorte hem bij de hiel vasthad, misschien in een poging hem in het geboortekanaal nog te passeren, Ja’akov, die in alles zijn tegenhanger was, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten bleef en bij zijn moeder (de oude rabbijnen vonden natuurlijk, dat hij daar al Tora studeerde), bij Rivka.

Tot nu toe is er sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend geaard. De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar hij ziet er niet tegenop misbruik te maken van het impulsieve temperament van zijn broer en hem zijn eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalig Midden-Oosten – afhandig te maken, daarmee getuigend van een scherpe ambitie in het leven. Goed passen daarin de machinaties van moeder Rivka om haar oogappel Ja’akov in het zadel te hijsen van stamhoofd door, als de vader blind op zijn waarschijnlijk sterfbed ligt, hem te instrueren zich voor te doen als vaders favoriet Esav bij het krijgen van de bepalende vaderzegen voor de oudste zoon.

Hoe vaak is dat in de geschiedenis niet gebeurd, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet?  Jitschak moet trillend van boosheid of angst voor zijn zoon Esav de misleiding opbiechten en Esav brult van woede en zweert zijn broer te zullen laten boeten. Maar de plannen zijn gelukt en Avrahams erfenis rust voortaan op de schouders van Ja’akov. Het is gebeurd met listen en lagen van de kant van Rivka en Ja’akov. Mooi is dat. Blijkbaar was het de hogere bedoeling, dat het zo zou gaan, maar de schoonheidsprijs verdient het niet. De televisieschrijver zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog over een broken home. Maar het is vaak wel de werkelijkheid, die zich zo afspeelt. Het vrome cliché is, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.  Er staan wel meer laakbaarheden in de Tora, die het grote verhaal niettemin toch verder brengen (huiswerk: noem er een paar…).
Als we het verhaal proberen te hervertellen vanuit een meer spirituele optiek dan licht misschien een andere laag op.

Is Rivka in  gezinspsychologie de slechte moeder met haar eenzijdige voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene, die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen. *) Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Ja’akov de kwaliteiten hebben gemerkt die hem waardig maakten om de erfenis van Awraham op zich te nemen.  

In de woestheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag ook tegelijk een onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee is Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij is eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij is zoals u of ik, als we niet boven de begeerten van het moment uit kunnen kijken, en dat doen we meestal niet. **)

Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Awraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Ja’akov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende.  

Plaut ***) werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten, dat Ja’akov de meer geschikte was. Alles in de pesoekim 27: 18-27 wijst op de twijfel die de bijna blinde vader ervoer al vanaf de binnenkomst van de zich als Esav voordoende en geklede Ja’akov.

 18 Zo ging hij naar zijn vader. ‘Vader’, zei hij. ‘Ja, mijn zoon’, zei Jitschak, ‘wie ben je?’ 19Ja’akov antwoordde zijn vader: ‘Ik ben Esav, uw eerstgeboren zoon. Ik heb gedaan wat u me hebt gevraagd. Kom, ga overeind zitten en eet van wat ik heb geschoten; dat zal u de kracht geven om mij te zegenen.’ 20 ‘Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon?’ vroeg Jitschak. En hij antwoordde: ‘Doordat de Eeuwige , uw God, alles zo gunstig voor me liet verlopen.’ 21 Toen zei Jitschak tegen Ja’akov: ‘Kom eens wat dichterbij, mijn zoon, zodat ik kan voelen of je inderdaad mijn zoon Esav bent of niet.’ 22Ja’akov kwam dichter bij zijn vader staan en deze betastte hem. Het is Ja’akovs stem, dacht hij, maar het zijn Esavs handen. 23 Omdat Ja’akovs handen even behaard waren als die van zijn broer Esav, herkende Jitschak hem niet en dus zegende hij hem. 24 ‘Ben je echt mijn zoon Esav?’ vroeg hij nog. ‘Ja’, antwoordde Ja’akov. 25 Toen zei hij: ‘Zet het wildbraad dan dichter bij me, zodat ik ervan kan eten, mijn zoon, en de kracht vind om je te zegenen.’ Ja’akov zette het dichter bij hem en Jitschak at ervan. Ook bracht hij hem wijn, en hij dronk ervan. 26 Toen zei Jitschak tegen Ja’akov: ‘Kom eens dichterbij, mijn zoon, en kus me.’ 27 Hij kwam dicht bij hem staan en kuste hem. Toen Jitschak zijn kleren rook, sprak hij de zegen over hem uit.

De vraag rijst: wilde Jitschak misschien bewust misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen, die Rivka wel had genomen? Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om te laten gebeuren, wat ook hij diep in zijn hart wist, dat zou moeten gebeuren?

noten:

*)
Ber. 25:23 De Eeuwige  zei tegen haar:
‘Twee volken zijn er in je schoot,volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard.
Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’

 Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wil transcendent -  voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels  veel theologische discussies  - met name in het Christendom, bv. Augustinus - veroorzaakt over predestinatie, uitverkiezing,  verlossing en genade; als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?

**)
In midrash en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en Edom is geworden tot de benaming van Romeinen, Nazi’s en dergelijke. Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot demonisering.  In de parasha Dewarim memoreert Moshé, dat  de binnentrekkende Israëlieten  het land van zijn nakomelingen, Edom, niet mochten binnenvallen.

***)
Gunther Plaut (ed), The Torah, a modern commentary, die ik voor deze parasha heb geraadpleegd.


Parasha Chajé Sara

Bereshiet/Genesis 23:1–25:18

Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?

door Rob Cassuto

In deze parasha wordt de hoofdmoot gevormd  door twee verhalen, die de continuïteit van de generaties in beeld brengen, eerst de dood van Sara en de aankoop door echtgenoot Avraham van een graf voor haar en de hele familie en vervolgens de verwerving van een bruid voor hun zoon Jitschak, volbracht door de ‘hofmeier’ Eliëzer.

Voor de nomade Avraham is de aankoop van de grot van Machpela en het stukje grond daarbij het eerste echte eigendom in het land Kena’an, dat aan zijn nageslacht is beloofd. De oude commentatoren zien er een voorteken in van het komende beloofde land, reden waarom de onderhandelingen tussen de vreemdeling van over de rivier, de ‘Ivri’ Avraham , met de eigenaren, zonen van Heth (de Hittieten),  in Bereshiet zo uitgebreid beschreven zijn. De beschrijving geeft trouwens een aardige inkijk in de uitgebreide beleefdheden en schijnbewegingen, waarmee dit soort onderhandelingen plachten (en vaak nog plegen) plaats te vinden.

Het tweede verhaal gaat over de opdracht van Avraham aan zijn trouwe knecht Eliëzer om een vrouw te zoeken voor Jitschak, maar ‘geen vrouw  van de dochters van de Kena’anieten temidden van wie ik woon. Maar dat je naar mijn land en geboorteplaats (artsi we-moladti) zult gaan om een vrouw voor mijn zoon Jitschak te nemen’ (Ber 24:3,4).

De vraag is gesteld waarom Avraham geen vrouw voor zijn zoon uit het midden van de Kena’anieten wilde hebben. Ging het hem om ‘ethnische zuiverheid’?  Absoluut niet. ‘Geen idee is meer vreemd aan onze Tora en Jodendom’, zegt Nechama Leibowitz op deze vraag.  Goed bekeken geeft de aartsvader ook niet aan, dat zijn knecht Eliëzer beslist een bruid onder zijn familieleden moet zoeken; hij heeft het slechts over mijn land (van afkomst) en mijn geboortestreek/vaderland.
Wat was er nu mis met de dochters van de Kana’anieten?  Dat ze afgoden dienden kan niet doorslaggevend zijn geweest. Avraham was de enige die Hashem diende, om hem heen waren alle volken ‘heidenen’ en ook in zijn geboortestreek diende men andere goden, Avrahams familieleden, zijn broer Nachor en zijn huis inbegrepen. Afwijkende geloven en gebruiken vind je overal. Nechama redeneert:  maar de Kena’anieten gingen verder, zij begingen ronduit slechte daden, verrichtten ‘abominations’, schanddaden.. Herhaaldelijk veroordeelt de Tora de Kena’anieten, zie bijvoorbeeld Wajikra/Lev 18:3: Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kenaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen. Met de schanddaden van de Kena’anieten wordt  zeer waarschijnlijk gedoeld op seksuele perversies en dergelijke, aangezien dat vooral het onderwerp is van dat hoofdstuk 18 van Leviticus.  Rashi zegt hierover, dat dit vers ons vertelt, dat die Kena’anitische volken meer verdorven waren dan alle andere volken (zelfs de Egyptenaren). Het ging Avraham dus niet om afkomst, ras of religie, maar om zekerheid omtrent het moreel niveau van een aanstaande bruid.
Dat blijkt ook uit de gang van zaken bij de put, waar Avrahams afgezant Eliëzer, aangekomen in de streek waar Avraham vandaan is gekomen,  buiten de stad post heeft gevat met zijn kamelen bij een waterput en heeft besloten om hier met Gods hulp een keuze te maken;  de vrouw die hem op zijn vraag naar een slok water te drinken zal geven, zij zal de  ware zijn voor zijn meester Jitschak. Rivka, een van de meisjes die het vee komt drenken, overtreft alle verwachtingen en geeft niet alleen hem een slok uit haar kruik, maar haast zich ook nog al zijn tien kamelen te drenken. Verbijsterd door zoveel grootmoedigheid, overrompeld door zoveel vriendelijkheid en blij verrast door zoveel  dienstbaarheid aan mens en dier (alle drie centrale karaktertrekken in de Moessar) geeft hij haar een gouden neusring en twee gouden armbanden  (Ber 24:22 ev). Zijn keuze is dan al gemaakt.  Pas dan vraagt hij haar naam en dan blijkt zij een kleindochter te zijn van Nachor, de broer van Avraham. Niet het feit, dat zij familie is en blijkt te behoren tot de clan van Avraham en Nachor,  geeft de doorslag maar haar vriendelijkheid en gedienstigheid tegenover een vreemde.
Samenvattend, ongeveer in de woorden van Nechama Leibowitz, heeft de knecht een karaktertest toegepast met als criteria vriendelijkheid en grootmoedigheid (generosity) . Het was passend, dat deze toekomstige schoondochter werd uitgekozen op grond van haar betoon van juist die kwaliteit, die kenmerkend is geweest voor het Joodse gezin. Het roept het loflied op de vrouw in herinnering op in Mishlei (Spreuken) hoofdstuk 31 vanaf vers 10, dat in veel Joodse gezinnen het begin van de de shabbat markeert en dat onder de titel Eshet Chajil op muziek is gezet.  Niet voor niets is dit hoofdstuk 31 de haftara (aanvullende Bijbellezing uit Tanach) bij deze parasha.

10Een sterke vrouw (eshet chajil), wie zal haar vinden?
Zij is meer waard dan edelstenen.
11Haar man vertrouwt op haar
en zal daar rijkelijk bij winnen.
12Ze brengt hem voorspoed, geen ellende,
alle dagen van haar leven.
13Ze zoekt wol en linnen uit,
en spint en weeft met vreugde. Etc.

(Waarbij het opvalt, dat zij wol en linnen weet te combineren, wat anders is verboden (sha’atnez verbod, Lev 19:19 & Deut 22:11); zo krachtig is de uitstraling van de Joodse vrouw, weten de oude wijzen…)

Als Eliëzer aan Rivka’s  grootvader Nachor en vader Bethuel uitgebreid verslag doet van zijn missie en van het gebeuren bij de bron met de jonge vrouw blijkt hij de zaken voor het front van de familie net omgekeerd weer te geven, eerst – zo vertelt hij - heeft hij haar naam en afkomst gevraagd en toen pas heeft hij de neusring en de armbanden gegeven (Ber 24:47). De woorden in de Tora zijn heel vaak zorgvuldig zo gekozen en subtiele overwegingen liggen vaak aan de basis aan een bepaalde formuliering.  Die laatste opgepoetste versie diste de afgezant van Avraham natuurlijk ter plekke  op uit diplomatieke overwegingen om zo de belangrijkheid van de mogelijk aanstaande schoonfamilie in het zonnetje te zetten.

In de tijd van Avraham en ook in latere generaties waren de grenzen tussen de Israëlieten en niet-Israëlieten nog niet zo nauw getrokken. Voor Avraham stond het moreel niveau van de aanstaande echtgenote voorop. Voor Moshé rabbenoe was het feit dat Tsipora, die hij ook bij een waterput tegenkwam trouwens, een Midjanitische was,  geen verhindering om haar tot vrouw te nemen en ook de Koeshitische was later welkom in zijn tent. De Moabitische Roet werd de vrouw van Boaz.
De deugden – karaktertrekken, soul traits, psychische kwaliteiten, zo u wilt – zijn belangrijker dan afkomst  en bloedverwantschap, is dat niet de les die we uit deze parasha kunnen trekken?

RC nov 2014


Parasha Wajera

door Rob Cassuto

De binding van Jitschak, een oude en een nieuwe visie

Bereshiet/Genesis 18,1 – 22,24

In deze parasha,  getiteld Wajera (‘En Hij verscheen’), worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Awrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:
Het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Awraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen. Over dit bezoek en de manifestatie van de karaktertrek van ‘chesed’ van de kant van Avraham heb ik al eerder een commentaar geschreven, klik hiervoor hier.
Vervolgens komen langs: 

  • de verwoesting van Sedom en  Amorra, die ondanks de morele dialoog tussen Awraham en de Eeuwige, plaats zal vinden;
  • het lot van Lot, die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken;
  • de ontmoeting met Awimelech, die Sara in zijn harem haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Awraham teruggeeft;
  • de geboorte van Jitschak;
  • het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst;
  • conflict en verbond met Awimelech;
  • beproeving van Awraham met het gevraagde offer van Jitschak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht.

Uit deze rijke geschiedenissen stip richt ik de schijnwerper op het offer van Jitschak, de akedat (binding van) Jitschak, een essentieel verhaal in het geheel van het Joods religieus gedachtegoed, steeds weer gelezen op Rosh Hashana.
De gangbare opvatting over dit verhaal is, dat Avraham hier demonstreert, hoe absoluut zijn  liefde voor en vertrouwen in de Eeuwige reikt en hoe dit boven alles gaat, zelfs boven zijn liefde voor de zo laat aan Sara en hem alsnog geschonken zoon.

Even eerst een plaatsing in een meer antropologisch perspectief. Mensenoffers waren zeer gebruikelijk in het antieke Midden-Oosten, met name onder de Kanaänitische volkeren rondom Avrahams tenten en ook later was ook onder de Israeliëten in het land Kena’an voortdurend de verleiding aanwezig om kinderoffers te brengen voor de Kanaänitische afgoden zoals Moloch, een verleiding waarvoor het boek Leviticus herhaaldelijk dreigend waarschuwt (Lev. 18:21, Lev. 20), maar waar niettemin zelfs Shlomo Hamelech (koning Salomo) voor is bezweken (1 Koningen 11:7) en waartegen koning Josjhiahoe in zijn tijd paal en perk heeft gesteld (2 Koningen 23).
Die gebiedende stem, die later de afgodendienst met kinderoffers verbood had in Avrahams tijd nog niet geklonken. Het kan heel goed zijn, dat de aartsvader ondanks zijn verlichte denkbeelden te midden van deze overheersende Kanaänitische gebruiken een aandringende stem heeft gehoord, die ook hem uitdaagde dit wrede ritueel te volbrengen.  Het is veelzeggend, dat de stem die Avraham gebood zijn zoon als brandoffer (ola) te offeren wordt aangeduid als Elohim, de neutrale en strenge universele naam. Maar de God, die de vader tegenhield om met het mes op zijn zoon toe te steken wordt aangeduid als ‘Hashem’, het tetragrammaton, waarin de barmhartigheid meeklinkt. Ik zie het dan ook zo, dat het verhaal van de akedat Jitschak getuigt hoe de ware stem van de Eeuwige doorbrak en Avraham het inzicht deelachtig werd, dat het ritueel van het kinderoffer immoreel en wreed was en dat hij, bij het altaar waarop zijn zoon lag, werd vrijgesproken van dit oude Semitische gebruik.


Rabbi Michael Lerner (Lerner, p.45) stelt het zo: “Op dit moment (als hij het gebod om Jitschak te offeren hoort, RC) moet Avraham zich bezighouden met het centrale probleem van iedere religie en iedere historische manifestatie van G’d in de wereld: de moeilijkheid om de stem van De Ene te scheiden van de erfenis van pijn en wreedheid die de wereld beheerst en die ingebed zit in onze psyche. De grootheid van Avraham is niet (curs. ML) dat hij zijn zoon naar de berg Moria (….) neemt zodat hij hem kan offeren. Nee, de grootheid van Avraham is dat hij er niet mee doorgaat. ( …..)  Op het laatste moment hoort Avraham de ware stem van De Ene, de stem die zegt, ‘Strek je hand niet naar de jongen en doe hem niets’( ….)  De werkelijke G’d van het universum is niet de stem van de wreedheid die hij als kind ervaren en gehoord had; het is eerder een G’d van compassie en gerechtigheid die niet het offer van de onschuldige verlangt.” 1)

Hoe onjoods het gebod om een kind te offeren  is, daar getuigt de hele Tora van; we hebben de geboden in Leviticus zonet genoemd. Het is ondenkbaar, dat Avraham zou kunnen dienen als toonbeeld voor een goede en rechtvaardige levenswandel , als hij  - nog wel zonder enige discussie  - bereidheid zou hebben getoond het offer van zijn kind tot het einde te brengen.
Wat is dan de  boodschap, die dit verhaal ons wil brengen? Rabbi Jonathan Sacks heeft een heel originele interpretatie van de bedoeling van deze anders onbegrijpelijke opdracht van de Eeuwige aan Avraham. De Engelse rabbijn wijst op de gangbare familie opvatting in het oude Midden-Oosten - en ook vaak nog te vinden in het moderne veelal Islamitische Midden-Oosten -  dat de vader de absolute macht heeft over zijn gezin, een macht over leven en dood. In Sacks’ uitleg gaat de Tora tegen deze opvatting in en komt het geschrift op voor het principe, dat de kinderen niet het eigendom zijn van de vader. Sacks stelt (mijn vertaling, cursief van Sacks): “wat God deed toen hij Avraham vroeg zijn zoon aan te bieden was niet een verzoek om een kinderoffer, maar iets heel anders. Hij wilde dat Avraham afzag van het eigendom van zijn zoon. Hij wilde een ononderhandelbaar principe van Joodse wetgeving vestigen, dat kinderen niet het eigendom zijn van hun ouders.”  Kinderen zijn mensen op zich zelf. Deze erkenning ziet Sacks als de geboorte van de mogelijkheid van individualiteit.
Het doet sterk denken aan wat de Libanese dichter uit de vorige eeuw, Kahlil Gibran, zijn ‘profeet’ in zijn gelijknamige boek  liet zeggen: “En hij zei: Je kinderen zijn je kinderen niet. Zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf. Zij komen door je, maar zijn niet van je, en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.
Je mag hun je liefde geven, maar niet je gedachten, want zij hebben hun eigen gedachten. Je mag hun lichaam huisvesten, maar niet hun ziel, want hun ziel toeft in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.
Je mag proberen hun gelijk te worden, maar tracht niet hen aan je gelijk te maken. Want het leven gaat niet terug, noch blijft het dralen bij gisteren.”

RC nov 2014

1) Dit alles laat onverlet, dat het offer door Abraham in de mainstream orthodoxe opvatting door de eeuwen heen de Joden in de omstandigheden van vervolging en moord heeft gesteund om stand te houden in hun geloof, tot en met het ombrengen van zichzelf en hun kinderen aan toe (kiddoesh Hashem)

Geraadpleegde bronnen:

  • Gunther Plaut (ed), The Torah, a modern commentary, New York, p. 141 ev.
  • Jonathan Sacks: http://www.rabbisacks.org/binding-isaac-vayera-5775/
  • Michael Lerner, Jewish Renewal: A Path to Healing and Transformation (1994), hfst 2, Abraham and the psychodynamics of childhood
  • De profeet,  Kahlil Gibran

Parasha Lech Lecha

door Rob Cassuto

Bereshiet/Genesis 12-18
Het leven als curriculum

Avrahams beproevingen

Als de Tora het verhaal van de schepping heeft verteld en het verhaal van Noach en de zondvloed, verlaat het geschrift de sfeer van mythen en sagen. Het boek Genesis/Bereshiet  betreedt de voorgeschiedenis van het volk van Israël . Het verhaal zoomt in op een specifiek individu, dat nauwkeurig wordt gevolgd in zijn persoonlijke en spirituele ontwikkeling gedurende de vele wederwaardigheden van zijn leven, Avram, later omgenoemd tot Avraham.
Avraham staat aan een puur begin. Er waren nog geen geschriften, nog geen commentaren op geschriften en commentaren op commentaren op geschriften. Er was nog geen baaierd van wettische voorschriften of een Halacha, joodse wet. Avraham was geen wetgever als Mozes, geen profeet. Hij was niet missionair bezig en wilde niet bekeren en leverde geen strijd met de belijders van andere goden en riten om hem heen. Zijn betekenis voor later ligt vooral in een exemplarisch leven in een complexe wereld, waarin hij geslingerd werd tussen de eisen van een aards leven en de intriges van dit ondermaanse enerzijds en de opdrachten en eisen vanuit uit de transcendente wereld, zoals die zich in zijn innerlijk wilden onthullen, anderzijds. Als zodanig geeft hij tot nu generaties na hem herkenning en inspiratie.
De jonge Avram was mogelijk aanvankelijk geen uitzonderlijk hoogverheven man. De Tora geeft vooraf geen bijzonderheden over hem, zoals bij Noach, van wie wordt gezegd, dat hij een rechtschapen man was. Hij kon en kan iedereen zijn. Hij was geen uitzonderlijk hoogverheven man, totdat de roep “Lech lecha!” hem opriep dat te zijn en dat waar te maken. Zijn leven is iconisch geworden voor een leven, waarin de beproevingen, die ons onvermijdelijk toevallen, met sterk geloof en standvastige liefde, overkomen kunnen worden. Zo is hij de grootvader geworden van drie wereldreligies.
De Mishna zegt, dat het leven van Avraham getekend werd door tien beproevingen.
Met tien beproevingen werd onze vader Avraham, hem zij de vrede,  beproefd en hij doorstond ze allen, om ons te tonen hoe groot de liefde was van onze vader Avraham, hem zij de vrede” (Pirké Avot 5:3). Welke beproevingen dat waren noemt de Mishna niet.
Sommige oude wijzen zoals Rashi noemen als eerste twee beproevingen de vlucht in het ondergrondse van de jonge Avram voor koning Nimrod en de wonderbaarlijk overleefde verbranding verordend door deze legendarische koning. Deze verhalen staan niet in de Tora en behoren tot de volksverhalen van de midrash. Rambam (Mozes Maimonides) beperkt zich tot de Tora en komt tot deze tien beproevingen, waarvan de eerste zes in deze parasha voorkomen:
1) Avraham’s afscheid van zijn familie en thuisland.
2) De hongersnood die hij in Kena’an aantrof.
3) De trek naar Egypte en de ontvoering daar van Sara.
4) De oorlog met de vier koningen, die Avrams neef Lot hadden meegenomen.
5) Zijn verbintenis met Hagar als gevolg van de durende onvruchtbaarheid van Sara.
6) Het gebod tot besnijdenis.
7) Avimelech’s ontvoering van Sara.
8) De verdrijving van Hagar.
9) De verdrijving tegen zijn zin van Ishmaël.
10) De binding (akeda) van Jitschak op het altaar.

