Wajikra - Leviticus

Parasja Behar-Bechoekotai  

Een rouwperiode 

door Rob Cassuto

Wajikra/Levitivus 25:1-27:34

In deze twee parasjot, in de meeste jaren samen gelezen, worden – heel kort samengevat - het sjabbat jaar en het Jowel jaar geïntroduceerd en verordend. Daarop volgen de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het het volk en zijn land goed gaan, maar als ze in de wind worden geslagen zullen de meest verschrikkelijke rampen plaatsvinden, van welke een flink aantal schrikwekkende voorbeelden beeldend worden geschilderd. Elders (1) ben ik daar op ingegaan.

Deze week wil ik terugblikken op een stukje rampgeschiedenis, dat in deze dagen wordt herdacht, ten minste in de meer orthodoxe kringen. De parasjot Behar en Bechoekotai worden gelezen middenin de periode van de zogenaamde Omertelling, die eigenlijk een tijd is van lichte rouw, alleen doorbroken door het zg Lag BaOmer feest op de 33ste dag van de telling. Waarom die lichte rouw en waarom het feest?
Interessant om eens na te gaan.

Lag baOmer en Sjimon bar Jochai 

Op Lag BaOmer, 18 Ijar (afgelopen zondag 14 mei), vond een positieve keer plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling – oorspronkelijk een vreugdevolle periode  op weg naar de graanoogst – een periode van lichte rouw geworden, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24.000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw van de gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed (2)) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. De  leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden - en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder de spirituele leiding van Rabbi Akiva, die overtuigd was, dat Bar Kochwa de vurig verhoopte Masjieach was. Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.

De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie hebben gestreden voor hun leraar en de Masjieach en tegen de Romeinen? Waarschijnlijk zijn ze dan als krijgers op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in de religieuze en morele sfeer. Dat de Omer-periode een rouwperiode is geworden is vermoedelijk door de Middeleeuwse rabbijnen bevorderd (3).

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden: Sjimon bar Jochaj. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van de wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht zijn toevlucht in een grot, 13 jaar lang. 

De legende (4) verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werd opgeschreven door R. Moses de Léon. Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengden de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”. Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen. Voor Tikoen Olam moet je echt de wereld in is de moraal.

Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd. Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan. 

Op 18 Ijar stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen. Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zg ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag. 

In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.

Noten

(1) Bijv. in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomiu, p.80 ev  
(2) Talmoed Jevamot 62b, waarin de ziekte overigens vertaald wordt als kroep (difterie)
(3) Zie ook het verhaal op Aish.com
(4) Talmoed Sjabbat 33b -34a


 

Parasja Emor  

Brood en Woorden 

door Rob Cassuto

Wajikra/Levitivus 21:1-24:3

In de parasja Emor (‘spreek!’) worden onder meer de drie pelgrimfeesten behandeld en beschreven, Pesach, Sjavoeot en Soekot. Opvallend is, dat Sjavoeot  alleen als oogstfeest wordt beschreven en nog niet in verband wordt gebracht met het geven van de Tora, het is (nog) niet chag matan Tora geworden, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard. Hoe komt het, dat, blijkbaar in latere tijd, dat verband werd gelegd? 

Historisch bekeken lijkt het aannemelijk, dat na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 van de gewone jaartelling een proces van de-agriculturisering van de rituelen is versneld. Het centrum van de offerdienst was vervallen en offers konden niet meer worden gebracht. Bovendien was er al een aanzienlijke diaspora buiten het heilige land. De Tora kon niet vernietigd of afgeschaft worden en reisde altijd mee. Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag van de akkerbouw. 

De Rabbijnen begonnen eens goed te rekenen: de uittocht uit Egypte was begonnen op 14 Niesan, de dag van het Pesachoffer. De Tora schrijft voor om daarna vanaf 15 Niesan zeven weken lang iedere dag te tellen tot het oogstfeest, het zgn. omer-tellen (21:15,16). Na zeven weken reizen in de woestijn moet het volk op de zesde van de Joodse maand Sievan dan dus aangeland zijn bij de Sinaj. Dat duidt op een verband tussen wat er op die datum op de Sinaj is gebeurd - de schenking van de Tora - en het op die zelfde datum voorgeschreven feest van de eerste graanoogst, Sjavoeot.

Het verband brengt ons op een spiritueel ontwikkelingsproces tussen Pesach en Sjavoeot. Op Pesach worden ongedesemde broden gegeten. Het zijn ‘matsot', ongerezen broden die nog niet ‘af' zijn. De bevrijding is ook nog niet af. Zij zoekt nog naar een voltooiing. Op Sjavoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk voorgeschreven (23:17). De broden zijn nu ‘af', gebakken van het graanmeel, dat de basis is voor het fysieke bestaan. Zo heeft de uittocht uit de verdrukking zijn afronding gevonden in de woorden van de Tora, de basis voor het spirituele bestaan. ‘Zonder meel geen Tora, zonder Tora geen meel’ zegt Rabbi El'azar ben Azarja (Pirkee Avot 3:17). Daarom worden op deze sjabbat de Tien Uitspraken in Sjemot 20 gelezen.

Als we de relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken, kunnen we zien hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een vorm van begrenzing. De Israëlieten reizen uit de slavernij niet zomaar de leegte van de woestijn in. Ze worden geleid naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze vernemen hoe hun vrijheid in te bedden in essentiële waarden en leefregels om een goede samenleving te vormen. (De tweede bestemming, het beloofde land, mogen we ‘ontgeografiseren' als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaans beeld, dat ergens in ons als een vonk van verlangen blijft gloeien)

Ook de vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot willen ontworstelen, heeft een bestemming nodig. Deze sjabbat, de 32e dag van de Omer-telling, is misschien een goede gelegenheid om eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd'. 


In plaats van de parasja van de week:  

4 mei

door Rob Cassuto

We hebben een periode van herdenken achter de rug, Jom haSjoa, Jom haZikaron, vandaag, dat ik dit schrijf is het 4 mei. We kijken terug op de Tweede Wereldoorlog, op de verschrikkingen, die alleen de ouderen onder ons nog aan den lijve hebben ervaren, op de systematische moord op aanvankelijk nietsvermoedende onschuldige Nederlandse burgers van Joodse signatuur. Sta mij toe om in deze week van herdenken in plaats van een parasja-commentaar iets van een persoonlijk herdenken met u te delen.

Ten tijde van de bevrijding in mei 1945 zaten mijn moeder en ik – toen vier jaar oud -  nog in een Japans interneringkamp op Java en mijn vader lag ziek in een barak aan de Burma-spoorweg. Communicatie met Europa was afwezig. Mijn ouders hadden geen flauw idee van de catastrofe rond de Joden in Nederland.

Mijn vader kwam na de capitulatie van Japan terecht in een herstellingsoord in toenmalig Brits-Indië. Na een lange omzwerving werden mijn moeder en ik als een klein wonder met hem herenigd in Calcutta. We wisten niets van de lotgevallen van onze familie. Een eerste signaal bereikte ons veel later. De ouders van mijn vader en zijn twee broers hadden na een levensgevaarlijke onderduik de oorlog overleefd, zo hadden zij in november 1945 gemeld. In volgende brieven wordt voorzichtig iets onthuld van de dood van andere familieleden in Nederland. Mijn vader schrijft:aan zijn ouders in maart 1946:

‘Deze week ontvingen we jullie brief van 19 Januari met het ontstellende nieuws van

Hetty’s dood. Het heeft ons zeer zwaar getroffen en ik werd me weer eens duidelijk

bewust hoe dierbaar jullie me bent, want het leed dat één van jullie treft, treft mij

meer dan je kunt denken.’’

Hetty was de dochter van een broer van de moeder van mijn vader, een pittig en muzikaal meisje. Ze was verloofd met zijn mijn vaders broer, maar ze was ook mijn vaders lievelingsnicht. Ze was ondergedoken, eerst samen met haar verloofde, later apart en toen verraden. Naspeuringen veel later leerden dat ze vermoedelijk is vermoord in het dwangarbeiderskamp Dorohucza in 1943, nog net geen 21 jaar oud. Ook haar moeder Esther (tante Es) en haar broertje Max David (Deetje) kwamen in dat jaar om in Sobibor. Vader Jacob Winkel (oom Jaap) was in 1941 aan een ‘gewone’ hartaanval overleden.

Toen wij na veel administratieve rompslomp in mei 1946 werden herenigd met de familie in Nederland was er natuurlijk grote blijdschap; mijn hele kerngezin van grootouders, en ouders en ooms (broers van mijn vader) was nog compleet, iets wat maar erg weinig Joodse kinderen konden zeggen. Maar er waren natuurlijk grote verliezen geleden buiten de kernfamilie. Ik heb in de jaren na de oorlog en eigenlijk later ook nooit bewust de namen horen noemen van de omgekomen familieleden. Over hen werd voornamelijk gezwegen.

Tegenwoordig vinden we het essentieel om de namen van de nooit meer teruggekomenen niet te vergeten en juist wel te noemen. Zojuist heb ik op de gedenkplaats nabij de synagoge de bijna vijfhonderd namen horen noemen van de uit de Nijmeegse samenleving weggeplukte en naar de dood gevoerde  Joden.

Daarom noem ik hierbij in dit stuk de vergeten  namen van de vermoorde familieleden uit de generatie van mijn beide grootvaders: drie zusters van mijn grootvader aan vaderskant Ies Cassuto, t.w. Rachel Tas-Cassuto, Anna Waas-Cassuto en Simcha Danser-Cassuto;  drie broers van mijn grootvader aan moederskant Albert van Zuiden: Samuel Heiman van Zuiden en zijn vrouw Bettij van Zuiden-Nathan, Abraham (Bram) van Zuiden en zijn vrouw Penina Duque, Bernard van Zuiden en zijn vrouw Sientje van Zuiden-Snijders, een zuster van Albert, Elisabet (Lize) van Zuiden; de zuster van Albert van Zuidens vrouw Betsy van Zuiden-van Praag – mijn oma – : Marie Kamerling-van Praag en haar man Isedoor Kamerling.

Op 4 mei heb ik stil gestaan bij het onvoorstelbare afgrijzen, dat zij moeten hebben gevoeld, toen hun moorddadig lot hen in het gezicht keek, zoals dat ook gebeurde met de ruim honderdduizend mede-Joden en de Sinti en de Roma en nog zovele anderen.

Wat ik me uit mijn kindertijd wel kan herinneren is dat mijn oma van moederskant vaak iets mompelde als ‘olemesjolem’. Dat moet Jiddisj zijn voor ‘alam ha-sjaloom’, ‘zij mogen rusten in vrede’ en dat zeg ik haar nu na: alam ha-sjaloom

Na tweeënzeventig jaar lijkt de vrede ons te omgeven als een vertrouwde jas. De ijskou van de oorlog is voor de meesten niet eens meer een herinnering. Laten we de vrede niet verspelen aan onwijze waaghalzen, die uit narcisme in het kader van een zich hernieuwend nationalisme dit kostbare goed in de waagschaal stellen.

RC 4 mei 2017


 

Parasjat Tazria-Metsora  

De plaag

door Rob Cassuto

Wajikra 12-14 en14-16

De parasja Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte tsaraät, vermoedelijk een vorm van melaatsheid, soms vertaald als ‘huidvraat’. Het is aan de priester om te bepalen, wanneer daarvan sprake is; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven tot de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen. 

Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen.

Toch zien de meeste de oude wijzen tsaraät niet zozeer als een medisch-hygiënisch verschijnsel als wel als een fenomeen om te waarschuwen voor afdwaling van het rechte pad. Wat subtieler gezegd: als een uiting van een ‘innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder aan tsaraät en zijn Schepper' (1). Met name wordt dan gedoeld op Lasjon Hara, letterlijk ‘kwade tong, kwade taal’. Hieronder verstaat men menselijke verbale uitingen over andere mensen, die geen bewuste aperte leugens zijn, maar die wel schade aan anderen kunnen toebrengen, bijv. laster, roddel, geruchten, achterklap, geklets, ongecheckte verhalen, verzinsels (2). We moeten tsaraät dan niet meer letterlijk opvatten als een lichamelijke ziekte, verschimmeling van kleden of ondermijning van muren, maar als een aandoening van het innerlijk (de ziel) of een ondermijning van de samenleving.

De Tora verbiedt liegen en laster ook uitdrukkelijk (3), maar vindt een rijke aanvulling in de rabbijnse uitleg van lasjon hara. De melaatsheid en de aantasting van kleden en huizen zien zij daarbij als een metafoor voor het effect van lasjon hara. Tezamen vormt dit een boodschap, die voor onze moderne tijd nog niets aan actualiteit heeft verloren.

Roddel, laster, kwaadspreken en de immer draaiende geruchtenmolen zijn van alle tijden, maar heeft sinds de drukpers een enorme versterking gekregen. Natuurlijk heeft de uitvinding en invoering van de drukpers een zegen betekend voor beschaving en vooruitgang, maar tegelijk heeft dit mooie medium het ook mogelijk gemaakt om op papier strategisch via propagandakanalen massaal leugens en halve waarheden te verspreiden. Sensatiebladen hebben via enorme oplagen op volle toeren geprofiteerd van eindeloze roddelverhalen en nog steeds. Intussen heeft het internet zijn intrede gedaan. Je kan wel raden wat ik ga beweren. Dat betekent naast het ontegenzeggelijke nut van dit inmiddels onmisbare medium een duizendvoudige verruiming van lasjon hara. Momenteel kan  (en mag tot op grote hoogte) iedereen via sociale media laster, kwaadspraak, verzinsels e.d. over de hele wereld uitstrooien. Individuen en instituten in dienst van duistere belangen kunnen strategisch verzinsels de wereld insturen. Ik hoef de termen ‘alternative facts’  en ‘fake news’ (nepnieuws) niet meer te noemen.

Deze fenomenen betekenen een gevaarlijke ondermijning van de geloofwaardigheid van de maatschappelijke informatievoorziening. Wie en wat kan je nog als waarheid vertouwen?

Maimonides (4) signaleert de volgorde van het verval ten gevolge van lasjon hara: eerst begint de ziekte in de muren van het huis en als de getroffene niet tot inkeer komt gaat de plaag over naar zijn bed en huisraad en heeft ook dat geen effect, dan worden  zijn kleren aangetast en tenslotte wordt zijn lichaam met ‘huidvraat’ getroffen. Maar je kan het ook omgekeerd zien. De ziekte begint bij het individu, dat kwaadspreekt; als deze niet omkeert, besmet hij anderen en tenslotte de hele stad en zijn alle huizen met verval besmet.

Onlangs las ik ‘De Pest’ van Albert Camus (5). Onvermijdelijk moest ik n.a.v. de parasja aan deze geweldige roman denken. De pest overvalt de Algerijnse stad Oran – toen nog onder Frans beheer – . Het is niet voor niets denk ik, dat Albert Camus  deze ziekte als thema neemt. En de stad Oran, waar de plaag zich nestelt, als metafoor van de maatschappij. We lezen hoe de verschillende personages, dokter. Bernard Rieux – min of meer de hoofdpersoon – , de rentenier, de ambtenaar, de journalist, de voortvluchtige crimineel  en de priester omgaan met een samenleving, die complex en onbegrijpelijk is geworden. Ieder voor zich proberen zij betekenis te vinden in een wereld, die in de ban van een onbegrijpelijk lijden van zin ontdaan lijkt te zijn. Of proberen zij op zijn minst een reden te ontdekken om voort te gaan met handelen. Zeker kan je de roman opvatten een illustratie van het ‘humanistisch existentialisme’ van de schrijver.(6). Maar bedenk ook, dat de schrijver het boek heeft geschreven vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij aan het Franse verzet heeft deelgenomen. De pest kan dan ook gezien worden als metafoor voor fenomenen, die kenmerkend zijn voor het nationaal socialisme, het systeem, waarin afwezigheid van moraal regel was en het complex van leugens, misleiding en propaganda de motor was die het voortdreef.(7)

Tegen het slot van de parasja Metsora wordt verordend dat het huis, waar de plaag niet verholpen kan worden – ‘dan is het een kwaadaardige melaatsheid in het ​huis; het is ​onrein’ (14:44) – , moet worden afgebroken en buiten de stad moet worden gebracht. Dan heeft – in de sfeer van de metafoor –  de waarheid het veld geruimd en heeft leugen en misleiding de fundamenten en de muren fataal aangetast. 

Ik denk soms, dat een sluimerende plaag zonder dat we het merken – of willen weten – zich in kelders en muren nestelend klaarmaakt om ons te overvallen. En dat we moeten oppassen dat onze samenleving niet een huis wordt, dat steeds meer wordt ondermijnd door een inflatie van integriteit en feitelijke waarheid. En tenslotte moet worden afgebroken.

Camus besluit zijn boek met deze passage:
‘Luisterend naar de vreugdekreten, die uit de stad opstegen – de pest is voorbij (RC) – , bedacht Rieux, dat deze blijdschap nog steeds bedreigd werd. Want hij wist, wat die menigte onbekend was en wat men kan leren uit boeken, dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blij­ven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een geluk­kige stad’.
Zou Camus soms hebben gedacht aan het huis in deze parasja?

noten

 (1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev.

(2) Dit is als leerstuk van Sjmirat Halasjon tot in de meest subtiele details uitgewerkt door
Rabbi Israel Meir HaCohen Kagan, bijgenaamd de Chafetz Chaim (eind 19e eeuw).

(3) Sjemot/Exodus 20:16 U zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Sjemot/Exodus 23:1 ‘U mag geen vals gerucht verspreiden’
Sjemot/Exodus 23:7  ‘Houd u ver van bedrieglijke zaken’
Wajikra/Leviticus 19:16 ‘U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan’.

(4) Moses Maimonides, The Guide of The Perplexed, p. 370.

(5) Albert Camus, De Pest, De Bezige Bij, 1953. Er is inmiddels een nieuwe vertaling.

(6) Zie o.a. het Tijdschrift Raster, #90, 2000http://tijdschriftraster.nl/camus/albert-camus-de-pest/ .

(7) Een bevestiging vond ik in deze op internet gevonden passages in het boek over Camus van Carina Gadourek, Albert CamusUitleg en Aantekeningen bij zijn Werk, van Gorcum, 2000 p. 59 ev.

RC april 2017


 

Parasjat Sjemini  

Fanatisme en verontschuldiging

door Rob Cassuto

Wajikra 9:1 - 12:1

Nadat Mosjee zeven dagen lang Aharon en zijn vier zonen heeft voorbereid op hun priestertaak en geïnstrueerd heeft over de te brengen offers breekt de achtste dag aan – jom ha-sjemini - , de grote dag, dat de vijf mannen ter inwijding van de tabernakel de eerste offers gaan brengen. Nadat alles gereed is gemaakt en de menigte verzamelde Israëlieten in spanning afwacht daalt de presentie van de Eeuwige neer en een bliksemvuur verteert het brandoffer. Dit overweldigende gebeuren brengt het volk tot gejuich en het valt neer in heilig ontzag. Het is in deze sfeer, dat we zien hoe de twee oudste zonen van Aharon, Nadav en Avihoe,  aangeraakt door grote geestdrift, impulsief ieder een vuurpan pakken en er wierook op leggen, daarmee het zorgvuldig uitgelegd ritueel doorbrekend. Dat betaalden ze met hun leven, een tweede vuur schiet neer en verteert de twee priesters.

De rampzalige dood van deze twee zonen van Aharon heeft menige lezer voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om een bevredigend antwoord te vinden wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen. Een overzicht daarvan is te vinden in een ander commentaar van mij (1).

Een over brede linies gedeelde slotsom is wel, dat Nadav en Avihoe – overigens zeer gerespecteerde en vooraanstaande mannen – zich door een overstromende bezieling en blind enthousiasme geleid hebben gestort in een hyperindividuele daad, die het zorgvuldig opgezette systeem om heiligheid te benaderen, fataal heeft doorbroken.  Nadav en Avihoe zijn als het ware opgebrand aan hun fanatieke vroomheid en – zoals sommige kabbalisten opperen (2) – zijn zij, net zoals Icarus in de Griekse mythe te dicht bij de zon vloog,  te dicht bij de Eeuwige genaderd.  

Misschien moeten in deze trant de woorden van Mosjee begrepen worden, die hij na dit drama als bedoeling van de Eeuwige aan  Aharon verklaarde:  ‘In hen die tot Mij naderen, zal Ik ​geheiligd​ worden’ (Wajikra/Leviticus 10:3).
De twee zonen kunnen ook staan als archetypen voor fanatieke leidslieden, die in hun onvoorspelbaarheid en onberekenbaarheid tot impulsieve daden kunnen komen met soms zegenrijke, maar meestal fatale gevolgen. Volgens de kabbalisten zijn de onstuimige zielen van Nadav en Avihoe overgegaan op Pinchas en dan weer naar de profeet Elija (3). Als we rondkijken in onze wereld is het niet moeilijk politici te ontdekken, die aan deze archetypen beantwoorden en die met vuur spelen.

Laten we nog even kijken naar wat er volgt op de tragische dood van deze twee zonen van Aharon.
Als Mosjee in de woorden van pasoek 10:3 aan zijn broer heeft overgebracht, wat kennelijk de onderliggende grond van het drama is, geeft de beproefde vader geen antwoord. ‘En Aharon zweeg’.
Waren de woorden van Mosjee een schrale troost of zweeg Aharon uit onbegrip, of juist uit begrip en respect? In ieder geval rekent  de midrasj hem zijn zwijgen als verdienste en dicht hem een beloning toe (4). En inderdaad zien we in de pesoekiem 8 tot en met 11 van hoofdstuk 10, dat de eer aan Aharon toevalt, dat de Eeuwige het alleen tegen hem heeft en niet tegen Mosjee, zoals in vrijwel alle andere gevallen. Het gaat in dit geval om het aan de hogepriester meegedeelde verbod aan de priesters om wijn of sterke drank te drinken tijdens hun dienst, opdat zij het onderscheid tussen gewijd en ongewijd en rein en onrein kunnen maken.

Duidelijk neemt de Tora (en in het algemeen de Joodse praxis) de positie in, dat in zaken van (religieus, maar ook ander) levensbelang drank en drugs niet passen. Waren Nadav en Avihoe soms dronken tijdens dat ongevraagde reukoffer, vraagt de midrasj zich dan ook af, en is dat de aanleiding geweest voor deze bepaling?

Priesters moesten zich verre houden van de dood en daarom werden de lijken van Nadav en Avihoe niet door hun broers, maar door verre verwanten weggehaald en buiten het kamp gebracht. Aharon en de twee jongere zonen  Itamar en Elazar mochten ook geen rouw betonen, nu zij de zalvingsolie nog op zich hadden (de overige Israëlieten mochten wel rouwen). De ruw onderbroken inwijdingsplechtigheden moesten gewoon doorgaan. Die bestonden vooral uit het consumeren door de priesters van de gepleegde offers.

Aan het slot van de ceremonie vindt nog een merkwaardig incident plaats. Mosjee controleert of de consumptie van de offers door de priesters ook volgens de regels heeft plaats gevonden en constateert, dat het zondebokoffer niet is gegeten maar verbrand. Dat had naar de mening van de leider niet gemogen en hij vaart uit tegen Elazar en Itamar. Maar nu neemt Aharon het voor hen op en ditmaal zwijgt hij niet stil. Het komt erop neer – als ik de onduidelijke  tekst en de complexe  rabbijnse uitleggingen goed begrijp (4) -, dat in dit geval verbranding het juiste was, omdat het hier ging om priesters die net een bloedverwant hadden verloren.

Maar daar gaat het mij nu niet om. De rituele precisie, die het boek Wajikra (en de latere halacha) doordesemt heeft zijn actualiteit in de moderne wereld verloren. Mij gaat het om de reactie van Mosjee: hij geeft Aharon gelijk (10:20). Rasji expliceert: de leidsman ‘gaf zijn vergissing toe en schaamde zich daar niet voor. In plaats van te zeggen “ dat heeft de Eeuwige niet gezegd”, zei hij “Hij heeft het gezegd, maar ik heb het vergeten”’ (daarmee ook Aharons uitleg legitimerend).  Populair gezegd: sorry broer nu heb jij gelijk.  Als Mosjee een vergissing toegeeft zonder zich te schamen, hoeveel te meer moet schaamte of trots ons niet weerhouden om  een vergissing ruiterlijk erkennen…(kal we-chomer)

En op maatschappelijk en politiek niveau, hoe vaak zien we dat een bewindsman of president uit vrije wil (dus zonder pressie of imago-overwegingen) een vergissing toegeeft en sorry zegt?

Noten
(1) Rob Cassuto, Reizen door de Tora, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, p. 44 ev

(2) Shney Luchot HaBrit, Shmini, Torah Ohr, op Sefaria org

(3) Meer hierover in mijn commentaar op de parasja Pinchas, in Reizen door de Tora op cit., p. 132 ev

(4) Rasji ad loc

(5) Zie Talmoed  Zevachiem 101a en b

RC 2017


 

Verhaal van de week  

Aan de seidertafel: Magied

door Rob Cassuto

Het bevrijdingsproces kan starten als we ons bewust worden in hoeverre we slaaf zijn geworden.  Daarom moeten we steeds het verhaal van de Uittocht uit Egypte, de Jetziat Mitsrajim, aan elkaar vertellen. Het is een geschiedenisverhaal, maar we kunnen het daarnaast vertellen als een allegorie van onze weg door het leven. Zoals het in de Hagada staat onder de titel Magied (1) is het een citaat uit Deuteronomium 26 (woorden die de aanbieder van de eerstelingen van de oogst uitspreekt tegenover de priester), aangevuld met aanhalingen uit voornamelijk Exodus.

Mijn vader was een zwervende ArameeërHij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 
Het verhaal begint met een geboorte. De geboorte van een volk, het volk Israël, dat zoekend naar overleving van hongersnood landt in de echte maatschappelijke politieke wereld van het Midden-Oosten van toen, in Egypte. De 70 mensen rond Jacob groeien voorspoedig uit tot een heel volk, een politiek belangrijke minderheid in dat land. Minderheden zijn kwetsbaar, bedreigend voor de meerderheid. Vatbaar om als zondebok te dienen.
Daarnaast zou je het verhaal kunnen zien als de allegorie van de geboorte van onze ziel in deze wereld, de incarnatie van onze essentie in de materiële wereld. Aanvankelijk is de ziel nog onbesmet en schoon. Ezechiël vergelijkt in zijn profetie Jeruzalem en daarmee het Joodse volk met een baby, een meisje, waarover God zich ontfermt en dat opgroeit tot een mooie vrouw, aanvankelijk nog helemaal naakt.

Maar de Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen. 
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien begint de onderdrukking en steeds meer neemt zij toe. De sociale en politieke werkelijkheid – de materiele wereld - dringt zich steeds onvermijdelijker op met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen. Steeds meer wordt het volk Israël – en allegorisch gezien onze essentie, onze ziel – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Een scenario, dat steeds weer herhaald zal worden in de geschiedenis. De Joden als archetypische vreemdeling, als bedreigende minderheid.
Identificatie met de ons omringende wereld, het systeem van eisen en verwachtingen is eigenlijk onvermijdelijk. In de allegorie is het de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).

Toen klaagden we onze nood bij de Eeuwige, de God van onze voorouders. 
Het kan er dan toe komen, dat – vaak onderhuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp van de grotendeels aan de Egyptische afgoden gewend geraakte en geassimileerde Israëlieten. 
Helemaal vergeten en ontkennen van wie je in essentie bent is op den duur onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek de kern van ons levensbeginsel. We worden genoodzaakt onder ogen te zien, dat we gevangen zitten en dat we een uitweg willen zoeken.

En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte.
Die hulp komt door bemiddeling van Mozes. Hij realiseert zich dat hij niet thuis hoort bij de Farao en zijn staf, maar bij de onderdrukten, en hij besluit te kiezen voor hun bevrijding en de verlossing. In de Hagada wordt hij niet genoemd, om alle eer aan de Eeuwige te schenken, die Mozes als zijn spreekbuis heeft gekozen.
Allegorisch gezien is Mozes de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet wat het beste is om te doen:op weg gaan naar bevrijding uit onze oude beperkende gedachten en gedragspatronen. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je een idee over de weg die te gaan is.

Soms zijn verliezen, ziekten, kortom: de plagen (in het hebreeuws de makot) nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen. Dan pas komt Farao ofwel het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, het verlangen om op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.
Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van de slavernij hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

(1) Zie o.a. de zogenoemde  ‘Brede Hagada ' van het Verbond voor Progressief Jodendom onder 8 e.v.

RC 2017


 

Parasja Tsav  

Offer

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 6: 1-8:36

Evenals in de parasja Wajikra bevat de parasja Tsav (Draag op …) regels over het offeren. Tevens wordt beschreven, hoe Mosjee zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester heeft gewijd.
Wij offeren dieren en graanproducten niet meer, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling aan dierenoffers voorbij is.

Wel kunnen wij uit de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten ontlenen. In het Toracommentaar van Harvey Fields (1) worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Wajikra/Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou willen toevoegen: gericht op ontvouwing van het beste in onszelf op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uit gaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Laten we eens  proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken. Als offer zou je kunnen aanmerken:
- het ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol, overmatig eten, automatisch op de bank televisie kijken.
- het afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachten over Zelf en Anderen.
- het afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk aan de auto. Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- het een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst binnenhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- het afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.

Het grootste offer is het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem, zoals de dappere zioniste Hanna Senesh deed, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

Volgende week is het Pesach, het feest, dat wellicht is ontstaan uit het lentefeest van de herders, die de eerstgeboren lammetjes offerden, en  dat nu het feest is geworden van bevrijding, van uittocht uit de slavernij.

Dat Pesach samengaat met de parasja Tsav lijkt niet zonder zin. Het offer wil de voorwaarden scheppen voor verzoening en vernieuwing. Het offer beoogt om een innerlijke en tussenmenselijke plek te maken, die onbezoedeld is, ruim en open, waarin de gemeenschap zich kan vernieuwen tot een nieuwe etappe in de levensweg.

Een kosjere en blije Pesach toegewenst!

Noot
(1) Fields, Harvey J., Een Toracommentaar voor onze tijd, Vol. 2 Exodus and Leviticus, Stichting Sja’ar, 2003.

Herzien 2017 RC


 

Parasja Wajikra  

Roeping

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 1:1 – 5:26

Het derde boek van de Tora – na Beresjiet en Sjemot - heet Wajikra (Leviticus).  De eerste parasja heeft dezelfde  naam: Wajikra – Hij riep -  en bestaat uit de hoofdstukken 1-6, een uitgebreide beschrijving van de verschillende soorten offers, brandoffers, vredeoffers, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers. In Talmoed en Midrasj zijn de voorschriften over de offers, tempeldienst, de priesters en de Levieten tot in detail verder uitgewerkt en becommentarieerd.

Na de verwoesting van de tweede tempel is de offerdienst vervallen. Voor de praktiserende  - met name liberale - Joden hebben studie, gebed en goede daden de plaats van de animale offers ingenomen. Toch zijn in en onder de oude woorden onverwachte betekenissen te destilleren. Alleen al de eerste zin geeft aanleiding tot vele gedachten.

Die eerste zin van de parasja luidt (HSV):’ De Eeuwige  riep ​(איִּקְרָוַ, Wajikra) Mosjee en sprak tot hem (jedaber) vanuit de ​tent​ van ontmoeting: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen etc.’

In de Midrasj werd gesignaleerd, dat er eerst een roepen is en dan pas het spreken; kriya gaat voor dibboer.(1) Dat doet denken aan twee eerdere gevallen, waarin Mosjee eerst werd geroepen om dan pas te horen wat de Eeuwige hem te zeggen had. De eerste ‘roeping’ vindt plaats als Mosjee, gevlucht uit Egypte, als herder in afgelegen streken zijn kudde hoedt en bij de brandende doornstruik kennismaakt met zijn levensopdracht, de Israëlieten uit Egypte te leiden.

Sjemot 3:4:’Toen de Eeuwige zag dat hij (Mosjee) ging kijken (naar de brandende doornstruik), riep (wajikra) God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: ​'Mosjee, ​Mosjee! Hij zei: Zie, hier ben ik (Hinenni)!’

De tweede ‘roeping’ klinkt als Mosjee wordt gemaand de berg Sinaj te bestijgen om daar de woorden van de Tora te ontvangen. Sjemot 19:3: ‘De Eeuwige riep (wajikra) tot hem vanaf de berg: Zo moet u tegen het ​huis​ van ​Jaäkov​ zeggen en de Israëlieten verkondigen etc.’

Duidelijk gaat het bij dit roepen steeds om kardinale momenten in het leven van Mosjee en tegelijk om richting bepalende openblikken in de ontstaansgeschiedenis van het volk van  Israël, mijlpalen, die worden ingeluid door een roepen.

Zo ook bij de derde ‘roeping’. Wanneer de tabernakel is voltooid daalt de presentie van de Eeuwige neer, zoals beschreven aan het eind van Sjemot/Exodus (40:34). In Wajikra/Leviticus wordt de draad meteen weer opgenomen en is er weer zo’n moment aangebroken: vanuit de net voltooide misjkan wordt Mosjee geroepen. De Midrasj zegt, dat dat met dezelfde woorden gebeurde als in Sjemot 3:4, ‘Mosjee, Mosjee’, beantwoord door de geroepene met ‘Hinenni, hier ben ik’. Als Mosjee de tabernakel dan is binnengegaan  klinkt de boodschap van de Eeuwige vanuit het binnenste van de misjkan en onthullen zich de vele voorschriften over offers en reinheid, maar ook geboden als ‘heb je naaste lief als jezelf’.

Dat roepen is een oproep om werkelijk met hart en ziel te gaan luisteren, een wake-up call om aan te geven, dat een belangrijke boodschap op het punt van doorbreken is. De middeleeuwse meester Rasji hoort in de oproep een toon van genegenheid (chava) doorklinken.

Kunnen we dat nog transponeren naar ons eigen leven, in die roerige moderniteit, die zo anders is als het semi-nomadische leven in de steppen met zijn semi-theocratische leiderschap?

Worden wij nog met onze naam geroepen vanuit een binnenste? Worden wij nog met genegenheid vanuit een hoogte of een diepte gemaand om met hart en ziel te luisteren naar dringende boodschappen, die gehoord willen worden om ons richting te wijzen in ons leven?

Noot

(1) Sifra, Vayikra Dibbura d'Nedavah, Chapter 1:1


 

Parashat Bechoekotai 

Rampen

door Rob Cassuto 

Wajikra/Leviticus 26:3–27:34

De parasjat Bechoekotai is de laatste parasja van het boek Leviticus/Wajikra. Het is het forse slotakkoord van dit boek met zijn vele mitswot. In deze parasja, staan een reeks zegeningen "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen" en daarna een lange reeks indrukwekkend beschreven rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen”. Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen waren een gebruikelijke afsluiting van contracten in die oude Middenoostelijke tijden. Beschouwt men dit Bijbelboek Wajikra als (een belangrijk deel van) van het verbond van de Eeuwige met zijn volk, dan is deze afsluiting in lijn met destijds toegepaste contractuele gebruiken. Overtreding van overeengekomen verplichtingen werden gesanctioneerd met de meest vreselijke vervloekingen. 

Hoe gaan we om met al die straffen die de Tora middels de daar tot Mozes sprekende God in het vooruitzicht stelt voor het geval van ongehoorzaamheid aan Zijn voorschriften? 

Wel, die straffende God, daar geloven wij niet meer in, maar in deze parasja – die wel de Tochacha, de berisping wordt genoemd – klinkt wel een basale intuïtie door, die zich niet tot het individu richt, maar tot het collectief, de gemeenschap. Wij kunnen hem lezen als een intuïtie, die in de bijbelse taal gericht is aan het volk van Israël, maar die geldt voor ieder volk, het is een universele intuïtie: de gemeenschap, die de regels van gerechtigheid aan zijn laars lapt, die de voorschriften om voor de armen, de weduwen en de wezen te zorgen verwaarloost, die de vreemde ander onderdrukt, nalaat de werkers hun loon te betalen, die zich bezondigt aan omkoping en corruptie, aan partijdigheid in de rechtspraak, aan haatzaaien, zo'n gemeenschap of maatschappij loopt het gevaar tot anarchie te raken, tot geweld en tot oorlog, die staat bloot aan rampzalige ontwikkelingen, waarvan deze parasja zo'n kleurrijke bloemlezing geeft en waarvan de wereld van vandaag op zo vele plaatsen getuigenis geeft, ik noem geen namen. Het is een maatschappij, waarin de mensen elkaar als object zien - ieder voor zich de ander beschouwend als object in zijn eigen wereldje - , een samenleving, waarin de mensen niet meer het gelaat van de ander zien, dat een appèl doet op gerechtigheid en compassie. Een maatschappij of gemeenschap, waarin de goedheid van de mens is verzonken, kortom die ‘van God los' is. 

De lotgevallen van het volk van Israël lijken dan een soort pilot project voor alle volken. Is de geschiedenis van het joodse volk niet een vaak bittere voorbeeldgeschiedenis van de worsteling om met vallen en opstaan een ‘goed' volk te zijn, een volk, dat het gevaar loopt het slachtoffer te zijn van machtige volken, die op hun beurt de vreemdeling haten en kwade bedoelingen hebben? 
In die zin roept deze parasja ons nog steeds toe. 

Gelukkig hoeft niet ieder lid van de gemeenschap een heilige te zijn, want in het begin van deze parasja staat ook onder de zegeningen – die zijn er gelukkig ook – deze passage: 
26:8  Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld. 

Wanneer je deze belofte van de militaire sfeer overhevelt naar de spirituele sfeer- zoals de Oude Wijzen doen(1) - , dan mag je constateren, dat naarmate de minderheid van getrouwe rechtvaardigen zich vermeerdert hun invloed niet lineair, maar onevenredig toeneemt. Als tien honderd aankunnen, dan kunnen honderd niet alleen tweeduizend man aan, maar veel meer, wel tienduizend! Een ‘kritische massa' van rechtvaardigen – laten we zeggen een massa van fatsoenlijke tot verlichte mensen - kan de samenleving voor rampen behoeden. 
Maar zeker is, dat minder dan tien niet voldoende is, zoals Avraham ervoer toen hij de redding van Sedom trachtte af te smeken.

(1) Vermeld in Nechama Leibowitz' commentaar op Bechoekotai

bron van de afbeelding op de voorpagina: Jeruzalem Post


 

Parashat Behar 

Het Joweel-jaar

als utopisch moment

door Rob Cassuto 

Wajikra/Leviticus 25:1 - 26:3 

In het Bijbelboek Wajikra/Leviticus, in de weekportie ‘Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.

Na 49 jaren is het vijftigste jaar een Joweeljaar (jubeljaar); In dat jaar komt ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

‘Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweeljaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen’ (Waj/Lev. 25, 9-10) en: "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" (Waj/ Lev. 25,23) 

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door. 

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet. 
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht', dat eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles
"van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ". 
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd. 

In onze wereld van kapitalisme en materialisme hebben we bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de "Joweel-tijd" 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment: 
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld (Even niet nadenken over de andere complicaties die dit met zich mee zou brengen …). Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine....

En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld. 
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ". 
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor. Imagine…
En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat. Hoe? Fantaseer.
Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes millennia een sjabbat-millennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. Talmoed Sanhedrin 92a).

Maar nu even een lichte voet op de rem: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats. 
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden: 
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.

En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. (laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden, God verhoede). 
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.  En om te weten hoe wij misschien - voor een schijnbaar nietig stukje -  zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn. De beroemde filosoof-bijbelgeleerde Yeshayahu Leibowitz (1903-1994) zegt: ‘de Masjieach zal komen, eens. De masjieachs die kwamen waren vals. De masjieach die komt is vals. Het kenmerk van de Masjieach is dat hij altijd komende is’….(1)

(1) https://www.youtube.com/watch?v=AVYGRwVfSSQ


 

De 33e dag van de

Omer-telling 

Lag baOmer en

Sjimon bar Jochai

door Rob Cassuto 

In de periode tussen Pesach en Sjavoeot tellen we 49 dagen lang Omer vanaf de tweede dag van Pesach tot de vijftigste dag: het Wekenfeest (Hebreeuws: Sjawoeot).

Donderdag 26 mei aanstaande, de 33ste dag van de Omer-telling, is het Lag BaOmer.
Waar komt deze speciale dag vandaan? Op die datum, 18 Ijar, vond een positieve wending plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling een periode van lichte rouw, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24.000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw van de gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar.
Rabbijnen vergelijken deze raadselachtige en wrede gebeurtenis met Nadav en Avihoe, de twee zonen van Aharon, die wegens ‘vreemd vuur' (eesj zara) door de bliksem werden getroffen (Lev. 9:23-10:4), waarschijnlijk omdat zij in hun fanatieke toewijding het contact met hun omgeving en hun dienende taak verloren hadden.

De  leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren op vergelijkbare manier de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden – en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva.

Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn.

Ruim twee jaar lang was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, in 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.

De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie tegen de Romeinen hebben gestreden? Waarschijnlijk zijn ze dan als strijders op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in religieuze en morele sfeer.

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht toevlucht in een grot, 13 jaar lang. 

De legende verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werden opgeschreven door R. Moses de Léon.

Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengde de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”. Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen.

Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd. Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan. 

Op 18 Ijar stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen.

Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zogenaamde ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag. 
In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.


 

Parasja Kedosjiem 

Wat is liefhebben?

door Rob Cassuto 

Wajikra/Leviticus 19:1–20:27

Iedereen kent wel in een of andere vorm de zg. Gouden Regel, The Golden Rule’.
In vele wereldgodsdiensten en levensbeschouwingen komt hij wel in een of andere vorm voor, maar het meest bekend – in ieder geval in het Christelijke deel van de wereld – is hij in de formulering: Hebt uw naaste lief als u zelf of Wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.

Als je de vraag stelt: wie heeft de uitspraak ‘Hebt uw naaste lief als uzelf’ gedaan, krijg je in de meeste gevallen het antwoord: …… Jezus. Op zich heeft hij dat wel gezegd, maar hij citeerde - als de Joodse leraar die hij ook was - uit de Joodse Tora, uit het boek Leviticus: hoofdstuk 19, vers 18, in de parasja Kedosjiem: Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Eeuwige.

Het lijkt zo’n loffelijke uitspraak, hebt uw naaste lief als uzelf, maar voor je het weet wordt het een trits mooie woorden, die je makkelijk als een utopische tegelwijsheid naast je neerlegt om over te gaan tot de orde van de dag.

Wat is liefhebben? Het is zo’n vraag, die als cliché de indruk maakt een vreselijke dooddoener te zijn. Maar Joodse bijbelgeleerden met hun praktische instelling en nuchtere kijk weten de vraag tot proporties terug te brengen, die enige beschouwing toch mogelijk maken.

Het is geen romantisch voorschrift om tegenover iedereen tedere en liefderijke gevoelens te hebben. Hoe kan je dergelijke gevoelens ook door een gebod afdwingen? Wat te doen als je iemand absoluut niet mag? En wat heb je aan de liefderijke gevoelens van iemand, die je als je honger hebt geen brood geeft?

De middeleeuwse commentator Nachmanides betwijfelt het menselijk vermogen aan dit zo absolute gebod op emotioneel niveau te kunnen voldoen.

Er staat in het hebreeuws trouwens ‘Ahawta le-reacha k’mocha’, wat als je het heel letterlijk vertaalt betekent: Heb naar de ander toe lief, die ander staat als het ware niet in de vierde naamval – wat je ook in het hebreeuws zou verwachten - maar in de derde naamval. Dat brengt het liefhebben in de sfeer van het streven en niet zozeer als een te volbrengen resultaat.

Nachmanides en anderen stellen, dat het niet om de naaste als persoonlijkheid is te doen, maar om zijn welzijn. Het welzijn – materieel en geestelijk - van de ander dient je net zo ter harte te gaan als je eigen welzijn. Dan wordt het voorschrift de ander lief te hebben als jezelf wel vatbaar voor een actieve uitvoering, al is het op een andere dan de romantische manier ook moeilijk genoeg. Het gaat om goed te doen en het welzijn van de ander te bevorderen, zelfs al heb je van die ander een afkeer. Het gaat dan niet alleen om die edele trits uit het verhaal van de barmhartige Samaritaan, de giften van voedsel, kleding en onderdak (Lukas 10:25–37) – dat zeker ook – maar ook om een reeks schijnbaar minder spectaculaire, kleinere en alledaagse daden van hulp en hoffelijkheid. 

Geen woorden maar daden zingen de voetbalfans van Feyenoord. Het Jodendom zingt: woorden, desnoods veel woorden, maar wel leidend tot concrete daden. In de Tora staat een bepaling die steun geeft aan een daadwerkelijke uitvoering van naastenliefde, ook in het geval van niet sympathieke personen. In Exodus 23:5 is te lezen: ‘Wanneer gij de ezel van uw vijand onder zijn last ziet bezwijken, zult gij dit niet onverschillig aan hem overlaten. Gij zult hem zeker helpen met afladen’. Hier heeft Jezus misschien wel aan gedacht toen hij kwam met zijn abstractere adagium ‘Hebt uw vijanden lief’.

Deze opvatting van Nachmanides en latere commentatoren geeft ons voor een deel een grote opluchting: we hoeven niet van iedereen als persoon te houden, niet van die vervelende buurman te houden, niet van die lastige collega’s en ook niet van alle nieuwere Nederlanders van Caribische, Zuid-Amerikaanse, Afrikaanse of Middenoosterse afkomst. We hoeven zelfs niet van alle Joden te houden. Maar het geeft ons wel een verantwoordelijkheid: om ons te bekommeren om hun welzijn, om het materiële en geestelijke welbevinden, en om hen vriendelijk en hoffelijk tegemoet te treden.