Het leven als curriculum

Dit zicht op het leven van Avraham brengt ons op de visie op het leven als een reeks beproevingen, die ons gewild, maar meestal ongewild in een uitdagende of moeilijke of zelfs heel pijnlijke situatie plaatsen, waarin desondanks de kans wordt geboden die situatie op te vatten als een gelegenheid om te leren. Het leven is een ontwikkelingsweg, waarop we telkens worden uitgedaagd om onze persoonlijkheid te verbeteren en te verfijnen in de richting van meer balans en harmonie. Want het gaat er uiteindelijk om om dichter te komen bij de diepere zin van ons bestaan, zodat onze essentie meer naar buiten kan komen en ons licht meer onbelemmerd kan stralen. Dit is ongeveer de visie van de oude deugdenleer en ontwikkelingsweg, die de Moessar (plm. ethische aanwijzing) wordt genoemd 1).  De Moessar zet de diepere essentie van ons – de ziel – centraal en ziet het licht van de ziel als versluierd door de onharmonische karaktertrekken. De onbalans in die karaktertrekken (soul traits, midot) houdt ons gevangen in een wereld van misverstand, ongeluk en egoïsme. De Moessar biedt een spiritueel pad van bewustwording en stapsgewijze individuele oefening - gebaseerd op eeuwenoude Joodse wijsheid - om de karaktertrekken te leren kennen en om te buigen naar een grotere harmonie, waardoor ze ons niet meer beheersen, maar wij een meesterschap ontwikkelen over wie we willen zijn. Zo gezien is het leven een curriculum, waarin ons voortdurend ‘lesmateriaal’ wordt voorgeschoteld. In de Moessar is een reeks van karaktertrekken expliciet benoemd en is een methodiek beschikbaar om in de praktijk van het leven aan de slag te gaan. Uiteindelijk gaat het niet om persoonlijk geluk an sich, maar om dichter bij God te komen. Voor wie dit te vroom klinkt: om dichter te komen bij de realisering van de  werkelijke zin van jouw bestaan in de complexe contingentie van deze kosmos.

Een karaktertrek, die de rabbijnen in Avraham bij uitstek zien belichaamd in het doorstaan van zijn beproevingen is ‘chesed’, in het Engels meestal vertaald als ‘loving kindness’, neerkomend op ‘welwillend, van harte en metterdaad omzien naar de ander’, het archaïsche  Nederlandse woord ‘goedertierenheid’ is wel geopperd. In het commentaar op de volgende parasha Wajera zullen we verder ingaan op een voorbeeld van chesed van Avraham.

Moessar, een Joods spiritueel pad

Zo bieden Tora en Tanach vele aanknopingspunten voor de uitwerking in en de praktijk van Moessar.
Moessar – een praxis door de eeuwen heen doorgegeven en verder ontwikkeld  en tot bloei gekomen in de negentiende eeuw – was door de het grote verlies aan leraren en hun kennis in de Tweede Wereldoorlog letterlijk bijna uitgestorven.  In de laatste twee decennia is deze traditie herontdekt. Het is de verdienste van een leraar als de Canadese Alan Morinis, dat Moessar niet alleen is herontdekt maar ook voor een groter publiek toegankelijk is gemaakt.
Zondag 26 oktober was hij aanwezig als inleider en leraar bij de eerste Moessar Kalla (seminar) in Nederland, waar ook de vertaling van zijn bekendste boek ‘Everyday Holiness’  2) werd gepresenteerd als ‘Het Heilige in het Alledaagse’ 3).  Moessar biedt een vaak gemiste en welkome verdieping van de Joodse levenspraktijk en betekent een welkome spirituele aanvulling aan de rituele en formalistische kant van het Jodendom. Wie meer wil weten leze het boek en er is ook een Nederlandse Moessar werkgroep 4), met wie je contact kan opnemen en die Moessar groepen verzorgt.

  1. Een korte inleiding in wat Moessar inhoudt is te lezen op mijn website, klik hier.
  2. Alan Morinis, Everyday Holiness, The Jewish Spiritual Path of Mussar,
    Trumpeter, Boston London, 2007
  3. Alan Morinis, Het Heilige in het Alledaagse, Mastix Press, 2014
  4. Contact Mussar Nederland henri.mussar@gmail.com
     

Nog een boek van Alan Morinis:

Alan Morinis, Climbing Jacob's LadderOne Man's Rediscovery of a Jewish Spiritual Tradition, Broadway Books, New York, 2002

Rob Cassuto, http://www.robcassuto.com


 

Parasha Noach

Bereshiet/Genesis 6:9–11:32

Het verbond van Noach

door Rob Cassuto

Korte inhoud

De parasha Noach – Genesis 6 tot 12 – vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven landt de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. 
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Shem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde. 
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooiing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. 
Tenslotte wordt gefocust op de nakomelingen van Shem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham. 

Een eerste verbond

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”. 
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach. Er is echter een belangrijke nieuwe stap genomen in de verhouding tussen de schepping en de mens daarin enerzijds en de Eeuwige. Het lijkt wel of de Schepper zijn naïviteit heeft verloren. Vanzelfsprekend - dacht Hij - zou de geschapen Adam wel het goede doen in een schepping die Hij ‘zeer goed’ had bevonden. Maar geweld en wetteloosheid gingen de boventoon voeren. Na het wegebben van de vloed bleef er een ‘sadder and wiser God’ achter. Met de heerlijke geur van Noachs dankoffer nog in de neus moest Hij niettemin concluderen over de mens: “alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht” (Ber/Gen 8:21). Ondanks dat – en misschien juist daarom -  wordt er een verbond afgekondigd, waarbij beloofd wordt dat nooit meer een nieuwe waterramp de aarde en zijn levende have zal vernietigen, Ber/Gen 9:11: “Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten”. Het schone veelkleurige teken van dat verbond is de regenboog. Onder de koepel van dat verbond zijn geeft de Eeuwige richtlijnen, bindende ethische principes, die de neiging tot destructie, geweld, kortom het kwade, dat steeds met dringende impulsen zich aandient, moeten beteugelen. Een aantal van die geboden en verboden worden afgekondigd aan Noach en zijn nageslacht, dat is dus in bijbelse termen de hele mensheid. De belangrijkste is dat moord en doodslag  niet ongestraft mag blijven:

“ 9 5Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.”
Die laatste toevoeging is belangrijk. Waar in Ber/Gen. 1 wordt vermeld, dat “God de mens (schiep) als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen” als materieel scheppingsfeit, heeft de vermelding hier - “Want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.” - een ethische lading gekregen, de andere mens als beeld van God belichaamt hier de opdracht hem niet te doden.

De Noachitische ge/verboden

De rabbijnen concludeerden uit deze en een enkele andere passage uit Genesis en Talmoed (Genesis 2:16 en 9:2 e.v., Sanhedrin 56a, Avoda Zara 64b), dat er om de regels en gerechtigheid te handhaven ook rechtbanken nodig waren. Ook een aantal andere basisvoorschriften werden uit de teksten gedestilleerd. Deze vormen tezamen de zogenaamde Noachitische geboden, die voor de hele mensheid gelden. “Onze Rabbi’s leerden: zeven voorschriften werden aan de zonen van Noach opgedragen; sociale wetten, je te onthouden van godslastering, afgodendienst, overspel, bloedvergieten, beroving en het eten van vlees van een levend dier” (Sanhedrin 56a slot).
Met het Joodse volk is er op basis van dit fundament later tijdens de jaren na de uittocht uit Egypte een bijzonder Verbond gesloten met veel en veel meer specifieke voorschriften.
De Noachitische (of Noachidische) Geboden of de Zeven Wetten van Noach, zijn dus een rabbinale constructie op grond van de Tora, die speciaal bestemd is voor niet-Joden die willen leven zoals God het bedoeld zou hebben. Men noemt dit ook wel Briet Noach, het Verbond van Noach. De Noachitische Geboden zijn als volgt iets verder te preciseren:

  • Gebod om rechtvaardigheid te betrachten, rechtbanken in te stellen en in stand te houden om de verboden te kunnen handhaven. 
  • Verbod om de Schepper te vervloeken of Zijn Naam te gebruiken of om (iets van) het geschapene te vervloeken. 
  • Verbod op afgoderij (schepselen dienen of aanbidden). 
  • Verbod om te doden. 
  • Verbod op onzedelijkheid zoals incest. 
  • Verbod om te stelen of iemand te ontvoeren. 
  • Verbod op het eten van het vlees van een nog levend dier. (op grond van Gen. 9:4)

Wie van de niet-Joodse medemensen deze ge/verboden naleeft volgens de geest van de Tora heeft evenzeer recht op ‘verlossing’ (een plaats in de ‘olam ha-ba’, de komende wereld) als de Joodse medemens; het Jodendom is hier royaler dan het Christendom.
Tegenwoordig wordt de term ‘Noachieten’ beperkt tot degenen die deze zeven geboden bewust willen naleven. Zij kunnen zich als zodanig laten erkennen door een bet din (joodse rechtbank) en worden dan een ger toshav, zoiets als proseliet.

In Nederland is er een groep die zich als Noachieten profileert en een centrum hebben in Rotterdam. In Jeruzalem is er een Noachitisch wereld centrum en in vele landen zijn er groepen en studiecentra actief.
Veel van deze initiatieven leunen aan tegen de (Lubavitcher) orthodoxie, die veel doet aan een Noachitische ‘outreach’.

RC okt 2014
 

 

 

 


Parasha We-zot ha-beracha

Dewarim/Deuteronomium 32 en 33

 

De ommekeer van Levi

door Rob Cassuto

Simchat Tora en shabbat Bereshiet

Het boek Dewariem is afgesloten en de lezing van de Tora is rond.  De gemeenten hebben zeven rondes om de bima gedanst met de Torarollen in de armen. Een nieuwe jaarronde Toralezen gaat van start. Het is Simchat Tora geweest en de chataniem Tora hebben de laatste parasha We-zot ha-beracha over de dood van Moshé gelezen en ook weer de eerste parasha Bereshiet/Genesis over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus gaat door. Maar in de geschiedenis van het volk van Israël gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier de Jordaan en onder Jehoshoea zullen zij de rivier oversteken; deze situatie is ook de inhoud van de haftara - stuk uit de bijbel dat naast het Tora-stuk wordt gelezen- die bij deze parasha We-zot ha-beracha hoort, Jehoshoea 1:1-9.

Die oversteek betekent het verlaten van mythische grond van de Tora en de oversteek naar de concrete geschiedenis. In het boek Jehoshoea begint het echte geschiedenisboek, de geschiedenis van de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en zijn vrienden en vijanden van het politieke moment.

Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar een onbekend gebied en een ongewisse toekomst heeft ook een archetypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn. Ook individueel zijn deze momenten te herkennen: grote beslissingen die een nieuwe levensfase inluiden.

In het allereerste stuk van het boek Jehoshoea (1:9) staat, dat de Altijdzijnde  Jehosjoea - en eigenlijk ons allemaal wanneer we voor grote stappen in het leven staan - gebiedt: “wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij”.

De ommekeer van Levi

De parasha We-zot ha-beracha begint met de zegeningen die Moshé over de stammen Israëls uitspreekt en besluit met een nuchtere en waardige schets van de dood van Moshé, nadat hij vanaf de berg Newo een laatste blik mocht werpen op het beloofde land.

Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegenspreuk over zich uitgesproken. Merkwaardigerwijs wordt de stam van Shim’on niet genoemd. Plaut verklaart dit vanwege het feit, dat volgens bijbelwetenschappers de teksten – overigens nogal gecorrumpeerd – stammen uit de tijd van de koningen David en Shelomo, toen de stam van Shim’on al was opgegaan in die van Juda. Dat was een tijd waarin een zekere rust en welvaart heerste, wat dan in de zegeningen weerspiegeld zou zijn. In ieder geval ademen de zegeningen die Moshé uitspreekt een heel andere sfeer dan zijn eerdere sombere voorspellingen over de afvalligheid van Israël en de navenante rampen die daar het gevolg van zouden zijn.

Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja’akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28), een tekst die wordt gepositioneerd in de tijd van de Rechters, toen de situatie in het land Kana’ans nog een stuk chaotischer was. Daar wordt Shim’on wel genoemd, samen met zijn broer Levi. Het is interessant de woorden van Ja’akov en die van Moshé naast elkaar teleggen. We lichten daarvan uit de woorden over Levi:
Moshé zegt: (Dew. 33:8 ev) Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling; U stelde hem op de proef in Massa,U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba. 9 Hij zei over zijn vader en moeder: Ik zie hen niet. Hij herkende zijn broers niet, en zijn zonen kende hij niet. Zij hielden namelijk Uw woord, en namen Uw verbond in acht. Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren en Israël Uw wet, zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar. 11 Zegen zijn vermogen, Eeuwige, en wees het werk van zijn handen goedgezind; verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan, en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan! (Die laatste zinsnede is mogelijk niet bedoeld voor Levi, maar voor een andere stam).

Maar bij Jaákov is Levi – samen in één adem genoemd met Shim’ on – nog de woeste en gewelddadige man, die geen genade kent in de ogen van zijn vader, die hen nog altijd de moord op de mannen van Shechem nahoudt en zijn afstammelingen verstrooiing onder het volk van Israël voorspelt (wat de afstammelingen van zijn broer inderdaad dus is overkomen). Over tempeldiensten wordt niet gesproken.
In de tijd, dat Ja’akovs woorden werden vastgelegd, waren de afstammelingen van Levi waarschijnlijk nog niet de officiële Levieten van de tempel. In de tijd  dat de zegenspreuken van Moshé werden geboekstaafd, waren die nakomelingen van Levi getransformeerd tot een corps van tempeldienaren en als zodanig worden ze door Moshé genoemd. Dat is de geschiedkundige belichting van de verschillen tussen de woorden van de stamvader en de grote profeet.

Homiletisch gezien  - we laten de historische bijbelwetenschap nu los - kan je spreken van een grondige ommekeer, die heeft plaatsgevonden in de stam Levi tijdens de uittocht uit Egypte. De  onbeheerste gewelddadigheid van Levi is ingedamd tot fervente loyaliteit aan hun medeleviet Moshé en aan de dienst van de Eeuwige. Immers in de woelingen rond het gouden stierkalf stonden ze aan de kant van Moshé en volvoerden de executie van de rebellen, zelfs als het familieleden, broeders, zonen,  betrof (zoals beschreven in Shemot 32: 25-30). Daar doelt Moshé op, als hij in zijn zege over de stam Levi zegt:
Hij (de Levieten dus) zei over zijn vader en moeder: Ik zie hen niet. Hij herkende zijn broers niet, en zijn zonen kende hij niet. Zij hielden namelijk Uw woord, en namen Uw verbond in acht. 
Het fanatisme, dat zelfs familieleden niet ontziet, komt mij zeer bedenkelijk voor *.  Maar na die door Moshé bevolen zuivering zijn zij toch de vreedzame kern geworden van het volk. Je zou kunnen spreken van een ‘teshoewa’, een ommekeer.  De Levi ’s zijn de kunst machtig geworden om de ongeleide energie van hun gewelddadigheid te kanaliseren in dienst van vreedzame doelen. Die kunst zou ik in deze tijden veel fanatiekelingen en extremisten toewensen.

* Ze overigens ook voor een gelijksoortige toewijding die God, i.c. Jezus stelt boven familie: Mattheus 10: 37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard

Rob Cassuto okt. 2014


 

Parasja Wajechi

Bereshiet/Genesis 47:28-50:26

'Een tsaddik onder de broeders'

door Rob Cassuto

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze parasha verhaalt over het sterfbed van Ja’akov, die nog 17 jaar in Egypte heeft geleefd, als zijn einde nadert. Hij bezweert Jozef zijn lichaam te begraven in het land Kena’an in de grot Machpela, waar zijn voorvaderen liggen. Hij zegent de twee zonen van Jozef, Efrajim en Menashe en roept zijn zonen bij elkaar. Na zijn laatste woorden tot hen sterft hij, 147 jaar oud. Een grote stoet begeleidt zijn gebalsemde lichaam naar de grot Machpela. Na de dood van hun vader zijn de broers van Jozef alsnog bang voor de wraak van Jozef, maar deze stelt hen gerust. Ze mogen in alle vrede in Egypte blijven wonen in de landstreek Goshen. De dood van Jozef, 110 jaar oud, besluit het eerste boek van de Tora, Bereshiet/Genesis. Ook zijn lichaam wordt gebalsemd. Jozef heeft nog voorspeld dat ooit het volk van Israël zal terugkeren naar het land van herkomst en hij laat beloven zijn lichaam dan mee te nemen.

De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Shemot/Exodus zal een natie geboren worden.

Terug naar het sterfbed van Jacob.
Jacob roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat in ‘latere dagen zal gebeuren’.
Voorspellingen zijn het maar ten dele. Het lijken eerder karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader zijn weerbarstige zonen voorhoudt in een stroom van in koortsdroom voortijlende beelden.

Bijbelwetenschappers kenmerken deze verzen als een zang, die gecomponeerd is in de tijd van de richteren en die een epische schets geven van de situatie van de stammen in het toenmalige Kena’an, een zang die later is ingevoegd in het verhaal van Jacob (vermeld in G. Plauts Tora uitgave).

Los van de filologie en meer in de sfeer van tekstcommentaar lopen de meningen over de intentie van Jacobs zwanenzang uiteen. Sommigen zien deze laatste woorden van Jacob in de educatieve sfeer; hij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met deze confrontatie moeten sommige zonen het doen. Shimon en Levi bijvoorbeeld krijgen het flink voor hun kiezen. Wat moeten de mannen met deze woorden:
(HSV) Shimon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.

Duidelijk klinkt hier de verbittering bij Jacob door over de wrede en gevaarlijke wraakneming van de twee broers op de bewoners van Shechem. De vader neemt afstand van de twee mannen en wil niets meer met hun plannen te maken hebben.
Inderdaad schijnt in de loop van geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kena’an de stam van Shimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda.
Dat de afstammelingen van Levi, de Levieten, zulke vrome dienaren van de ark en de tempel zouden worden is uit deze woorden niet af te leiden.

Andere commentatoren leggen het accent op de uitverkiezing van Juda als de nieuwe leider onder zijn broeders. Duidelijk komt dat tot uiting in Jacobs woorden: ‘voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen’. Nog niet lang geleden had Juda leiderschap getoond door zich als woordvoerder op te werpen voor zijn broeders met zijn indringende pleidooi tegenover de onderkoning voor het sparen van zijn jongste broer Benjamin. Jacobs woorden zouden volgens deze commentatoren dan een soort verantwoording zijn van zijn keuze voor Juda tegenover zijn andere zonen. Hij is ook de enige, die direct wordt toegesproken:
Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon, en zo verder

Naast Juda is het Jozef, over wie de meest lovende en zegenrijke woorden worden uitgestort. Ook Jozef krijgt zijn deel. Jacob erkent de beproevingen die zijn zoon doorstaan heeft:
Boogschutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –

Zo gaat verder de stortvloed van zegeningen voor Jozef, lees zelf verder in uw Tenach of bijbel.

Eigenlijk is het merkwaardig, dat Jozef niet als de leider wordt aangewezen. In de eerste plaats was hij feitelijk al de leider en de meest machtige van zijn broeders.
Maar ook Jozefs levensloop en karakterontwikkeling zouden er alle reden toe hebben kunnen geven. Van verwende arrogante jongen met vele talenten, een dromer, ontwikkelt hij zich in een grillige levensloop vol tegenslagen tot een man, die zich zelf niet meer centraal stelt, maar zich een instrument weet in dienst van een hoger doel. Een man, die door zijn broeders is verraden, tot slavernij is gebracht en in de gevangenis is terecht gekomen, maar die zich niet door wraak laat leiden, maar de stap doet naar vergevingsgezindheid. Hij redt niet alleen zijn eigen volk van de catastrofe, maar ook het volk van Egypte door transformatie van zijn visionaire gaven in vooruitziendheid en wijze strategie.

Ondanks dat voorvoelde Jacob, ergens voorbij de muren van de tijd, dat op Juda de bestemming rustte van de continuïteit van het Joodse volk. Alleen zijn stam zou uiteindelijk (met die van Benjamin) de geschiedenis overleven tot in de moderne tijden en zijn naam zou de naam worden van dat volk, het Joodse volk.

Niettemin blijft Jozef in de Joodse traditie in wijsheid en deugd boven allen uitsteken, een unieke figuur. Hij wordt een tsaddik genoemd..
Op de dag, dat ik dit schrijf wordt een andere tsaddik, die vorige week is overleden, herdacht in het stadion van Soweto in Zuid-Afrika, Nelson Mandela. Ik ontkom niet aan de parallellen tussen zijn leven en dat van Joseef ha-tsaddik.
De nagedachtenis van Nelson Mandela moge tot zegen strekken voor Zuid-Afrika en de huidige en komende generaties van de hele wereld.


Parasja Wajigash

Bereshiet/Genesis 44:18 - 47:27

'Voorzienigheid'

door Rob Cassuto

Als Jozef na de emotionele pleitrede van Juda de overtuiging heeft gekregen, dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midianieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar Jozef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn.  Niet met zoveel woorden vergeeft hij hen hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij – . En plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid.:
Genesis 45: 5 (NBV)  Maar wees niet bang en maak jezelf geen verwijten dat jullie mij verkocht hebben en dat ik hier ben terechtgekomen, want God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie leven te redden. 6 De hongersnood teistert het land nu al twee jaar, en ook de komende vijf jaar zal er niet geploegd of geoogst worden. 7 God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden.

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers wel verlaten.
In de 18e eeuw trachtten de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van het natuurlijke en morele kwaad en anderzijds de heldere wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In dat soort redeneringen werd het kwaad soms ook als een onvermijdelijke omweg gezien naar Gods uiteindelijke goede eindbestemming.
Later werden dat soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levens-ontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot.

In deze tijden wordt de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrije wil om vorm te geven aan dat leven ook sterk benadrukt, in de sfeer van het maakbaarheidsdenken.
In die zin is Jozef ook een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die talenten heeft hij uitstekend uitgebuit. De misdaad die zijn broers gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Jozef kunnen geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbeslotenheid en er het beste van maakt, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval.
Waar is dan die superviserende Voorzienigheid voor nodig?

En bovendien: een voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen, de jaloersheid en na-ijver van Jozefs broeders brengen Jozef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. De zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batshewa en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israël voort, Salomo.
David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews’: “Nogmaals, (…) overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen”

Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Jozef had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand. Dat blijkt al, als hij bij het eerste bezoek van zijn broeders, die hij weer terugzendt naar Jacob met de opdracht Benjamin mee terug te nemen, zegt: (Gen.42:18) “Doe dit, zodat u in leven blijft, want ik vrees God”. 

Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld gepercipieerd kan worden.
De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens de vrije wil heeft om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin.
De met hoe dan ook met enige religiositeit (in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven alle contingente onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar wordt of kan worden van gewenste richting, sturing, bestemming.
Wat hij kan doen is zich daarvoor openstellen en trachten te zien of te luisteren en door te dringen in wat de sturing is die hem wordt aangeboden vanuit een dimensie, waarin hij als mens slechts een klein onderdeel is.

In die termen is de kwaliteit van Jozef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere laag en voor de tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wil) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht moet bij hem ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders voor zich zag.

Een mooie passage uit de Talmoed breng ik hiermee in verband; het is een uitlegging van Spreuken 3:34: De spotters zal Híj wel bespotten, maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.
Resh Lakish vraagt zich af wat de bedoeling van deze spreuk is.
Als een mens begint te zondigen worden de deuren voor hem wijd geopend, maar als hij zich wil zuiveren wordt hij geholpen. In de school van Rabbi Ishmael leerde men: Het is als de verkoper van olie en balsem. Als de koper (gewone) olie komt kopen zegt de winkelier: hier is de maatkan, meet het zelf maar af. Maar als de koper balsem komt kopen zegt de winkelier: wacht, ik meet je balsem samen met jou af, zodat we beiden van de geur genieten.’ (Joma 39a)
Dat spreekt aan: God als de winkelier, die als je voor de foute weg kiest jou niet tegenhoudt, maar als je de goede weg kiest een handje helpt.
Voor de seculiere lezer: als je voor de foute weg kiest houdt van hoger hand niets je tegen; maar als je voor de goede weg kiest krijg je een duwtje vanuit de kosmos mee.
(overigens kwam ik ook de uitleg tegen, dat als de klant iets duurs kiest  - zoals balsem - de winkelier onder het voorwendsel dat hij wil meegenieten (om zijn wantrouwen te maskeren) er beter met zijn neus bovenop kan staan om erop toe te zien, dat hij niet benadeeld wordt; dat is de cynische uitleg, die ik niet deel, zo multi-interpretabel kan het vaak zijn…)

Afbeelding:

- Jozef herenigd met zijn vader, Nicola Karcher


Parasja Mikeets

Bereshiet/Genesis 41-44:18

'Werkelijke ommekeer'

door Rob Cassuto

De tien broeders van Jozef trekken naar Egypte om koren te kopen. Ze verschijnen voor onderkoning Jozef, die van slaaf is opgeklommen is tot heerser over Egypte. Zijn voorraadschuren, die dank zij zijn vooruitziende blik zijn gevuld, zijn in de nu aangebroken jaren van hongersnood geopend om koren te distribueren aan de hongerende bevolking. De broers herkennen hun ooit door hen als slaaf verkochte broer niet, maar andersom herkent Jozef hen wel. Hij is geschokt en weet niet zeker of de mannen die voor hem staan het wel verdienen, dat hij zich aan hen bekend maakt. Hij besluit ze duchtig aan de tand te voelen.

Van sommige kanten wordt aan Jozef wel wraakzuchtig en sadistisch gedrag tegenover zijn broers verweten, door hen aan allerlei beproevingen (zoals valse beschuldigingen) te onderwerpen en zijn vader Jacob tot het uiterste ongerust te maken.
Vele joodse commentatoren leggen uit, dat  de onderkoning van Egypte een uiterst subtiel spel speelt om te testen of zijn plotseling uit Kena’an opgedoken broers ook echt van binnenuit zijn veranderd. Alleen dan kan hij zich veilig en gelijkwaardig aan zijn zozeer gemiste familie toevertrouwen.

Jozef heeft een lastig parcours uitgezet voor zijn broers, waarlangs zij geleidelijk tot besef van schuld zouden kunnen komen en tot inkeer. Immers pas dan, als Jozef merkt dat zijn broers wezenlijk schuld kunnen voelen, kan hij zijn eventuele wraakplannen laten gaan, kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, voor de ook altijd levend gebleven liefde; en kan hij zich bekendmaken en komen tot ontmoeting en verzoening.

Want dat onderliggend liefde de motivatie vormt voor het complexe gedrag van Jozef blijkt alleen al uit de vele tranen, die hij vergiet tijdens de confrontatie met zijn familie. In de Tora wordt niet veel gehuild. In de Nieuwe Bijbelvertaling komt het zeven keer voor, waarvan het merendeel -  vier keer -  in de scènes van Jozef en zijn familie in Egypte.
Hagar huilt in de woestijn, verlaten en alleen met haar Jishmaël. (Gen. 21:16)
Ezau barstte in tranen uit, tranen van woede en onmacht, toen hij van zijn vader hoorde dat de zegen al was vergeven aan Jacob (Gen.27:38).
Jacob en Ezau  lieten hun tranen de vrije loop, toen ze elkaar na lange tijd weer ontmoetten (Gen:33: 4)
Tranen worden door Jozef vier keer vergoten;  als hij hoort, hoe na de eerste hindernissen de broers voor de eerste keer hun schuldgevoelens met elkaar bespreken (Gen.42: 24); als de broers de tweede keer bij hem komen en hij Benjamin bij hen ziet (Genesis 43,30), als hij zich aan zijn broer bekend maakt (Genesis 45,2), en als hij ten slotte zijn oude vader weer ontmoet (Gen, 46,29).
(Gelachen wordt er in de Tora niet veel. Het merendeel van het gelach wordt gedaan in de scenes rond Avraham, Sara, Jitschak en Jishmaël. En dan is het vooral uit ongeloof of uit spot. Echt gelachen uit vreugde is alleen te vinden in Gen. 21:6: “‘God maakt dat ik kan lachen,’ zei Sara, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen’”, toen Jitschak werd geboren en hij heet dan ook Jitschak, ‘hij zal lachen’of ‘hij lachte’).

Als de broers na de tweede komst bij de onderkoning op weg naar huis weer worden gesnapt op de door Jozef geënsceneerde diefstal van een bokaal, nota bene bij de jongste broer en lievelingszoon van Jacob, Benjamin, begrijpen ze, dat het hier een beproeving betreft en bekennen ze dat ze grote schuld hebben.
Jehoeda antwoordde (Gen.44:15):
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer?
Welke woorden kunnen wij spreken?
Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?’
Een mooie midrash (vermeld door Nechama Leibowitz in haar commentaar op Mikets, waaruit ik ook verder heb geput)  breidt deze drie zinnen van Jehoeda van het hier en nu uit naar een verder verleden, waarin de zonen van Jacob nu hun schuld voelen ook over vroeger begane wandaden en schoon schip maken.
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer?’ Slaat dan op de escapade van Juda met Tamar (Gen. 38)
‘Welke woorden kunnen wij spreken?’ Slaat op de incest van Ruben met de bijvrouw van zijn vader (Gen. 35: 22).
‘Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?’ verwijst naar de slachting door Shimon en Levi van de mannen van Shechem en de plundering van de stad door de andere zonen van Jacob (Gen. 34)

Het ultieme bewijs van de werkelijke tesjoewa wordt geleverd als, overeenkomstig de omschrijving van Maimonides, de berouwvolle overtreder later na zijn ommekeer in een identieke situatie belandt en de overtreding níet begaat.
Jozef heeft nu zo’n identieke situatie gecreëerd, door – nadat de ‘gestolen bokaal’ bij Benjamin was teruggevonden -  te eisen, dat de broers zouden terugkeren, maar dat de jongste broer Benjamin als slaaf in Egypte zou achterblijven. Stel, dat Jacobs zonen  hiermee zouden instemmen, dan zouden zijwederom een (half)broer – en wel een volle broer van Jozef, zijn lievelingsbroer – en wederom een zoon van Rachel in de steek laten.
Maar, dat deden ze niet; Jehoeda wierp zich in een ontroerende pleitrede, waarmee de volgende parasha ‘Wajigash’ begint, op om diens plaats als slaaf in te nemen.
Dat wordt het moment dat Jozef overtuigd is en zich aan zijn broers kan openbaren.

Dan kan het beeld van psalm 133 bewaarheid worden: Hoe goed is het, hoe heerlijk
als broeders bijeen te wonen!

over de haftara

Het is de tijd van Chanoeka en in de Haftara: Zecharjah 2:14-4:7 is het thema van Chanoeka zeer sterk aanwezig in het visioen van de gouden zevenarmige Menora. De afbeelding van dit visoen is een meditatie object geworden in de joodse spirituele praktijk, een zg "Shiviti".
De zevenarmige gouden Menora wordt omgeven door twee olijfbomen, die de hogepriester Jehoshoea en de politieke leider Zerubabel representeren. Deze twee waren betrokken bij de restauratie van de tempel in 516 BCE na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De olijfbomen voorzien de Menora van een voortgaande stroom van olie. De beschrijving van de Menora uit Zacharia wordt gelezen in de Haftara van de eerste sjabbat van het Chanoekafeest en besluit met een messiaans visioen van vrede, "Niet door macht, niet door kracht maar door mijn Geest"(Zach: 4.)

Afbeeldingen:

- Jozef maakt zich bekend aan zijn broers, Blake

- Menora uit Zacharia
 

 

 

 


Parasja Wajeshev

Bereshiet/Genesis 37-4l 

'De wegwijzer'

door Rob Cassuto

In deze en de volgende parashot Mikets, Wajigash en Wajechi volgen we Jacob en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Joseef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht, via zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader en broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, tot en met zijn dood, waarna het voorspel tot de Exodus een aanvang neemt.

Ik ga in op één van de vele kleurige en dramatische gebeurtenissen van deze geschiedenissen. Het lijkt een vrij onbelangrijk detail dat in 37: 15-18 wordt verteld:

(NBV)“15 Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16 ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,' antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?' 17 ‘Ze zijn hier niet meer,' zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.' Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.“

Uitgangspunt bij Tora-verklaring is dat er nooit iets voor niets staat.
Ook al lijkt het een onbelangrijk detail, het feit dat het is opgenomen in het verhaal houdt in dat het een betekenis of boodschap heeft.
In de hierboven opgenomen vertaling staat, dat Joseef ‘iemand tegenkwam'. Letterlijk vertaald staat er: ‘Jiemtsehoe iesh' ofwel: een man (iesh) vond hem. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een belangrijke wending teweeg brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Awraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en zoals de ‘man' met wie Jacob heeft geworsteld aan de Jabbok.

Soms wordt hij een boodschapper genoemd, een ‘mal'ach', later via het Griekse equivalent ‘angelos' vertaald als ‘engel'.
De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Shlomo Jitschaki (RASHI) verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gabriël; zie ook het boek Daniël, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een man Gabriël', waar het duidelijk gaat om een engel-achtig fenomeen (Daniël 9:21 )
Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft.

Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het hier een draaipunt betreft in de afwikkeling van het drama van Joseef en zijn broeders, ja zelfs in de geschiedenis en het lot van Israël. Joseef was verdwaald. Als hij de man niet had ontmoet had hij zijn broeders waarschijnlijk nooit gevonden. Misschien was hij wilde dieren tegengekomen, rovers, misschien was hij onverrichter zake teruggekeerd naar het kamp van zijn vader.
Hij was waarschijnlijk nooit in Egypte terecht gekomen (en als hij er onverhoopt toch terecht zou zijn gekomen had zijn geschiedenis zich daar heel anders verder ontwikkeld, was de broederschuld niet opgetreden, was Joseef nooit de redder van zijn familie geworden). Waarschijnlijk waren Jacob en zijn zeventig mensen nooit in Egypte aangeland, althans niet op de manier zoals in de Tora beschreven staat met de vestiging in het land Chosjen, de bevolkingsaanwas, de toenemende onderdrukking en tenslotte de Exodus.

toeval of sturing? 

Is het toeval dat de ‘man' op de weg van de verdwaalde Joseef kwam?
Eeuw in eeuw uit is de vraag of een essentiële schakelgebeurtenis (b.v. een ontmoeting) nu zuiver toeval is geweest of een ingreep Gods. Het is een onderwerp, dat gezellig bediscussieerd werd en wordt aan de borreltafel (of bij het nomaden kampvuur, wie weet) en door wetenschappers, theologen en filosofen, in gewichtige academische fora. Op belangrijke historische wendingspunten, maar ook in de individuele levens van onberoemde personen zijn er staaltjes van al dan niet schijnbaar toeval aan te geven.

Wie ben ik om een overzicht te geven van de stand van deze discussie, die in populair wetenschappelijke vorm een eigentijdse variant kent – waar het gaat over biologische evolutie - onder de noemer van ‘intelligent design'?

Ik wijs er hier op, dat de Tora suggereert, dat er een bovenmenselijke, zo u wil goddelijke sturing is. Een sturing, die kennelijk wil, dat Joseef zijn beproeving tegemoet gaat, dat de broeders hun dwaling aan hem begaan, zodat Joseef vanuit de diepste put via toppen en dalen naar zijn hoogste glorie kan stijgen, waardoor hij zijn familieleden vanuit hun ontberingen een veilige plaats van welvaart kan bieden, welke plaats weer wordt tot een oord van ellende, van waaruit zij uiteindelijk uit de slavenketens bevrijd optrekken naar de Sinaj, waar zij de openbaring van de Tora krijgen, waarna etcetera de geschiedenis verder rolt met een beurtelings oplichtende dan weer in duistere raadselachtigheid verzinkende finaliteit.

Misschien is onze grootste vrijheid als mens niet zozeer dat wij in opperste vrijheid kunnen kiezen dan wel dat wij de vrijheid hebben ons af te sluiten óf ons te openen voor welke boodschapper ons vanuit een grotere dimensie met zijn tekens, met zijn richtingwijzing tracht te bereiken.
Misschien is dat de kwaliteit van Joseef geweest – behalve dat hij een helder verstand had, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen – : de kwaliteit om in de nood van het moment, verdwaald in eindeloze velden, open te staan voor tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wil) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is.

Tenslotte: het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we: zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen, de jaloersheid en naijver van Joseefs broeders brengen Joseef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. In deze zelfde parasha brengt de zonde van Juda met Tamar het nageslacht voort dat zal leiden tot David ha-melech en diens zonde met Batshewa brengt Shlomo ha-melech voort.

Afbeeldingen:

- Joseef vertelt zijn droom aan zijn ouders en broers, Rembrandt

- Joseef vertelt zijn droom aan zijn ouders en broers, Tissot



 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 

Parasja Wajishlach

Bereshiet/Genesis 32:4 - 37

'Het prototype'

door Rob Cassuto


Jacob trekt zijn broer, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zendt rijke geschenken vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje en vecht met een onbekende man, die Jacob later associeert met God. Met vele (zeven) buigingen loopt hij Esau tegemoet en deze sluit hem in zijn armen en kust hem ‘en zij huilden'. Als Esau aandringt om samen op te trekken wijst Jacob dit af en ze scheiden weer. Jacob slaat zijn tenten op bij Shechem.

De prins van die stad verkracht Jacobs dochter Dina. Als de prins toch Dina wil trouwen en tot vele concessies bereid is, tot en met de besnijdenis van alle mannen van de stad, plegen de zonen van Jacob onder leiding van Shimon en Levie afschuwelijk wraak door de mannen die nog ziek waren van die besnijdenis om te brengen en de stad te plunderen. Jacob is hier zeer ongelukkig over, hij trekt verder en slaat zijn tenten op bij Beth El en pleegt offers en neemt maatregelen tegen afgoderij bij zijn zonen en personeel. Het maakt allemaal de indruk van een poging de toorn van de omwonenden en van God af te wenden. God geeft wederom een signaal aan Jacob dat hij aan zijn zijde blijft. Weer verder trekkend komen ze bij Bet Lechem, waar Rachel sterft in het kraambed. Jitschak sterft en wordt begraven door Jacob en Esau, die bij die gelegenheid kennelijk nog een keer bij elkaar zijn gekomen. De parasha besluit met een overzicht van de nakomelingen van de beide broeders.

Man-engel

We gaan nog even in op de beroemde scene van het gevecht met de ‘man-engel', die luidt in de enigszins door mij naar de meer letterlijke tekst teruggebrachte vertaling van de NBV:

Bereshiet 32: 25: “Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en een man worstelde met hem totdat de dag aanbrak. 26 Toen hij zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. 27 Toen zei hij : ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' 28 Hij vroeg: ‘Hoe luidt je naam?' ‘Jakob,' antwoordde hij. 29 Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.' 30 Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.' Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?' Toen zegende die ander hem daar. 31 Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,' zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.' 32 Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank. 33 Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.”

Vele commentatoren hebben zich gebogen over de vraag wie de ‘man' (‘iesh') in het gevecht is geweest. Een niet gering aantal identificeert de man met Esau of met de engel van Esau.
Ook de middeleeuwse bijbelgeleerde Rashi volgt die oude wijzen, die menen dat het ging om de beschermengel van Esau. Bepaalde kabbalistische bronnen associëren deze met Samaël, de engelachtige manifestatie van Satan en tevens de verleider van Eva in Gan Eden (overzicht in Wikipedia http://en.wikipedia.org/wiki/Samael ).
Interpretaties gaan dan in de richting van: het gevecht van Jacob is een gevecht met de verwerpelijke materialistische Esau-apecten in Jacob zelf (zo b.v. R. Ari Kahn van Aish.com).
Al eerder in mijn opmerkingen bij de parasha was ik niet geneigd Esau tot de verpersoonlijking van het allerverderfelijkste kwaad te zien en als voorloper van alle latere vijanden van Israël.
Zelf ga ik meer in de richting van de interpretaties van Gunther Plaut – Jacob vocht met oude schuldgevoelens over zijn bedrog - en Elie Wiesel - Jacob vocht met oude angsten en schuldgevoelens - zoals beschreven in ‘Een Tora commentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields.

Mij daaruit inspirerend kom ik tot de volgende benadering van Jacobs gevecht.
Lang is Jacob's coming out voorbereid. De begaafde dromer is steeds meer geïncarneerd in het leven van de aarde, en nu, aan het hoofd van kudden en omringd met vrouwen en kinderen, geworden tot een aanzienlijk man, staat hij voor zijn vijand en tegenhanger, de verpersoonlijking van kracht, geweld en impulsiviteit.
Voor Jacob is het moment genaderd van de sprong, de sprong naar een nieuwe levensfase.
Hij staat aan een afgrond van angst, de angst voor vernietiging door de vloedgolf van wraak en geweld van zijn broer, maar die diepe doodsangst gaat gepaard - genereert als het ware ook de angst om in een nieuwe grootheid te gaan staan – met zijn werkelijke ruimte in te nemen, zijn essentie onder ogen te zien en voluit te omhelzen.

” Onze diepste angst is niet, dat we ontoereikend zijn.
Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze duisternis, waar we het allerbangst voor zijn”,


zo begon Nelson Mandela zijn beroemde inaugurele rede als president (daarbij de woorden van Marianne Williamson citerend).

Om die sprong te kunnen wagen, moest Jacob eerst schoon schip maken, d.w.z. zijn verleden onder ogen zien, en met name het bedrog ten aanzien van zijn broer, de intense gevoelens van schuld en waardeloosheid doorwerken. Dat is een gevecht op leven en dood. Als hij dat een nacht lang gedaan heeft en de engel-man heeft overwonnen – je kan ook zeggen grondig teshoewa heeft gedaan - is hij klaar om in zijn nieuwe grootheid te stappen, bevrijd van oude ballast. Dan is hij van een ja'akow, een hielenvolger, een Godstrijder, Israël, geworden. Als hij gezegend wordt staat dat misschien wel voor de bekrachtiging van de zegen van zijn vader Jitschak, die nu pas na deze nacht van boete en overwinning geschoond is van de smet van bedrog en misleiding en nu pas werkelijk van kracht kan worden.

De nacht van Jacob is een beproeving. De paradox blijft dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem zelfs uiteindelijk kwetst aan zijn heupspier, maar zich ook in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) inleidt.
Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet doen, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de Goddelijke zegen schuil te gaan.

Ik denk dat ieder mens in zijn leven één of wel meerdere nachten kent van gevecht met de engel, met God, met je lot, misschien niet zo spectaculair en mythisch van proportie als die van Jacob, misschien wat minder heftig, hoewel wie zal dat meten…..

In Jacobs eenzame nacht aan de Jabbok is ons in ieder geval het prototype gegeven van hoe grootse krachten op beslissende momenten ons kunnen beproeven en ons een nieuwe levensfase kunnen induwen met een aanvankelijk onbegrepen duistere kracht die geleidelijk aan een zegen blijkt te zijn. 


 

Parasja Wajetsé

Bereshiet/Genesis 28:10 – 32:4

'Verlangen naar ontmoeting met God'

door Rob Cassuto

In dit bijbelstuk het verhaal van Jacobs tocht naar en verblijf in het land Charan, bij zijn oom Lawan.
Hij huwt diens dochters Le'ah en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen.