 

Parasha Acharé Mot 

Een voorwaarde voor

verzoening

door Rob Cassuto 

Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30

In deze parasha – in hoofdstuk 16 - wordt de Grote Verzoendag, Jom Kipoer ofwel Jom Ha-Kippoeriem, ingesteld en de procedures die de hogepriester, de Kohen Gadol, heeft te volgen om verzoening voor de gepleegde zonden te bewerkstelligen, worden uitgebreid beschreven. Dit hoofdstuk 16 wordt gelezen in de ochtenddienst van Jom Kipoer

Er zijn drie fasen in het verzoeningsproces. Eerst maakt de Hogepriester – beschreven in de persoon Aharon – verzoening voor zichzelf. Dan doet hij als gezuiverde voorganger een gelijksoortig ritueel voor het hele priesterhuis en als derde fase wordt de verzoening bewerkstelligd voor het gehele volk.
Daarbij worden twee bokken onderworpen aan het lot. Het ene lot treft de bok die wordt opgedragen aan de Eeuwige en geofferd, de andere bok wordt door de Hogepriester belast met de zonden van het volk en de woestijn ingejaagd.

In de moesaf (aanvullende) dienst op Jom Kipoer wordt de tempeldienst, zoals die beschreven is in het Talmoed traktaat Joma, dat gaat over Jom Kipoer, gelezen en als het ware meebeleefd. Daarin wordt de tekst van elk van de drie fasen afgesloten met de zin die het einde van hoofdstuk 16 uit deze parasha concludeert in de woorden:
ל  כִּי-בַיּוֹם הַזֶּה יְכַפֵּר עֲלֵיכֶם, לְטַהֵר אֶתְכֶם:  מִכֹּל, חַטֹּאתֵיכֶם, לִפְנֵי יְהוָה, תִּטְהָרוּ.   
Ki bajom hazè jechaper aleichem letaher etchem mikol chetoteichem lifné Hashem titharoe.

We volgen de vertaling van A.S. Onderwijzer, die het meest letterlijk vertaalt:
‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige.’
Het lijkt logisch dit zo op te vatten dat de eerste zin in een intentie stelt: ‘om u te reinigen’. De tweede zin formuleert die intentie als vervuld, het doel als bereikt: ‘van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige’.

Maar in de Mishna – de schriftstelling van de mondelinge leer en de kern van de Talmoed – wordt anders geredeneerd: de woorden worden anders verdeeld over de twee zinnen.

De eerste zin wordt gelezen als ‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen van al uw zonden vóór de Eeuwige’. De tweede zin bevat alleen het Hebreeuwse ‘titharoe’,  ‘je zal rein zijn’, in de zin van  ‘jezelf rein hebben gemaakt’.

Deze lezing vinden we terug in de interpretatie van R. Eleazar ben Azariah: voor overtredingen tussen de mens en de Alomaanwezige verschaft Jom Kipoer verzoening, maar voor overtredingen tussen de ene mens en de andere verschaft Jom Kipoer pas verzoening als hij het met zijn naaste heeft goedgemaakt. (Misna Joma 85b). In zijn uitleg wordt ‘titharoe’ op het eind van de tweede zin gelezen als werkwoordsvorm in aansporende zin: laat u zichzelf (eerst) reinigen!
Het is dan geen follow up van de eerste zin, maar eerder een conditie voor de eerste zin; de Eeuwige zal pas verzoenen voor alle zonden, als u rein ben door u zelf gereinigd te hebben van de verkeerdheden in relatie met uw naasten, door wat misdaan is met hen goed te maken.

Intussen is dit de mainstream opvatting geworden van de leer rond de verzoening op Jom Kipoer.


 

De zevende dag Pesach 2016

Religie, Jodendom en

de nieuwe tijd

door Rob Cassuto 

De laatste dagen van de Pesach-week staan in het teken van de komst van de messiaanse tijd.
De haftara (lezing uit de Profeten) voor de zevende dag Pesach, die op deze sjabbat valt, is Jesaja 11;1-10 ,12:1-6, beroemde passages, waarin o.a. de wolf naast het lam zal liggen en waarin van de Masjieach wordt gezegd, dat ‘de geest van de Ene op hem (zal) rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de Ene’ .
Voor mij aanleiding om eens de polsslag te nemen van deze tijd.

Hebben religies inclusief Jodendom in de toekomst nog betekenis? Om deze vraag te verkennen  spring ik eerst naar het verleden en nodig u uit met mij in snelle vogelvlucht van eeuwen her naar nu te reizen. De vraag werpt zich op: zit er in de godsdiensten zelf en in de beleving ervan in de menselijke ziel en geest een ontwikkeling? Is er een evolutie te vinden, een progressie? Een ingewikkelde en misschien overmoedige vraag voor een wetenschappelijke amateur als ik ben, maar ik moet hem in dit verband toch stellen. Ik wil dan pijlsnel een onvermijdelijk zeer generaliserende antropologische tocht maken.

Tot de Verlichting

Aan het begin zien we dan de archaïsche en magische wereldbeleving van de stam. Onderzoekers is het opgevallen, hoe in het millennium vóór het begin van de westerse jaartelling enorme veranderingen zich voltrokken in het religieus bewustzijn. Het wordt wel het axiale tijdperk genoemd. Er ontstond een nieuwe visie op de mens en zijn plaats in de kosmos. De mensheid of althans zijn voorhoede trad uit de donkerte van archaïsche totems en taboes en mythische wereldbeleving met zijn goden en helden. De lichtkring van bewustzijn verbreedde zich.

Er kwam een inzicht op dat de mens de opdracht had zich in het leven te ontplooien. In verschillende vormen werd een ethische opdracht geformuleerd. Een besef van de transcendente aanwezigheid van een Absolute achter alles. Boeddha verkondigde zijn visie op wereld, leven, lijden en verlichting. Bij het Joodse volk was Mozes de doorgever van revolutionaire voorschriften aan zijn volk over hoe met elkaar om te gaan en met de voorbestemming om een voorbeeld voor andere volken te zijn. De Tien Geboden en andere belangrijke ethische uitgangspunten werden onder woorden gebracht.

Oude archaïsche beelden en de mythische wereldbeschouwing van het volk, rijk aan beelden, vol godenverhalen verdwenen niet. Maar aan hen werd een nieuwe rijke inhoud gegeven, ze werden getranscendeerd. Veel daarvan is nog in de Joodse Tora, de eerste vijf boeken van de bijbel, terug te vinden. Dat was alles bij elkaar een enorme vooruitgang.

De bestaande wereldgodsdiensten begonnen hun opmars, inclusief de latere loten van christendom en islam. Wel zien we de neiging om de spirituele doorbraken van ooit, die in het begin geleefde waarheden waren, in te kapselen in dogma’s en machtsstructuren. Eerbiedwaardige en machtige instituten als de kerk werden uitbaters van absolute waarheden. Ook worden deze dan beleden in de sociaal begrensde kring van de eigen gelovigen, waarbuiten geen andere waarheid kon bestaan. De staat was vooral het terrein waarop religie zijn invloed uitoefende.

Om reden van de nodige beknoptheid laat ik de Helleense invloed even terzijde.

De moderniteit

We passeren heel snel een aantal stations op deze lange mars door de eeuwen en komen via de Renaissance en de wetenschappelijke omwentelingen in de 17e eeuw bij de Verlichting. Deze beweging, gekenmerkt door een vernieuwde en scherpere toepassing van de rede op de feiten van de wereld (met name door experimentele toetsing) deed de oude gebouwen van dogmatiek en kerkelijke autoriteit wankelen. De wereld werd kleiner en de analyserende blik van de mens reikte naar onvermoede verten. Ook God moest eraan geloven.

Ik beschouw de fase van de Verlichting als een fase in de evolutie van het religieus bewustzijn en het beleven van de mens en ik zie de gave tot objectief onderzoek van feiten met behulp van rede en experiment als een ongekende expansie van het bewustzijn van de mens en een enorme verruiming van zijn mogelijkheden, ook om de oude absolute dogma’s en benauwende claims van de religieuze instituten van de religie te overstijgen. Het is een progressie in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn met een onpeilbaar grote invloed ook op levensbeschouwing en religie. De moderniteit was aangebroken. Met alle voordelen vandien en de prijs die de mensen ervoor betalen.

De mogelijk van secularisatie werd door brede massa’s aangegrepen. Voor de Joden betekende de Verlichting emancipatie uit het getto. Het gaf de mogelijkheid de overgeleverde tradities in een nieuw en ruimer licht te zien. Sommigen stapten helemaal van hun geloof af en kozen voor assimilatie.

Omdat de mensen toch niet zonder perspectief kunnen en opgenomen willen zijn in een enthousiasmerend perspectief dat hun eigen leven ontstijgt ontstonden in de moderniteit pseudo-religieuze bewegingen, die een enorme impact op de wereld zouden hebben. Nationalisme, het materialistische marxisme of het kapitalistisch-liberale vooruitgangsgeloof.

Onder de seculiere profeten die opstonden konden we trouwens nogal wat Joden ontwaren zoals Karl Marx met zijn socialistisch-messiaanse theorieën en Sigmund Freud, die als een moderne Mozes door de wildernis van het innerlijk trok.

Wat nu?

We zijn inmiddels aangeland in de postmoderne periode. De net genoemde surrogaatgeloven zijn van hun voetstuk gevallen en hebben hun magnetische impact op geest en ziel verloren. Wat er overgebleven is aan kerk of geloofsinstituut probeert krampachtig nog een bestaansrecht te claimen. Met de enorme technologische ontwikkelingen lijkt de triomf van de ratio compleet. Maar ook het rationele tijdperk heeft zoals elke fase zijn vervorming; het is de absolutistische en uitsluitende pretentie, die het als het ware heeft overgenomen van de oude religieuze instituten, maar nu om het niet manifeste, het innerlijk, het spirituele en God te ontkennen. Alleen wat gemeten en bewezen kan worden is waar. De ratio is geen instrument meer maar absoluut heerser en zijn neef ‘het objectief aantoonbaar nut’ is zijn vazal.

Ook in het seculiere vooruitgangsgeloof zijn de barsten maar al te zichtbaar en voelbaar.

Hoe enorm is de wereld veranderd! Communicatie reikt tot in de verste uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourced. Medische vorderingen strekken tot zegen. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het Westen voor velen beschikbaar. Maar ook: tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte vaart. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig en we hebben ook iets onmetelijks verloren.

We kunnen natuurlijk onze ogen sluiten en gewoon lekker leven. Een joodse witz brengt dat aardig in beeld: Rabbijn Goldberg stormt zijn huis in en roept:
- Rivka, Rivka, ik heb het net doorgekregen, over twee weken komt de Masjieach!
- Rivka: Oj gewalt, waarom net nu, we hebben net ons nieuwe huis afbetaald, een nieuw bankstel gekocht en een moderne keuken laten installeren...
- Rabbijn: Ach Rivka, je moet denken, we hebben Farao overleefd, Haman, Bergen Belsen, de Masjieach overleven we ook wel...

Maar Rivka kan de problemen niet voortdurend ontkennen.
Wat nu? Hebben de religies ons nog iets te bieden?

We kunnen eigenlijk best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Wat verlies je als je bijvoorbeeld Jodendom en Christendom zou afschaffen?
Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - :ethiek, gemeenschap en geschiedenis.

wordt vervolgd


 

Pesach 2016

Uit de Hagada: Magied

door Rob Cassuto 

Het bevrijdingsproces kan starten als we ons bewust worden in hoeverre we slaaf zijn geworden. 
Daarom moeten we steeds het verhaal van de Uittocht uit Egypte, de Jetziat Mitsrajim, aan elkaar vertellen. Het is een geschiedenisverhaal, maar we kunnen het daarnaast vertellen als een allegorie van onze weg door het leven. Zoals het in de Hagada staat is het een citaat uit Deuteronomium 26 (woorden die de aanbieder van de eerstelingen van de oogst uitspreekt tegenover de priester), aangevuld met aanhalingen uit voornamelijk Exodus.

Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 
Het verhaal begint met een geboorte. De geboorte van een volk, het volk Israël, dat zoekend naar overleving van hongersnood landt in de echte maatschappelijke politieke wereld van het Midden-Oosten van toen, in Egypte. De 70 mensen rond Jacob groeien uit tot een heel volk, een politiek belangrijke minderheid in dat land. Het volk groeit aanvankelijk voorspoedig uit. 
Je zou het kunnen zien als de allegorie van de geboorte van onze ziel in deze wereld, de incarnatie van onze essentie in de materiële wereld. Aanvankelijk is de ziel nog onbesmet en schoon. 
Ezechiël vergelijkt in zijn profetie Jeruzalem en daarmee het Joodse volk met een baby, een meisje, waarover God zich ontfermt en dat opgroeit tot een mooie vrouw, aanvankelijk nog helemaal naakt.

Maar de Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen. 
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien dringt de materiele wereld zich steeds onvermijdelijker op met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen. Steeds meer wordt het volk Israël – en allegorisch gezien onze essentie, onze ziel – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Opvoeding, indoctrinatie en andere ingrijpende lotgevallen, die ons overkomen doen ons steeds meer accommoderen aan het systeem, tot in die mate dat we ons bijna geheel geïdentificeerd hebben met dat omringende en onderdrukkende systeem; het systeem hebben we zelfs binnen onszelf gehaald, het heeft ons bezet. Het is een onvermijdelijke fase in de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal). Symptomen daarvan zijn de verslavingen waar we geweten of ongeweten aan zijn onderworpen. Zaken waar je fysiek of emotioneel aan verslaafd bent: voedsel, seks, geld, je auto, je huis, je verwachtingen e.d. Maak daar eens een lijst van, raadt rabbijn Marianne van Praag ons aan in haar overdenking. En verbrandt het - symbolisch - samen met de gevonden chameets.

Toen klaagden we onze nood bij de Eeuwige, de God van onze voorouders. 
Helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak onderhuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp van de grotendeels aan de Egyptische afgoden gewend geraakte en geassimileerde Israëlieten. 
We worden genoodzaakt onder ogen te zien, dat we gevangen zitten en dat we een uitweg willen zoeken.

En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte. 
Die hulp komt in de vorm van Mozes. Hij realiseert zich dat hij niet thuis hoort bij de Farao en zijn staf, maar bij de onderdrukten, en hij besluit te kiezen voor de bevrijding en de verlossing. In de Hagada wordt hij niet genoemd, om alle eer aan de Eeuwige te schenken, die Mozes als zijn spreekbuis heeft gekozen. Allegorisch gezien is Mozes de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je idee over de weg die te gaan is. 

Maar als onder leiding van Mozes de strijd begint is die nog niet meteen beslist. Nog tien plagen zijn nodig om de Farao op de knieën te brengen. Het echte gevecht is net begonnen. Farao, of allegorisch gezien het systeem, dat zich grotendeels laat vertegenwoordigen binnen ons door wat je het ego kan noemen, dat ego is hardnekkig. Het vindt zichzelf onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn misschien wel meerdere crises (psychische dieptepunten, tegenslagen, soms zelfs verliezen, ziekten, kortom: de plagen, in het hebreeuws de ‘makot') nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen. Dan pas komt Farao ofwel het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, het verlangen om op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.

Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

Zie voor meer hierover de ‘Brede Hagada’ van de LJG p.8 e.v.


 

Parasha Metsora

Het verhaal van de vier

lepralijders

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 14-16                                                               

De parasja

In de parsje Metsora  - in dit schrikkeljaar apart gelezen - volgen reinigingsvoorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsara'at en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen. 
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen, al zien de oude wijzen tsara'at vooral als een uiting van en een sanctie op een ‘ innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder en zijn Schepper' (1 ) 

Het verhaal van de vier lepralijders

Ditmaal richt ik de schijnwerper verder op de haftara (aanvullende lezing uit de profeten) van de parasja Metsora (‘de met tsaraät besmette’). In de liberaaljoodse cyclus in Nederland is dat 2 Divree Hajamiem/Kronieken 26:1-23, het verhaal over hoe koning Oezijahoe (Uzzia) melaats werd, toen hij de offerwetten in de wind sloeg en zelf het reukoffer wilde brengen in plaats van de hogepriester. In veel andere gemeenten is het echter de haftara 2 Melachiem/Koningen 7:3-20, het verhaal van de vier melaatsen. Het is een interessant klein drama, dat waarachtig wel een toneelstuk of film waardig is en tegelijk ook stof tot morele overdenking biedt. 

Het voorspel is de langdurige belegering van de hoofdstad van het koninkrijk Israël, Sjomron (Samaria) door de koning van Aram. De bevolking is uitgehongerd en zelfs een ezelskop en een zakje duivenmest (waarin soms nog graankorrels zijn te vinden) zijn onbetaalbaar geworden. De koning, loopt over de muur en hoort hoe een vrouw haar kind heeft gekookt en opgegeten. Hij scheurt zijn gewaad en het volk ziet hoe hij een boetekleed op de naakte huid draagt. De wanhopige en razende vorst zweert wraak, niet aan de Eeuwige, maar aan zijn aardse vertegenwoordiger, de profeet des vaderlands, Elisja, wiens hoofd die avond nog van zijn romp gescheiden moet zijn, aldus de vorst. 
Maar zo'n vaart loopt het niet. 

Volgende scène, de kamer van Elisja. De koning en zijn adjudant komen bij Elisja aan en meteen neemt de man Gods het woord: ‘Luister naar wat de Eeuwige te zeggen heeft: morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Sjomron één sjekel kosten, en twee schepel gerst ook één sjekel.' De adjudant van de koning zegt: ‘Zelfs al zou de Eeuwige de ramen van de hemel (voor voedsel) openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!' Maar Elisja antwoordt de man: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.' 

Met deze raadselachtige woorden gaat de scène over naar de poort van de stad Sjomron. Vier melaatse mannen, lepralijders, die immers buiten stad en gemeenschap zijn gestoten, steken de koppen bij elkaar. Ze besluiten over te lopen naar het Aramese kamp. ‘of we sterven hier of de Arameeërs brengen ons om, maar misschien hebben we daar nog een kans', zeggen ze. Maar als ze bij het vallen van de avond bij het kamp komen blijkt het uitgestorven, geen mens te bekennen. De paarden en ezels staan er nog, de tenten zijn nog vol spullen, maar geen Arameeërs.

Flash back naar het kamp: De Aramese soldaten horen een enorm geraas, het geluid van wagens en paarden, die naderen. Een gemeenschappelijke massahypnose heeft hen bevangen. ‘De legers van Egypte en de Hittieten zijn in aantocht, gecharterd door Israël!', schreeuwen ze tegen elkaar en halsoverkop stormen ze het kamp uit om het vege lijf te redden met achterlating van paarden, ezels, have en goed. 

Het Aramese kamp. Terug naar de lepralijders. Het is nacht en ze doen zich tegoed aan het achtergelaten voedsel en ze pakken goud en zilver, kleding en dekens uit de eerste tent en verstoppen de buit. Maar in de tweede tent, die ze betreden, overvalt hun de twijfel. Hun geweten of angst voor straf brengen hen terug naar de stadspoort. 

De stadspoort. De lepralijders verwittigen de poortwachters van hun wonderlijke bevinding. Die brengen het nieuws midden in de nacht naar de koning. 

Het paleis. De koning hoort het nieuws en schrikt zich dood. Het is een hinderlaag, denkt hij. Maar een adviseur stelt een experiment voor. Er zijn nog vijf paarden over, laat die met hun berijders naar het kamp gaan om uit te vinden wat er aan de hand is. Zo gebeurt het. 

Het kamp van de Arameeërs. Twee wagens rijden uit en arriveren in het kamp. Wat blijkt, de Arameeërs hebben inderdaad spoorslags het kamp verlaten, tot aan de Jordaan liggen hun kleren en stukken van hun wapenrusting, in paniek weggeworpen. Bericht hiervan aan de koning.
 
De stadspoort. Het is ochtend geworden. Een massa van opgewonden stadsbewoners stormt naar buiten om voedsel in het Aramese kamp te bemachtigen. De adjudant van de koning - de adjudant die in de kamer van Elisja met zijn cynische grap kwam - heeft het commando over de poortwacht gekregen en moet erop toezien, dat het buitgemaakte voedsel goed wordt verhandeld. Nog net hoort hij: ‘een schepel tarwebloem één sjekel , en twee schepel gerst ook één sjekel' . Dan wordt de man onder de voet gelopen door de uitzinnige menigte en laat het leven.

In dit mooie en wrede verhaal zijn de helden geen koningen, moedige militairen of hoogstaande ridders maar verworpenen van de samenleving, uitgestoten lepralijders. De personages hebben geen naam en geven het verhaal een universele strekking (2). Wat geeft dit verhaal u als lezer in? Misschien: de uitredding of verlossing hoeft niet te komen uit de politiek, uit militaire strategie, op het niveau van regeringen en hoogwaardigheidsbekleders, maar kan komen uit onverwachte hoeken, van onderop, misschien wel uit de laag van verworpenen en lijdenden (3). 

De Masjieach als lepralijder 

Zelf had ik een associatie met een merkwaardige anekdote uit de Talmoed (4), waarin de Talmoedleraren een discussie hebben over wanneer en hoe de Masjieach zal komen. Rabbi Josjoea ben Levi stond eens bij het graf van R. Shimon bar Jochaj toen de profeet Elijahoe (Elia) aan hem verscheen. Rabbi Joshua haastte zich zijn brandende vraag aan de profeet te stellen: ‘Wanneer komt de Masjieach?', ‘Vraag het hem zelf', ‘Waar kan ik hem dan vinden?', ‘Hij zit tussen de arme lepralijders buiten de poort van Rome. De lepralijders verbinden hun wonden allemaal tegelijk, maar hij doet iedere wond apart, de een na de ander, zodat hij onmiddellijk, zonder vertraging klaar is om te komen, wanneer de tijd daar is', antwoordt Elijahoe. Rabbi Josjoea reist naar Rome, herkent de Masjieach tussen de andere lepralijders en stelt hem de essentiële vraag: ‘Wanneer komt u?'. ‘Vandaag' antwoordt de Masjieach. De rabbi reist terug en als hij Elijahoe weer ontmoet zegt hij hem: ‘Hij heeft mij voorgelogen, hij zei, dat hij vandaag zou komen, maar dat heeft hij niet gedaan!'. Elijahoe antwoordde, ‘Dit is wat hij heeft gezegd: vandaag, als je Zijn stem zal horen'. 

Er was dus een voorwaarde aan verbonden, die de goede verstaander zou weten te verstaan als verwijzing naar psalm 95:7: ‘ Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand. Vandaag, als je Zijn stem zal horen' Hajom iem bekolo tismaöe ). En dat laatste is nu nog steeds niet het geval. 
Beetje flauwe ontknoping, zou je kunnen zeggen, maar wat treft is dat hier ook het element van verlossing en bevrijding wordt gesitueerd in de sfeer van de ‘verworpenen der aarde' (5).

(1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev.

(2)  Het verhaal zelf bevat geen namen. Enig verder lezen onthult dat het gaat om koning Benhadad II van Aram en koning Jehoram van Israël. Rasji veronderstelt, dat het bij de vier lepralijders gaat om Gehazi, Elisja's assistent, die na malversaties is geslagen met lepra, en zijn zonen.

(3)  Zie Nechama Leibowitz' uitgebreide behandeling van dit verhaal, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 141 ev.

(4) Talmoed Bavli, Sanhedrin 98a.

(5) Emmanuel Levinas gaat uitgebreid in op het gegeven van de lijdende Masjieach in zijn Messiaanse Talmoedlezingen, zie Marcel Poorthuis, ‘Het gelaat van de Messias, Messiaanse Talmoedlezingen van Emmanuel Levinas', B. Folkertsma Stichting voor Talmoedica, 2e druk, 1993.

 

 

Parasha Tazria

Vrouw en eros

door Rob Cassuto

Wajikra/Sjemot 12-14                                                              

De parasja

Een man of een vrouw  kon ‘onrein’  worden na  contact met een lijk,  na een zaadlozing,  gedurende menstruatie en tijdens bepaalde huidziekten. De parasja Tazria (‘zij die zwanger wordt’) begint over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten. Vervolgens gaat de tekst verder grotendeels over procedures rond de huidziekte ‘tsaraät', vermoedelijk een vorm van melaatsheid of lepra. De priester bepaalde of daarvan sprake was; in het bevestigende geval was de lijder onrein en moest hij buiten het kampement verblijven tot de priester concludeerde, dat genezing had plaats gevonden.

Vrouw en eros

We weiden wat verder uit over het zondeoffer, dat de kraamvrouw na drieëndertig dagen (in het geval van een jongen), resp. zesenzestig dagen (in het geval van een meisje) moest brengen.   
Er staat (12:6) (HSV): ‘Wanneer de dagen van haar reiniging voor een zoon of een dochter voorbij zijn, moet zij een lam van een jaar oud als brandoffer en een jonge duif of tortelduif als zondeoffer bij de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting ‘.

Al vroeg vroegen de oude wijzen zich af, wat de vrouw nu misdaan had, dat zij een zondeoffer heeft te brengen. 
Bachja Ibn Pekuda, (11e eeuw, geciteerd uit een commentaar van Leo Mock op deze parsje) gaat heel ver wanneer hij over deze passage over het zondeoffer van de vrouw het volgende schrijft: 
'En het is mogelijk om als verklaring te geven (voor de offers en het woord zonde   ) dat deze niet komen vanwege een zonde van haar zelf, maar vanwege haar (oer)moeder die de bron van al het leven is. Want zonder die zonde (van het eten van de Boom van de Kennis) zou de man zich met zijn vrouw voortplanten zonder lust of verlangen, maar op slechts de natuurlijke manier, zoals een boom die elk jaar zijn vruchten voortbrengt zonder (seksuele) lust.'   
Hieruit blijkt, dat het ideaal van Bachya Ibn Pakuda en zijn vele ultravrome geestverwanten is: voortplanten zonder lust. Een soort Joodse  erfzonde is de ontdekking dat lust, begeerte, de oerdrijfveer van eros, onvermijdelijk samengaat met de procreatie. Harmonie tussen de meeslepende kracht van begeerte en lust en de zelfcontrole van een uitgebalanceerde geest gaan welhaast niet samen. Procreatie gaat voor alles, zeker in de opvatting van de Tora, zonen en dochters moeten de familie voortzetten. Maar de dwingende en verleidende stuwing van eros leidt van dit proces af naar onbekende paden en verboden afslagen en de vromen zouden liever de voortbrenging zonder deze stormachtige nevenverschijnselen verrichten.

Het eerste liefdeslied zong Adam, toen hij uit zijn diepe slaap wakker werd en een medemens ontwaarde, Eva (Genesis 2:23).
“‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.”

Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar’.

Hier klinkt nog de onschuldige genieting van het samen zijn. Ga even mee met mijn cultureel antropologische speculatie over het vervolg: Maar dan overvalt de primordiale kennis Eva en dan Adam, namelijk de ontdekking dat lust, begeerte, de oerdrijfveer van eros, onvermijdelijk samengaat met de procreatie.  De doorbraak van het inzicht, dat de daad van opperste lust en plezier negen maanden later bij de vrouw zulk een indrukwekkend en ingrijpend gevolg had in de vorm van de geboorte van een kind moet een verbijsterend moment zijn geweest, een primordiale aha-erlebnis, een giant step for mankind.

Vermoedelijk was deze pionier van de menselijke wetenschap een vrouw, wat nog doorklinkt in het paradijsverhaal van Beresjiet Genesis. Zo deelde  een Eva dit schokkende feit (de mooie vrucht) met een Adam en zo werden man en vrouw uit een prereflexieve wereld geworpen in een wereld waarin zij voortaan wisten, dat hun gezamenlijke seksuele daad – die in hun nu bewust waargenomen naaktheid al als kiem besloten lag – onontkoombaar verbonden was met zijn gevolg, het kind. Misschien ligt hierin wel de kiem van de door het mannendom aan de vrouw toebedeelde zonde: dat zij de paradijselijke onschuld van vooral de mannelijke lust verstoorde door hem te confronteren met zijn ontegenzeggelijke aandeel in de totstandkoming van haar kind. Dat moet een menigte revolutionaire psychische en maatschappelijke gevolgen hebben gehad, waar ik nu verder niet op in kan gaan, maar zeker hoort daartoe een enorme statusverhoging van de man en zijn penis en een statusverlaging van de vrouw. De toename van kennis over waar de kinderen vandaan komen hield ook in een toename van inzicht in oorzaak en goede en slechte gevolgen, kortom verantwoordelijkheid over gepleegde daden. De van zichzelf bewust geworden geest, resp. het verstand, moest voortaan de anarchistische eros in geordende banen leiden. Ze staan op gespannen voet met elkaar, zijn tot elkaar veroordeeld, kunnen niet zonder elkaar. De Tora geeft  vele voorschriften, die tot doel hebben de energie te kanaliseren en te richten op de ander en het belang van betrouwbare relaties en een veilige samenleving.Tegelijk zweeft over  de voorschriften en verhalen van de Tora de schaduw van de extreem patriarchale samenleving; de vrouw is minder waard, ook letterlijk: Wajikra 27: 1 e.v  : ‘De Eeuwige zei tegen Mosjee: “Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer iemand de Eeuwige de tegenwaarde van een mensenleven belooft, worden de volgende bedragen berekend: Het vaste bedrag voor een man tussen de twintig en de zestig jaar is vijftig sjekel zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom. Voor een vrouw geldt een bedrag van dertig sjekel. Gaat het om iemand tussen de vijf en de twintig jaar, dan geldt er een bedrag van twintig sjekel voor een jongen en tien voor een meisje. Bij kinderen tussen één maand en vijf jaar geldt er een bedrag van vijf sjekel voor een jongen en drie voor een meisje.”’
Als moeder is zij na de geboorte van een dochter twee keer zo lang onrein voor de tempel als na de geboorte van een jongen.
  
Het is de opgave van een modern Jodendom om voortschrijdend inzicht in de gelijke waardigheid van mannen en vrouwen in de bijbeluitleg te verdisconteren. 


 

Parasha Sjemini

Vreemd vuur

door Rob Cassuto

De parasha

Op de achtste (jom ha-sjemini) dag van de inwijding van het Misjkan, brengen Aharon, zijn zonen en heel het volk verschillende korbanot (offers), zoals Mosjee hen geboden had. Aharon en Mosjee zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (kawod) waar te nemen.
Nadav en Avihoe, twee zonen van Aharon bedenken en brengen een nieuw soort offer, dat de Eeuwige niet gevraagd had. Een vuur verteert hen, waarmee duidelijk wordt dat alleen die geboden mogen worden uitgevoerd die Mosjee heeft opgedragen. Mosjee spreekt Aharon toe, die in stilte treurt. Mosjee geeft de kohaniem instructies hoe zij zich moeten gedragen tijdens hun rouw periode, en waarschuwt hen dat zij geen sterke drank mogen drinken voordat zij in het Misjkan dienst gaan doen. 
De Tora geeft de twee kenmerken van een kosjer dier: het heeft gespleten hoeven; het kauwt zijn voedsel, geeft het weer op en herkauwt het nog eens. De Tora specificeert de namen van niet-kosjere dieren die slechts één van beide kenmerken hebben. Een kosjere vis heeft vinnen en makkelijk te verwijderen schubben. Alle vogels die niet voorkomen op de lijst van verboden families zijn toegestaan. 
De Tora verbiedt alle soorten insecten, met uitzondering van vier soorten sprinkhanen. (HSV)
"Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn". Een allegorische uitleg van dit verbod om je consumerend in te laten met het kruipend gedierte zou te maken kunnen hebben met het mysterie van het kwaad: hoe we kunnen leven, en zelfs kunnen groeien te midden van de laagste krachten, die op de aarde 'kruipen' ( geparafraseerd naar R. Simon Jacobson).
Verder  worden er details gegeven van het reinigingsproces nadat men in contact is gekomen met ritueel onreine dieren. Het Joodse volk wordt opgedragen zich af te scheiden en heilig te zijn.

Vreemd vuur

De meest opvallende gebeurtenis in deze parasja is de tragedie rond de zonen van Aharon.
Een snelle opeenvolging van gebeurtenissen moet hebben plaatsgevonden tijdens de offerplechtigheden ter inwijding van de tabernakel (Misjkan):

(NBV Waj/Lev. 9:23-10:4) Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de Eeuwige aan het verzamelde volk. 24 Een felle vlam kwam uit het heiligdom (ik zou vertalen: een vuur ging uit van de Eeuwige) en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde.
Aärons zonen Nadav en Avihoe deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd (‘esj zara’, vreemd vuur) vuur dat ze de Eeuwige wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan de voorschriften van de Eeuwige. 2 Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de Eeuwige, stierven. 3 Mozes zei tegen Aäron: ‘Dit bedoelde de Eeuwige toen hij zei: “Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit.”’ Aäron zweeg.

Vele vragen liet en laat dit accident open en vele antwoorden van vroeger en nu hebben geprobeerd een verklaring te vinden.
Het meest voor de hand liggend is de uitleg, die de Tora al geeft: Nadav en Avihoe hebben zich niet aan de voorschriften van de Eeuwige, zoals die waarschijnlijk door bemiddeling van de Mosjee zijn gegeven, gehouden en hebben op eigen houtje opgetreden. 
Dat de straf zo zwaar was probeert Mosjee dan aan zijn broeder Aharon, de vader van de twee slachtoffers, uit te leggen: ‘Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid’.
Dat wil volgens mij zeggen: de meest nabijen dragen de grootste verantwoordijkheid, ze hebben de zwaarste consequenties te dragen, als de heiligheid niet gerespecteerd wordt.

Het tragische zit vooral in de goede bedoelingen die de twee priesters gehad moeten hebben. 
Er is wel gesuggereerd, dat ze ook wijn gedronken hadden, zoals ook verboden zou gaan zijn bij betreding van het heiligdom (pasoek 9), mede waardoor ze misschien in hun oordeel beneveld waren.( Hoewel ook nobele bedoelingen aan deze mogelijke wijnconsumptie worden toegedicht)
Ook is gesuggereerd, dat zij misschien overambitieuze bedoelingen hebben gehad om Mosjee en Aharon opzij te zetten als leiders van het volk; dat is als interpretatie mijns inziens veel te vrijmoedig. 
Wel valt op dat zij als enige met name worden genoemd in Sjemot (24:9) als metgezellen van Mosjee en Aharon bij het bestijgen van de berg om de Eeuwige te ontmoeten. De beide mannen zagen nu dus voor de tweede keer een manifestatie van de Eeuwige.
In deze extatische beleving moeten zij in een roes zijn geraakt, die hun alle voorzichtigheid uit het oog deed verliezen. Wat mij opvalt is dat als het vuur op het altaar is geschoten in een imposant bliksemgebeuren Nadav en Avihoe eveneens met vuur aan de slag gaan. Er zit daar iets van overmoed in, een hybris, een Icarus-scenario. Ze braken uit het via de mond van Mosjee gegeven systeem in een extatische poging en verbraken het evenwicht met fatale gevolgen.

De uitleggers hebben altijd ook in Nadav en Avihoe hun enthousiaste bedoelingen gewaardeerd en zagen hun zielen in Pinchas weer gemanifesteerd, Aharons kleinzoon Pinchas, die ook op eigen houtje optrad, maar nu met een betere uitslag (Bamidbar/Numeri 25:7) en zelfs Elia is genoemd als nieuwe belichaming van hun zielen.


 

Parasha Tsav

Eigentijdse offers

door Rob Cassuto

Wajikra / Leviticus 6: 1-8:36

Ook de parasja Tsav (Draag op …) bevat regels over het offeren, deels een herhaling van de vorige parasja, en beschrijft hoe Mosjee zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester wijdde.
Zoals gezegd offeren wij niet meer de dieren en de graanproducten, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling aan dierenoffers voorbij is.

Wel kunnen wij uit de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten uitdiepen. In het Toracommentaar van Harvey Fields worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Wajikra Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op – zo zegt de Lubavitcher Rebbe Menachem Schneerson – Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou verruimend willen toevoegen: gericht op awareness, op ontvouwing van het beste in ons op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd, zoals ik in het commentaar op de vorige parasja Wajikra al heb gezegd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uitgaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Ik zal proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken. 
Als offer zouden nu kunnen worden aangemerkt:
- het ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol, dwangmatig eten, het automatisch op de bank televisie gaan kijken.
- het afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachtenreeksen over Zelf en Anderen.
- het afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk eens aan de auto… Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- het een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst inhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- het afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.
- als het niet anders kan het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem, zoals de dappere zioniste Hanna Senesh, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit de Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

 

 


 

Parasha Wajikra

Woorden en offers

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 1:1-5:26

Een interessante discussie tussen de middeleeuwse meesters zoals  Maimonides en Nachmanides betreft de herkomst en functie van offers.
Hoewel het belang van het boek Wajikra onomstreden is, wijzen vele commentatoren erop dat de offerdienst niet de kern van het Jodendom uitmaakt. Andere geleerden opperden, dat oorspronkelijk de Ene helemaal niet dacht aan offers en ze daarom ook niet eiste; meteen na de uittocht uit Egypte, ‘daar in de woestijn gaf de Ene hun wetten en regels, en daar stelde hij hen op de proef’ (Sjemot/Exodus 15:25); in die beginfase nog vóór de Sinaj, vroeg de Ene niet om een heiligdom en offers maar slechts om kennis van Hem en zijn geboden te hebben en dus gaf Hij slechts ‘civiele’ regels. Offers zijn pas nodig geworden als ‘medicijn’ na de ‘ziekte’ van de afdwaling rond het gouden kalf, menen deze uitleggers. Weer een andere geleerde wijst er dan op, dat tijdens het eerste verblijf van Mosjee op de heilige berg de regels over de Miesjkan en zijn toebehoren al zijn gegeven, dus vóór het gouden kalf.  Het gouden kalf was geen oorzaak van de opdracht tot de Miesjkan, maar zorgde alleen voor uitstel van de bouw ervan. Mij  lijkt, dat de oude wijzen het hierover eens zijn: de offerdienst is geen absolute goddelijke eis en heeft geen absolute waarde van zichzelf, maar is een middel, dat secundair is aan de geboden op moreel gebied.

Maimonides ontkende de intrinsieke waarde van de offerdienst en zag de instelling en de voorschriften van de offerdienst als een in alle wijsheid aan het volk destijds gegeven aanpassing, om het af te wenden van de afgodendienst, maar toch te voorzien van de nodige rituelen, die nu niet meer die afgodische illusies dienden, maar verwijzen moesten naar de aanwezigheid van de Ene en zijn voorschriften (guide 322 ev). Deze offerdienst was te zien als een concessie van de Eeuwige aan de menselijke neiging om offers en riten nodig te hebben. Een rechtstreeks kennen van de Eeuwige was echter de oorspronkelijke toestand en de behoefte aan dierenoffers betekende uiteindelijk een achteruitgang in de menselijke staat.
In zijn commentaar op Wajikra/Leviticus 1:9 (‘Zo is het geschikt als brandoffer, als geurige gave die de Eeuwige behaagt’)  gaat Nachmanides (Ramban) heftig tegen deze opvatting te keer. Met zijn ideeën had Maimonides ‘de tafel van de Eeuwige besmeurd’. Waar Maimonides rationeel redeneert bevindt Nachmanides zich veel meer in de oorspronkelijke religieuze sfeer. Hij benadrukt hoe het offer het mogelijk maakt in contact met de Eeuwige te treden of dit contact te herstellen.
Hij verklaart dat de offers belangrijke symbolen zijn en ‘dat een mens moet beseffen, dat hij heeft gezondigd tegen zijn God met zijn lichaam en zijn ziel en dat eigenlijk zijn bloed zou moeten worden vergoten en zijn lichaam verbrand (zoals bij het brandoffer RC), ware het niet dat de genade van de Schepper het mogelijk maakt dat het bloed van het dierenoffer in plaats van het zijne kwam’. Het dier is dus plaatsvervanger van de mens, die door verkeerde daden eigenlijk zijn leven heeft verspeeld. De overgang van de zonden op het onschuldige dier wordt gesymboliseerd door het opleggen van beide handen van de offeraar op de kop van het dier (de semiecha). Volgens mij raakt Nachmanides hier de dieptepsychologische kern van het offer, wellicht mogen we zeggen: de kern van de zielennoodzaak van het offer.

Het doet mij onvermijdelijk denken aan de zondebok theorieën van de antropoloog-filosoof René Girard, waarin het offerdier de oplossing is voor de opgelopen agressie in de groep, die een uitweg zoekt in het vinden van een schuldige, die vervolgens wordt omgebracht, een proces dat ooit misschien al in prehumane tijden heeft plaats gevonden. Bij Girard is de oorzaak van de agressie de begeerte van één individu naar een object, welke begeerte ook die van vele anderen losmaakt (mimesis), die elkaars mededingers naar het begeerde object worden, een crisis waarin het object vergeten raakt en de agressie naar elkaar overblijft. De gezamenlijke moord op een als schuldige bestempelde bewerkt opluchting en oplossing van de crisis. Voortaan zal dit proces herhaald worden als ritueel, waarbij  later een vertaling van het menselijk slachtoffer naar een dier heeft plaatsgevonden en waarbij tegelijk het besef is ingedaald, dat in feite het slachtoffer onschuldig is, maar het ritueel moet dienen. Volgens Girard is dit het oerbegin van alle religie. Het verschil met Nachmanides – afgezien van het verschillend redeneerniveau -  is natuurlijk, dat het bij de laatste niet om opgelopen agressie gaat, maar meer om opgelopen schuld naar een bovengestelde Almachtige, die als de oorzaak van alle bestaan wordt geacht en gevreesd.
Beseffend hoe klein en hoe nietig hij is en hoe tekortkomend in het aangezicht van de Ene, geeft de mens graag  iets dat hem dierbaar is – en in de agriculturele samenleving is dat een mooi exemplaar van de kudde – , dat kan dienen als substituut voor zichzelf, om zijn leven en welzijn veilig te stellen. Het offer herstelt de kosmische disbalans, die de mens door zijn gedrag heeft geschapen. Wanneer de disbalans niet wordt hersteld, roept hij de gevolgen daarvan over zich af, of men de zender van de gevolgen nu als een intrinsieke kracht of ziet of als zelfstandig wezen (Schepper).

Dat het heel nauw luistert, hoe en op welke wijze men de geschapen disbalans herstelt wordt geïllustreerd door de precieze voorschriften, die de Tora geeft voor het brengen van de offers (ze ook de verdere detaillering in de Miesjna, b.v. het traktaat Joma over de offers op Jom Kipoer).
Alleen – en dat kunnen we met Maimonides eens zijn – de tempeldienst en de dierenoffers waren toegesneden op het volk en de omstandigheden van toen, het Midden-Oosten van het tweede millennium voor de gangbare jaartelling. Vaak protesteerden de profeten tegen een geperverteerde offerdienst, die zijn oorspronkelijke doel ver voorbij was geschoten, zelf van middel tot doel was geworden en verzand was in schijnheiligheid, zoals Hosjea (6:6): ‘Ki chesed chafatsti we-lo zewach we-da’at elohiem we-olot’, ‘Want liefde wil Ik, geen offers; en kennis van de Eeuwige eerder dan offers’.

Dierenoffers zijn sinds de verwoesting van de tempel afgeschaft. Maar daden van kosmische correctie, als daden die de goedgunstige loop van mens en wereld moeten veiligstellen, is dat nog nodig? Zo gesteld is het antwoord ja. We hebben geen dieren meer nodig als substituut, maar kunnen meer rechtstreeks weten waar de disbalans is te vinden, in ons zelf en in de wereld.
Wat is het kostbare bezit, dat we moeten leggen op het altaar om ons ontspoorde leven op de rails te krijgen? Welke hechting aan bezit, dierbare gewoonten of overtuigingen moeten we loslaten om misstanden in onze familie, onze vereniging, ons kerkgenootschap, onze samenleving te hervormen? 
Welke offers moeten we brengen om de uit de hand lopende balans van natuur en klimaat te herstellen? Welke heilige koeien moeten we offeren? 
Het lijkt erop, dat niet alleen steeds meer wetenschappelijk onderzoek wijst op verstoringen in maatschappelijke verhoudingen en natuur, maar dat daarbovenuit of daaronder een bewustzijn van een diepere disbalans veld wint, een besef van de nadering van een kritisch omslagpunt, als we geëigende offers niet kunnen of willen brengen.
En misschien mogen we het wel zo formuleren dat we nieuwe rituelen nodig hebben, die ons opwekken om ons gedrag in overeenstemming te brengen met wat de schepping (i.c. zijn Schepper) van ons eist. Willen wij en onze kinderen leven en welzijn behouden.

(in dit commentaar is gebruik gemaakt van de ‘Iyunim’ van Nechama Leibowitz)


 

Parasha Behar

Het Joweel-jaar als utopisch moment

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 25:1 - 26:3

In het Bijbelse boek "Leviticus" ofwel "Wajikra", in het hoofdstuk (parasja) dat wordt genoemd "Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.

Na 49 jaren is het vijftigste jaar een jubeljaar; dat gaat nog verder, ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht komt dan weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

"Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweel-jaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen"(Lev. 25, 9-10) en: 
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" ( Lev. 25,23) 

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door. 

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet. 
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon in de zin van: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles "van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ". 
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd. 

Tegenwoordig hebben wij in onze wereld van kapitalisme en materialisme bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de "Joweel-tijd" 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment: 
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld. Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine.. .

En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld. 
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ". 
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor: Imagine.. .

En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat. Hoe? Fantaseer!

Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes milennia een sabbath-milennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. iemand als R. Avraham Sutton) 

Maar even een stapje terug: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats. 
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden: 
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.

En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. Laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden. 
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn. 
En om te weten hoe wij misschien voor een schijnbaar nietig stukje zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn ....