Het is een rijk verhaal met vele geledingen en ook vele thema's.
In de eerste plaats is er het thema van de bewustwording en rijping van de jongeman tot volwassen man die zijn bestemming weet.
Dan is er het thema van list, bedrog en misleiding en hoe dat een rol speelt in het leven van gemeenschap en familie.
En last but not least het prachtige thema van Jacobs huwelijk, de verstandhouding met de vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Le'ah.
Al deze drie thema's lokken tot diepere beschouwingen, maar ik zal me nu beperken tot het thema van de bewustwording van Jacob over het bestaan van de Goddelijke dimensie, zijn kennismaking met de God van zijn vaderen.
Bereshiet 28:10 en verder bevat het begin van de reis en de beroemde droom over de ladder naar de hemel: ‘Ja'akow verliet dus Be'ersjewa en ging op weg naar Charan.
11 Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. 12 Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen. 13 En zie daar stond Hashem boven hem, die zei: "Ik ben de Hashem, de God van je vader Awraham en de God van Jitschak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."'

Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest krijg ik hier de indruk van de inwijding van een jongeman, een openbaring, die eerst nu pas de jonge Jacob op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming.

De ladder van Jacob heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en zeer mystieke.

Rashi viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer.
Nechama Leibowitz haalt een duiding van Sforno aan die zich baseert op een oude midrasj: de engelen symboliseren de oude rijken, die rijzen tot glorie (stijgen op de ladder), maar zie, ze vallen vroeger of later weer terug; het gaat om een beeld van de historie, dat zich in de droom onthult aan Jacob in zijn hoedanigheid van Israël.

Mij spreekt dit het meeste aan: om de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd) en in de tweede plaats, in een meer transcendente laag, als zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie.
De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie). Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie.
Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van Elohiem' , het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond Hashem boven hem, die zei: ‘Ik ben de Hashem, de God van je vader Awraham en de God van Jitschak'

Het tetragrammaton wordt nu opeens gebruikt, hier weergegeven als ‘Hashem', het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël.
Hier maakt Jacob op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid..

De ladder is het diepste verlangen naar ontmoeting met God, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond Hashem boven hem' (‘we-hiné Hashem nitsav alav' volgens mij zowel in de NBV als in Dasberg minder goed vertaald): in welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie.
In de kabbalistische visie - voorzover ik die begrijp - wordt de ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jacob geplaatst wordt gezien als midden tussen Awraham, de rechterstijl, die ‘Chesed' - stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak, de linkerstijl, die ‘Gewoera' - begrenzing, oordeel, vrees - belichaamt.
In de droom maakt de Eeuwige, als het ware in een soort mystieke dialectiek, Jacob tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gewoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret - schoonheid, ziel, essentie -  in de middenzuil. Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet - de wereld waar het goddelijke inwoont, de Sjechina - , vanwaaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt.

De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarbij de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs tree voor tree ons verlangen, ons gebed en onze daden omhoog te sturen.
Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zware putdeksel oplichten (die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen), later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en in moeilijke omstandigheden een enorm vermogen verzamelen, om toch dan de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie.

Afbeeldingen:

- Ferdinand Bol

- Marc Chagall


Parasja Toldot

Bereshiet Genesis 25:19-28:9

'Rivka: de draagster van inzicht'

door Rob Cassuto

In de parasha Toldot (Bereshiet/ Genesis 25:19-28:9) begint het verhaal van de twee zonen van Jitschak en Rivka: Jacob (Ja'akov) en Esau (Esav). Jacob zal de nobele stamvader van Israël worden en Esau zal voortleven als de verpersoonlijking van het kwade. 

Als we ons beperken tot de zuivere tekst, zoals het opgetekend staat in de Tora dan komt een vrij genuanceerd verhaal ons tegemoet over twee zeer verschillende broers, die aanvankelijk elkaar bestreden, elkaar belaagden, maar die zich dan verzoenden en ieder hun eigen weg gingen. 

Naar de woorden van deze parasha is Esau – ‘de harige' - een kundig jager en een man van het veld. 
Hij was de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag de producten van zijn jagende zoon at. 
Jacob - ‘die op de hielen zit' - was een ‘iesj tam', een simpele, eenvoudige man, die liever bij de tent zat; hij was de oogappel van zijn moeder Rivka. 
Esau was een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzensoep opeist en daarvoor nonchalant zijn eerstgeboorterecht inruilt. 
Al was Jacob eenvoudig, ambitieus en slim was hij ook, als hij, Esau blijkbaar goed kennende, de impulsiviteit van zijn broer uitbuit en hem dat eerstgeboorterecht afhandig maakt . 
Esau komt ons later weer tegemoet als hij veertig is en twee Hittitische vrouwen huwt; de twee vrouwen waren een ‘verdriet' (morat roeach) voor hun schoonouders. Twee mogelijkheden: ze waren een verdriet vanwege hun karakter, maar waarschijnlijker is, dat het verdriet veroorzaakt werd, omdat Esau zijn vrouwen had gezocht in de onmiddellijke omgeving en niet bij de oorspronkelijke stam. 
Dan krijgen we het beroemde verhaal, hoe Jacob zijn blinde vader misleidde, door zich voor te doen als Esau en zo de vaderzegen, die de oude Jitschak voor zijn favoriete zoon had gereserveerd, binnen te halen. Om de woede van zijn broer te ontlopen (en ook om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Jacob naar zijn oom Lawan. 

Een gezinspsycholoog zou hier waarschijnlijk spreken van een gespleten familie. Vader en moeder hebben ieder hun eigen voorkeur en dragen ieder bij om de disharmonie tussen hun beide zonen te versterken. 
Vanuit het oogpunt van verhaal, intrige en toneel- of filmscenario is het verhaal van de broers vol spannend conflict en ligt het drama voor het grijpen. Esau is dan een onmisbaar en noodzakelijk ingrediënt van het drama.
Zoveel is er niet mis met hem. Goed, hij is een onstuimige vent, een wildeman, maar ook een goed jager en waarschijnlijk een goede krijgsman (die naar de latere vaderzegen zal leven van het zwaard). Hij is een lastige klant, die naar het idee van zijn ouders de verkeerde vrouwen kiest, maar dat later tracht goed te maken door een kleindochter van Awraham te trouwen. Hij leeft in het moment, een gepassioneerd man. Misschien zou hij nu een stervoetballer zijn, kundig, toegewijd, populair, een paar jaar geliefd, en later vergeten. 
Jacob is zijn tegenhanger, een rustige man, slim, een vent die vooruitkijkt, wiens ambitie verder reikt dan het moment van nu, een strateeg, die vooruit plant. 

Maar Esau zou het toonbeeld worden van het kwade, van de man die voor het slechte pad kiest. 

Zijn andere naam Edom – de rode – zou het label worden van alle kwade machten die het op Israël voorzien hadden. Het volk Amalek, afstammend van Esau, Haman de afstammeling van Agag, ook een Edomiet, dan de Romeinen en zelfs Hitler werden door velen gezien in het teken van Esau. 
Vele commentaren en midrasjiem belichten duistere kanten van Esau en schilderen hem af als een onverschillige, liefdeloze, moordlustige man.(Zie ook het verhaal van R. Ari Kahn op de site van Aish.com, waaraan ik veel ontleend heb). 

Een voorteken is reeds het rode haar waarin de baby Esau was gehuld, dat als symbool gold van het te vergieten bloed. 
Het kan heel goed, dat Awraham Esau nog heeft meegemaakt. Awraham was 100 toen Jitschak geboren werd, 140 toen Jitschak huwde en waarschijnlijk een paar jaar later vader werd. Laten Jacob en Esau ongeveer twintig of vijfentwintig zijn geweest, toen Esau van de jacht terug kwam en de rode soep eiste.
De legende wil dat tot dan Esau omwille van zijn grootvader zich inhield. Maar op die dag stierf Awraham, 175 jaar oud en bij Esau braken de duistere krachten los. 

Sterker nog, de legende luidt, dat op die dag Esau ook Nimrod had verslagen, de koning die Awraham al had vervolgd en die, nog steeds rebellerend (‘marad'= rebelleren) tegen diens nageslacht en tegen die Ene G-d, uit was op Esau, waarbij het tussen hen ook nog zou gaan om het kleed van Adam, dat macht gaf over de wereld en de natuur. 
”The first challenge of Esau's life -- the death of his beloved grandfather -- proved too great a test. Esau came away from that experience mean-spirited, a misanthrope dedicated to spreading his disease to all who crossed his path”, dramatiseert R. Ari Kahn. 

Mooie verhalen, die op zich al weer roepen om duiding. Duidelijk is dat veel bijbelcommentaar en midrasj uit zijn op het construeren van rolmodellen, heilige voorbeelden van het goede – vaak gevonden in Awraham, Jitschak en Jacob, Mosjé, David etc. – maar daarmee zijn ook antithetische modellen ontstaan van slechtheid en kwaad. Ik zou bijna zeggen, die ‘arme' Esau is voorwerp geworden van het laatste, terwijl hij toch eigenlijk niet meer is dan de ‘gewone man' met zijn passies, hebbelijkheden, gewoontes, ja misschien de vijand van het ene moment en de vriendelijke buurtgenoot van het volgende moment. 
De bijzondere figuur is Jacob, die ook niet zonder vlekken is, ook een mens met menselijke eigenschappen, maar een mens met een bijzondere gave en met een missie.

Zeiden we eerst, dat de familie Jitschak een gespleten familie was met een zware gezinsproblematiek, een broken home bijna, als we de familiegeschiedenis meer in spiritueel perspectief zien, dan gaat het meer over het drama van de voortzetting van Awrahams erfenis. 

Het draait om de figuur van Rivka. Alles wijst erop, dat moeder Rivka tot Jacobs vertrek naar Lawan de regie over het leven van haar oogappel heeft gehad.
In de gezinspsychologie is zij de eenzijdige moeder met haar voortrekken van Jacob, in de spirituele geschiedenis is zij degene, die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen.

Ze moet in de jonge Jacob de kwaliteiten hebben gezien die hem waardig maakten om de erfenis van Awraham op zich te nemen. 
In de woestheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esau lag ook tegelijk een onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee is Esau geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij is eenvoudig alleen maar ongeschikt.
Hij is zoals u of ik, als we niet boven de begeerten van het moment uit kunnen kijken, en dat doen we meestal niet. 

Rivka voelde zich instrument om deze herschikking van de opvolging van Awraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Jacob en genoot van de wilde kracht van Esau en zijn gebraden wild, Esau in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende. 


Parasja Chajé Sarah

Bereshiet Genesis 23 - 25:12

'Het leven van Sarah'

door Rob Cassuto

Het hoofdstuk Chajé Sarah , ‘het leven van Sarah', gaat helemaal niet over het leven van Sarah, maar over haar dood en begrafenis. Natuurlijk stamt de titel van de gewoonte een hoofdstuk te noemen naar de beginwoorden. Maar we kunnen er toch wel een betekenis aan hechten: het hoofdstuk gaat over continuïteit. Van Awraham en Sarah gaat de estafettestok van Israëls bijzondere geschiedenis over naar Jitschak en Rivka.

Sarah sterft en Awraham koopt een graf. Uitgebreid worden de onderhandelingen weergegeven, met hoofse plichtplegingen wordt de koop gesloten, met omzichtige beleefdheden die in ons nuchtere Nederland al lang in onbruik zijn geraakt, maar in het Midden-Oosten op veel plaatsen nog wel in zwang zijn, denk ik. Bijvoorbeeld het veinzen dat het een gift betreft, terwijl intussen wél een koopprijs wordt gesuggereerd.
Het lijkt wel of in dit stukje het standaardvoorbeeld voor de etiquette van goede onderhandelingen wordt beschreven.
Sarah wordt bijgezet in de spelonk op het veld Machpela.

Dan komt dat prachtige verhaal van hoe Awrahams vertrouweling de opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe de knecht deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.
Het valt op hoe in dit hoofdstuk de reis van de Knecht en zijn ontmoeting met Rivka aan de waterput en zijn aankomst in het huis van haar familie, met name van haar broer Lawan, tweemaal wordt verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Lawan. Twee parallelverhalen, grotendeels gelijkluidend maar in saillante details toch verschillend. Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt.

De verschillen in de twee versies zijn door vele commentatoren door de eeuwen geïnventariseerd en geduid.
Een leuk voorbeeld dat ik vond: in 24:3 laat Awraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de G-d van de hemel en de G-d van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed (24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Awrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kende, maar een eigen godendienst had; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Awraham te gaan om een vrouw te zoeken. Awraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' (24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland. Zo zijn er meer voorbeelden.

Hij voert Rivka mee terug.
Van Rivka krijgen we het beeld van een in alle opzichten prachtige vrouw.
Ze is mooi (24: 16), gedienstig en behulpzaam, als ze niet alleen de knecht te drinken geeft maar ook aanbiedt de kamelen te drenken (24:19), daarmee het voorteken vervullend van voorbestemming tot Jitschak's bruid; bovendien heeft ze kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.
Jitschak zal dan ook meer dan voldaan zijn geweest: Jitschak ‘bracht haar naar de tent van Sarah, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sarah' (24:67).

Awraham maakt nog een late bloei door. Hij verwekt bij een bijvrouw Ketoera (de legende ziet er een teruggekeerde en gelouterde Hagar in) nog zes kinderen, die hij wegzendt en waarvan we weinig meer horen. Dan ontslaapt hij in hoge maar goede ouderdom en heeft Jitschak het rijk alleen.
Hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen en Rivka de plaats van Sarah.
Continuïteit...

afbeeldingen:

- Rebecca bij de put; Giovanni Pellegrini

- Rebecca bij de put; Nicolas Poussin

 

Parasja Wajera

Bereshiet Genesis 18 - 23

Over gastvrijheid en engelen 

door Rob Cassuto

Onze parasja van deze week begint met ‘wajera' - Hij verscheen - . De Eeuwige verscheen aan Avraham.
Dat verschijnen wordt beschreven onmiddellijk na het verslag van de besnijdenis (eind van de vorige parasja). In de joodse verhalende uitlegkunde (de midrasj) worden gebeurtenissen, die vlak na elkaar plaatsvinden heel vaak causaal met elkaar in verband gebracht (post hoc propter hoc). Daarom zien rabbijnse commentatoren als Rasji de oude Awraham voor zijn tent nog bijkomen van deze ingreep. Hij is nog herstellende en heeft veel pijn.
Bovendien is het brandend heet op die dag. ‘De Eeuwige verscheen hem …' wordt dan mede gezien als een soort archetypisch ziekenbezoek van de Eeuwige aan Awraham, een bezoek, dat een voorbeeld zet voor de mens om dat na te volgen. Wie een zieke bezoekt verlicht diens aandoening met een zestigste", zegt de Talmoed (Nedarim).
Ziekenbezoek is volgens diezelfde Talmoed (Sjabbat 127a) een van de zes zaken waarvan je nog in dit leven beloning krijgt of laten we zeggen de positieve gevolgen mag ervaren. Nu wilt u natuurlijk ook de andere weten? Dat zijn: meditatie in gebed, vroege aanwezigheid in sjoel (!), je kinderen opvoeden met Torastudie en met een positieve houding oordelen over je naaste en tenslotte gastvrijheid voor reizigers. En daarvan krijgen we meteen in het begin van deze parasha ook een voorbeeld, gegeven door Avraham.

De Tora vertelt over drie mannen, die voor Avraham opdoemen. Avraham ziet de mannen als voorbij reizende vreemdelingen. De midrasj veronderstelt zelfs, dat Avraham denkt dat de reizigers rondtrekkende Arabische Bedoeïenen zijn. Zoals gezegd heeft Awraham nog veel pijn. Maar dat verhinderde hem niet op te springen en de uiterste gastvrijheid te betonen aan de passerende vreemdelingen, hij biedt een plaatsje in de schaduw aan, roept Sarah op koeken te bakken en kiest een uitgelezen kalfje uit en laat dit klaarmaken.
De toewijding waarmee hij dat doet blijkt uit de woorden spoeden, vlug, rende, ‘wajarats', ‘jemaher', ‘mahari', ‘rats'. Zo is Awraham voor de latere generaties het durend toonbeeld van toewijding (‘zerizoet' een mida van de Moessar) en van gastvrijheid. Hoe hoog gastvrijheid wordt geschat in de joodse traditie blijkt uit de interpretatie, dat Avraham zelfs De Eeuwige gevraagd heeft om eventjes te wachten, zodat hij de vreemdelingen kon bedienen. De conclusie van Rav Juda (in Rav's naam in Talmoed Sjabbat 127a) is: gastvrijheid naar reizigers is groter dan het verwelkomen van de Sjechina, want er staat ‘Mijn heer, als ik gunst in uw ogen heb gevonden, ga niet weg’ etc. (‘Adonai' in 18: 3 wordt dan dus niet gezien als ‘mijne heren', maar als aanspraak van De Eeuwige.)

Een gastvrije verwelkomende houding spreekt uit Avrahams benadering en roept ons op dat ter harte te nemen. Het zit in de joodse genen om gastvrij te zijn, maar begrijpelijk genoeg hebben traumatische ervaringen van vervolging en onderdrukking die genen vaak onderdrukt en een gereserveerde en soms ronduit afwerende houding naar vreemden gestimuleerd. Deze passages roepen ons weer op die houding te doorbreken en de vreemdeling, de nieuweling, de ander, de ‘watandersdenkende' welkom te heten. Neem weer een risico, groet wie voorbijkomt, reik een hand uit naar de nieuweling, uit een vriendelijk woord ook naar de onbekende die je tegenkomt.

Nog een andere betekenis ligt in deze passage verpakt.
Er komen drie mannen op bezoek; wie zijn dat?, is het een fata morgana?, is het een visioen?, zoals Maimonides veronderstelt, zijn het echte mannen?, zijn het engelen?

Zelf denk ik vaak in termen van een manifeste wereld, de materiële, evidente voor de hand liggende realiteit aan de ene kant en daarnaast of daaronder of daarboven een onmanifeste wereld, een diepere structuur, die af en toe oplicht en ons iets onthult van een essentiële waarheid, een verbazend inzicht, een dringend advies. De Tora kleedt dit fenomeen in in de mythische taal van de mysterieuze ‘man', ‘iesj’, die ook wel boodschapper wordt genoemd, ‘mal'ach’, angelos, engel. Hij kwam Hagar te hulp in de woestijn, hij confronteerde Jacob met zijn donkere kant, hij kwam Jozef tegen en wees hem de weg van zijn lot. Wij moderne rationele, nuchtere mensen, voor ons is het veel gevraagd in engelen te geloven. Hoeft ook niet. Als ik het nu zo zeg: Misschien is het eenvoudiger om de drie vreemdelingen te zien als een interventie vanuit die onmanifeste wereld, een boven ons beperkte begrip uitgaande sturing in deze materiële wereld. Op die manier begrepen kunnen we nog steeds engelen ontmoet hebben en nog steeds ontmoeten. Niet vaak, in onze moderne tijd maar een enkele keer. Je moet wel heel goed luisteren of rondkijken en soms ontmoet je misschien iets van een boodschap van levensbelang, gekleed in de beelden van een droom, of de woorden of de daden van een vriend, een medemens, misschien een volstrekte vreemdeling.


Ik ben benieuwd of u wel eens een engel heeft ontmoet. 

 

Parashat Lech Lecha

Bereshiet Genesis 12-18

door Rob Cassuto

Ga weg uit je land 

“Cuando el rey Nimrod al campo salía”, toen koning Nimrod naar buiten trok – zo begint een liedje in het Ladino, het ‘joodse Spaans' – zag hij in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en als een Herodes avant la lettre gebood hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden. Daarom bracht Awrahams moeder haar kind in het geheim ter wereld, in een grot. De baby kon meteen al spreken en zond zijn moeder weg, want een engel zou hem verder beschermen: “malak del cielo me acompañara”. Twintig dagen later trof de moeder bij de grot een jongeman “die naar de hemel keek en diep nadacht om de ware God te leren kennen”, “para conocer el Dió de la verdad”, het was haar in twintig dagen volwassen geworden zoon Awraham. 
In het liedje wordt een van de vele legenden verteld over Awraham. 
Al die verhalen portretteren een jongeman die diep nadenkt over de afgodendienst om hem heen en deze verwerpt ten gunste van die ene schepper. 

Zijn vader Terach zou zelfs winkelier zijn geweest en hebben gehandeld in afgodsbeeldjes. 
Toen Awraham een keer op de winkel moest passen heeft hij ze stukgeslagen met een stok, die hij daarna plaatste in de hand van het grootste afgodsbeeld. 
Toen Terach terugkwam vroeg deze geschrokken:
- wat heb je gedaan? 
- ach, een vrouw kwam koeken als offerande brengen en de beeldjes kregen ruzie over wie het eerst mocht eten en het grootste beeld heeft toen de andere stukgeslagen. 
- neem me niet in de maling, die beelden weten toch niets!
- horen je oren wat je mond zegt? zei de jongen Awraham toen.
Een ander verhaal voert koning Nimrod weer op, de koning die in de legende als tijdgenoot van Awraham wordt geplaatst en als fanatieke beschermer van de afgodendienst wordt beschreven. 
In een discussie met Awraham spot de laatste met de afgoden van Nimrod en houdt hij vast aan zijn nieuwe inzichten in de ene onzichtbare schepper. Nimrod gooit hem in het vuur, maar Awraham komt er ongedeerd uit.
Het zijn allemaal mooie verhalen, zonder twijfel gegroeid uit de behoefte om de uitverkiezing van Awraham te verklaren en te voorzien van een passende heroïsche voorgeschiedenis. 
Want in de Tora zelf staat er niets over Awraham en zijn persoonlijke verdiensten, als de woorden klinken, die de intrede vormen van het Joodse volk in de geschiedenis: “Lech lecha, ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal wijzen.” 
Van Noach wordt gezegd, als hij wordt gespaard van de ondergang, dat hij een rechtschapen man was, onberispelijk onder zijn tijdgenoten. En ook de kwaliteiten van Moshé komen in de Tora al naar voren, alvorens hij wordt geroepen tot zijn nieuwe taak als leider naar de bevrijding. 
Maar Awraham wordt plotseling, zonder verklaring, geïntroduceerd: Lech lecha, ga weg uit je land.

Nu was zijn vader Terach al eerder uit zijn vertrouwde omgeving vertrokken, uit Oer-Kasdiem (in de christenbijbel: Ur der Chaldeeën), met de bedoeling naar het land Kena'an te gaan (Bereshiet 11, 31). Maar hij kwam tot Charan en bleef daar. Het lijkt erop, dat Awraham het idee van zijn vader weer opneemt en afmaakt.