Parashat Kedosjim

Heb uw naaste lief als u zelf 

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 19:1–20:27

De parasja Kedosjim is een deel van Wajikra/Leviticus, dat theologen de ‘Holiness Code' (Heiligheidscodex) noemen – het woord Heilig komt er heel vaak in voor - . Het zijn merendeels voorschriften over de preciese manier om offers te brengen, hoe priesters zuiver moeten zijn door zich te onthouden van allerlei als onrein beschouwde zaken, regels over al dan niet geoorloofde seksuele omgang. 
Zuiverheid, volmaaktheid in uiterlijk en innerlijk waren vereist om de band tussen de Eeuwige en het volk niet te verstoren, om goedgunstigheid en voorspoed te houden of te bevorderen en tegenslag en ramp te vermijden. 

Het hoogtepunt van de Heiligheidscodex is te vinden in hoofdstuk 19, waar een groot aantal voorschriften ethisch van aard zijn. 
De rituele voorschriften zijn grotendeels in onbruik geraakt en hun ingewikkelde karakter geeft hoogstens nog aanleiding tot discussie en filosoferen over concepten als offer, heelheid en de achterliggende motivatie, op zich heel belangwekkend. 
Maar de voorschriften van hoofdstuk 19 spreken ons nog steeds aan. Ze leggen de bodem voor de principes van menselijke omgang en iets wat wij rechtvaardigheid en beschaving noemen. Die voorschriften na te komen behoort ook tot de opgave een heilig volk te zijn. 

Van al die voorschriften is de meest bekende: Heb uw naaste lief als uzelf. Deze woorden worden door de gemiddelde burger meestal aan Jezus toegeschreven. 
Het is ook niet één van de tien geboden, zoals velen wel denken. 
“Lev.19:18: Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de Eeuwige!” 
Zo luidt het volledige vers.
‘Heb uw naaste lief als uzelf’. Het wordt wel de ‘Gulden regel’ genoemd, die in vele andere religies en levensbeschouwingen en ook in de filosofie voorkomt.
Hij is ook verwoord door Rabbi Hillel (Talmoed Shabbat 31a):
‘Wat u vreselijk vindt als het u gebeurt, doe dat een ander niet aan; dat is de hele Tora. De rest is commentaar. Ga heen en leer!’. 
Let wel, in dat staartje ‘Ga en leer’ zit nog wel een licht te onderschatten boodschap.

‘Heb uw naaste lief als uzelf’; het statement in Leviticus staat als een monument van menselijke ethische ontwikkeling overeind. En toch – en beter misschien: daarom – roept het wezenlijke vragen op:
Tot wie is het gebod gericht? Wie is de naaste? Wat is liefhebben? Wat heeft de Eeuwige ermee te maken, die na het gebod zich onmiddellijk poneert met: ‘Ik ben de Eeuwige’?

Tot wie richt het gebod zich?

Het antwoord lijkt eenvoudig: het is geschreven in de Tora, dus het richt zich tot de Joden.
Natuurlijk komt de Gulden Regel in een aantal vormen in andere religies ook voor. In het Boeddhisme, het Hindoeïsme, de Islam, maar ook b.v. in de spiritualiteit van Indianen is het te vinden, het voorschrift de ander even goed te behandelen als jezelf behandeld wil worden of hem geen lijden te bezorgen, dat jezelf ook niet wil. Achter alle veelkleurige en soms heftige verschillen tussen religies en levensovertuigingen ligt toch een besef van broederschap van het mensdom en de eenheid van het leven.

Is nu het ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ van Leviticus een expressie van deze diepere religieus-ethische kern, die het mensdom in zijn beste momenten bezielt? Ja, maar het gaat verder: het is de Joodse uitdrukking ervan en die zullen we dus verder moeten onderzoeken.

Hillel gaf zijn uitspraak als antwoord op de vraag van een niet-Jood of hij de Tora kon uitleggen in de tijd dat hij op één been kon staan. Eerder was de vreemdeling met zijn niet van spotternij ontblote vraag bij de strenge en ongeduldige meester Sjammai gekomen. Die had hem boos met zijn ellemaat weggejaagd van het bouwterrein waarop hij bezig was. Hillel stond hem te woord. Of hij inderdaad op één been heeft gestaan vermeldt het verhaal niet, maar wel zijn beroemde antwoord, met de toevoeging: Ga heen en leer. Dat ‘ga heen en leer’ gold voor de niet-Jood en voor de Joden toen en nu.
Het antwoord op de vraag: richt ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ zich ook tot de niet-Joden zou dus kunnen luiden: ja, het richt zich op de Joodse wijze tot alle niet-Joden, die op de Joodse manier zich verder willen verdiepen in de inhoud van dit gebod en het gedachtegoed en de praxis van de Joodse geloofsgemeenschap.

Ook Jezus ziet in het gebod de naaste lief te hebben als jezelf de kern van de Tora, zie b.v. Mattheüs 22: 39.
Het wordt bezegeld door Paulus, die in zijn brief aan de Romeinen (13:9) zegt:
‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 
Hiermee heeft de apostel dit kerngebod als het ware uit het Joodse geloofsgoed getild en aan de niet-Joden van het Romeinse rijk geschonken en daarmee aan de mensheid van toen en nu. Tegelijk heeft hij het daarmee losgemaakt uit de context van het commentaar van de Joodse wereld. Voor Paulus verviel met de vervulling van het naastenliefde-gebod de rest van de Joodse wet: (Rom. 13:8) 'Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld.' 
Waarschijnlijk geloofde Paulus al in de messiaanse eindtijd te leven, waarin volgens sommige wijzen de wet zou zijn vervallen. Hoe universeel in het Christendom het gebod ook is opgevat, men heeft het in alle eeuwen nauwelijks betrokken op de Joodse medemens.

De Duits-Joodse Neo-Kantiaanse filosoof Hermann Cohen zag het naastenliefde gebod als de universele kern van een ethisch monotheïsme. Hillel was met zijn uitspraak aan de niet-Jood bij wijze van spreken een Joods voorbeeld van de liefde voor alle mensen. Het voorschrift is als het ware de hoeksteen van een universele tolerantie, die naar de hele mensheid geëxtrapoleerd kan worden. Cohen wilde met zijn denkbeelden een modern Jodendom grondvesten, dat zich zou onderscheiden van het exclusivistische karakter van de rabbijnse traditie. Hij heeft een enorme invloed gehad op het Duitse Jodendom van zijn tijd en de daaruit voortgekomen Reformbeweging.
www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/biography/

De vraag van universalisme ten opzichte van het exclusivisme van het Joodse naastenliefde-gebod van Leviticus 18 blijft een spanningsveld opleveren, dat door Hermann Cohen niet is opgelost. Het ethisch universalisme is niet alleen geschokt door de geschiedenis, het blijft wringen met de teksten in Leviticus.
We volgen de oproep van Hillel – ga heen en leer - en komen bij de volgende vraag:

Wie is mijn naaste?

In de rabbijnse traditie is het tot in de 19e eeuw eigenlijk vanzelfsprekend geweest, wie die naaste was: de medejood. En sommigen zoals Maimonides zeiden zelfs: de goede Jood, de vrome, miswot in acht nemende volksgenoot. Ze wijzen dan op de eerste zin van de pasoek:
“Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk” en zeggen dan dat de naaste uit het tweede deel van de zin een synoniem is voor die ‘kinderen van uw volk’. 
Met evenveel recht kan echter gesteld worden dat het twee groepen betreft: ‘kinderen van uw volk’ en de ‘naasten’, de ‘re’a’, een term die in andere contexten (b.v. Ex. 11:2) ook zelfs niet-Joden kan aanduiden. De term ‘naaste’, ‘re’a’ blijft onduidelijk.

Maar wat gebeurt er als we even verderop kijken naar de passage, waar met dezelfde termen wordt geboden de vreemdeling, de ‘ger’ lief te hebben als jezelf? (Lev. 19:34):
'De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingeborene van u; gij zult hem liefhebben als uzelf; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Eeuwige, uw God!' 
Een aantal commentatoren en ook Kenneth Reinhard, aan wiens artikel ik het merendeel van de hier gegeven redeneringen heb ontleend, wijzen erop, dat de ‘ger’, de vreemdeling, vanuit deze passage ook terugslaat op de betekenis van naaste.
Hermann Cohen en ook Martin Buber ontlenen er hun universalistische uitleg aan: deze twee bepalingen bij elkaar, het gebod de naaste lief te hebben en de vreemdeling, maken het ontwijfelbaar dat het naastenliefde-gebod op alle mensen betrekking heeft. Ze wijzen op een ethiek, die uitgaat boven de Joodse wet.

Genoemde Kenneth Reinhard stelt echter dat de tegenstelling tussen ‘universalisme’ en ‘particularisme’ niet de meest vruchtbare grondslag is om de ethiek van Leviticus en ethiek in meer algemene zin te begrijpen.
Hij wijst op de reden die de passage opgeeft waarom men de vreemdeling dient lief te hebben: het is omdat zij als vreemdeling iets gemeenschappelijk hebben met de bewoners – de kinderen van Israël - temidden waarvan zij leven: ook die bewoners zijn vreemdeling geweest – in Egypte - en dat zijn ze niet vergeten. 
Het gemeenschappelijke met de vreemdeling – het besef van vreemdelingschap - is iets dat nu juist niet universeel met alle mensen wordt gedeeld. 
De vreemdeling herinnert mij eraan, dat ik ook het vreemdelingschap nog in mij draag.
De betekenislading vanuit Leviticus 19:34 straalt terug uit naar Leviticus 19:18 en haalt de naaste juist uit zijn anonieme universaliteit naar de concreetheid. De naaste duikt naast mij op als een unieke figuur, die mij vreemd is, die anders is in taal, cultuur en geschiedenis.
En tegelijk confronteert hij mij met mijn eigen vreemdheid aan mijzelf, mijn eigen ballingschap. 

Deze uitleg put uit het gedachtegoed van de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas, waarin de ander niet een deeltje is van een afgeronde homogene totaliteit, maar juist de volstrekt andere, die mij confronteert met de oneindigheid van zijn ander zijn.

Martin Buber vertaalt: Heb uw naaste lief, want hij is als uzelf
Hoe is dat te rijmen met deze uitleg.
Zijn vertaling verwijst ongetwijfeld naar de grote sprong die de mens maakt als hij zich kan verplaatsen in een ander, de sprong van de empathie. Het gaat dan niet om een zomaar aannemen, dat de ander precies hetzelfde is als ik. In de ontmoeting staat de ander, de naaste, tegenover mij en in de tussenruimte tussen mij en hem kan de relatie gebeuren.
Juist dat ‘tegenover’, ‘Gegenüber’, is verwant aan de vreemdheid, die de medemens als naaste en als vreemdeling voor mij heeft.

*Kenneth Reinhard: The ethics of the Neighbor: Universalism, Particularism, Exceprionalism
The Journal of Textual Reasoning, Volume 4, Number 1, November 2005


Parashat Acharé Mot

Een voorwaarde

voor verzoening

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30

In deze parasha – in hoofdstuk 16 - wordt de Grote Verzoendag, Jom Kipoer ofwel Jom Ha-Kippoeriem,  ingesteld en de procedures, die de hogepriester, de Kohen Gadol, heeft te volgen om verzoening voor de gepleegde zonden te bewerkstelligen, worden uitgebreid beschreven. Dit hoofdstuk 16 wordt gelezen in de ochtenddienst van Jom Kipoer.

Er zijn drie fasen in het verzoeningsproces. Eerst maakt de Hogepriester – beschreven in de persoon Aharon – verzoening voor zichzelf. Dan als gezuiverde voorganger doet hij een gelijksoortig ritueel voor het hele priesterhuis en als derde fase wordt de verzoening bewerkstelligd voor het hele volk.

Daarbij worden twee bokken onderworpen aan het lot. Het ene lot treft de bok die wordt opgedragen aan de Eeuwige en geofferd, de ander wordt door de Hogepriester belast met de zonden van het volk en de woestijn ingejaagd.

In de moesaf (aanvullende) dienst op Jom Kipoer wordt de tempeldienst, zoals die beschreven is in het Talmoed traktaat Joma, dat gaat over Jom Kipoer, gelezen en als het ware meebeleefd. Daarin wordt de tekst van elk van de drie fasen afgesloten met de zin die aan het einde van hoofdstuk 16 uit deze parasha concludeert in de woorden:


Ki bajom hazè jechaper aleichem letaher etchem mikol chetoteichem lifné Hashem titharoe.

 

We volgen de vertaling van A.S. Onderwijzer, die het meest letterlijk vertaalt:
‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige.’
Het lijkt logisch dit zo op te vatten dat de eerste in een intentie stelt, ‘om u te reinigen'. De tweede zin formuleert die intentie als vervuld, het doel als bereikt, ‘van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige’.

Maar in de Mishna – de opschriftstelling van de mondelinge leer en de kern van de Talmoed -  wordt anders geredeneerd: De woorden worden anders verdeeld over de twee zinnen.

De eerste zin wordt gelezen als ‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen van al uw zonden vóór de Eeuwige’. De tweede zin bevat alleen het Hebreeuwse ‘titharoe’,  ‘je zal rein zijn’, in de zin van  ‘jezelf rein hebben gemaakt’.

Deze lezing vinden we terug in de interpretatie van R. Eleazar ben Azariah: voor overtredingen tussen de mens en de Alomaanwezige verschaft Jom Kipoer verzoening, maar voor overtredingen tussen de ene mens en de andere verschaft Jom Kipoer pas verzoening als hij het met zijn naaste heeft goedgemaakt. (Misna Joma 85b). In zijn uitleg wordt ‘titharoe’ op het eind van de tweede zin gelezen als werkwoordsvorm in aansporende zin: laat u zich zichzelf (eerst) reinigen!

Het is dan geen follow up van de eerste zin, maar eerder een conditie voor de eerste zin; De Eeuwige zal pas verzoenen voor alle zonden, als u rein ben door u zelf gereinigd te hebben van de verkeerdheden in relatie met uw naasten, door wat misdaan is met hen goed te maken.

Intussen is dit de mainstream opvatting geworden van de leer rond verzoening op Jom Kipoer.


Parashat Tazria-Metsora

Het verhaal van

de vier lepralijders

door Rob Cassuto

Wajikra 12-14 en14-16

Korte inhoud van de parashot

De parasha Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte ‘tsara'at', vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Wanneer is daarvan sprake, het is aan de priester om dat te bepalen;  in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven  tot de priester concludeert dat genezing heeft plaats gevonden. Tsara'at wordt door veel bijbelgeleerden  gezien als een fysiek gevolg van roddel en kwaadspraak.
In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsara'at en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen, al zien de oude wijzen tsara’at vooral als een uiting van en een  sanctie op een ‘ innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder en zijn Schepper’ (1 )

Dit maal richt ik de schijnwerper verder op de haftara. In de liberaaljoodse cyclus in Nederland is dat 2 Kronieken 26: 1-23, het verhaal over hoe koning Oezijahoe (Uzzia) melaats werd, toen hij de offerwetten in de wind sloeg en zelf het reukoffer wilde brengen in plaats van de hogepriester. In veel andere gemeenten is echter de haftara 2 Koningen 7:3-20, het verhaal van de vier melaatsen.
Het is een interessant klein drama, dat waarachtig wel een toneelstuk of film waardig is en ook stof tot morele overdenking biedt.

Het verhaal van de vier lepralijders

Het voorspel is de langdurige belegering van de hoofdstad van het koninkrijk Israël, Shomron (Samaria) door de koning van Aram. De bevolking is uitgehongerd en zelfs een ezelskop en een zakje duivenmest (waarin soms nog graankorrels zijn te vinden) zijn onbetaalbaar geworden. De koning loopt over de muur en hoort hoe een vrouw haar kind heeft gekookt en opgegeten. Hij scheurt zijn gewaad en het volk ziet hoe hij een boetekleed op de naakte huid draagt. De wanhopige en razende vorst zweert wraak, niet aan de Eeuwige, maar aan zijn aardse vertegenwoordiger, profeet des vaderlands, Elisha, wiens hoofd die avond nog van zijn romp gescheiden moet zijn, aldus de vorst.
Maar zo’n vaart loopt het niet.
Volgende scene, de kamer van Elisha. De koning en zijn adjudant komen bij Elisha aan en meteen neemt de man Gods het woord:  ‘Luister naar wat de Eeuwige te zeggen heeft: morgen om deze tijd zal een schepel tarwebloem in de stadspoort van Shomron één shekel kosten, en twee schepel gerst ook één shekel.’  De adjudant van de koning zegt: ‘Zelfs al zou de Eeuwige de ramen van de hemel (voor voedsel)  openzetten, wat u daar zegt is toch onmogelijk!’ Maar Elisha antwoordt de man: ‘U zult het met eigen ogen zien, maar u zult niet de kans krijgen ervan te eten.’
Met deze raadselachtige woorden gaat de scene over naar de poort van de stad Shomron. Vier melaatse mannen, lepralijders, die immers buiten stad en gemeenschap zijn gestoten, steken de koppen bij elkaar. Ze besluiten over te lopen naar het Aramese kamp. ‘Of we sterven hier of de Arameeërs brengen ons om, maar misschien hebben we daar nog een kans’, zeggen ze. Maar als ze bij het vallen van de avond bij het kamp komen blijkt het uitgestorven, geen mens te bekennen. De paarden en ezels staan er nog, de tenten zijn nog vol spullen, maar geen Arameeërs.
Flash back in het kamp: De Aramese soldaten horen een enorm  geraas, het geluid van wagens en paarden, die naderen. Een gemeenschappelijke massahypnose heeft hen bevangen. ‘De legers van Egypte en de Hittieten  zijn in aantocht, gechartered door Israël!’, schreeuwen ze tegen elkaar en halsoverkop stormen ze het kamp uit om het vege lijf te redden met achterlating van paarden, ezels, have en goed.
Het Aramese kamp. Terug naar de lepralijders. Het is nacht en ze doen zich tegoed aan het achtergelaten voedsel en ze pakken goud en zilver, kleding en dekens uit de eerste tent en verstoppen de buit. Maar in de tweede tent, die ze betreden, overvalt hun de twijfel. Hun geweten of de angst voor straf brengen hen terug naar de stadspoort.
De stadspoort. De lepralijders  verwittigen de poortwachters van hun wonderlijke bevinding. Die brengen het nieuws midden in de nacht naar de koning.
Het paleis. De koning hoort het nieuws en schrikt zich dood. Het is een hinderlaag, denkt hij. Maar een adviseur stelt een experiment voor. Er zijn nog vijf paarden over, laat die met hun berijders naar het kamp gaan om uit te vinden wat er aan de hand is. Zo gebeurt het.
Het kamp van de Arameeërs. Twee wagens rijden uit en arriveren in het kamp. Wat blijkt, de Arameeërs hebben inderdaad spoorslags het kamp verlaten, tot aan de Jordaan liggen hun kleren en stukken van hun wapenrusting, in paniek weggeworpen. Bericht hiervan aan de koning.
De stadspoort. Het is ochtend geworden. Een massa van opgewonden stadsbewoners stormt naar buiten om voedsel in het Aramese kamp te bemachtigen. De adjudant van de koning  - de adjudant die in de kamer van Elisha met zijn cynische grap kwam  - heeft het commando over de poortwacht gekregen en moet erop toezien, dat het buitgemaakte voedsel goed wordt verhandeld. Nog net hoort hij: ‘één schepel tarwebloem één sjekel , en twee schepel gerst ook één sjekel’. Dan  wordt de man onder de voet gelopen door de uitzinnige menigte en laat het leven.

In dit mooie maar wrede verhaal zijn de helden geen koningen, moedige militairen of hoogstaande ridders maar verworpenen van de samenleving, uitgestoten lepralijders. De personages hebben geen naam en geven het verhaal een universele strekking (2). Wat geeft dit verhaal u als lezer in? Misschien: de uitredding of verlossing hoeft niet te komen uit de politiek, uit militaire strategie, op het niveau van regeringen en hoogwaardigheidsbekleders, maar uit onverwachte hoeken, van onderop, misschien wel uit de laag van verworpenen en lijdenden (3).

De Mashieach als lepralijder

Zelf had ik een associatie met een merkwaardige anekdote uit de Talmoed (4), waarin de Talmoedleraren een discussie hebben over wanneer en hoe de Mashieach zal komen. Rabbi Joshua ben Levi stond eens bij het graf van R. Shimon bar Jochaj toen de profeet Elijahoe (Elia) aan hem verscheen. Rabbi Joshua haastte zich zijn brandende vraag aan de profeet te stellen: ‘Wanneer komt de Mashieach , waar kan ik hem dan vinden?’
 ‘Vraag het hemzelf. Hij zit tussen de arme lepralijders buiten de poort van Rome.  De lepralijders verbinden hun wonden allemaal tegelijk, maar hij doet iedere wond apart, de één na de ander, zodat hij onmiddellijk, zonder vertraging klaar is om te komen, wanneer de tijd daar is’, antwoordt Elijahoe. Rabbi Joshua reist naar Rome, herkent de Mashieach tussen de andere lepralijders en stelt hem de essentiële vraag: ‘Wanneer komt u?’. ‘Vandaag’ antwoordt de Mashieach.
De rabbi reist terug en als hij Elijahoe weer ontmoet zegt hij hem: ‘Hij heeft mij voorgelogen, hij zei, dat hij vandaag zou komen, maar dat heeft hij niet gedaan!’. Elijahoe antwoordde, ‘Dit is wat hij heeft gezegd: Vandaag, als je Zijn stem zal horen’.

Er was dus een voorwaarde aan verbonden, die de goede verstaander zou weten te verstaan als verwijzing naar psalm 95:7: ‘ (Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand.) Vandaag, als je Zijn stem zal horen’ (Hajom iem bekolo tisma’oe).  En dat laatste is nu nog steeds niet het geval.
Beetje flauwe ontknoping, zou je kunnen zeggen, maar wat treft is dat hier ook het element van verlossing en bevrijding wordt gesitueerd in de sfeer van de ‘verworpenen der aarde’ (5).

Noten

  1. Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasha Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev
  2. Het verhaal zelf bevat geen namen. Enig verder lezen onthult dat het gaat om koning Benhada II van Aram en koning Jehoram van Israël. Rashi veronderstelt dat het bij de vier lepralijders gaat om Gehazi, Elisha’s assistent, die na malversaties is geslagen met lepra, en zijn zonen.
  3. Zie Nechama Leibowitz’ uitgebreide behandeling van dit verhaal, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 141 ev
  4. Talmoed Bavli, Sanhedrin 98a
  5. Emmanuel Levinas gaat uitgebreid in op het gegeven van de lijdende Mashieach in zijn Messiaanse Talmoedlezingen, zie Marcel Poorthuis, ‘Het gelaat van de Messias, Messiaanse Talmoedlezingen van Emmanuel Levinas’, B. Folkertsma Stichting voor Talmoedica, 2e druk, 1993.

Parashat Shemini

Vreemd vuur

door Rob Cassuto

Wajikra 9:1 - 12:1

Korte inhoud:

Het is  de achtste dag (jom ha-sjemini) van de inwijding van de tempel , een gedenkwaardige afsluiting van een lange periode van nijvere arbeid aan de bouw van de mishkan.

De voorgeschreven offers worden gebracht, voor het eerst door Aharon als hogepriester.  Aharon en Mosjé zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (kawod) waar te nemen in de vorm van een vuur, dat het offer verteerde, een spektakel, dat het volk deed schreeuwen van ontzag en op de knieën bracht.

Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadaw en Awihoe, de twee oudste zonen van Aharon brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur’ (eesh zara),  dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vuur, dat de twee overenthousiaste zonen verteert. Het lijkt een afstraffing voor het ongevraagd afwijken van de exacte omschrijving van de offerregels, zoals  Moshé die heeft opgedragen. Moshé spreekt Aharon toe, die in stilte treurt om dit plotse en zware verlies.

De parasha gaat verder. Moshé geeft de kohaniem instructies.  Hij  waarschuwt hen dat zij geen sterke drank mogen drinken voordat zij in het Misjkan dienst gaan doen.

Een groot deel van de parasha wordt ingenomen door de belangrijkste regels over wat koshere dieren zijn en welke niet kosher, regels die de basis vormen voor rabbijnse uitwerking tot de complexe voedingsleer van het Jodendom, het kashroet.

Tenslotte worden details gegeven over het reinigingsproces nadat men in contact is gekomen met ritueel onreine dieren. Allerlei reinheidsregels worden verder beschreven in de dan volgende parshiot.

Vreemd vuur

De rampzalige dood van Nadav en Avihoe heeft menige bijbelgeleerde voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan  hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd?  Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om tot een bevredigend antwoord te komen wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen.
In Wajikra Rabba – een verzameling midrashiem op Wajikra  uit de zesde eeuw –  lezen we bijvoorbeeld (1):

Bar Kappara zei in de naam van Jirmija ben Elazar:
De zonen van Aharon stierven om vier dingen:
omdat ze te dicht bij de heilige plaats kwamen
omdat ze een (ongevraagd) offer brachten
om het vreemde vuur
en omdat ze niet met elkaar hebben overlegd.

‘omdat ze te dicht bij de heilige plaats kwamen’, aangezien ze het heilige der heiligen betraden ‘omdat ze een (ongevraagd) offer brachten ‘, aangezien ze een offer brachten, waartoe ze geen opdracht hadden gekregen
‘om het vreemde vuur ‘, ze hadden het vuur gebruikt uit de keuken (ipv van het altaar)
‘en omdat ze niet met elkaar hebben overlegd’, omdat er staat “ieder zijn vuurpan”, wat erop duidt dat ieder op zijn eigen initiatief heeft gehandeld en ze elkaars raad niet hebben gevraagd.

Nog een reeks andere mogelijk begane zonden worden benoemd, al dan niet min of meer vaag ondersteund door nogal gezochte schriftteksten: Ze zouden wijn hebben gedronken, incorrect (zonder priesterkleed) gekleed zijn geweest, hun handen en voeten niet hebben gewassen. Ook worden als redenen genoemd, dat ze ongetrouwd waren en geen kinderen hadden (sic!).
Zelfs is de veronderstelling geuit, dat het hier een late retributie zou betreffen voor het feit, dat destijds de twee als uitverkoren metgezellen van Moshé  op de berg Sinaj de Eeuwige hadden aanschouwd, hetgeen op den duur niet onbestraft mag worden gelaten (Shemot/Exodus 24: 9-12) (2).
Een over brede linies gedeelde slotsom is wel, dat Nadav en Avihoe – overigens zeer gerespecteerde en vooraanstaande mannen – zich door een overstromende bezieling en blind enthousiasme geleid hebben gestort in een hyper individuele daad, die het zorgvuldig opgezette systeem om heiligheid te benaderen, fataal heeft doorbroken. Kennelijk is blinde extase niet iets dat past in de Joodse eredienst (3).

Twee sferen

Rabbijn Jonathan Sacks  (4) heeft getracht nog een slag dieper door te dringen in deze toch moeilijk te duiden gebeurtenis. Hij onderscheidt duidelijk de wereld van mens en materie als een ruimte die door de Eeuwige is geschapen door zijn aanwezigheid daaruit terug te trekken. Hij heeft als het ware zichzelf daaruit weggecijferd, enigszins in de sfeer van het kabbalistische begrip tsimtsoem. Dat geeft de mens de mogelijkheid te bestaan, zijn vrije wil uit te oefenen en zijn ratio te gebruiken. Daarnaast (of daarboven) heeft de Eeuwige zijn eigen rijk van absolute presentie, waarin de wetten van de materie en de mens - en zijn wetenschap - niet gelden. Om de nabijheid van de Eeuwige te zoeken moet de mens als het ware op zijn beurt zichzelf wegcijferen, zijn ‘ik ben’  en tijdelijk uitschakelen en  in absolute overgave zijn eigen wil voor een tijdje helemaal opzijzetten. Eigen initiatieven  =  in de materiële wereld misschien zeer  prijzenswaardig - zijn dan niet op hun plaats en zelfs levensgevaarlijk; dat is spelen met vuur. En dat hebben Nadav en Avihoe gedaan door vurig hun ‘egoistisch project’  te lanceren, dat werd tot vreemd vuur.

Bij het maken van dit stuk schoot mij een couplet binnen uit een lied van Bob Dylan, uit zijn jonge jaren, (uit ‘It’s allright ma’)

Disillusioned words like bullets bark
As human gods aim for their mark
Make everything from toy guns that spark
To flesh-colored Christs that glow in the dark
It’s easy to see without looking too far
That not much is really sacred


Inderdaad, niet veel is heilig, nu misschien nog wel minder dan toen Dylan rondkeek in zijn wereld van de jaren zestig. We zijn vergeten hoe het heilige te vinden, te benaderen en we spelen met vuur. (5)

noten

(1)  Wajikra Rabba 20: 8 en 9. Een bespreking hiervan , die ik heb gebruikt is te vinden op http://etzion.org.il/vbm/english/archive/midrash69/24midrash.htm

(2) Shemot/Exodus   24:10, En zij (Moshé, Aharon, Nadav en Avihoe en de 70 oudsten) zagen de God van Israël en het was alsof onder zijn voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in klaarheid etc. lijkt in strijd met Shemot/Exodus 33:20, Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven. Buber oppert dat in hoofdstuk 24 niet De Ene werkelijk gezien is maar wel een overweldigende uitstraling, die met de goddelijke presentie gelijkgesteld en als zodanig ervaren werd.

(3) Zie ook het commentaar van Nechama Leibowitz op deze parasha, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 63 ev.

(4) Zie het diepzinnig  commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks op
http://www.rabbisacks.org/fire-holy-and-unholy-shemini-5775/
Niet op alle punten ga ik met hem mee, maar dat uit te leggen zou te ver voeren.

(5) Donderdag 16 april was het Jom Ha-Shoa, donderdag 23 april is het Jom Ha-Atsma’oet  (onafhankelijkheidsdag). In de liberale cyclus is de haftara (toegevoegde profetenlezing) daarom Zecharja 8:1-20, die gaat over de voorspelde hergeboorte van Israël, met veel poëzie door Zecharja beschreven, waarbij een ethische noot , die schrijnt met de harde politieke werkelijkheid, niet ontbreekt: 16 Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; 17 beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord van de Ene.


Achtste dag Pesach:

Mag ik altijd opeisen

waar ik strikt genomen

recht op heb?

door Rob Cassuto

Kort over de achtste dag Pesach en de Omer telling

De achtste dag van Pesach valt dit jaar op shabbat. Gelezen wordt Dewariem/Deuteronomium 15:12-16:20, bepalingen rond vrijlating van slaven, het offeren van eerstelingen en de drie pelgrimsfeesten. De haftara (aanvullende profetenlezing) is het bekende visioen van Jechezkeel 37 over de herrijzenis van de vallei van dorre beenderen tot het levende volk Israël; in een andere traditie leest men uit de hoofdstukken 10-12 van Jeshaja. De focus is die dag op de komende tijden van verlossing.  In de periode tussen Pesach en Shawoeot tellen we Omer vanaf de tweede dag van Pesach tot de vijftigste dag: het Wekenfeest (Hebreeuws: Shawoeot). Iedere dag zeggen we:‘Baroech ata Hashem elohenoe melech ha-olam asher kied’shanoe be-mitswotav we-tsiwanoe al sfirat ha-omèr. Hajom jom - hoeveelste dag het is -  la-omer.

Velen gebruiken deze periode als een tijd van dagelijkse reflectie aan de hand van de sefirot van de Eets Chajiem (levensboom), waarvoor Rabbi Simon Jacobson een handleiding heeft geschreven (1). De periode van 49 dagen is een rouwperiode ten gevolge van de plotselinge dood van 24.000 leerlingen van de beroemde leraar Rabbi Akiva, tweede eeuw gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed) zegt, dat dit het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. Mogelijk werden ze ook als opstandelingen tegen de Romeinen omgebracht, evenals Akiva zelf, in de opstand van Bar Kochwa omstreeks het jaar 135 (2). Nu werd na de tempelverwoesting van het jaar 70 de hele stad Jeruzalem door de legers van keizer Hadrianus met de grond gelijk gemaakt.

Voorbij aan de maat van het recht

De alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3e eeuw) zei, dat Jeruzalem alleen daarom verwoest was, ‘omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (Bava Metzia 30b). Dat geeft een mooi bruggetje naar een actuele overdenking over de (a)moraliteit in het bankwezen en het bedrijfsleven. Waar gaat de uitspraak van Rabbi Jochanan om?

Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of - ruimer en universeler - het recht geen gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora of het recht. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora of het recht vraagt, soms vraag  je minder dan de Tora of het recht toekent.  We komen hier een belangrijk moreel principe tegen, dat ook tegenwoordig nog alle gelding heeft. Dat is het principe , lifnim misjoerat ha-din: voorbij aan de maat van het recht (3). De commotie rond de salarisverhoging van ABN-AMRO bazen is een uitstekende illustratie van hoe dit principe is veronachtzaamd.

Rav Safra en Herr Beer 

Een anekdote uit de Talmoedische tijd zegt: Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiële koper kwam langs, net toen hij het Shema-gebed zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wilde zijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger. Toen Rav Safra klaar was met zijn gebed, zei hij: ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet nemen’.

Een vergelijkbaar verhaal stamt uit modernere tijden. De industrieel Beer had aan de vooravond van de Frans-Duitse oorlog van 1870 grote belangen in koper en andere metalen, die naarstig gezocht werden door de Duitse wapenindustrie. Op vrijdagavond, net toen Beer zijn kantoor had afgesloten en naar huis was voor de shabbat, kwam er een telegram van het Ministerie van Oorlog op zijn kantoor met een aanbod om al zijn metalen aan te kopen. Telegram op telegram kwam daarna die zaterdag aan, elk met een hoger bod, die niet werden beantwoord i.v.m. de shabbat.

De volgende zondagochtend las Beer de telegrammen door en berichtte, dat hij i.v.m shabbat niet had geantwoord, maar dat hij het eerste bod al zou hebben geaccepteerd. De minister was zo onder de indruk van dit levend Jodendom, dat hij het bedrijf van Beer als eerste leverancier aanstelde, wat leidde tot een wereldwijde expansie van Beers firma. (4)

lifnim misjoerat ha-din, voorbij aan de maat van het recht.

Nog een andere Talmoedische anekdote haalt Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. aan in zijn afscheidscollege als hoogleraar als illustratie van dit beginsel lifnim misjoerat ha-din.(5)

Rabba bar bar Chana overkwam het dat sjouwers door onvoorzichtigheid een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam hun kleren in beslag (om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen). Men ging Rav (een van de gezaghebbende rabbijnen uit de Talmoed) vertellen wat hij gedaan had. Die zei aan bar bar Channa: geef de sjouwers hun kleren terug. Deze wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want er staat (Spreuken 2,20): ‘opdat je gaat in de weg van de goeden’. Bar bar Channa gaf de sjouwers hun kleren terug. Die zeiden hem: We zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar bar Chana: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: ‘En hoedt de wegen van de rechtvaardigen’ (Bava Metsia 83a).

Aschkenasy legt uit: Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens het recht verplicht zijn. En soms worden we opgeroepen om minder te vragen dan waar we strikt genomen recht op hebben. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifnim misjoerat ha-din, dat wil zeggen: dat we het strikte recht steeds moeten duiden in de context van  de actuele omstandigheden. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid.

Er is iets bijzonders met dit beginsel van lifnim misjoerat ha-din aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van lifnim misjoerat ha-din kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht of gerechtigd is. Deze rabbijnse ethiek houdt een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaad. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging. (6)

De – inmiddels niet van harte teruggedraaide – salarisverhoging van de ABN-AMRO bazen zou duidelijk geen rabbijnse zegen hebben gekregen.

noten

(1) Lees op mijn website meer hierover

(2) Zie http://www.stichtingpardes.nl/agenda/2012/index.html  en ook http://www.meaningfullife.com/ , waarop u een My Omer Counting App kunt downloaden
(3) Genoemd ook door Rashi ad Dewarim/ Deut. 6:17- 18, Gij zult nauwgezet de geboden van de Here, uw God, onderhouden en de getuigenissen en de inzettingen, die Hij u opgelegd heeft; 18 gij zult doen wat recht en goed is in de ogen des Heren’, welke laatste zin Rashi uitlegt als een aanvulling op het eerste vers, en wel als:  lifnim misjoerat ha-din voorbij aan de maat van het recht
(4) De twee anekdotes zijn overgenomen uit: My Jewish learning, Jewish ethical principles for business, ook te lezen als  ‘The basic principles of Jewish business ethics’ van prof. David Golinkin.
(5) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Heroriëntatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989
(6) Aldus ongeveer prof. Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht, in: Tenachon, herdenkingsnummer van Tenachon rond Yehuda Asckenasy, augustus 2012


Pesach: feest van de bevrijding

door Rob Cassuto

Het is weer lente en wij vieren Pesach. We denken weer aan de bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij, lang, lang geleden. Je zou kunnen zeggen dat Pesach vier gezichten heeft

Pesach: feest van de geschiedenis

De afstammelingen van Jacob, de Israëlieten, ooit in Egypte aangeland op de vlucht voor hongersnood, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder door de Farao onderdrukt; onder brandende zon moesten de slaven zwoegen tot de uitputting toe, tranen van wanhoop werden vergoten – het zoute water - , bitter was het leven – de maror - . Maar de tien plagen brengen de Farao tot hun vrijlating. Bij de laatste plaag in de nacht dat alle eerstgeborenen, behalve die van Israël, werden getroffen,  brengen ze als offer het Pesachlam, omdat de doodsengel hun huizen heeft gespaard. In allerijl vluchten ze het land uit met in de ransel koeken die geen tijd hadden om te rijzen – de matses. Hoogtepunt in het verhaal van de uittocht is het maal rond het pesachlam, het maal samen genoten, vlak voor het vertrek uit Egypte. Dat is het aspect van geschiedenisfeest.

Pesach: feest van de gemeenschap 

Pesach is vooral ook het feest waarin wij met familie, vrienden en leden van onze plaatselijke gemeenschap samenkomen, samen spreken en samen genieten.
Na de verwoesting van de Tempel is het feest verplaatst naar de woning en centraal kwam de feestelijke maaltijd te staan, waarin van generatie op generatie het bevrijdingsverhaal verteld wordt: de Seider en het boek waarin het maaltijdritueel met al zijn oeroude teksten beschreven staat, de Haggada, is na de Tora en de Sidoer het meest populaire Joodse boek.
Het is de bedoeling, dat niemand op die eerste of tweede Seidermaaltijd alleen eet: ‘iedereen die honger heeft, kan binnenkomen en meeëten; iedereen die zelf niets heeft kan met ons mee Pesach vieren', zo begint de Haggada. Pesach is het feest waarin we weer goed beseffen dat wij van slaven een gemeenschap zijn geworden, een gemeenschap van intrinsiek vrije mensen en zó genieten wij van ons samenzijn. Wat aandoenlijk symboliseert de Haggada dat nog steeds met een symbool uit de Romeinse tijd: wij drinken de voorgeschreven vier bekers wijn nog altijd leunend op de linkerarm, zoals de rijke Romeinse burgers dat deden, aanliggend aan hun lage tafels tijdens hun symposia, waaraan de Seider nog steeds naspeurbaar is gemodelleerd.
Het is passend bij iedere Seider te denken aan alle omgekomenen, wier schreeuw om bevrijding niet is beantwoord.

Pesach: feest van de doorgaande bevrijding .

‘In iedere generatie ben je verplicht jezelf te zien alsof jijzelf uit Egypte bent vertrokken', zegt rabbijn Gamliël in de Haggada. Je herbeleeft niet alleen de tijd van toen, maar beleeft ook het nu. We overstijgen de historische details van ooit naar nu. Het proces van bevrijding uit slavernij naar werkelijke vrijheid is nooit afgelopen. Marianne van Praag zegt het zo: Als u in uw eigen leven kijkt, wat zou dit jaar de uitdaging voor u kunnen zijn? Nieuwe gronden betreden. We hebben allemaal blokkades in ons leven. Pesach is de periode bij uitstek om hiernaar te kijken en trachten onszelf hiervan te bevrijden. Niet meer gevangen worden gehouden door dat stemmetje in ons hoofd dat zegt: „ik kan het niet, ik ben niet goed genoeg, ik wil gelijk hebben.” Deze stem is vaak onze grootste vijand. Als we dit erkennen hebben we de mogelijkheid onszelf te bevrijden uit het Egypte waartoe we onszelf veroordeeld hebben.
Ook niet in de relatief vrije maatschappij waarin wij in Nederland leven is het niet moeilijk sporen van onderdrukking te traceren. Op globaal niveau is de mensheid  in een kritische fase aan het aanlanden. Momenten van hoopgevende en veelbelovende vooruitgang gaan gepaard met situaties van schrikbarende en barbaarse achteruitgang. In mijn subjectief oog lijkt het wel of de wereld in heftige barensweeën is. Ik hou mijn hart soms vast.

Pesach: feest van de innerlijke bevrijding

Laat ik tenslotte het uittochtverhaal een beetje esoterisch bekijken, als allegorie van de weg van de ziel door het fysieke bestaan. 'Israël' staat dan voor onze essentie, voor onze werkelijke bestemming, voor onze ziel.

Het boek Exodus begint met de aankomst van Jacob - Israël - en zijn door hongersnood gedreven directe afstammelingen in het voedselrijke Egypte; die aankomst staat symbool voor het incarneren van de ziel in het materiële bestaan, gedreven door een onontkoombare honger om te beleven, te ervaren, te leren.
Eerst is er in het land Goshen een voorspoedig uitgroeien en opgroeien. Maar dan dringt de materiële wereld zich steeds onvermijdelijker op met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen. Zoals het volk Israël, wordt onze essentie  in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. In ons eigen leven krijgen we te maken met opvoeding, vorming en andere ingrijpende en soms pijnlijke lotgevallen. We moeten ons steeds meer aanpassen aan het systeem. Uiteindelijk zijn we helemaal geïdentificeerd met dat omringende en onderdrukkende systeem, familie en maatschappij; het systeem hebben we binnen onszelf gehaald, het heeft ons bezet. Het heeft onze vrijheid versmald en beperkt.
Dit onderdrukkende systeem, dat we nodig denken te hebben voor onze overleving in de fysieke wereld, wordt in het pesachverhaal belichaamd door Farao en zijn slavendrijvers, de Egyptische opzichters. In de psychologie zou je dat - mits goed verstaan - het ego kunnen noemen.

In dat proces zijn we onze meest eigen essentie vergeten; die ligt verborgen achter de vele schillen van het ego. We zijn bijna helemaal ons ego geworden, meer Egypte dan Israël, voor de goede verstaander. Het is een onvermijdelijke fase van de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, de afgoden in het bijbelverhaal. Maar helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak ondershuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt: ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' staat er in Exodus 2-23. Na lange tijd was dit het eerste werkelijke gebed om hulp.
Die hulp komt in de vorm van de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem. Vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen, zoals Mozes heeft gedaan. Dan krijg je een idee over de weg die te gaan is.

Maar de strijd is nog niet beslist. Het ego is hardnekkig. Het vindt zich onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn meerdere crises nodig om Farao te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen; ook in ons persoonlijk leven brengen vaak crises het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, zodat we op weg kunnen gaan naar wie we in wezen zijn. Voor Farao zijn de tien plagen nodig. Bij ons treden er misschien wel psychische dieptepunten op of tegenslagen, soms zelfs ziekten of verliezen.

Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken.

Lees het oude bijbelverhaal eens opnieuw vanuit deze optiek en je vindt nog veel meer aanrakingspunten. 

RC april 2015


Parashat Tsav

Over dankbaarheid

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 6: 1-8:36

Evenals de voorgaande parasha Wajikra bevat de parasja Tsav (Draag op …) regels over het offeren, deels een herhaling van de vorige parasja, en wordt beschreven hoe Mosjé zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester wijdde.
De offers die worden behandeld, maar nu als instructie aan de priesters persoonlijk met aanvullende details, zijn: het opgaande (brand) offer (ola), het meeloffer (mincha), het vrede-offer (zewach shelamiem), het zonde-offer (chatat) en het schuldoffer (asham). Deze voorschriften zijn nu niet meer van toepassing, maar de achterliggende intenties kunnen ons nog steeds iets zeggen.

Laat ik eens het shelamiem offer (shelamiem verwant met shalom, vrede, en shalem, heel) nader bekijken, het vrijwillig te brengen offer, dat wil getuigen van erkentelijkheid en dat door iedereen mag worden geïnitieerd. In deze parasha wordt een bijzondere vorm van het shelamiem offer geïntroduceerd, het dankoffer, het korban toda, te brengen als dank voor het ontkomen aan gevaar of ontbering. Het betreffende dieroffer wordt in dit geval nog aangevuld met veertig broden, gedesemd en ongedesemd,  en mag dan met familie en vrienden worden verorberd als feestelijke maaltijd. De Talmoedische rabbijnen meenden, dat in een aantal situaties dankbetuiging toch wel verplicht was; ze vonden aanwijzingen in psalm 107, waarin de Eeuwige wordt geprezen voor de uitredding uit een aantal poëtisch omschreven benarde en gevaarlijke situaties; speciale dank is verschuldigd na veilige terugkomst van een zeereis, na veilige terugkomst van een woestijntocht, na herstel van een ernstige ziekte en na het vrij komen uit een gevangenis (Talmoed Berachot 54b, Rashi ad Wajikra/Shemot  7:12).
Het dankoffer is weliswaar vervallen, maar het ritueel danken na het ontkomen aan groot gevaar (bijvoorbeeld na genezing van een ernstige ziekte) is nog steeds gebruikelijk. Dat gebeurt in de vorm van het gomel-benshen, de birkat ha gomèl, die wordt uitgesproken tijdens de dienst. De opgeroepene zegt: ‘Gezegend bent U, Hashem,  onze God, Koning van tijd en ruimte, die de mens Zijn goedheid laat ervaren en die nu mij heeft bijgestaan in deze tijd.’ Daarna antwoordt de gemeente: ‘Moge Hij die jou nu heeft bijgestaan jou ook in de toekomst Zijn goedheid laten ervaren, sela’(sela is een soort amen) (1).
Dankbaarheid (hakarat tova) is één van de rode draden van het Joods gedachtegoed. In de dagelijkse gebeden zien we dat terug. Het allereerste gebed na het ontwaken is een dankgebed voor het terugkomen van de levende ziel in het lichaam, Modeh ani lefanècha etc. : ‘Ik dank U, levende en bestaande Koning, dat U mij mijn ziel heeft teruggegeven met ontferming, groot is Uw trouwIn het dagelijks gebed, het zogenoemde Amida gebed,  is de voorlaatste bede geheel gewijd aan dankbaarheid (2). Ook het danken na de maaltijd, het zogenaamde benshen middels het zingen van de speciale zegeningen (birkat ha-mazon), wil tot het besef van dankbaarheid oproepen.