Wat speelde er in de familie, welk verlangen deed hen trekken? De boven verhaalde Joodse vertellingen, midrashiem genoemd, reflecteren misschien wel een onderliggende geschiedbeweging: de familie van Awraham, te beginnen bij zijn vader, voelde zich niet thuis in de religieuze en rituele wereld van de toenmalige Mesopotamische beschaving, een wereld waarin het gevaarlijk was je niet te conformeren aan de door de koning als opperste priester belichaamde riten en het maar al te raadzaam was de geldende godenwereld te belijden. 
Een zucht, naar nieuwe verten van vrijheid en helderheid deed al Terach besluiten te emigreren. Wellicht was er zelfs sprake van vervolging vanwege het geloof.
Bij zijn zoon Awraham brak de divine inspiratie, het werkelijk nieuwe inzicht in de eenheid van het scheppend principe in al zijn volheid door. Een misschien van tijd tot tijd wel angstig inzicht, maar een inzicht van zo'n nieuwheid en een ervaring van zo'n geweldige ruimtelijkheid, dat het individu dat dat inzicht durfde omhelzen en die nieuwe ruimte durfde betreden een naam heeft gekregen in de geschiedenis: Awraham. 
Spiritueel gezien was die eerste etappe uit Charan richting Kena'an ‘a giant leap for humanity'. 

En eigenlijk echoot die roep van ‘Lech lecha' sindsdien door alle eeuwen tot hen die een belangrijke beslissing moeten nemen, tot hen die voor onbekend terrein in hun leven staan en dat nieuwe gebied moeten binnentrekken. Het gold en geldt zeker voor het Joodse volk dat zo vaak steeds opnieuw letterlijk weer verder moest trekken.
Maar het geldt ook daarbuiten, voor ieder die voor de grens van een volstrekt nieuw levensgebied is komen te staan en moet beslissen.

Dan is het goed om scherp te luisteren en te horen of er een stem zegt: Lech lecha. Ga! 
Misschien is daarom tevoren niets over Awraham meegedeeld in de Tora. 
Awraham was geen uitzonderlijke hoogverheven man. Hij kon en kan iedereen zijn. 
Hij was geen uitzonderlijke hoogverheven man, totdat de roep “Lech lecha!” hem dat opriep te zijn en dat waar te maken. 

Een voorbeeldje van bijbeluitleg (naar 
R. Simon Jacobson) 
In de joodse opvatting zijn formuleringen in de Tora nooit voor niets zó gesteld, ieder woord heeft een boodschap. Uit deze parasha (Bijbelhoofdstuk, Parashat Lech lecha, Bereshiet/Genesis 12-18)) geven we een voorbeeld. 

Door de opdracht aan Awraham, "Verlaat je land, je geboorteplaats, het huis van je ouders, en ga naar het land dat Ik zal je laten zien," gaf God ons, zijn nakomelingen, aan dat we drie vormen van subjectiviteit moeten achterlaten, als we de reis van zelf-ontdekking aanvaarden: 

"Uw land" vertegenwoordigt het eerste niveau van de subjectiviteit - de invloed van de maatschappij en gemeenschap, en de druk van onze vrienden en bekenden, die ons diep en intens beïnvloeden. We willen allemaal aardig gevonden worden en geaccepteerd worden door anderen, en we passen ons gedrag dienovereenkomstig aan. 

Het "huis van je ouders" staat voor het tweede niveau van de subjectiviteit – de invloed van de ouders, die zo subtiel is dat we die vaak niet eens herkennen. Vaak beseffen we niet hoe diep de houding en opvattingen van onze ouders onze eigen houding en gedrag doordringen, ten goede en ten kwade. 

"Uw geboorteplaats" staat voor het derde niveau van de subjectiviteit, de ingeboren zelf-liefde. Ieder mens is verblind door zijn of haar zelfzuchtige belangen, niemand is daar immuun voor. 

zie ook het korte essay over Avraham elders


 

Parashat Noach

 

 

Bereshiet Genesis 11,1-9

door Rob Cassuto

De toren van Babel 

De toren van Babel hfst 11 (HSV) 
1 Heel de aarde had één taal en eendere woorden. 
2 En het gebeurde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen. 
3 En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 
4 En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid! 
5 Toen daalde de Eeuwige neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren, 
6 en de Eeuwige zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn. 
7 Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen. 
8 Zo verspreidde de Eeuwige hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad. 
9 Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de Eeuwige de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de Eeuwige hen over heel de aarde. 


Een van de bekendste verhalen uit de bijbel is geschiedenis van de Toren van Babel. 
In de Joodse traditie is het meer bekend als het verhaal van de ‘generatie van de verstrooiing/verspreiding'. 
Na de zondvloed is een nieuwe generatie neergestreken in de vlakte van Shin'ar – de vlakte rond Babel, neemt men aan – en de mensen, nog één van taal, besluiten een grote stad te bouwen met een hoge toren, dit alles om als één grote gemeenschap bij elkaar te blijven. De Eeuwige is niet gelukkig met de ambities van zijn schepselen en besluit de eenheid van taal te doorbreken, waarna de bouw van de stad niet meer kan doorgaan en de mensen zich verspreiden over de hele aarde. 

Gangbaar is de uitleg van dit verhaal als een goddeloze opstand van de overmoedige mensen tegen de Almachtige. Aldus ook de gezaghebbende middeleeuwse commentator Rashi. 

Hij vat ‘een taal en eendere woorden’ in die zin op, dat de mensen het eens waren geworden: “God heeft het recht niet om voor zich de hemel te kiezen; laat ons opklimmen naar het uitspansel om met Hem oorlog te voeren”, hebben ze tegen elkaar gezegd. En zo bouwden ze een toren en zetten er een afgodsbeeld op met een zwaard in de hand om zo de oorlog tegen de Eeuwige te verbeelden, aldus de midrash. 
Dat was wel gortig en deze midrash uit het begin van de jaartelling vroeg zich dan ook af: Als de mensen van de zondvloed wegens hun slechtheid werden vernietigd en verzwolgen in de vloed, waarom werd de generatie van de torenbouwers dan gespaard?
Er was een principieel verschil, vonden de verklaarders: de generatie van de zondvloed, dat waren mensen, die elkaar bedrogen, elkaar oplichtten en elkaar beroofden, terwijl de goddeloze torenbouwers in vrede en liefde met elkaar leefden en samenwerkten. 
Rabbi (de samensteller van de Mishna) zei dan ook: “Groot is de vrede, want zelfs als Israel aan afgoderij doet, maar in vrede met elkaar leeft, zegt de Heilige, Hij zij gezegend, als het ware, ik heb geen zeggenschap over jullie”. (Gen. Rabba, 38, 6-7). 

Volgens de moderne bijbelwetenschapper Umberto Cassuto (1883-1951, U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Jerusalem, The Magness Press, p. 225 ev ) ligt de wezenlijke betekenis van het verhaal niet in de verklaring van het ontstaan van de verschillende talen of het bouwen van de toren als opstand tegen de Eeuwige. 

Als bijbelhistoricus situeert hij de oorsprong van het verhaal in het midden van de zestiende eeuw voor de gewone jaartelling, in de tijd dat in de stad Babel de tempel van Mardoek, een ontzagwekkend bouwsel met een immens hoge toren (ziggurat), was verrezen en vervolgens verwoest; de ruines ervan waren nog steeds als imponerende resten te zien (en zijn tegenwoordig door archeologen weer opgespoord). 
Het gebouw was opgetrokken met gebakken stenen, een revolutionaire vondst in die tijd gedaan. De mogelijkheden van techniek zijn onbegrensd, zo zullen de bouwers hebben gejuicht. 

Umberto Cassuto vermoedt, dat de Israelieten uit die periode of de eeuwen daarna bekend waren met de ‘wereldstad' van Babylon en zijn wolkenkrabber en dat ze zich hadden verbaasd over de hoogmoed en de verwaandheid van zijn bewoners. De bijbelwetenschapper meent, dat het verhaal uit de parasha Noach verwant is met of teruggaat op een dichtstuk, dat destijds met een welhaast satyrisch karakter is geschreven over de verwoesting van de stad en de ziggurat door de Hittieten en de neergang van de zich welhaast God wanende stervelingen. 

Als bijbeluitlegger, die Cassuto tegelijk ook is, ziet hij vooral twee bedoelingen, die dit verhaal over de gelijksprakige stad- en torenbouwers wil meegeven. 

De eerste is de boodschap, dat hoogmoed in verband met de eigen technische vermogens en louter vertrouwen op de eigen materiële macht de verkeerde weg is, ‘een zonde in de ogen van de Eeuwige'. De glinsterende torens van Qatar en Sjang Hai tot en met Londen en New York reizen aan mijn oog voorbij, evenals de poenige hoofdkantoren van Banken en Concerns. Maak uw eigen beelden over de illusies van de maakbaarheid...

De tweede boodschap gaat er vanuit dat de Eeuwige een plan heeft met de mensheid, dat zich ondanks alle strevingen in andere richting, wil doorzetten. 
Je zou in wat meer seculiere termen kunnen zeggen, dat in de evolutie, biologisch, antropologisch, sociaal, spiritueel, een drijfkracht is ingebouwd, die ondanks schijnbare afwijkingen zich onvermijdelijk in een bepaalde richting ontrolt. Zoals een rivier via allerlei kronkels en hoogteverschillen onvermijdelijk naar zee stroomt. Als optimist of gelovige zeg je: een richting uiteindelijk ten goede. 

In termen van dit verhaal was het Gods plan, dat de mensheid zich na de zondvloed weer zou verspreiden over de hele aarde. Aldus was ook de nakomelingen van Noach geboden: peroe oereboe, wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde. 
De mensen van na Noach hadden hun eigen plan. Ze wilden juist graag bij elkaar blijven en zich veilig verschansen in een grote stad; ze verzetten zich tegen het grotere plan - Gods bedoeling of de essentiële bestemming - om uit elkaar te gaan en de aarde weer te bevolken. 
De verstrooiing is als het ware ‘een zet van de Schepper' aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen. 
En de daardoor ontstane verscheidenheid in plaats en taal betekent diversiteit, die op langere termijn een bron van veelkleurigheid en creativiteit tot gevolg zal hebben. 

Een utopische noot zou zijn, dat, nog in onze dagen, over deze diversiteit, veelkleurigheid en creativiteit – die zo vaak ontaard is in haat, onverdraagzaamheid en oorlog – een nieuwe laag van ‘één taal en eendere woorden, שָׂפָה אֶחָת וּדְבָרִים אֲחָדִים , sfat achat oe dewarim achadim ', zeg:goed verstaan en wederzijds begrip, moge groeien.


Parashat Wajechi:

"Archetypen van mannen in hun gemeenschap

door: Rob Cassuto

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze parasha verhaalt het sterfbed van Ja’akov en besluit het hele eerste boek Bereshiet/Genesis met de dood van Joseef. De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Shemot/Exodus zal een natie geboren worden.

Het levenseinde van Ja’akov roept vraagtekens op. Hoewel de voorwaarden voor een rustig einde daar lijken te zijn zegt hij toch tegen Far’o als hij wordt geïntroduceerd (47: 9):  ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’ Inderdaad, Awraham werd honderdenvijfenzeventig en Jitschak zelfs honderdentachtig. En toch moeten we oppassen en Ja’akovs uiting inpassen in het kader van misschien wel vereiste beleefdheidsvoorschriften: dan was het geen klacht, maar een soort van hoffelijkheid om jezelf niet al te gelukkig te prijzen. Een midrash zegt evenwel dat Ja’akov om deze woorden ‘niet zo oud’ als zijn vader en grootvader is geworden: ‘maar’ honderd en zevenveertig.

Poetisch en raadselachtig zijn de spreuken die Ja’akov in zijn laatste momenten over zijn zonen uitspreekt.Het lijken wel orakelachtige, deels in nevelen van ijlkoorts geziene, half visioenachtige beelden. Pinchas Peli (vermeld in Harvey Fields) meent dat het hier een soort feedback betreft met educatieve bedoelingen. De vader die zijn zonen een pedagogische spiegel voorhoudt. Abravanel (eveneens vermeld in Harvey Fields) vertegenwoordigt de visie dat het hier om een soort verantwoording aan de zonen van Ja’akov gaat door hun vader over waarom Jehoeda als de leider van de familie het meest geschikt was en de anderen niet.

De woorden van Ja’akov zijn maar heel gedeeltelijk de voorzeggingen voor wat er in de toekomst te wachten staat (dat wordt wel in het vooruitzicht gesteld in 49:1), en maar heel gedeeltelijk de zegeningen voor voorspoed die je ook zou verwachten (tenzij je in 48: 29 – ‘met deze woorden gaf hun vader elk van hen een eigen zegen’ - leest, dat naast de weergegeven woorden de vader ook nog een hier niet woordelijk vermelde zegen uitsprak).
Misschien kunnen de woorden en beelden van de stervende vader het best in hun waarde gelaten worden: als de orakels die zij waren, poëtische kenschetsen vanuit het hart en de visie van de vader, metaforen die de neerslag vormden van een levenslange ervaring met deze weerbarstige zonen. En in deze krachtige poëzie is menige vlaag vreugde en scheut bitterheid geslopen, die Ja’akov bij zijn zonen heeft opgedaan.

Als we deze zegenspreuken annex orakels verder doortrekken, aan de historische vertelling voorbij, dan zijn ze welhaast te zien als archetypen, oerkarakters van mannen in hun gemeenschap.
Re'oeven, hartstochtelijk, onstuimig, fier, impulsief, immoreel. “Hij heeft mijn bed beslapen!”, hoor ik Ja’akov nog steeds verbijsterd roepen.
Shim’on en Levi, eeuwige samenspanners, oorlogshitsers, die geen geweld schuwen.
Jehoeda, schoon, trots, gracieus, de man met gezag, een echte leider. (in 49: 10 staat “Totdat Shilo komt”; die vertaling is onzeker, vele andere varianten doen de ronde)
Zwoeloen, de man van het geld en de materie, de vervoerder, de handelaar. 
Jissachar, de noeste arbeider, de ijverige dienaar, de toegewijde volgeling.
Dan, de onbetrouwbare regelaar. 
Gad, de politie-agent. 
Asjer, de genieter, fijnproever, restaurateur. 
Naftali, de ongebondene, de kunstenaar. 
Joseef, degeen die alle tegenslagen overwint, zijn kompas trouw blijft, de rechtvaardige, de ‘tsadiek’.
Benjamin, de egoïst, die leeft bij de dag. 

Tot wie hoor jij, beste lezer?

R. Simon Jacobson ziet er twaalf levenspaden in beschreven.
gepubliceerd op 
zijn website en ik ben zo vrij die hier als PDF bij te voegen.

Illustraties:

Jacob zegent zijn zonen (Figures de la Bible)

Jozef praat met zijn broer Jehoeda (Tissot)

Jozef en zijn broers dragen Jacob terug naar Kanaan om hem te begraven (Charles Foster)


 


Parashat Wajigash:

"Hoe verzoening in zijn werk kan gaan”

door: Rob Cassuto

 

In de parasha Wajigash vindt dan eindelijk de verzoening plaats tussen Joseef en zijn broers, na de pleitrede van Jehoeda ten behoeve van Benjamin, de langste rede in de hele Tora.
 
Deze verzoening is wel een model voor hoe verzoening in zijn werk kan gaan. De vele fasen en facetten van het proces vanaf de eerste komst van Joseefs broers tot met met Joseefs bekendmaking hebben natuurlijk tot vele duidingen geleid en tot vele pogingen het gedrag en de bedoelingen van Joseef te waarderen. Een aardig overzicht geeft het boek van Harvey Fields, ‘Een Toracommentaar voor onze tijd'.

Mijn idee is dat er een doorgaande lijn door Joseefs gedragswijze loopt: dat hij uiteindelijk zijn familie vreselijk heeft gemist en vooral zijn vader. 
Het verschijnen van zijn broers moet ook voor hem een schok zijn geweest en moet dit gemis en de sluimerende liefde voor zijn familie - ondanks alles - weer wakker hebben gemaakt. 
Maar ook de woede over het harteloze verraad dat zijn broers hem hadden aangedaan.

Voor er sprake kon zijn van een verzoening moest Joseef zijn wrok opgeven, maar dat zou alleen kunnen als van de kant van zijn broers óók een verandering merkbaar was geworden, een verandering in de zin van een bewustzijn over hun gepleegde daden, een schuldbesef. 
Daarvoor heeft Joseef hen als het ware aan een test onderworpen, een beproeving die deels een zekere ‘gecontroleerde' genoegdoening inhield en deels inzicht moest geven in hun huidige ‘state of mind'. Men zou zich wel kunnen afvragen of deze test niet wel erg lang werd uitgesponnen en de genoegdoening niet overmatig bemeten was; die waardering zal bij ieder  uiteenlopen, ik weet het zelf niet goed.
In ieder geval had de test zijn beoogde uitwerking. De broers bleken zich inderdaad schuldig te voelen. Dat schuldbesef bleek bijvoorbeeld uit 42: 21. 
Nog een verandering bleek uit de heftige pleitrede van Jehoeda voor zijn jongste broer en uit zijn begaanheid met het welzijn van zijn vader. Dat lange hartstochtelijke blijk van familieliefde – in contrast met het vroegere onderlinge gedoe – was voor Joseef de onmisbare scheut water die de emmer van de zolang beheerste tranen deed overlopen. 
Joseef stuurde iedereen behalve zijn broers weg. Toen kon hij zich bekendmaken en zijn emoties de vrije loop laten in de intimiteit van de familie.

Op de commentatoren en andere lezers die zich afvragen waarom Joseef de hovelingen wegstuurde lijkt het mij logisch te antwoorden: omdat je in een officiële omgeving (i.c. die van het hof) een bepaald formeel decorum in acht dient te nemen en daar je emoties niet laat gaan. Dat is nog steeds zo: intieme zaken en politiek houdt men nog steeds graag gescheiden.

De hereniging van Joseef wordt in paragraaf 45 met veel begrip en psychologische nuance beschreven, lees het nog eens na en verwonder je over deze mooie en ontroerende passages.

Een merkwaardigheid is te lezen in 46: 34 in combinatie met 47:3

31 Jozef zei tegen zijn broers en zijn verdere familieleden: ‘Ik ga nu de farao op de hoogte brengen. Ik zal tegen hem zeggen: “Mijn broers en mijn andere familieleden zijn uit Kanaän naar mij toe gekomen. 32 Het zijn altijd schaapherders en veefokkers geweest, en ze hebben hun schapen en geiten en hun runderen meegebracht en alles wat ze verder maar bezitten.” 33 Als de farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt, 34 dan moeten jullie hem beleefd antwoorden dat jullie al van jongs af aan veefokkers zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie je wel hier in Gosen mogen vestigen, want de Egyptenaren hebben een afschuw van schaapherders.'

47 1 Daarop ging Jozef naar de farao en deelde hem mee dat zijn vader en broers uit Kanaän waren gekomen, met hun schapen, geiten en runderen en met alles wat ze verder bezaten, en dat ze nu in Gosen waren. 2 Vijf van zijn broers had hij meegenomen en hij stelde hen aan de farao voor. 3 ‘Wat is uw beroep?' vroeg de farao, en zij antwoordden: ‘Wij zijn schaapherders, net als onze voorouders.'

Merkwaardig omdat Joseef hen aanbeveelt niet te zeggen dat ze schaapherders zijn (omdat de Egyptenaren een afschuw hebben van schaapherders, Rashi: “omdat schapen volgens de Egyptenaren godheden zijn”), terwijl ze dat even later tegen Far'o gewoon wél zeggen. 
Ik heb hier geen bevredigende verklaring voor.

 

Illustraties

·         François Boucher, Joseph Presenting his Father and Brothers to Pharaoh Columbia, South Carolina, USA

·         Harvey Fields, Een Toracommentaar voor onze tijd

·         Schaapsherder

·         Willem Reuter, Jacob and His Family Entering Egypt, Baghdad


Sidra Channoeka:

Over Het Licht in de duisternis

door: Gershom Awraham

Gedurende het Channoekah-feest, ontsteekt men de Channoekah lampjes voordat de sjabbat lichtjes worden opgestoken. Men volgt de gebruikelijke procedure. Immers, op de sjabbat is er een algemeen verbod op het ontsteken van vuur. 

Nadat men de lichtjes van de channoekiah, de acht armige kandelaar, heeft aangestoken - gedurende acht dagen iedere dag een lichtje meer, zingt men hetmangauz soer jesjoenga tie

Een vroeg-middeleeuwse traditie die onder asjkenozische Joden voorkomt, die deRijnlandse Mienhag [één van de oudste halachische tradities in Europa, overgeleverd vanuit de pre-Romeinse tijd] volgen is het zeggen van een specialetechone foen licht bentsjen

Dit gebedsformulier over het ontsteken van de lichtjes voor sjabbes en de feestdagen kan ook voor channoekah worden aangehaald. De tekst van deze techone luidt in het fraaie Jiddisch als volgt;

‘Got foen daajn folk Jisro’eil doe biest heilig oen doe host goheijligt daajn folk Jisro’eil oen doe host geheijligt dem sjabbos oen doe biest aajner oen die Jisro’eil hostoe ojs der welt oenter alle folker tsoe daajn dienst oen dem dem sjabbos tsoe ehren oen tsoe laajchten mit licht oen tsoe hoben fraajd oen loest in daajnem dienst. haajnt ien daajnem heijligem sjabbos dos mier zenen sjoeldig erlich tsoe halten miet alle zagen azoo wie amelech der halt erlich zaajn maliecho oder wie achoson halt erlich zaajn kalle oen noch reejden fiel chachomiem dos zeej hoben geroefen dem sjabbos bas malche oen kalle, en ich daajn tochter hob sjojn licht getsoenden tswee licht die daajne chachomiem hoben geheejsen die wos weesen daajn heijlige Torah, tsoe ehren oen tsoe heiligen daajn nomen oen die Torah oen dem sjabbos, almechtigor Got gieb mier oen maajn man oen maajne kinder oen maajn gants hojz gezind dem heijligen sjabbos tsoe roe’en oen tsoe heijligen miet nachat oen bahiet oenz far alle beejze begegenes oen ojch far alle beeze gishehenis ien dem hajntigen tog den die resjo’iem oen die tsediekiem hoben ojch haajnt roeh foen dem bitteren gehinom az doe zolst mich ojch ien dem tog foen shabbos bahieten far allem beejzen oen az alle maajne licht zollen hel oen lojter brennen tsoe far traajben die beejze roechojs oen sjediem oemiziekiem bat machalat alle die do koemen foen dos zeej zollen awek fliehen far die licht ich toe tsinden ien dem sjabbos tsoe dem dos zeej zellen niet sjedigen dem mentsj niet kaajn man ojch niet kaajn froja oen kinder foen folk Jisro’eil.’