Maar het gaat natuurlijk niet (alleen) om het uitspreken van deze formules op zich. Ze helpen om, mits uitgesproken met besef (kawana), een levenshouding van dankbaarheid te wekken en te cultiveren. Het besef van het voorrecht om aan het leven te mogen deelnemen – ondanks het lijden dat er existentieel in is meegegeven – is wanneer het eenmaal tot bewustzijn is gebracht een bron van dankbaarheid. En dankbaarheid  als levenshouding is een uitstekend antidotum tegen depressie.
Maar als een spier die we vergeten te gebruiken is de mogelijkheid van dankbaarheid vaak weggekwijnd en vergeten. Het valt veel van ons – ook mij – vaak niet mee om dankbaar te zijn.
Welke barrières staan dankbaarheid in de weg? Al ongeveer duizend jaar geleden somt Rabbi Bachya  Ibn Pakoeda er drie op (3):  Dankbaarheid gaat verloren als we alleen maar geabsorbeerd zijn in het  najagen van  fysieke pleziertjes. Als we alles dat ons gegeven is als vanzelfsprekend ervaren is de dankbaarheid vergeten. Ook krijgt dankbaarheid geen kans als we alleen maar gefocussed zijn op tegenslag en ellende.
In het Joods gedachtegoed kan dankbaarheid benoemd worden als een eigenschap, die je tot ontwikkeling kan brengen en kan oefenen. ‘Count your blessings’, zou deze wijze meester tegenwoordig zeggen. Hij wordt graag geciteerd in de Moessarbeweging, die een filosofie en een scholing biedt voor ontplooiing van onze zielskwaliteiten ten goede. Als je de vraag zou stellen, of je een reden moet hebben om te danken, zou de Moessar antwoorden: Danken kan ook een oefening zijn, door steeds te danken wek je dankbaarheid op en zie je redenen die je vroeger niet zag oplichten. Go through the motions to reach the essence, leerde ik vroeger in een meer therapeutische setting. De Moessar is hier heel concreet in. De oefening kan zijn : ieder dag drie redenen opschrijven om dankbaar te zijn;  's-ochtends en voor en na het eten de betreffende zegenspreuken (berachot) te zeggen (4).
Mocht u dat niet al doen, zegt u eens na het opslaan van de ogen nog in bed het Modeh ani lefanècha. Mij helpt het mezelf positief af te stemmen op de komende dag.

Noten
(1) Zie bijv. LJG-gebedenboek Tov Lehodot, blz.306
(2) De 18e beracha, zie de liberale versie in LJG-gebedenboek Tov Lehodot, blz. 146/147, 290/291
(3) Rabbi Bachya Ibn Pakoeda, Spanje eerste helft 11e eeuw, schreef Chovot Ha-levovot (de Plichten van het Hart), een werk van hoog ethisch niveau.
(4) Moessar is het hebreeuwse woord voor moraal, ethiek. Meer in het bijzonder is het een in de 19e eeuw opgekomen en in de moderne tijd herlevende stroming die oproept tot een levenswijze die erop gericht is meer bewustzijn te wekken voor de innerlijke houdingen, van waaruit men met zichzelf en de wereld omgaat, om licht te werpen op oorzaken van lijden en frustratie. Tegelijk is het een zeer praktische weg om de beste mogelijkheden die men in zich heeft te ontplooien en met name innerlijke houdingen of karaktertrekken (‘middot') onder de loupe te nemen en te verbeteren.
Onlangs is de Nederlandse vertaling verschenen van het boek van één van de vernieuwers van de Moessar, Alan Morinis, Everyday Holiness, The Jewish Spiritual Path of Mussar, Trumpeter, Boston London, 2007: Het Heilige in het Alledaagse, Het Joodse spirituele pad van Mussar, Mastix Press, 2014. Zie hoofdstuk 9 over dankbaarheid. Een korte kennismaking met Moessar biedt mijn artikel hierover, MOESSAR, een korte beschrijving van een joods spiritueel pad


 

Parashat Wajikra

Het boek Wajikra

door Rob Cassuto

Wajikra/Leviticus 1:1-5:26

Met de parasha Wajikra betreden we het derde boek van de Tora. Dat boek noemen we naar de eerste woorden van dat boek Wajikra – (Hij) riep - , zoals ook de eerste parasha dus Wajikra heet. Het boek  is zo op het eerste oog heel wat minder sensationeel voor de moderne lezer dan de eerste twee boeken Bereshiet/Genesis en Shemot/Exodus. Het handelt vooral over de offers, de priesters en de tempeldienst en allerlei voorschriften over het bewaren en herstellen van rituele reinheid; in het Latijn is het dan ook van oudsher Leviticus genoemd naar de tempeldienaars, de Levieten. Bijbelwetenschappers schrijven de tekst toe aan priester-redacteuren, afgekort tot P (1). Een opvallend tussenstuk, dat de actualiteit voor de moderne mens  in een aantal belangrijke verzen heeft behouden, is het hoofdstuk 19, die gaat over het nastreven van heiligheid onder andere door intermenselijke omgangsregels van hoog ethisch niveau, waaronder het beroemde ‘hebt uw naaste lief als u zelf’.

De Tempel werd een bedrijvige ‘religieuze werkplaats’, waarin tot het jaar 70 meer dan duizend jaar  lang - behalve tijdens de Babylonische ballingschap - Goddelijke bescherming werd afgesmeekt, het heil van de Israëlieten werd gewaarborgd, schuld werd verzoend en dank werd gebracht door een leger van religieuze arbeiders, de levitische tempeldienaars, middels graan- en dierenoffers; miljoenen dieren moeten in al die eeuwen dagelijks onder het mes zijn gegaan. Zoals zoveel religieuze instituten ontwikkelde de tempel zich uiteindelijk tot zowel een machtsbolwerk van een ultraconservatieve elite (de Sadduceeën, Tsedoekiem) als ook een commercieel en toeristisch centrum, waartegen de profeten (2) en ook Jezus (Jeshoea be Joseef) tekeer gingen.

Opvattingen over de offerdienst

De parasha Wajikra begint meteen al met een uitgebreide beschrijving van de verschillende soorten offers, brandoffers, vredeoffers, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers. Er zijn vele technische verschillen tussen de verschillende offers, afgezien van het object (stier, bok, duif, graanmeel etc.). Maimonides ontkende de intrinsieke waarde van de offerdienst en zag de instelling en de voorschriften van de offerdienst als een in alle wijsheid aan het volk destijds gegeven aanpassing, om het af te wenden van de afgodendienst, maar toch te voorzien van de nodige rituelen.
Nachmanides ging hier tegenin en zag wel degelijk een intrinsieke reden in de dierenoffers: eigenlijk verspeelt de mens met zijn zonden van geest en lichaam zijn leven en het dier dient met zijn bloed en organen als substituut om genade en vergiffenis van de Eeuwige te verkrijgen (3).

Onverwachte betekenissen

Intussen is na de verwoesting van de tempel de offerdienst vervallen. Dat heeft ertoe geleid de dierenoffers te vervangen door het gebed als middel tot verzoening. In de Talmoed zijn niettemin alle later tot in detail uitgewerkte voorschriften  over de tempeldienst, de priesters en levieten en de offers trouw weergegeven en bediscussieerd. Onder de oppervlakte van die oude woorden in de Tora schuilen bovendien onverwachte betekenissen. Wajikra bleef in het Joods gedachtegoed een centrale plaats innemen. De rabbijnen zijn in alle eeuwen bezig geweest de teksten van Wajikra van commentaar te voorzien. Ieder woord wordt gewogen, bekeken en driedubbel onderzocht op verborgen boodschappen. Twee voorbeelden van hoe schijnbaar niet relevante tekstkenmerken toch spirituele inzichten blijken te bevatten volgen hieronder.

Al de eerste twee pesoekiem (verzen)  van het boek en deze parasha trekken de aandacht. Rabbijn Simon Jacobson (4) wijst ons erop, dat dat eerste woord 'Wajikra' geen persoonsaanduiding heeft; er staat eenvoudig: (hij)Riep. In het Chassidische denken legt men uit dat deze omissie eigenlijk een krachtige aanvulling is: De essentie van de Ene tart elke naam en beschrijving. Dit vers wil aan ons overbrengen dat Zijn wezen riep tot Mozes, dus zelfs een van de gebruikelijke aanduidingen van de Ene is niet genoemd; het vers zegt alleen maar: "En ___ riep tot Mozes," en vertelt ons zo dat de oproep kwam van een plek die definities overstijgt, een plaats die geen naam of titel heeft. Had het vers één van de gebruikelijke aanduidingen vermeld,  dan zou dat hebben betekend dat deze bijzondere dimensie toch een vorm van benoeming had gekregen. Door geen enkele naam te gebruiken, vertelt het vers ons dat dit een oproep is vanuit de zuivere essentie.  

Wat de commentatoren verder is opgevallen is de vreemde grammaticale constructie van het tweede vers: er staat letterlijk adam ki jakriev mikem, ‘wanneer iemand een offer brengt van jullie’, een onhandige constructie. Je zou het grammaticaal meer regelmatige  ‘adam mikem ki yakriv,’ verwachten, ‘wanneer iemand van jullie een offer brengt’.  Maar met deze vreemde constructie wil de Tora ons wat zeggen: het offer dient gebracht te worden vanuit jou vandaan, vanuit jouw innerlijk moet iets worden geofferd. Wat dan? Het vers zegt: ‘een offer van het beest (behéma), van het rundvee (bakar) of van het kleinvee (tson). Deze dieren staan dan symbool voor aspecten van dat innerlijk, en met name de animale neigingen, die ons tot allerlei verkeerde daden en gewoonten brengen, die onze ontplooiing in de weg staan. Mensen hebben veel gemeen met dieren, in zekere zin zijn wij hetzelfde als de dieren, maar we hebben de mogelijkheid daar boven uit te stijgen en de animale aspecten te transcenderen naar een niveau, waarin we niet zonder meer de marionet van zelfzuchtige genen zijn (5).

noten

(1) De zg. Documentary Hypothesis (uit Wikipedia) onderscheidt een aantal veronderstelde redacteuren van de Tora:
De Yahwist bron (J) : geschreven c. 950 BCE in het zuidelijk koninkrijk Juda.
De Elohist bron (E) : geschreven c. 850 BCE in het noordelijk koninkrijk Israël.
De Deuteronomist (D) : geschreven c. 600 BCE in Jeruzalem tijdens een periode van religieuze hervorming.
De Priesterlijke bron (P) : geschreven c. 500 BCE door Kohanim (Joodse priesters) in ballingschap in Babylon.
(2)  Het verst hierin gaat Jirmejahoe (Jeremia), 7:21,22 (NBV):  ‘Dit zegt de Ene van de hemelse machten, de God van Israël: (…): Toen ik jullie voorouders uit Egypte leidde, heb ik hun nooit iets gezegd of voorgeschreven over brand- en vredeoffers’. Zie verder hierover Nechama Leibowitz in haar inleiding op Wajikra, Studies in Vayikra, WZO, 1980, p. 1 e.v.
(3) Uitgebreid relaas over deze controverse tussen deze twee belangrijke middeleeuwse geleerden zie: Nechama Leibowitz Ijoeniem
(4) Ergens op http://meaningfullife.com/
(5) Een en ander heb ik ontleend aan het commentaar van Simon Jacobson op Wajikra 1:2, die in een noot verwijst naar deze uitleg van de hand van Rabbi Schneur Zalman van Liadi en verder ingaat op het gebruik van het woord ‘Adam’ voor ‘iemand’ waar normaal het woord ‘iesh’ wordt gebruikt. Voorts ook het commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks, die Rabbi Schneur Zalman volgt en op de aard van ‘behema’, ‘bakar’, ‘tson’ verder ingaat en dan ook komt op deze spirituele interpretatie.


Parasha Bechoekotai

Leviticus 26:3 – 27:34

God en de rampen

De parashat Bechoekotai is de laatste parasha van het boek Leviticus / Wajikra. Het is het forse slotakkoord van dit boek met zijn vele mitswot. In deze parasja, staan een reeks zegeningen "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen" en daarna een lange reeks indrukwekkend beschreven rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen” . Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen waren een gebruikelijke afsluiting van contracten in die oude Middenoostelijke tijden. Beschouwt men dit Bijbelboek Wajikra als (een belangrijk deel van) van het verbond van de Eeuwige met zijn volk, dan is deze afsluiting in lijn met destijds toegepaste contractuele gebruiken. Overtreding van overeengekomen verplichtingen werd gesanctioneerd met de meest vreselijke vervloekingen.

De plaatsing van deze passages in een historische en filologische context maken ze voor ons als moderne lezer nog niet meteen onschadelijk; ze blijven veronrusten.
Het valt op met welk een vaardige pen en met welk een haast literaire wellust deze in het vooruitzicht gestelde rampen zijn geschreven. De motivatie om de mensen af te schrikken van hun mogelijke dwaalwegen met vreselijke beelden heeft de redacteur van deze passages gebracht tot het uiterste van zijn litteraire kunnen. Hoever moet het komen, dat mensen het vlees van hun zonen eten en het vlees van hun dochters (35:29).
De passages lopen op in een crescendo waarin toenemende hardnekkige ongehoorzaamheid aan de geboden van de Eeuwige gepaard gaat met een toenemende parallelle ellende en niet de minste daarvan is de verdrijving van het joodse volk in vreemde landen en hun vernedering aldaar.
Wat nu het verontrustende is in mijn ogen, is dat de beschreven afschuwelijkheden inderdaad hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden. Niet alleen het Joodse volk heeft alle geschetste ellende meegemaakt. Ook andere volken, gemeenschappen, groeperingen zijn getroffen door rampen als in dit scenario beschreven. Zijn rampen inderdaad de straf voor menselijk gedrag?  

Het paradigma van vloek en zegen, van beloning en straf, dat toch wel al te lineaire wereld- en godsbeeld is in deze moderne tijden in brede lagen van gelovigen en hun theologen en filosofen bezweken. Het heeft mij nooit aangesproken en het is ook niet de reguliere opvatting in het liberale Jodendom.
Hoe menselijk blijft het om God ten tonele te voeren of ter verantwoording te roepen als het lijden toeslaat, je persoonlijk treft of een heel volk(sdeel). We projecteren onze absolute onmacht in een God die bewust straffend of onnaspeurbaar willekeurig beschikkend op ons reageert of zelfs – misschien nog erger - onverschillig voor ons niet thuis geeft. Gister nog – als ik dit schrijf is het 5 mei – riep Rabbijn Vorst tijdens de herdenking van de Nijmeegse vermoorde Joden het nog uit: waar was God in Auschwitz?
(Vandaag 5 mei is het trouwens Jom haZikkaron, de gedenkdag voor de gesneuvelde soldaten van Israël)

Maar vele moderne denkers, theologen, filosofen en ook ik zijn aan de theodicee voorbij. Of misschien: toe aan een nieuwere, veel subtielere theodicee, de poging tot verklaring van Gods werking in de gang van de natuur en in de gang van de mensheid.

Een paar rudimentaire noties.
God als regisseur van goed en kwaad, als toedeler van het lijden, die God is dood. Maar er is een goddelijk spreken, dat niet rechtstreeks op mij ingrijpt, maar dat indirect plaats vindt. Dat spreken grijpt in via mijn medemens, die – hier volg ik Levinas, voor zover ik hem begrijp – als medemens een beroep op mijn goedheid belichaamt, een beroep op mijn mogelijkheid om het goede en het wijze in mijzelf tot uiting te brengen in dienstbaarheid naar hem of haar, naar die ander. Het beroep dat mijn medemens op mij doet, spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. Die potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt (door het gelaat van de ander, zoals Levinas zegt) is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat hij tot het goede komt, uitgaande van een God.*)
Ik zou zeggen, dat deze potentiële - Levinas zegt zelfs aangeboren - goedheid van de mens resoneert in de Tora, althans zeker in het ethische deel van de voorschriften, zoals die zijn neergelegd in bijv. hoofdstuk 19 van Wajikra, de zg. heiligheidcodex. De voorschriften van hoofdstuk 19 leggen de bodem voor de principes van menselijke omgang en iets wat wij rechtvaardigheid en beschaving noemen. Die voorschriften na te komen behoort ook tot de opgave een heilig volk te zijn (zie mijn commentaren op de parashat Kedoshim). 

Hoe gaan we dan om met al die straffen die de Tora middels de daar tot Mozes sprekende God in het vooruitzicht stelt voor het geval van ongehoorzaamheid aan Zijn voorschriften?
Wel, die straffende God, daar geloven wij niet meer in, maar in deze parasha – die wel de Tochacha, de berisping wordt genoemd – klinkt wel een basale intuïtie door, die zich niet tot het individu richt, maar tot het collectief, de gemeenschap. Wij kunnen hem lezen als een intuïtie, die in de bijbelse taal gericht is aan het volk van Israël, maar die geldt voor ieder volk, het is een universele intuïtie: de gemeenschap, die de regels van gerechtigheid aan zijn laars lapt, die de voorschriften om voor de armen, de weduwen en de wezen te zorgen verwaarloost, die de vreemde ander onderdrukt, nalaat de werkers hun loon te betalen, die zich bezondigt aan omkoping en corruptie, aan partijdigheid in de rechtspraak, aan haatzaaien, etc., zo’n gemeenschap of maatschappij loopt het gevaar tot anarchie te raken, tot geweld en tot oorlog. Die gemeenschap staat bloot aan rampzalige ontwikkelingen, waarvan deze parasha zo’n kleurrijke bloemlezing geeft en waarvan de wereld van vandaag op zo vele plaatsen getuigenis geeft; ik noem geen namen. Het is een maatschappij, waarin de mensen elkaar als object zien - ieder voor zich de ander beschouwend als object in zijn eigen wereldje - , een samenleving, waarin de mensen niet meer het gelaat van de ander zien, dat geen enkel appèl doet op gerechtigheid en compassie. Een maatschappij of gemeenschap, waarin de goedheid van de mens is verzonken, kortom die ‘van God los’ is.
De lotgevallen van het volk van Israël lijken dan een soort pilot project voor alle volken. Is de geschiedenis van het joodse volk niet een vaak bittere voorbeeldgeschiedenis van de worsteling om een ‘goed’ volk te zijn met vallen en opstaan, een volk, dat het gevaar loopt het slachtoffer te zijn van machtige volken, die op hun beurt de vreemdeling haten en kwade bedoelingen hebben?
In die zin roept deze parasha ons nog steeds toe.
 
Gelukkig hoeft niet ieder lid van de gemeenschap een heilige te zijn, want in het begin van deze parasha staat ook onder de zegeningen – die zijn er gelukkig ook – deze passage:
26:8 Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld.
Wanneer je deze belofte van de militaire sfeer overhevelt naar de spirituele sfeer- zoals de Oude Wijzen doen**) - , dan mag je constateren, dat naarmate de minderheid van getrouwe rechtvaardigen zich vermeerdert hun invloed niet lineair, maar onevenredig toeneemt. Als tien honderd aankunnen, dan kunnen honderd niet alleen duizend man aan, maar veel meer, wel tienduizend! Een ‘kritische massa’ van rechtvaardigen – laten we zeggen een massa van fatsoenlijke tot verlichte mensen - kan de samenleving voor rampen behoeden.
Maar zeker is, dat minder dan tien niet voldoende is, zoals Avraham ervoer toen hij de redding van Sedom trachtte af te smeken.

*) Zoals Levinas nog eens zijn denkbeelden uitlegt in het heel beluisterenswaardige interview, dat de IKON op Youtube heeft geplaatst

**) vermeld in Nechama Leibowitz’ commentaar op Bechoekotai


Parasha

Behar

Leviticus 25:1-27:34

Deze week lezen wij de Sidra Behar. De Sidra Behar is een relatief korte sidra en is gewijd aan de heilige periodes van tijden die slechts zelden voorkomen. In de sidra wordt uitgelegd dat elk negenenveertigste jaar een Jubeljaar is. Aan het begin van het jaar wordt een Sjofar geblazen om "vrijheid uit te roepen in het land" (Wajikra [Leviticus] 25:10). De tekst uit deze sidra staat in vertaling op de Liberty Bell in Philadelphia 1) en op de kopie daarvan in Liberty Bell Park (Hebreeuws: גן פעמון הדרור‎, Gan Pa'amon HaDror). Volgens de Tora moet in het Jubeljaar landbouwgrond die door de eigenaar is verkocht, worden teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar. Ook moeten mensen die, wegens armoede, zich in slavernij hebben verkocht, worden vrij gelaten. De sidra legt uit hoe dat precies moet gaan werken. De waarde van een stuk grond of van een mens moet bij verkoop worden bepaald aan de hand van het aantal jaren tot het volgende Jubeljaar. Huizen in een stad vallen buiten het systeem.

In onze eigentijdse discussie over de rol van religie in onze samenleving, hoor je wel zeggen dat godsdienst leidt tot onvrijheid. Dat kan in specifieke gevallen best zo zijn: religie is in onze wereld vaak genoeg ingezet als gereedschap, evenals andere denksystemen. Mensen die uit zijn op onderdrukking, hebben nooit een tekort aan drogredenen op grond waarvan men meent de medemens hun rechten te mogen ontnemen.

Vrijheid, de mogelijkheid om als vrij mens God te dienen, maakt deel uit van de basis van het Jodendom. De sidra vertelt ons dat menselijke vrijheid bewaakt en bewaard dient te worden, samen met het recht op bestaansmiddelen. De gedachte dat menselijke vrijheid een grondrecht is, heeft, via de Tora, grote invloed gehad op het Westerse denken.

1)    De Liberty Bell is een beroemde en historische klok in Philadelphia in de Verenigde Staten. De klok is een van de meest bekende symbolen van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en staat bekend als symbool voor de vrijheid in het algemeen. De Liberty Bell is gehuisvest in een paviljoen gelegen tegenover Independence Hall in Philadelphia. Volgens de overlevering werd de klok op 8 juli 1776 geluid om de burgers van Philadelphia samen te roepen voor het voorlezen van de Declaration of Independence.