En in de Nederlandse vertaling: 

G’d van uw volk Israël U bent heilig en U heeft Uw volk Israël geheiligd en U heeft de sjabbat geheiligd en U bent Enig en de Joden heeft U van onder alle volkeren tot Uw dienst geroepen, om te eren de sjabbat, haar te verblijden met het Licht en om lust en vreugde te ontlenen aan het dienen van U oh G’d, het ligt op mijn weg om uw sjabbat op oprechte wijze in acht te nemen, zoals een vorst op oprechte en eerlijke wijze de bewoners van zijn eigen koninkrijk dient, of zoals een bruidegom zijn bruid open en oprecht tegemoet treedt, en dan nog zeggen veel geleerden dat zij de sjabbat een prinses en bruid noemen en ik uw dochter heb reeds mijn sjabbat kaarsen ontstoken die ons herinneren aan de Torah te houden, Uw Naam te heiligen en de Torah en de sjabbat, almachtige G’d geef mijn man en mijn kinderen en geheel mijn huis in rust en gezondheid de sjabbat door te brengen en te heiligen met vreugde en behoed ons van alle boze ontmoetingen en onplezierige gebeurtenissen op deze dag en laat ook alle kwaad willenden deze dag rusten, want u laat toch ook alle rechtvaardigen op sjabbat rusten en geeft hen geen toegang tot het gehinnom/ hel, u zult mij ook op sjabbat voor al het onwelvoeglijke behoeden en al onze kaarsjes zullen helder hun licht uit doen stralen. Moge deze lichtjes de kwade geesten verdrijven en alle schades en vervloekingen doen afvloeien. Moge deze lichtjes tot een zegen voor ieder mens zijn.’

Het in vrijheid kunnen genieten van sjabbat of channoekah-lichtjes was in het verleden lang niet altijd overal vanzelfsprekend. 

Sommige lokale of regionale heersers hadden de onhebbelijke gewoonte om Joodse gemeenten speciale discriminatoire belastingen op te leggen. 

Er werden soms speciale belastingen geheven over a) de productie van kaarsjes, b) het aanschaffen van kaarsjes c) de handel in kaarsjes en d) het branden van deze lichtjes op sjabbat en feestdagen. 

Meestal werd deze impost collectief aan een kehilloh, gemeenschap, opgelegd, maar er zijn gevallen bekend waar per gezinshoofd werd geheven door kwaadwillende regeerders. 

Hun afschuwelijke politionele dienaren verschenen doorgaans na het vallen van de duisternis, uitgerekend op de sjabbat of feestdagen, om deze gelden te innen. 

Het is de Jood verboden om geld op rust- en feestdagen aan te raken, de vernedering door dergelijke overheden was dus onuitsprekelijk. Chanoekah is bij uitstek een celebratie van de godsdienstvrijheid. 

De vrijheid om het licht van de Torah, de Openbaring te kunnen leven en onderwijzen. Totdat de Verlosser komt, spoedig en in onze dagen, ameen; ad Moh-jie’ach jowou, biem heiro, be joumeinoe, omein!

Illustraties:
  • Channoekah lampjes
  • Channoekiah; Istanbul
  • Channoekiah;Tiffany

 

Sidra Wojeisjev:

Over broederliefde en de kracht van dromen

door: Gershom Awraham

Parashah Wojeisjev schetst de lotgevallen van de zonen van Jankele. De Torah verhaalt van broers die op diverse wijzen met elkaar wedijveren om vaders gunst.

Nadat de broers de jongste van hen – Jouzeif – in een droge put doen belanden om zich zo van hem te ontdoen, begeven zij zich huiswaarts. De broers verklaren hun jongste broer tegenover hun vader – tot diens diepe leedwezen - dood.
 
Het geweeklaag van Jouzeif raakt de harten van de leden van een passerende Arabische handelskaravaan, die de jongen metrachmones (rachmanah: barmhartigheid) het leven redden.
 
De lotgevallen van de jonge Jouzeif worden in de heilige boeken van de drie grote monotheïstische religies breed uitgemeten. De Islamitische traditie biedt haar gelovigen een aanvulling op hetgeen de rabbijnen verklaren. Voor de Jood kan het leerzaam zijn daar kennis van te nemen.
 
De geleerden werpen in de Babylonische Talmoed een kernvraag op: wat is nu eigenlijk een Aach, een broer? Zij antwoorden daarop dat het een relatie betreft van een manspersoon tot de andere zonen van diens vader en moeder.
 
De Torah definieert als broers die manspersonen die voortspruiten uit a) dezelfde vader en moeder, of b) uit alleen dezelfde vader. In Bereshiet 42:32 stelt de grondtekst: ‘… broeders, zonen van dezelfde vader.’ De Babylonische Talmoed, Tractaat Yebamot 15-17 verklaart dat het hier gaat om zonen die dezelfde vader met elkaar gemeen hebben.
 
De zonen van diverse vaders, die dezelfde moeder hebben, worden door de Halachah, de godsdienstige codices, in een aantal gevallen ook aangemerkt als broers.
 
De Babylonische Talmoed, Tractaat Yebamot 55A legt uit dat de vrouw van een broer ‘behoort tot de naaktheid van de broer’, ongeacht het feit of die broer voortspruit uit een gedeelde vader of een gedeelde moeder. Een echtgenote wordt gerekend tot de naaktheid, dat wil zeggen tot het huishouden van haar echtgenoot.
 
De Halachah kent een algemeen basisprincipe: met de terminus misjpoche, familie, worden de verwanten van vaderszijde bedoeld. De paternale relatie is daar dus alles bepalend, de maternale relatie geenszins.
 
In het Joodse erfrecht geldt, dat twee maternale broers niet van elkaar kunnen erven. Zij worden ieder geacht hun erfenis aan hun eigen familie (gezin/ nakomelingen) ten deel te laten vallen.
 
Daar waar in het erfrecht een Joodse vader ontbreekt is de maternale relatie in de verwantschap a priori bepalend.
 
Een apostate broer is vanuit halachisch oogpunt bezien in iedere zin van de Joodse wet een Jood. En dus geldt hij onverkort als een broer.
 
Een ger tsedek, een proseliet, is na diens opname in het Jodendom een Jood in ieder halachisch opzicht. Hij wordt een broer genoemd.
 
Het begrip broer wordt door chachamiem, de geleerden, ook gebruikt waar het gaat om de relatie tussen mensen/geloofsgenoten onderling: je zult je broer niet haten, stelt de Torah in Leviticus 19.
 
Zowel binnen de asjkenozische traditie, als binnen de diverse sefardische tradities wordt het opnemen van een ouderloze/opvoederloze jongeling(e) in een nieuw Joods gezinsverband gestimuleerd. Een dergelijke jongen geldt weliswaar niet als een lijfelijke broer van de andere jongens in een dergelijk huishouden, maar wordt wel gelijk aan hen behandeld.
 
Een mamzer, een zoon geboren buiten een huwelijkse relatie, is gewoon een Jood en dus geldt ook voor hem dat hij is geboren ‘temidden van je broers’, dat wil zeggen temidden van het volk Israël.
 
Broederliefde laat zich ook bezingen. De bekende zeventiende eeuwse poëet Jangakauv Frances bracht de grote liefde voor zijn broer tot uitdrukking in een Hebreeuws lofdicht dat zich in Nederlandse vertaling ongeveer zo laat lezen:
 
‘Laat mij verklaren dat deze geliefde, in ieder opzicht, een werkelijke man is: zijn gezicht is als de zon, onaangeraakt door een zonsverduistering; hij is godsvruchtig en toegewijd; en omwille van het verrichten van goede daden bereid tot het aankweken van vleugels om te vliegen, zelfs zover als Calicut. Hij is wijzer dan de meest geleerden en heeft zijn geest, let wel, niet uit leeghoofdigheid gescherpt en gewijd aan de dichtkunst. Kort gezegd: hij is een man van veel geleerde inzichten: een goede man; een mild mens; een man, zijn gewicht waard in goud!’
 
Zo ook is Jouzeif in deze parasha zijn gewicht in goud waard. Hij redt het leven van zijn broers die door hongersnood in Israël gedwongen naar Egypte reizen om graan te kopen. Hij leert hen belangrijke lessen. In het bijzonder bescheidenheid.
 
Jouzeif, die als slaaf terecht kwam in het huishouden van een voornaam Egyptisch huishouden, belandt daar vervolgens door bedrog in het gevang. In gevangenschap ontmoet hij een reeks interessante lieden van wie hij leert en met wie hij betrekkingen aanknoopt. Die vriendschappen blijken hem diverse malen het leven te redden.
Dromen moet een mens hebben. Het streven naar een verbetering van het eigen leven of dat van anderen. Dromen geven één of meer doelen om naar te streven. De Babylonische Talmoed leert in het Tractaat Berachot 55 dat Rabbi Bannoh eens zijn droom aan vierentwintig verschillende geleerde analisten voorlegde, waarop hij evenveel verschillende antwoorden ontving.
 
Ieder van de antwoorden bleek uniek en geen was in weerspraak met een andere. Als uitkomsten elkaar wel tegenspreken, dan kan de later ontvangen uitleg een eerdere interpretatie niet onderuit halen.
 
Als dromen een negatieve lading hebben, dan verkiezen Chachamiem in het algemeen een dergelijke droom pas na vierentwintig uur te bestuderen. In geval men een boze droom droomde, is het om die reden toegestaan om op Sjabbat te vasten.
 
Om die reden vraagt Jouzeif in deze parasha zijn broers diverse malen om onmiddellijk naar het verhaal over een van zijn dromen te willen luisteren: sjimngoe noh ha choloum. Jouzeif bezigt hier een vragend imperatieve vorm.
 
De Talmoed legt uit dat Jouzeif zijn broers van zijn temiemoet, oprechtheid, probeert te overtuigen door hen te vragen om direct naar zijn verhaal te willen luisteren.
 
Daarmee bood hij hen een kans om tot een antwoord te komen, dat vrienden en anderen niet op een later moment nog eens zouden kunnen weerleggen. Broers kunnen soms goed functioneren als intellectuele klankborden. Wajiegad le achiew: en hij vertelde zijn broers; dat zijn dromen goed/gunstig voor hen allen waren.
 
Als uitlegger van de wensen en dromen van Farao brengt Jozef het uiteindelijk ver. De Babylonische Talmoed, Tractaat Berachot 55-56 legt uit dat een mens soms zelfs tweeëntwintig jaar moet wachten voor Ha Kadosh Baroech Sjeh Moh zijn dromen werkelijkheid laat worden, zo ook in het geval van deze jongeling.
 
Illustraties:
  • Friedrich Overbeck, Jozef verkocht, Rome
  • Giovanni de Ferrari, Jozef’’s mantel wordt teruggebracht, El_Paso
  • Benjamin Cuyp, Jozef legt dromen uit, Amsterdam

Sidra Wojiesjloch:

“Bescheidenheid past welgestelden en verboden huwelijksdwang”

door: Gershom Awraham

Hoewel de arbeidsvoorwaarden van één van de kinderen van Rebecca in sidra wajeetseh door Lowon bij herhaling zonder enig overleg werden gewijzigd, leert de Torah in die parasha dat de Eeuwige de oprechte mens tot steunpilaar wil zijn.

Wojiesjloch, de parasha van deze week, schetst ons de karakters die twee broers gemeen kunnen hebben en waarin zij van elkaar kunnen verschillen. Eén van de kernpunten is de ontmoeting tussen de beide broers die volgt op het vertrek van Jankele uit Charan.

Jankele had boodschappers beladen met geschenken vooruit naar diens broer gestuurd, die Eésav aanvankelijk weigerde aan te nemen. Deze verkenners komen terug met een bezorgd getoonzette rapportage: banoe el achiechah Eésav asoe wegam halach leikratchah we arba’ah meot iesj iem-moh. Je broer reist je tegemoet en hij heeft een grote schare mensen die hem vergezellen.

Het is de rapporteurs niet duidelijk of Eésav zoveel mensen heeft meegenomen om zijn broer met veel pomp en warmte te verwelkomen. Wordt de rode loper uitgelegd, compleet met erewacht of moet Jankele rekenen op een ander type ontmoeting?

De verklaarders leggen niet uit op welke dag beide broers elkaar ontmoeten zouden. Immers, er geldt op feestdagen en sjabbes een draagverbod, behalve in bijvoorbeeld de klassieke ommuurde steden.

Bij het weerzien rennen Eésav en Jankele elkaar tegemoet en omhelzen elkaar zeer stevig. Jankele hangt diens broer nog met vochtige ogen om de hals wanneer hij hem vraagt: mie lega kol hamachaneh hazeh asjer piegasjstie? Hierna stelt Jankele zijn samengestelde huishouden aan Eésav voor. Eésav vertelt aan Jankele: jeesj lie raaf, ik heb veel [bereikt]. Hierop antwoordt Jankele:jeesj lie hakol, ik heb alles [in mijn leven bereikt].

De inhoud van beide laatste antwoorden verschillen van elkaar. Soms kan een uiting van de zender de ontvanger iets over diens innerlijke bespiegelingen duidelijk maken. Het kan ons iets leren over de kijk op de wereld van de zender. Eésav lijkt hier alleen te willen stellen dat hij al een welgesteld man is, nadat hij de [omvangrijke] gift van Jankele aanvankelijk weigerde aan te nemen.

Eésav is kort van stof: in drie woorden drukt hij zich uit: ik heb veel. De volgende Jiddische uitdrukking is hier van toepassing: asjeine mètoeneh, reich ies amentsj der es hot, een mooi geschenk, verguld is de mens die het ontvangt.

Dat Eésav en zijn grote groep metgezellen niet noodzakelijk een gevaar voor zijn broer wilde vormen, toonde de Torah ons reeds vroeger. Eésav had zeer hoffelijke omgangsvormen, zoals wel bleek uit de wijze waarop hij zijn vader gewoon was aan te spreken:jakoem abie wejochal meetsied bnoo, staat toch op mijn vader en voed u met de door uw zoon bereide maaltijd. Door gezamenlijk een maaltje te nuttigen  verstevigen ouders en kinderen het gezinsverband.

Eésav maakt in drie woorden helder dat hij hecht aan aards bezit. Hij legt uit dat; kechie we atsoem jadaj asah lie et hachajiel hazeh, ik heb mijn omvangrijke bezittingen verworven door mijn menselijke kracht en de verrichtingen van mijn handen. Chachamiem, onze geleerden stellen zich over het algemeen op het punt dat een mate van bescheidenheid past.

Géén huwelijkse dwang

Uiteindelijk vestigt Jankele zich in Sjechem waar hij een veld kocht om zijn tent op te slaan en een altaar te bouwen om Ha Kadosj Baroech Sjeh Moh regelmatig te kunnen eren. Dienoh, de dochter van Jankele maakt regelmatig een wandelingetje door de omgeving.

Gedurende een van haar omgangen ontmoet zij een “prinsenkind” van Sjechem.  Een liefde op het eerste gezicht, van de kant van de jongeman. Zoals in oude tijden op sommige plaatsen gebruikelijk, ontvoert de jongeman zijn geliefde en onderhandelt hij met steun van vader met zijn beoogde schoonvader over zijn voornemen tot een huwelijk.

Hoewel de jongeman Jankele netjes om de hand van diens dochter vraagt, weigert Jankele toe te stemmen met een huwelijk. Zijn grootste bezwaar gold het feit dat deze jongen niet besneden was en geen monotheïst was. Omdat een huwelijk met een zoon uit een voornaam geslacht uit Sjechem veel wederzijds voordeel op kon leveren stelde Jankele zijn aankomende schoonzoon de eis dat de bewoners van Nabloes zich moesten laten besnijden. Hiermee stemden de mannen van het plaatsje in.

Het huwelijk vond desondanks geen doorgang. De broers van Dienoh bevrijdden haar uit de onvrijwillige gevangenschap en weigerden hun zuster uit te huwelijken aan een man aan wie zij geen toestemming gegeven had om haar te huwen.

G’d zegende de bewoners van Sjechem op dat moment niet, omdat het ook in Bijbelse tijden in het Midden-Oosten universeel ontoelaatbaar gevonden werd om een vrouw tegen haar eigen vrije wil in te ontvoeren; met een huwelijk tegen haar zin in als oogmerk.


Illustraties:

  • Rembrandt, de Verzoening van Jacob en Esau

  • Matthias Stom, Esau en Jacob

  • Dinah, Jacques Tissot

     

Sidra Wajeetseh:

“Fatsoenlijk samen-leven en goed werkgeverschap”

door: Gershom Awraham

Op welke wijze worden huizenblokken volgens chachamiem, onze geleerden, gebouwd? Zo vraagt de eerste Misjna, rechtsregel, van het eerste kapittel van het ongepunctueerde Traktaat Bawa Batra van de Babylonische Talmoed. 

HaSjotefien sjejeesj laheen chatser besjotefoet oebaj sjeneeheen potechien letochoh wekol chatseeroot sjesjonoh chachamiem liefnee habeejtiem heen werow chasjmiesjien bechatseer, legt rabbijn Sjlomo Jitschaki in zijn ongepunctueerde middeleeuws Hebreeuwse commentaar uit: de woningdelers die een huizenblok tot hun beschikking hebben waarvan de toegangdeuren van de woonruimtes uitkomen [op straatniveau]. Zo zijn volgens de geleerden de meeste huizenblokken gebouwd.

Vervolgens wordt de vraag opgeworpen op welke wijze de Joodse bewoners van een huizenblok zich op Sjabbat vrij kunnen bewegen. Immers, op Sjabbat is het verboden om objecten in een tas, zak of zakken in de kleding mee te dragen. Dit draagverbod geldt niet daar waar een binnenpleintje, straat of zelfs stad voorzien is van een omheining. Binnen de omheining zoals de klassieke ommuurde stad: eeroev, mag wel gedragen worden.

Binnen dezelfde stad horen burgers fatsoenlijk met elkaar om te gaan. In parasha Toledot werden de knullen die Rebecca baarde door hun vader gezegend, ondanks hun totaal verschillende karakters. Een centrale vraag die door de Middeleeuwse Tosafot geleerden wordt gesteld is die welke het levensdoel van de mens tijdens diens aardse leven behoort te zijn [om een vreedzaam samenleven mogelijk te maken].

Het ultieme levensdoel van een Joods individu is volgens hen het verbeteren van alle menselijke eigenschappen en het voortdurend beter willen leren begrijpen van HaKadosj Baroech Sje Moh. 

Dit kan alleen worden bereikt door constante Torahstudie. In de westerse context kan dit ideaal uitsluitend worden vertaald met een constant streven naar Bildung in de klassieke zin. Ieder naar diens eigen mogelijkheden. Een mens dat de Torah niet bestudeert, heeft geen werkelijk wezenlijk doel in het leven.

Marbeh Torah, marbeh chajiem: hij die de Torahstudie vermeerdert, verlengt zijn leven, zo legt de Misjna in Spreuken der Vaderen uit. In deze Misjna spreken de geleerden van het aardse leven dat verlengd zal worden naar mate men zich meer met de studie van de Heilige Leer bezig houdt. De Torahstudie brengt een gezonde levenshouding en biedt nieuwe levenskracht. 

In Miesjlee 3:8 staat letterlijk; de Torahstudie brengt genezing en verkwikking voor het bottengestel. De poëet Goethe zegt met recht: Ein unnütz Leben ist ein früher Tod. De bestudering van de G’ddelijke Leer verheft het menselijk hart, dat het vult met vreugde: G’ds geboden zijn recht, zij verblijden het hart, Tehieliem, Psalmen 19:9.

Wajeleeg Charanah en hij begaf zich naar Charan, zo stelt de eerste zinsnede van deze parasha. Het vertrek van een fatsoenlijk burger uit zijn woonplaats laat sporen na. Zolang een burger in diens stad woont is hij haar tot sierraad, draagt hij bij aan haar glans. Na vertrek kan die glans enigszins dimmen, tenzij die burger warme banden met die stad permanent onderhoudt. 

De Torah promoot nadrukkelijk het onderhouden van goede banden tussen de stad en het land van herkomst en haar diaspora. Iem eesjkach Jeroesjalajiem, tiesjkach jomienie; gedenk constant de heilige stad, Jeroesjalajiem - Jeruzalem.

Oprecht werkgeverschap
Parashat Wejeetseh schetst de odyssee van één van de twee zonen van Jitschak. Eén van de twee jonge mannen vertrekt als gastarbeider naar Charan waar de familie van zijn grootmoeder Rebecca woonde. Daar werd hij tewerk gesteld bij diens oom Lowon aan wie hij moest beloven om zeven jaar kuddes vee te hoeden alvorens een van de dochters van zijn oom te kunnen huwen. 

De sidra schetst de slechte arbeidsomstandigheden en beloning die deze werkgever te bieden had. Zeh lie, eesoriem sjanah bebeejtega awadetiega arba eesrien sjanah bisteej benotecha wesjeesj sjaniem betsonega wetachleef et masjkoertie aseret monien, gedurende de twintig jaren die ik in uw huis was heb ik u gediend veertien jaar voor uw beide dochters en zes jaren voor uw kleinvee; maar u heeft tien maal eenzijdig de arbeidsvoorwaarden en de hoogte van mijn salaris veranderd. 

Lowon verandert en verslechtert eenzijdig de arbeidsvoorwaarden van zijn neef. Bij herhaling. Ondanks alle vernederingen bouwt de zoon van Jitschak opgewekt aan zijn eigen toekomst. 

Na opnieuw zeven jaren voor Lowon gewerkt te hebben huwde de jongen de tweede dochter van Lowon en trekt met twee echtgenotes, kuddes kleinvee en een fors huishouden terug richting Eretz Jisraeel. Dit op het moment dat Lowon niet thuis was, dus zonder afscheid van hem genomen te hebben.

Lowon, angstig voor materieel en immaterieel verlies, reist zijn vertrokken schoonzoon, dochters, kleinkinderen en hun huishouden achterna. Hij haalt hen onderweg in. Hoewel zij het niet eens werden met Lowon, wordt tussen de familieleden een verbond gesloten waarmee de familievrede in de formele zin hersteld wordt: we ata lega nichartah briet anie we atah, we hajah le eed beenie oebeenega.

En zij richtten samen een monument op om het verbond fysiek te verbeelden. De gedenkplaats werd door Lowon een plaats van getuigenis genoemd; iem ta’aneh et binotaj we iem tiekach nasjien al binotaj eejn iesj iemanoe re’eeh, elohiem eed beejnie oeweejnechah: ‘als je de moed zou hebben om mijn dochters te kwellen en wanneer je naast hen nog verdere bijvrouwen zou huwen, terwijl er géén mens bij ons is, wees dan zeker dat de Eeuwige als een Waarnemer tussen ons is.’ 

Wajiezewach .. zewach bahar wejiekra le echaw le echol lechem wejocheloe wejalienoe bahar. De gehele familie slachtte een stuk kleinvee ritueel en riep allen bijeen om op dat monument, op die heuvel samen een maaltijd te gebruiken. Samen eten verbroedert. En zij rustten die nacht op die heuvel, bovenop de gedenkplaats.

De Torah onderwijst in deze parasha het grote belang van een fatsoenlijk, oprecht en rechtvaardig werkgeverschap. Werknemers hoeven zich niet alles te laten welgevallen. De minore hagiografen gaan opvallend genoeg niet in op het subject werkgever-werknemer. Profeten als Hosea en Micah vermijden dit onderwerp volkomen. 

H. Polak (1868-1943) kreeg een solide Joodsgodsdienstige opvoeding aan de bekende Talmoed Torahschool, was nimmer anti-religie, maar werd wel één van de grote proponenten, één van de grondleggers van de sociaal-democratie. 
De afschaffing van de verworvenheden op het gebied van de arbeidsmarkt die door de generatie van Polak mede in het leven werden geroepen, zoals een goede bescherming van werknemers tegen de willekeur van werkgevers door een goed georganiseerd ontslagrecht of de beperking van pensioen- en uitkeringsrechten passen niet in het erfgoed van Polak en de zijnen. 

Hij omschreef solidariteit van Joodse sociaal-democraten als volgt; ‘… van den armen straatventer tot de rijken patriciër, doch allen één groot gezin, gehecht aan elkander door de sterke banden …, eenvoudige, goede mensen, vol zachtheid en rachmones – een eenheid zonder weerga, een solidariteit als geen andere.’ 

In sidra wajeetseh, in de grondtekst van de Torah, vinden we een solide Bijbelse grondslag voor fatsoenlijk overleg tussen sociale partners. 

Illustraties:

  • Rembrandt, Laban

  • Waar ligt Charan?

  • Henri Polak, geschilderd door Johan van Caspel (1912)


Sidra Toledot:

 

Vrouw, gezin en hongersnood

door: Gershom Awraham

De vrouw

Rebecca, de vrouw van Jitschak vervult in sidra Toledot een centrale rol. In de afgelopen parasha verhaalt de Torah over de belangrijke plaats van Sarah aan de zijde van Awraham. De verklaarders noemen Rebecca een nieuwe Sarah, nu aan de zijde van Jitschak. Jitschak en Rebecca bleven twintig jaar kinderloos en Jitschak was veertig jaren oud toen hij in het huwelijk trad.

 

Sjeem, de zoon van de profeet Noach, vertelde Rebecca dat zij eindelijk eens zwanger zou raken, uiteindelijk twee zonen zou krijgen. Beiden met een compleet verschillend karakter. Volgens Sjeem zouden deze knullen uitgroeien tot de stamvaders van twee enorme volksgroepen. Kort na elkaar zagen Esav en Ja’akov het levenslicht.

 

De traditionele moederrol van Rebecca wordt aan Joodse vrouwen als voorbeeld opgevoerd. De Halacha leert dat het huwelijk geldt als de hoogste religieuze vorm waarin twee mensen zich kunnen verenigen: al keen ja’azev iesj et awiew we et iemo oedaweek be iesjto we chajaw le basar achad, en om die reden verlaat een man zijn vader en zijn moeder, om zich [sociaal-emotioneel en materieel] te hechten aan zijn echtgenote en te versmelten tot één lichaam en wezen.

 

In het Jodendom heeft een vrouw minder godsdienstige plichten dan de man. De verklaarders leggen uit dat een vrouw enigszins ingetogen is en haar reinheid in allerhande opzichten doorgaans zorgvuldig bewaakt. De basis van deze Halachische grondregel zou wellicht psychologisch geduid kunnen worden. Vrouwen kunnen zichzelf vaak beter beheersen dan mannen. Dit kan fysiek en spiritueel worden opgevat.

 

Mietswah asa sjezeman garema nasjien patoer. Dames zijn door de Halacha vrijgesteld van de aan tijd gebonden mitswot; geboden of ritualia. De Babylonische Talmoed, Tractaat Bawa Metsijah 87 stelt dat: limdanoe sjejisjal adam be achsaniejah sjelo iesj al ha iesjah, le iesjah al ha iesj, ‘het leert ons, dat men daar, waar men voor een poosje verblijft de man zal vragen naar de vrouw en de vrouw naar de man.’

 

De mitswot, geboden, zijn een hulpmiddel om de Torah te kunnen houden. Vrouwen hebben door hun meesterlijke zelfbeheersing minder behoefte aan dergelijke hulpmiddelen om hun reinheid en integriteit te beschermen.

 

De Babylonische Talmoed legt in het eerste hoofdstuk van het Tractaat Jomah uit, dat:beejto zoe iesjto, het huis van de man, dat is zijn vrouw. Zij immers is volgens de Talmoedische geleerden de ziel die licht geeft aan het Joodse familieleven. Ejzeh hoe asjier kol meej sjejeesj lo iesjah neah bema’asien: rijkdom is volgens de leraren van deze Misjnah, rechtsregel, die man die een vrouw deelgenoot is geworden, die in alles wat zij doet vreugde, lieflijkheid en (godsdienst-) zin legt.

 

Chawah, Eva werd in Genesis door de Eeuwige geschapen als een ezer kenegdoh, een evenbeeld, steun en toeverlaat voor haar levensgezel. Dat ‘evenbeeld’ hoort op te gaan in een harmonieuze vorm van twee elkaar in wisselwerking aanvullende partners, die een goed huwelijk hebben. De man is daarbij geenszins de controleurvan de vrouw, de vrouw geen politieagent voor haar man. Het woord evenbeeld heeft dus niet de betekenis van het woord tegenbeeld.

 

Verklaarder rabbijn Sjlomo Jitschaki legt uit dat ouders niet alleen hun fysiek eigen kinderen als zodanig hoeven te beschouwen. Ook andere kinderen die in een Joods gezinsverband worden opgenomen kunnen als zodanig worden gezien, aldus stelt hij in commentaar op de Babylonische Talmoed, Tractaat Bawa Metsijah 87, waar staat dat Sarah nog geen kind had gebaard, maar asoefie hewie’ah mien hasjoek dat zij een straatkind in haar huishouden opnam.

 

Kinderen worden, volgens de idealen die klassieke Joodse geleerden uitdragen, opgevoed in een harmonieus gezinsleven.

 

Hongersnood

Sidra Toledot verhaalt van een grote hongersnood in Eretz Jisraeel die de familie van Jitschak dwong te verhuizen naar de vruchtbare woongebieden van de Filistijnen. Daar aangekomen werd hem gevraagd of Rebecca zijn echtgenote of zuster was. Jitschak besloot zijn vrouw te beschermen en antwoordde dat zij zijn zuster was. De Filistijnse heerser Abimelech had al eens met Awraham te doen gehad toen hij poogde om Sarah van hem te roven.

Zich die geschiedenis in gedachten houdende hield de Filistijnse heerser zich nu ver van Rebecca. Hij raakte haar met geen vinger aan. Jitschak en familie vestigden zich in een Filistijnse nederzetting en hij floreerde daar zo dat zijn buren jaloers werden op zijn voorspoedige levensloop. Wejomeer Abimelech el Jitschak leech mee iemanoe kie atsamta mimenoe me’od, want je bent ons te welvarend geworden en hebt teveel invloed op ons volk.

Daarom vulden zij de bronnen die Jitschak had aangeboord met aarde, zodat hij door droogte gedwongen schade moest oplopen. Misschien zelfs moest vertrekken. Of men hier het woord bron letterlijk moet nemen is niet duidelijk. De Talmoed stelt in Tractaat Pesachiem 42A, dat dezelfde semantiek wordt gebruikt om aan te geven dat het hart [van de Filistijnen] dichtgestopt was.

Jitschak besloot de bronnen die zijn vader had aangeboord en die de regio welvaart hadden gebracht opnieuw open te leggen. Hij herbevestigde de namen die zijn vader aan die bronnen had gegeven en groef enige nieuwe bronnen. Het eigendomsrecht over de nieuw bronnen werd hem door zijn buren betwist. Het recht op het water uit de laatste bron die hij aanboorde werd hem niet langer betwist. Zijn doorzettingsvermogen werd daarmee beloond.

De Eeuwige verschijnt aan Jitschak en deelt hem mede dat zijn kinderen zullen uitgroeien tot een groot volk. Daarop arriveerden de Filistijnse vorst Abimelech en zijn stamoudsten op de plaats waar Jitschak woonde. Zij gaven aan een vredesverdrag met hem te willen sluiten en elkaar wederzijdse bescherming te willen bieden. Aldus geschiedde waarop Jitschak en Abimelech voortaan vreedzaam samenleefden als nauw verbonden vrienden, als chabieriem.

 Illustraties:

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Laat het ons weten.

 

Sidra Wajeera

“Gastvrijheid en Jeladiem”


door: Gershom Awraham

Gastvrijheid

Gastvrijheid is het thema waarmee parashat Wajeera begint. Onze geleerden leren dat aartsvader Awraham over vele goede eigenschappen beschikte. In onze traditie wordt Awraham gezien als het prototype van de gastheer. Awraham onderwijst ons op ongeëvenaarde wijze de mitswa van hachnasat orchiem, gastvrijheid. Hij zocht voortdurend naar mensen voor wie hij vriendelijk kon zijn, voor wie hij een goede daad kon doen.

 

Hoewel hij nog niet goed hersteld was van zijn briet milah, besnijdenis, zat hij toch bij de ingang van zijn tent om uit te zien naar reizigers aan wie hij gastvrijheid en hulp zou kunnen bieden. Awraham was toen 99 jaar oud. Ondanks de grote hitte overdag in de woestijn, waren er geen reizigers die hij kon uitnodigen. Dat stemde Awraham bedroefd. Daarom zond de Eeuwige hemmelachiem, engelen. Gekleed als reizigers trokken zij voorbij aan de plaats waar Awraham voor diens tent zat.

Onmiddellijk nodigde Awraham hen uit om in zijn tent uit te rusten en wat brood te nuttigen. Zij namen die hartelijke uitnodiging direct aan. Waarop Awraham hen direct voorzag van een maaltijd compleet met het allerbeste ritueel geslachte vlees. Na het eten stond een van de melachiem op en richtte zich tot zijn gastheer; hij vertelde Awraham dat hij nog binnen een jaar na deze maaltijd een kind van Sarah zou kunnen verwachten, dat Awraham opnieuw vader zou worden.

In de voorgaande sidra, lech lecha, meldt de Torah dat Awraham tien jaar na diens aankomst in Eretz Jisraeel nog kinderloos was van Sarah. Daarom stelde Sarah haar echtgenoot voor om haar dienstmaagd Hagar te leren kennen, opdat deze hem een kind zou schenken. Hagar werd de moeder van de oudste zoon van Awraham: Jisjmaeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jisjmaeel groeide op en werd de vader van een zeer groot volk, zoals de Eeuwige aan Awraham, diens vader voorspelde. Gelijk het Jiddische spreekwoord zegt: Epfelle felt nisjt weejt foem Beejmele: de appel valt niet ver van de stam; de mitswah van hachnasat orchiem, gastvrijheid, is ook een van de belangrijkste karaktereigenschappen van Jisjmaeel. De Arabische volkeren zijn de kinderen van onze aartsvader Jisjmaeel.

De geboorte van Jitschak

Precies zoals de melachiem hadden voorspeld werd Sarah een jaar later moeder, zij beviel van een zoon. De ouders noemden hem Jitschak (Isaac). Awraham volgde de instructies op van HaKadosh Baruch Hoe en besneed zijn zoon toen deze acht dagen oud was. Toen Jitschak voorspoedig opgroeide viel het Sarah op dat haar zoon Jitschak en diens broer Jisjmaeel op sommige punten een ander karakter hadden. Hierdoor ontstond er wat spanning tussen Sarah en Hagar. Er was wellicht enigszins sprake van een bescheiden wedijver tussen de twee moeders om de aandacht van Awraham, de vader van hun beider zonen.


Sarah deed een verreikende suggestie; zij vroeg Awraham om Hagar en Jisjmaeel heen te zenden. Dat was Awraham als een goed familievader een onwelkome gedachte. Jisjmaeel dawwende intens tot HaKadosj Baroech Hoe om diens leven te sparen en zijn vader Awraham gunstig te stemmen. De Eeuwige redde het leven van Hagar en Jisjmaeel.

 

Toen Jitschak 37 jaar oud was werden Awraham en Jitschak door de Eeuwige aan de zwaarst mogelijke test van hun godsgeloof onderworpen. De Eeuwige droeg Awraham op om zijn zoon mee te nemen naar de plaats waar eens de Beth HaMikdasj, de Tempel, moest worden gebouwd. Awraham werd geïnstrueerd om op die plaats zijn zoon Jitschak te offeren. Awraham hechtte meer betekenis aan het opvolgen van deze instructie dan aan het leven van zijn kind. Immers, Awraham had zijn gehele leven gewijd aan het verbreiden van het geloof in één G’d en hij wist dat er na zijn overlijden slechts één persoon die monotheïstische missie kon en wilde voort zetten: Jitschak.

 

In de ogen van HaKadosj Baroech Hoe is het brengen van mensenoffers een gruwel. De Torah benadrukt keer op keer dat het Jodendom het brengen van mensenoffers niet kent en ronduit verafschuwt. De meeste mensen zijn niet bereid om te handelen tegen hun eigen belang in. Awraham was daartoe echter wel bereid. HaKadosj Baroech Hoe had niet de intentie om Awraham te vragen om diens zoon te offeren, maar wilde slechts testen in hoeverre Awraham bereid was diens instructies te volgen.

 

De Eeuwige zond Awraham een ram om in plaats van Jitschak te slachten en offeren. De Engel die Awraham op de ram wees, meldde tevens dat de Eeuwige het betoonde onvoorwaardelijke godsgeloof en godsvertrouwen ruimhartig zou belonen. De melach voorspelde dat Jitschak een grote brooche, zegening, zou ontvangen; zijn kinderen zouden talrijk worden als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels in de woestijn en op het strand.

 

De sidra eindigt door te vertellen dat Awraham veilig naar zijn kampement terugkeerde. Daar aangekomen bereikte hem het goede nieuws, dat zijn broer die in Charan woonde, vader was geworden van een zeer kinderrijke familie. Eén van die kinderen had zelfs al een dochter, Rebecca, die uiteindelijk met Jitschak trouwde. De Torah noemt het krijgen van kinderen één van de grootste zegeningen: Kie Eitz Chajiem Hie Sjeh Machazikiem Bah!

 

Illustraties:

·         Marc Chagall; Awraham en de drie engelen; Nice

·         Jacques Joseph Tissot; Awraham geeft Sarah advies; New York

·         Tekstillustratie rond 1290; Awraham’s gastvrijheid; London

 

Bereshiet

De meesten van ons hebben de letterlijke opvatting van het scheppingsverhaal achter ons gelaten.

Voor wat betreft het verslag van de creatie van onze kosmos en onze aarde, daarin geeft de wetenschap een verbazend en aan alle kanten door onderzoek geschraagd verslag, dat nog steeds wordt uitgebouwd.
We kunnen het verhaal van het eerste hoofdstuk van Bereshiet/Genesis nu lezen als een bondig onder woorden gebrachte, krachtige allegorie. En juist dan valt op, dat er in het scheppingsverhaal van Bereshiet 1 een frappante parallellie met de ontdekkingen en hypothesen van de wetenschap te vinden is.

De meeste fysici accepteren eveneens een begin, een schepping uit het niets: de theorie van de Big Bang, voor het eerst in 1946 door George Gamow voorgesteld. Een creatio ex nihilo, die begon met een onvoorstelbare hoeveelheid samengebalde lichtenergie (‘er zij licht'), waarvan nog steeds een minuscule achtergrondstraling te bespeuren is, zoals Penzias en Wilson ontdekten.
Tevens is er in het scheppingsverslag een bepaalde ontwikkeling te bespeuren, die doet denken aan de evolutionaire ideeën van Darwin: eerst de planten en dan van de waterdieren naar de landdieren en dan de mens.

Nu gaat het er niet om met alle macht wetenschappelijke bewijzen aan te dragen om de juistheid van de bijbel/Tora aan te tonen. En ook niet om aannemelijk te maken dat er een soort intelligent design aan het werk is.
Wetenschap en de verhalen van de religie zijn verschillende talen, die niet door elkaar gehaald mogen worden (hoogstens kunnen zij elkaar inspireren).
Maar de parallelliteit tussen wetenschappelijke ontdekkingen en die eerste passages van de Tora zouden een aanwijzing kunnen zijn dat deze passages toch bezield zijn van een diepergaande boodschap dan alleen het droge rapport van scheppingsdaden. Daarvan geven eeuwen van midrashiem en kabbala getuigenis.

Mij viel bij herlezing een speciaal aspect op; een groot deel van de scheppende activiteit van hoofdstuk 1 houdt niet zozeer in het uit het niets tevoorschijn roepen; het bestaat veeleer uit het scheiden, het uit elkaar halen, het een plaats geven, een groot deel van Bereshiet hoofdstuk 1 bestaat uit ordenen en differentiëren.

In het begin is er chaos, ‘tohoe wa-bohoe'. Het primordiale licht maakt het mogelijk scheidingen en positioneringen aan te brengen, licht en donker, water en hemel, de zee en het droge. Ook het aardse licht wordt geconcentreerd in een zon en een maan en de sterren.

Men zou kunnen zeggen dat als het dan zover is - aarde, water, hemel, zee en land zijn dáár - het Scheppend Principe zijn scheppende kracht delegeert, investeert in wat hij geschapen heeft: want vanaf de planten is de uitspraak, die deze scheppingen in gang zet: laat de aarde ….(1, 11), laat het water ….(1, 20), laat de aarde ….(1, 24) om tenslotte uit te monden in 1, 26: laat ons mensen maken naar ons beeld, onze gelijkenis.

In het hier volgend commentaar van de 19e-eeuwse Isbitzer rebbe op de betreffende scheppingspassages komt dit ook tot uiting: “ Toen de schepping dus zijn gemis besefte, bewerkte hij een bewustwording van beneden af voor de schepping van de mens. “God sprak, laten wij mensen maken”, met andere woorden (“laten wij”, want God spreekt alle geschapen wezens aan), God, Hij zij gezegend, sprak tegen de hele schepping, opdat ieder onderdeel van zijn kracht iets zou geven en mee zou doen in de schepping van de mens, zodat de mens deel zou hebben in al die onderdelen.”
(‘Living Waters', a commentary on the Torah, R, Mordechai Yosef of Isbitza)

Een originele duiding van het “laten wij” of “laat ons”, mij meer aansprekend dan de midrashim die zeggen: wij = God die tot zijn engelen spreekt.
Benadrukt wordt in deze passage, dat scheppen niet is iets uit niets maken, maar dat de kosmos bezield is van en gedreven wordt door een haar ingeplante scheppende oerkracht – die steeds weer uit chaos – tohoe wa-bohoe – orde schept, ordent, scheidt, formeert, differentieert en uit oude vormen nieuwere en mooiere, nog complexere vormen maakt, een proces, dat immer doorgaat en voortschrijdt. (gedachtig aan de tweede wet van de thermodynamica komt het beeld op van de ontworsteling van orde aan de entropie). De tien uitspraken waarmee de schepping is in het leven is geroepen klinken steeds door en geven onze dynamische wereld nog weer opnieuw gestalte en steeds weer nieuwe gestalten.

Als in een versnelde film krijg je even het visioen van een caleidoscopische uitbarsting in een beurtelings feestelijke dan wel helse vormenrijkdom.
Wel is er af en toe een pauze. Na “zes dagen” – zes scheppingsfasen of –episoden – rust de oerkracht, verademt De Schepper en zijn schepping; dat is het 'shabbateske' ritme van Worden en Zijn (dat in laatste instantie één geheel is).

Vanaf hoofdstuk 2, vers 4 verandert de focus van het scheppingsverslag opeens. Als in de nieuwe Google-mogelijkheid om vanuit buitenaards perspectief in te zoomen naar je eigen achtertuin zoomt het Bereshiet-verhaal vanuit kosmische view opeens pijlsnel naar de mens, naar zijn binnenkant, vanwaaruit hij zich alleen bevindt in de schepping, de mens die van vlees is, uit verlangen gebouwd, die nieuwsgierig is en wil kennen, al valt hij daardoor uit zijn hemelse en zorgeloze paradijs – want hij is geschapen met een zeer lastige oriëntatie: naar het beeld van zijn Schepper.

RC 28 oktober 2005

 

Noach


De parasha Noach – Bereshiet (Genesis) 6 tot 12 – vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven land de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen.
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Shem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde.
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooiing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen.
Tenslotte wordt gefocused op de nakomelingen van Shem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham.

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”.
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach.
In het begin van hoofdstuk 6 komen die merkwaardige passages voor over de zonen van God en de dochters der mensen en over de reuzen die de aarde bevolkten.
Jammer genoeg heb ik niet het deel van commentator Umberto Cassuto ‘Me-Noach ad Awraham', maar het zou me niet verbazen als hij in dat deel heeft geconcludeerd, dat het hier residuen betreft van oud-semitische mythen en Godenverhalen, residuen die eigenlijk niet goed passen in de sobere monotheïstische traditie die de Tora-redacteur steeds betracht. Al zullen midrashiem vast wel een mooie draai aan deze passage hebben gegeven.

Scheppingsverhaal-achtig doet ook aan de beschrijving van de dieren (b.v. 7, 14-15), die doet denken aan Bereshiet 24-25, de uittocht uit de ark, die doet denken aan de uitstroom van een nieuwe creatie van levende wezens over de door het vernietigende maar ook schoonwassende water gerenoveerde aarde, afgesloten met opnieuw een: “Peroe oereboe oemil'oe et ha-arets”, weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde (zoals in Bereshiet 1, 28). Even daarna wordt, zoals in Bereshiet 1, 29, het voedsel voor de mensen aangegeven, maar was in Bereshiet alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar niet het bloed.

Nog een parallel zie ik in de assertieve daden van de mens en een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen.
Zie enerzijds: Bereshiet 3, 22:

"Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft.”

Dan volgt de verdrijving uit het paradijs.
In Bereshiet 11, 6 sprak de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf: “Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn.”
En weer voelt zich De Eeuwige enigszins bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - , en neemt hij actie door het volk te verstrooien.
Eigenlijk is deze bezorgdheid de enige motivatie die in de Tora zelf wordt gegeven voor de verstrooiing.
Zo letterlijk te lezen voeren de bouwers van stad en toren niets ongerechtigs uit.

Tijd en plaats ontbreken nu om de allegorie van de verdrijving uit het paradijs en die van de toren van Bawel verder uit te werken in zijn rijke diepere lagen.


Ik vermeld nog alleen deze verklaringen:
De verstrooiing is een sanctie op de overmoed van de mensen. Dit is de meest populaire opvatting.
Iets verder zoekt men, als men de verstrooiing ziet als een zet van de Schepper aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen.
Een uitgebreide midrash voert koning Nimrod in als de dictator, die op Brave New World-achtige manier zijn mensen heeft gedrild tot een uniforme werkmachine; achter de ogenschijnlijke eenheid schuilt dwang, indoctrinatie en onmenselijkheid. De verstrooiing is dan de bevrijding uit deze dwangsituatie en de talenverscheidenheid een welkome erkenning van creatief noodzakelijke verschillen.
Dan hebben we tenslotte ook nog de ‘zonde' van Cham die zijn naakte vader ziet. Vergelijk de parallel met Adam en Chawa, die elkaar in naaktheid zien. Eerder en elders heb ik in mijn commentaar op de parasha ‘Ki tetsé' geschreven, dat deze schaamte samenhing met de bewustwording van de mens omtrent de immens machtige procreatieve functie van de geslachtsorganen, die leidde tot taboeïsering van de aanblik ervan.

Ik noteerde:
“… de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.”

En evenals van Adam tot Noach duurt het tien generaties tot Awraham dat de joodse geschiedenis tot ontkiemen komt.
In de midrashiem wordt Awraham over het algemeen gezien als een nobeler uitgave van Noach. Behalve op tekstuele uitleggingen wordt dit vooral gebaseerd op de reactie van de beide mannen op de aanstaande vernietiging van hun medemensen; Noach riep bij verneming van de ondergang van zijn medemensen niet de compassie van De Eeuwige in, Awraham deed dit wel bij de verkondigde vernietiging van Sedom en Amorra.

noot: ik ben geen wetenschapper en ben dus vrij een speculatie te lanceren, die bepaald nog bewijsvoering - indien te vinden in geologie, archeologie, klimatologie - behoeft. Waar komt de mythe van de zondvloed vandaan?
Het zou kunnen dat hij stamt uit de tijd, dat de doorbraak van de Middellandse Zee naar de Zwarte zee plaatsvond in de nasleep van de klimaatveranderingen na de laatste ijstijd.


Ik citeer van Berts Geschiedenissite:


± 5700 v.g.j. brak de Middellandse Zee door naar het gebied dat nu wordt ingenomen door de Zwarte Zee. Het moet hierbij zijn gegaan om een werkelijke catastrofe. Gedurende drie jaar stortte een waterval zo'n 50 km3 water naar omlaag over een hoogte van zo'n 150 meter. Dat is een 200 maal zo grote waterstroom en een drie maal zo hoge valhoogte als de Niagara Falls. In die periode steeg het waterpeil in de Zwarte Zee met zo'n 15 cm. per dag. Vanwege de geringe helling van het landoppervlak ter plaatse betekende dat de kustlijn gemiddeld per dag een kilometer landinwaarts werd gelegd. De vegetatie verdronk daardoor en veel van de fauna moet ook niet in staat zijn geweest zich tijdig uit de voeten te maken. De kusten van "het Zwarte Meer" werden voor de catastrofe bevolkt door jagers en eenvoudige landbouwers. Zij moeten uiteraard zijn verdreven, maar vooralsnog is onduidelijk of die gedwongen verhuizing heeft bijgedragen aan de verspreiding van de landbouw over Europa.
Tienduizend jaar geleden aan het einde van de laatste ijstijd , was de Middellandse Zee zo goed als opgedroogd. Ook in de Zwarte Zee stond het water laag. Die zee was toen nog een zoetwatermeer dat niet in verbinding stond met de Middellandse Zee. Met het smelten van de ijskappen steeg het water in de zeeën, maar niet in de Zwarte Zee. Het niveau in de Middellandse Zee werd zo hoog dat de druk op de landengte bij de huidige Bosporus te groot werd om het zoute water binnen te houden. Het brak, ca. 5700 v.g.j. , met geweld door het land en stortte zich naar beneden, de Zwarte Zee in.
Daar steeg het water in korte tijd 130 meter. Op het hoogtepunt van de vloed - gedurende honderd dagen – wel met zo’n 30 centimeter per dag. De Zwarte Zee werd veel groter en het zoute water overstroomde het vruchtbare land in het noorden en het westen. De Zee van Azov ontstond en de Krim werd schiereiland. Bodemkartering van de oude kustlijn en bodemonderzoek hebben dit aangetoond. De opgeviste fossiele zoetwater- en zoutwaterdiertjes bleken even oud: ongeveer 7500 jaar. Een plotselinge overgang, die een catastrofe weergeeft.


Een eventueel oudste vermelding die hier over gaat is die uit het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië. Dit populaire heldendicht waarvan verschillende versies op (spijker)schrift bestaan, de oudste van ongeveer 3700 jaar geleden, verhaalt van de koning-held Gilgamesj die een gevaarlijke reis onderneemt om een overlevende van een grote zondvloed het geheim van de eeuwige jeugd te ontfutselen. Ook in dit heldendicht is sprake van een soort Noach met bijbehorend vaartuig.


Ook het zondvloed verhaal kan berusten op deze gebeurtenis, die door de naar het zuiden gevluchte bewoners van generatie op generatie is doorverteld en is omgevormd tot legende en misschien tot een episch gedicht, dat tot stof heeft gediend voor de redacteur van de Tora. Het feit dat de ark is gestrand zoveel noordelijker dan de bakermat van de oud-semitische wereld - op de berg Ararat in Armenië - zou een spoor hiervan kunnen zijn.

(RC 28-11-09)

 

Parashat Lech Lecha


There is an idea that in order for religion to remain relevant, religion should make the comfortable feel uncomfortable. The ability of Judaism to be self-aware, critical and iconoclastic is especially revealed in how the tradition shapes our ethics regarding the treatment of the stranger, the disempowered and the poor
Of course, many of us are familiar with the Torah’s insistence to treat the stranger with compassion since we were strangers in Egypt. The Exodus is often invoked as a motive for social justice, by the small and great alike, including Dr. Martin Luther King. However, there is a narrative perhaps even more powerful and certainly more unsettling than the Exodus narrative. This is the narrative of Sarah, Abraham and Hagar in Bereishit ( Genesis 16 ).

The story of Sarah, Abraham and Hagar is unsettling because it really brings home the point of what it means to be an outsider. Our own tradition confronts us with our own failings and prejudices. We are forced to re-examine the characters of our beloved Patriarchs and Matriarchs and we are forced to acknowledge that even they didn’t always live up to the ethical standards that we hold dear.

The story of Hagar and Sarah is well-known. Abraham and Hagar fail to conceive a child and it is Sarah who takes the initiative to give her servant girl Hagar to her husband (Gen. 16:1-2):


“Sarai, the wife of Abram had not borne him children and she had an Egyptian maidservant and her name was Hagar. And Sarai said to Abram, behold now, the Lord has stopped me from bearing. Come please to my maidservant [so that] maybe I will be built up through her. And Abram listened to the voice of Sarai.” (my own translation )

The epithet used to describe Hagar pointedly identifies her both according to her “race” and her “class”. She is an Egyptian maidservant, a person of lower status than Abram and Sarai (whose name, in fact, means “princess”). If Hagar (whose name is based on haGer, “the stranger”) is to bear Abram’s child, then why does the text choose to emphasize her social inferiority?

Rashi states: “She was a daughter of Pharaoh when she saw miracles done for Sarah and she said, ‘better to be a maidservant in this house than a mistress in another house.’” (my own translation )

The notion that Hagar is more than a mere maidservant but actually a daughter of Pharaoh sheds new light on an ancient and oft repeated dynamic: the relationship between the powerful and powerless, between Israel and Egypt. Is it coincidence that generations later, Moshe himself is rescued from the Nile’s watery embrace by “Bat Paro”, Pharaoh’s daughter?

In the light of our modern sensibilities, Rashi’s explanation of Hagar’s presence and even good fortune, to dwell in the household of Sarai, may be presumptuous. Is this the excuse we use to justify labor malpractices? To justify the employment of underpaid immigrant workers? Arguing that they are “fortunate” to dwell in our households? That they are better of as servants in our households and factories than masters in their own?
Our sacred narrative challenges us to re-examine these assumptions. Maybe this is a case of middah k’neged middah (measure for measure), also known as poetic justice. After all, when our greatest spiritual leader was a mere infant, he becomes utterly dependent on the kindness of a daughter of Pharaoh. Sarai “oppresses” Hagar and Hagar flees into the desert unknown (Gen. 16:6). Is this the kindness we should show the stranger among us?

The easiest compassion roused in our hearts is that which springs forth from our own traumas of oppression. This is why it is easy and perhaps even comfortable for us as the powerful and privileged to refer to the Exodus narrative as an ethical injunction on how to treat the stranger. After all, we were ourselves strangers in Egypt. But perhaps the most profound compassion comes from another, less expected, place. Perhaps it comes from a place of acknowledging that we too, can be the oppressors. As unsettling as this insight may be, it may provide us with real tools of respect and reconciliation: the awareness that we are all human and all part angel and part beast. The rest depends not only on the power dynamic in our lives, but thankfully also on our will to choose and do the right.


Esther Hugenholtz , November 2011.


Esther Hugenholtz (M.Sc. Cultural Anthropology) is a rabbi-in-training and a writer. She currently lives in London, the United Kingdom
 

Parashat Wajetsé ( Bereshiet/ Genesis 28:10 – 32:4 )

In deze parasha gaat het verhaal over Jacobs tocht naar en verblijf in het land Charan, bij zijn oom Lawan.
Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen.

Het is een rijk verhaal met vele geledingen en ook vele thema's.
In de eerste plaats is er het thema van de bewustwording en rijping van de jongeman tot volwassen man die zijn bestemming weet.
Dan is er het thema van list, bedrog en misleiding en hoe dat een rol speelt in het leven van gemeenschap en familie.
En last but not least het prachtige thema van Jacobs huwelijk, de verstandhouding met de vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Le'ah.
Al deze drie thema's lokken tot diepere beschouwingen, maar ik zal me nu beperken tot het thema van de bewustwording van Jacob over het bestaan van de Goddelijke dimensie, zijn kennismaking met de God van zijn vaderen.
Bereshiet 28:10 en verder bevat het begin van de reis en de beroemde droom over de ladder naar de hemel:
10 Ja'akow verliet dus Be'ersjewa en ging op weg naar Charan.
11 Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen.
12 Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen.
13 En zie daar stond Hashem boven hem, die zei: "Ik ben de Hashem , de God van je vader Awraham en de God van Jitschak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."'

Hoewel volgens de Bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest krijg ik hier de indruk van een inwijding van een jongeman, een openbaring, die eerst nu pas de jonge Jacob op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming.

De ladder van Jacob heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en zeer mystieke.

Rashi viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer.
Nechama Leibowitz haalt een duiding van Sforno aan die zich baseert op een oude midrasj: de engelen symboliseren de oude rijken, die rijzen tot glorie (stijgen op de ladder), maar zie, ze vallen vroeger of later weer terug; het gaat om een beeld van de historie, dat zich in de droom onthult aan Jacob in zijn hoedanigheid van Israël.


Mij spreekt dit het meeste aan: de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd) en in de tweede plaats meer, in een meer transcendente laag, als zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie.
De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie).
Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie.
Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van
Elohiem' , het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond HaShem boven hem, die zei: ‘Ik ben HaShem , de God van je vader Awraham en de God van Jitschak'

Het tetragrammaton wordt nu opeens gebruikt, hier weergegeven als ‘HaShem', het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël.
Jacob maakt hier op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid.


De ladder is het diepste verlangen naar ontmoeting met God, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond HaShem boven hem' ( ‘we-hiné HaShem nitsav alav' volgens mij zowel in de NBV als in Dasberg minder goed vertaald): in welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie.

In de kabbalistische visie – voor zover ik die begrijp - wordt de ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jacob geplaatst wordt gezien als midden tussen Awraham, de rechterstijl, die ‘Chesed' – stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak,de linkerstijl, die ‘Gewoera' – kracht, begrenzing, oordeel, - belichaamt.
In de droom maakt de Eeuwige Jacob als het ware tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gewoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret – schoonheid, ziel, essentie - . Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet – de wereld waar het goddelijke inwoont, de Sjechina - , van waaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt.


De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarvan de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs tree voor tree ons verlangen en ons gebed en onze daden omhoog te sturen.
Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zware putdeksel oplichten, die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen, later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en een enorm vermogen verzamelen in moeilijke omstandigheden om toch dan de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie.

  Rob Cassuto, december 2005

 

Parashat Wajeshev ( Bereshiet/Genesis 37-4l )

In deze en de volgende parashot Mikets, Wajigash en Wajéchi volgen we Jacob en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Josef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht, via zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader, broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, tot en met zijn dood, waarna het voorspel tot de Exodus een aanvang neemt.

Het begint met de puber Josef, de lieveling van zijn vader en drager van de kleurige mantel, die lasterpraatjes over zijn broers aan vader overbrengt (de midrasj zegt: overtredingen door de broers van de Noachitische wetten).
Als Jozef ook nog naïef zijn dromen vertelt, waarin hij overheersend centraal staat, zijn de broers een prooi van de jaloersheid, willen ze hem ombrengen als hij hen opzoekt op het veld. Uiteindelijk besluiten de broers, onder invloed van Juda, de voorlopig in een put geworpen Josef te verkopen.
In het rondvertelde verhaal en in de commentaren lees je altijd, dat ze dat ook werkelijk gedaan hebben. Maar dat is nog niet zo zeker. Er staat letterlijk:

”Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.' De anderen stemden hiermee in. Intussen waren er Midjanitische kooplieden langs gekomen en hadden Josef uit de put getrokken en hem aan de Ismaëlieten voor twintig zilverstukken verkocht en die Ismaëlieten namen Josef mee naar Egypte. Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Josef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!' riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!' “
Hebben de broers nu Josef eerst aan de Midjanitische kooplieden verkocht of waren die hen voor? Voor het laatste pleit, dat Ruben uiterst verrast was toen hij Josef uit de put wilde halen en hem niet aantrof. In dit laatste geval is hun verraderlijk handelen misschien minder beladen, ze hebben dan voorts ook geen bloedgeld van de kooplieden ontvangen. Verder zijn ze in deze constructie ook veel onzekerder over Josefs lot. Hij was plotseling weg en kan ook door wilde dieren zijn verscheurd. Misschien zagen ze de karavaan voorbij trekken en vermoedden ze dat Josef daarbij was.
Nechama Leibowitz behandelt deze kwestie uitgebreid; ze vermeld hoe vele commentatoren komen tot een viervoudige doorverkoop van Josef: broers naar Midjanieten, Midjanieten naar Ismaëlieten, Ismaëlieten naar Medanieten. Medanieten aan Farao's generaal Potifar (waarvan overigens in de volgende parasha weer staat dat hij koopt van de Ismaëlieten). Uiteindelijk voelt Leibowitz ook het meeste voor de hierboven geopperde hypothese. Zie verder haar betoog op de internetpagina met haar shioeriem (lessen).
Jacov werd in de waan gebracht van Josefs dood door zijn kleurige mantel met geitenbloed te bewerken en aan de ontstelde vader te tonen. Jacov stort zich in diepe rouw.

Als een plots intermezzo krijgen we nu het verhaal van Juda en zijn schoondochter Tamar, die achtereenvolgens de twee zonen van Juda, Er en Onan, huwt en dan aan de dood verliest. Als gesluierde hoer verleidt en misleidt ze vervolgens haar schoonvader en weduwnaar. Ze baart hem een tweeling en ze openbaart zich dan aan Juda als de moeder van zijn zonen, door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg.

Dan schakelen we weer naar Josef. In Egypte heeft hij steeds succes, in het begin echter steeds onderbroken door diepe terugslagen. Als slaaf van generaal Potifar klimt hij op tot house manager; hij weerstaat verleidingspogingen van zijn vrouw, maar komt toch door haar toedoen in de gevangenis. Ook daar boert hij toch weer goed, - hij weet steeds vertrouwen te winnen - en wordt een soort assistent directeur van de gevangenis. Daar komen ook twee belangrijke hovelingen terecht, de schenker en de bakker. Josef is een expert in dromen, zoals eerder al gebleken. Hij verklaart de dromen van de beide heren, die ook weldra precies zo uitkomen, de schenker komt spoedig vrij en de bakker wordt opgehangen. De schenker zal later nog een belangrijke rol spelen om Josef aan het hof van de Farao te halen.
De wegwijzer
Het lijkt een vrij onbelangrijk detail dat in 37: 15-18 wordt verteld:
(NBV)“15 Toen Josef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16 ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,' antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?' 17 ‘Ze zijn hier niet meer,' zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.' Josef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.“
Uitgangspunt bij Tora-verklaring is dat er nooit iets voor niets staat.
Ook al lijkt het een onbelangrijk detail, het feit dat het is opgenomen in het verhaal houdt in dat het een betekenis of boodschap heeft.
In de hierboven opgenomen vertaling staat, dat Josef ‘iemand tegenkwam'. Letterlijk vertaald staat er: ‘Jiemtsehoe iesh' ofwel: een man ( iesh ) vond hem. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een belangrijke wending teweeg brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Awraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en zoals de ‘man' met wie Jacov heeft geworsteld aan de Jabbok.
Soms wordt hij een boodschapper genoemd. een ‘mal'ach', later via het Griekse equivalent ‘angelos' vertaald als ‘engel'.
De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Shlomo Jitschaki (RASHI) verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gabriël; zie ook het boek Daniël, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een man Gabriël', waar het duidelijk gaat om een engel-achtig fenomeen (Daniël 9:21 )
Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft.

Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het hier een draaipunt betreft in de afwikkeling van het drama van Josef en zijn broeders, ja zelfs in de geschiedenis en het lot van Israël. Josef was verdwaald. Als hij de man niet had ontmoet had hij zijn broeders waarschijnlijk nooit gevonden. Misschien was hij wilde dieren tegengekomen, rovers, misschien was hij onverrichter zake teruggekeerd naar het kamp van zijn vader.
Hij was waarschijnlijk nooit in Egypte terecht gekomen (en als hij er onverhoopt toch terecht zou zijn gekomen had zijn geschiedenis zich daar heel anders ontwikkeld; was de broederschuld niet opgetreden; was Josef nooit de redder van zijn familie geworden). Waarschijnlijk was Jacov en zijn zeventig mensen nooit in Egypte aangeland, althans niet op de manier zoals in de Tora beschreven met de vestiging in het land Chosjen, de bevolkingsaanwas, de toenemende onderdrukking en tenslotte de Exodus.
Toeval of sturing?

Is het toeval dat de ‘man' op de weg van de verdwaalde Josef kwam?
Eeuw in eeuw uit is de vraag of een essentiële schakelgebeurtenis (b.v. een ontmoeting) nu zuiver toeval is geweest of een ingreep Gods. Het is een onderwerp, dat gezellig bediscussieerd werd en wordt aan de borreltafel (of bij het nomaden kampvuur, wie weet) en tussen wetenschappers, theologen en filosofen, in gewichtige academische fora. Op belangrijke historische keerpunten, maar ook in de individuele levens van onberoemde personen zijn er staaltjes van al dan niet schijnbaar toeval te geven.
Wie ben ik om een overzicht te geven van de stand van deze discussie, die in populair wetenschappelijke vorm een eigentijdse variant kent – waar het gaat over biologische evolutie - onder de noemer van ‘intelligent design'?
Ik wijs er hier op, dat de Tora suggereert, dat er een bovenmenselijke, zo u wil goddelijke sturing is. Een sturing, die kennelijk wil, dat Josef zijn beproeving tegemoet gaat, dat de broeders hun dwaling aan hem begaan, zodat Josef vanuit de diepste put via toppen en dalen naar zijn hoogste glorie kan stijgen, waardoor hij zijn familieleden vanuit hun ontberingen een veilige plaats van welvaart kan bieden, welke plaats weer wordt tot een oord van ellende, van waaruit zij uiteindelijk uit de slavenketens bevrijd optrekken naar de Sinaj, waar zij de openbaring van de Tora krijgen, waarna etcetera de geschiedenis verder rolt met een beurtelings oplichtende dan weer in duistere raadselachtigheid verzinkende finaliteit.

Misschien is onze grootste vrijheid als mens niet zozeer dat wij in opperste vrijheid kunnen kiezen als wel dat wij de vrijheid hebben ons af te sluiten óf ons te openen voor welke boodschapper dan ook die ons vanuit een hogere dimensie met zijn tekens, met zijn richtingwijzing tracht te bereiken.
Misschien is dat de kwaliteit van Josef geweest – behalve dat hij een helder verstand had, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen - : de kwaliteit om in de nood van het moment, verdwaald in eindeloze velden, open te staan voor tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wilt) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is.

Tenslotte: het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, en zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen; de jaloersheid en na-ijver van Josefs broeders brengen Joseef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. In deze zelfde parasha brengt de zonde van Juda met Tamar het nageslacht voort dat zal leiden tot David Ha-Melech ( koning David) en diens zonde met Batshewa brengt Shlomo Ha-Melech voort.


3 januari 2006 Rob Cassuto