Vrij naar: LJG Rotterdam


Parasha

Emor

Leviticus 21:1-24:23

Wat zou

Mozes

zeggen?

DOOR: 

ROBERT TORNBERG

In de Babylonische Talmoed (M'nachot 29b) is er een prachtige midrasj 1) waarin beschreven wordt dat Mozes naar God zit te kijken terwijl Hij kronen (versieringen die een beetje op kronen kijken) op een aantal van de letters in de Tora zit aan te brengen. Mozes vroeg God waarom de Heilige dit deed. God antwoordde: "Er is een man die na verschillende generaties zal verschijnen en Akiva ben Yosef is zijn naam. En hij zal deze kronen nodig hebben, want uit elk van deze tekens zal hij bijzonderheden afleiden en regels kunnen interpreteren." (In zekere zin zal Akiva een midrasj creëren om de aanwezigheid van deze tekens, en alles wat ongebruikelijk is in de tekst van de Tora, nader uit te leggen.)
Mozes antwoordde: 
"Heerser van het Universum, toon mij deze man." 
De Heilige zei:
"Draai je om!"
En Mozes bevond zich op de achterste rij in Rabbi Akiva's Beit Midrasj (klas), maar hij begreep er niets van wat daar werd gezegd. Hij voelde zich zwak en gefrustreerd. Toen de klas op een bepaald moment in de discussie reageerde, vroeg een leerling aan Rabbi Akiva, "Rabbi, wat is de bron voor deze regel?" Hij zei: "Het is een wet die aan Mozes op de Sinaï gegeven is."

In de openingszin noemde ik deze midrasj ‘prachtig’. Ik deed dat omdat ik het een ‘prachtig’ voorbeeld vind van hoe de joodse traditie verandert, en toch geworteld blijft in de Tora.

Het Tora-gedeelte van deze week is Emor en dat betekent ‘spreek’. In deze parasja vinden we een uitgebreide bespreking van de regelgeving rond de priesters, die permanent in een staat van "heiligheid" moeten blijven om offers in de tempel te kunnen brengen. Er zijn regels met betrekking tot de tabernakel en er zijn wetten over godslastering. Deze parasja heeft ook een uitgebreide sectie waarin de eerbiediging besproken wordt van de Shabbat, van Rosj Hasjana (weliswaar niet met name genoemd), van Jom Kippoer, Soekot, Pesach en Sjawoeot (deze laatste ook niet specifiek met deze naam aangeduid).

Elke beschrijving van de feesten en vieringen van de Joodse kalender richt zich uiteraard op hoe de dag zich kenmerkte in bijbelse tijden. Een deel van wat we lezen is vertrouwd en andere stukken klinken ons  heel vreemd in de oren. Deze week wil ik de aandacht vestigen op wat de tekst ons over Pesach vertelt:

"In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, bij schemering, zal er een Pesach offer aan de Eeuwige gebracht worden , en op de vijftiende dag van die maand is het feest der ongezuurde broden van de Eeuwige. Gij zult ongezuurde broden eten gedurende zeven dagen . De eerste dag zult gij vieren als een heilige gelegenheid: gij zult niet werken aan uw normale bezigheden. Zeven dagen lang zult gij vuuroffers brengen aan de Eeuwige. De zevende dag zal ook een heilig moment zijn:.. gij zult niet werken in uw beroep "(Leviticus 23:5-8).

Deze passage, en de passages in Exodus (hoofdstukken 12, 13, en 34), Numeri (hoofdstukken 9 en 8), en Deuteronomium (hoofdstuk 16) vertellen ons wat we weten over het Pesachfeest in de Tora. We leren er dat het met Pesach ging om het offeren van een lam, om ongezuurde broden en om bittere kruiden. We leren dat zeven dagen niets van wat is gegist gegeten mag worden, dat het verhaal van de Exodus aan de kinderen verteld moet worden, dat het feest altijd zou moeten beginnen op de veertiende dag van de eerste maand van het jaar. Charoset (een mengsel van dadels en noten), een sederschotel, of zelfs het begrip seder zelf wordt totaal niet genoemd! De vier bekers wijn worden niet specifiek vermeld en er is geen directe verwijzing naar de vier vragen of de vier kinderen. Elia en zijn beker zijn nooit in de Tora ter sprake gekomen. In feite is het meeste van wat wij essentieel achten voor een sederviering totaal afwezig! Dus waar komen die dingen vandaan?

Het is onze beste gok dat deze tradities - voor ons zo vertrouwd - zich langzaam in de tijd ontwikkelden, en uiteindelijk voor het eerst in de Misjna opgenomen zijn rond het jaar 200 vóór de gemeenschappelijke jaartelling, meer dan duizend jaar na de eerste Pesach viering. Kijk je naar hoofdstuk 10 van het tractaat  P'sachim in de Misjna, dan zie je dat daar de basisprincipes van de seder zoals wij die kennen duidelijk worden beschreven. In de tijd van de Misjna hebben we wel vier glazen en vier vragen; zout water en charoset; en ook zelfs het Birkat Hamazon. Het klinkt allemaal bekend, maar toch....

Zo’n eenvoudig, maar theologisch serieus lied als ‘Echad Mi Yodei-a’ ontbreekt. En er is nog steeds geen beker voor Elia. Die dingen kwamen pas later. En zelfs nog later hebben wij zelf de beker voor Miriam ‘uitgevonden’. Thuis heb ik wel meer dan honderd verschillende Haggadot. Om er een ​​paar te noemen: ik heb Askenazische en Sefardische versies staan, ik heb Haggadot voor kinderen, een Ethiopische Haggada, en een over de Holocaust. Sommige zijn ongegeneerd zionistisch van aard en anderen zijn weer typisch Amerikaans. Ik heb er een met teksten van Elie Wiesel en weer anderen brengen het verhaal over via het werk van bekende en minder bekende kunstenaars. Ze zijn allemaal verschillend. Sommige zijn vrij traditioneel en anderen zijn absoluut avant-gardistisch.

Wat zeker is, is dat als Mozes drie weken geleden aan mijn sedertafel of aan die van jou had gezeten, hij net zo zenuwachtig en in de war was geweest als toen hij achterin Akiva’s klas zat!

Maar aan het eind van de midrasj in de Talmoed, begreep Mozes dat zijn werk in de tijd van Akiva niet verdwenen was - het was feitelijk verder uitgebouwd, verfraaid, en relevant gemaakt voor diegenen die in de eerste eeuw rond de gemeenschappelijke jaartelling leefden.

Ik hoop dat Mozes bij mijn seder (en die van jou) begrepen zou hebben dat we wat hij (en God!) begonnen zijn hebben beet gepakt en het luid en duidelijk op onze kinderen hebben overgebracht als het verhaal van ons geweldige volk en als de ideeën over vrijheid, rechtvaardigheid en waardigheid van alle mensen die zo zijn gegeven in het hart van de Tora en God’s boodschap via Mozes.

Mogen wij en onze kinderen, en hun kinderen, kronen blijven zetten op de traditie, zodat we altijd kunnen zeggen: "Het is een wet die aan Mozes op de Sinaï gegeven werd", zelfs als Mozes zelf nog wat uitleg nodig zou hebben dat dat inderdaad het geval is.

  1. Volgens Jacob Neusner omvat het woord 'Midrasj', dat als wortel DaRaSH gebruikt en dus 'zoeken' betekent in het Hebreeuws, het zelfde als het woord 'interpretatie' of 'exegese' in het Engels. 'Midrasj' staat ook voor een compilatie van dergelijke interpretaties ... En 'Midrasj' kan die bijzondere aanpak van interpretaties of exegeses aanduiden zoals die door joodse wijsgeren worden gegeven, (The Midrash: An Introduction, J. Neusner [Northvale, N. J.: Jason Aronson, Inc., 1990], p. ix)

Vrij naar het origineel: zie reformjudaism.org.


Parasha Kedosjiem

Leviticus 19:1 – 20:26

Het begin van Kedosjiem beschrijft wat vereist is om heiligheid in het leven na te streven. Dit omvat ethische regels en het vermijden van Moloch, heksen en tovenaars. 

Sidra Kedosjiem brengt ons een serie rituele en ethische voorschriften voor het leven. De eerste twee pesoekim (verzen) zeggen: "De Eeuwige zei tegen Mosjee: ‘Zeg tegen de gemeenschap van Jisraëel: "Wees heilig [streef heiligheid na], want Ik, de Eeuwige jullie God, ben heilig...."

Deze krachtige woorden roepen meteen een aantal met elkaar verstrengelde vragen op: Waarom moet je heilig zijn? Wat betekent het woord heilig/heiligheid? En belangrijker nog, wie zijn wij dat wij heilig zouden kunnen of moeten zijn? 

Heilig zijn betekent in eerste instantie apart zijn, afgezonderd van het gewone; het betekent in de dienst van God staan, gewijd zijn, kort gezegd: goddelijk. 

Door heilig gedrag scheppen wij een heilige ruimte voor God om tussen ons in te verblijven.

We leven vandaag in omstandigheden die we nooit eerder hebben ervaren. Nooit eerder zijn wij zo zeer geaccepteerd en geïntegreerd geweest in de maatschappij en de bredere cultuur waarin we leven. Daar staat tegenover dat onze persoonlijke vrijheid een uitdaging met zich meebrengt voor onze mogelijkheden een leven van heiligheid, in heilige afzondering, om te leven als individuen en als volk. Hoe kunnen wij onze specifieke religieuze tradities handhaven en tegelijkertijd deel zijn van een universalistische cultuur? 
De sidra leert ons dat het niet genoeg is om de mitswot in acht te nemen op het individuele niveau. We dienen een heilige gemeenschap te vormen.

De manier om onze gemeenschappelijke identiteit en streven naar heiligheid te bevorderen is om met grote regelmaat bij elkaar te komen voor activiteiten die een gewijd doel dienen, of het nu (sjoel)diensten, lernen of tikoen olam betreft. Hierdoor ontstaan gemeenschappen met een gezamenlijk doel en betekenis. 

Een illustratief verhaal 

Vorig jaar droeg de walnotenboom, die mijn vader plantte 20 jaar geleden voor het eerst vrucht: een eenzame walnoot! Dit jaar verkopen ze het huis; ze zullen vertrokken zijn voordat de boom weer vruchten zal kunnen dragen. "Het maakt niets uit," zei mijn vader tijdens Pesach en dan herhaalde hij wat hij zei toen hij de boom plantte: "Ik plant deze boom voor toekomstige generaties." 

Zijn uitlating was een versie van een bekende midrasj op sidra Kedosjiem. Daarin wordt verteld hoe eens de Romeinse keizer Hadrianus een heel oude man zag die met veel moeite een vijgenboom plantte. "Waarom doet u dit zware werk toch?" vroeg hij. Denkt u werkelijk dat u lang genoeg zult leven om van de vruchten van deze boom te kunnen eten?" "Als ik het verdien, zal ik ervan kunnen eten," antwoordde de Jood, "maar als ik dat niet zal beleven, zullen mijn kinderen en nageslacht ervan genieten."

Het eerste wonder dat gedaan werd voor het Joodse volk na de Uittocht uit Egypte en de doortocht van de Schelfzee werd verricht door middel van een boom. Toen zij bij de bron van Mara waren aangekomen en geen water hadden, bleek het water in de bron ook nog bitter (mar
) en ondrinkbaar. God droeg Mosjee op om een stuk hout in het water te gooien en daarmee werd het water zoet en gezond. Daar, zegt de tekst, heeft God het volk "chok oe-misjpat", regels en wetten gegeven (Sjemot [Exodus] 15:22-25). 

De regels en wetten die gegeven worden in de sidra van deze week hebben betrekking op recht doen en onderscheid maken. U zult heilig zijn, zegt God, zoals Ik heilig ben, zoals ik u heb onderscheiden van alle andere volkeren. Heilig zijn betekent afzonderen, onderscheid maken, eigen oordelen vormen, grenzen stellen, categorieën bepalen. In Kedosjiem leren we dat, als wij de blauwdruk van de sidra en de Tora niet volgen en de rechtvaardige samenleving die daarin is voorzien niet scheppen, wij onze rechten verliezen in het land, zodat de maatschappij, de bomen en de vruchten verloren zullen gaan.

De verwevenheid van bomen, wetten en het voortbestaan van het Joodse volk is diep in de collectieve psyche gegrift. Net als destijds bij de bron Mara verbindt de sidra van deze week bomen met de opdracht Gods "choekim oe-misjpatim", regels en wetten na te leven. Het is niet voldoende, zegt de tekst, om gewoon het land binnen te gaan en te gaan genieten van wat degenen die wij onteigend hebben, hebben achtergelaten. Heiligheid en rechtvaardigheid zijn in wezen hetzelfde. Wij verdienen het eten van de vruchten van de bomen alleen door een rechtvaardige samenleving te scheppen en in stand te houden. Deze keer zal niemand anders het water zoet maken voor ons. En als onze samenleving geworteld is in rechtvaardigheid en heiligheid hebben we niet alleen voor onszelf geplant, maar ook voor komende generaties.

Vrij naar het origineel: zie limmud.org.


Sjabbat Chol HaMoëd

Als de sjabbat in de Pesach week valt wordt het wekelijks lezen van een stuk uit de Tora opgeschort. De tussenliggende dagen worden Chol HaMoëd genoemd. In de regel wordt Sjier haSjieriem gelezen, of de eerste 14 verzen van hoofdstuk 37 van Jechèzkél. De teksten zijn totaal verschillend. Hooglied van koning Salomo bezingt de liefde, het verlangen, de schoonheid. De profeet Jechèzkél beschrijft beelden die hij kreeg toen hij trance was. Jechèzkél ziet een vallei waar de botten van het joodse volk liggen. Meer dan wat losse delen van hun skelet is er niet van overgebleven.

"En Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Jisraëel. Het zegt: "Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden." Profeteer daarom en zeg tegen hen: "Dit zegt de eeuwige God: Mijn volk, Ik zal jullie graven openen, Ik laat jullie uit je graven komen en Ik zal jullie [thuis] naar het land van Jisraëel terugbrengen. " (Jechèzkél 37:11-12)

Gedurende de eeuwen sinds Jechèzkél hebben velen zijn woorden letterlijk genomen. Het traditionele Jodendom beschouwt geloof in de fysieke wederopstanding als een centraal geloofspunt, tenminste voor zover men vindt dat het Jodendom "dogma's" kent.

Maar waarschijnlijk was dit alles niet de intentie van Jechèzkél. Hij sprak tot de ballingen in Babylonië. De Tempel was verwoest. Hun leven in het land Israël was voorbij. Was dit nu het einde van het joodse volk, zoals gebeurd was met de 10 stammen in het Noordrijk? Jechèzkél stelt ze gerust en verzekert hen dat hun leven nog vol betekenis is. Al zijn zij "gelijk de doden", Israël zal voortleven. 

We kunnen Jechèzkél lezen als een allegorie, als een nationale of politieke herleving; we hoeven niet in een lichamelijke wederopstanding te geloven als we dat niet willen.

Maar hoe kunnen we die de doden doet herleven begrijpen op het niveau van het individu? Misschien biedt de dichteres Laura Gilpin ons een antwoord hoe de doden voortleven in haar mooie gedicht:

Dit alles weet ik:
Hoe de levenden blijven leven
en hoe de doden met hen blijven voortleven
zodat in een woud
zelfs een dode boom een schaduw werpt
en de bladeren vallen, een voor een
en de takken breken in de wind
en de schors langzaam loslaat
en de stam splijt open
en de regen door de spleten naar binnen sijpelt
en de stem op de grond valt
en door mos
 wordt bedekt
en hoe in de lente de konijnen die vinden
en hun thuis
 bouwen
in de dode boom
zodat niets verloren gaat in de natuur
of in de liefde.


De boodschap van Pesach is dat onze levens een potentieel voor verlossing in zich dragen, net zoals de aarde constant vernieuwd wordt. Het feest van bevrijding leert ons dat als het leven verder gaat, niets verloren gaat in de natuur of in de liefde. 

Vrij naar de haftara van de week van Baruch Sienna.

Oorspronkelijke tekst in 2006 op www.am-kolel.org, voor de volledige vertaling, klik hier.

 

Parashat Acharee Mot

Wajikra [Leviticus] 16:1 – 18:30

In deze parasja lezen we vele malen het verbod om bloed te eten. Het bloed symboliseert het leven. Dit verbod kan nergens anders in het oude Midden Oosten gevonden worden. Het is iets puur Joods. Daarbij komt nog dat ‘t het enige verbod is (gekoppeld met moord) welke zowel voor Joden als voor Niet-joden geldt. Het is daardoor zelfs nog belangrijker dan de tien geboden.

Niet-Joden (in de 7 Noachitische geboden) wordt het verbod gegeven bloed te eten en ze moeten dit eerst laten weglopen. Aan de joden worden nog twee extra geboden toegevoegd: Het bloed van offers moet op het altaar gespat worden en als je een vogel slacht of een "wild" dier (dus niet een koe of iets dergelijks) dan moet het eerste bloed bedekt worden met zand, of zaagsel of iets dergelijks. Het is raar dat bloed van offers die in de tempel gebracht moesten worden op het altaar gespat werd en dit verzoening bracht terwijl bloed van dieren welke niet voor offers in aanmerking kwamen bedekt moest worden.

Zoogdieren kunnen vallen in twee groepen: Beheema en Chaya. In beide groepen zijn er kosjere dieren. Beheemot zijn de "boerderij dieren" d.w.z. koe, schaap, etc. Chayot zijn de dieren die in het wild leven. Dit zijn dus dieren als hert e.d. Alle kosjere Beheemot (gespleten hoef en herkauwend) kunnen als offer op het altaar gebracht worden. Hun bloed wordt dan op het altaar gespat. Als ze geslacht worden voor "huishoudelijk gebruik" d.w.z. als voedsel, dan moet men het bloed weg laten lopen op de grond zonder dat het bedekt hoeft te worden. Chayot daarentegen zijn niet bruikbaar als offers op het altaar. Er zijn voldoende kosjere Chayot. Bij het slachten van een Chaya bestaat er de mitswa van Kisoei Dan, het bedekken van het bloed waarover we deze parasja lezen. Voor gevogelte geldt dezelfde regel dat het bloed bedekt moet worden.

Het bedekken van het bloed heeft iets weg van het snel de sporen van de misdaad uitwissen. Het is alsof de tora ons hier laat zien dat dieren welke we mogen doden om als offer te brengen we ook mogen doden om als ons voedsel te voorzien. Dat zou eigenlijk voldoende moeten zijn. Als we behalve dit toegestane vlees nog meer willen en we besluiten om ook gevogelte en wild te eten dan zouden we ons daar eigenlijk voor moeten schamen en moeten we een actie ondernemen die ons er onwillekeurig aan doet denken dat we de sporen van een misdaad uitwissen of verdoezelen.

Deze week zag ik beelden op de televisie van bloedvlekken op de vloer. Dit bloed zal moeilijk te bedekken zijn. Zelfs als de vlekken zelf verdwijnen zal het bloed uit de grond nog lange tijd omhoog schreeuwen. Het gaat hier om het bloed van 30 studenten en 5 professoren welke met voorbedachte rade neergeschoten werden door Seung-Hui Cho een student van de Virginia Tech Universiteit in America. Een van de professoren was Liviu Libresco, een holocaust overlevende die ironisch genoeg juist op Jom Hasjoa, de herdenkingsdag van de Sjoa, de dood vond terwijl hij met zijn lichaam trachtte zijn studenten te redden.

Sjabat Sjalom,

bron: Freelist


 

Tien Geboden voor het Internet

Leviticus 14:1 -  15:33

De joodse traditie associeert de naam van de sidra van deze week ‘Metsora’ door een woordspeling met de uitdrukking motsi sjeem ra, “kwaadspreken” (TB Arachien 15 b). Op dezelfde wijze wordt iemand die getroffen wordt door de huidziekte tsaraät (van dezelfde woordstam als metsora) ook in verband gebracht met iemand die letterlijk “een slechte naam” uitspreekt, d.w.z. kwaad spreekt over zijn buurman.


Tsaraät is een aandoening waarvan niet vast staat wat we daaronder moeten verstaan, omdat zowel mensen als  kleren en huizen erdoor besmet kunnen raken;  het betreft in ieder geval niet lepra of melaatsheid. In de Tanach wordt tsaraät vertaald met “huidvraat”, zie ook de sidra van vorige week, Tazria.

De associatie van metsora met kwaadspreken is terug te voeren op het verhaal in Bemidbar [Numeri] 12:1 waar Mirjam, de zuster van Mosjee iets lelijks zegt over de vrouw van Mosjee. De tekst vertelt niet wat Mirjam gezegd heeft , maar ze wordt toch als gevolg van haar opmerking door deze gevreesde ziekte getroffen. Het denken achter deze associatie is niet iets wat wij vandaag de dag eenvoudig kunnen bevatten, vooral omdat het op de gedachte stoelt dat een bepaald menselijk gedrag het directe ingrijpen van God tot gevolg zou hebben. Maar we kunnen ons wel gemakkelijk vinden in de gedachte dat kwaadspreken of onze taal misbruiken een slechte zaak is en drastische consequenties kan hebben. Onze joodse traditie heeft altijd veel waarde gehecht aan correct taalgebruik. Het klassieke werk Sefer sjemierat halasjon van Chafeets Chaim (Israel Meir Hacohen, 1873) is een enkel voorbeeld van de uitgebreide literatuur over dit onderwerp.

Wat me nog steeds fascineert is dat we in leven in een wereld van “mega” communicatie. Mensen hebben nog nooit zo snel en zo efficiënt met elkaar gecommuniceerd over grote afstanden als we nu met het Internet doen. Het mooiste voorbeeld van dit fenomeen is hoe ik dit commentaar zit te schrijven in een TGV hogesnelheidstrein van Parijs naar Tours. Morgen zullen deze woorden de hele wereld over gezonden worden naar de verschillende aangesloten gemeenten en organisaties van de World Union for Progressive Judaism.

Ja, we communiceren met emails, telefoons, Blackberries, iPhones, computers, Facebook (ik zie hoe mijn kinderen met 25 verschillende mensen tegelijk praten terwijl ze intussen sms’en, naar muziek luisteren en -dat verzekeren ze me- ook hun huiswerk maken). Maar daar staat tegenover dat we geen extra tijd nemen om aandacht te besteden aan het meest basale gereedschap van de taal: woorden, dewarim.

Toch hebben woorden vandaag precies dezelfde kracht als in Bijbelse tijden: ze kunnen troosten, ze kunnen pijn doen, ze kunnen hoop brengen of wanhoop veroorzaken , vreugde en angst. Omdat communicatie zo direct is, vergeten we vaak de kracht van de woorden, in het bijzonder bij het schrijven van emails. Daarom zou ik 10 richtlijnen willen voorstellen, die gebaseerd zijn op onze traditie en die ons tot een ethischer gebruik van het internet zouden kunnen voeren:

  1. Lees altijd een mail nog een keer over voordat je hem wegstuurt. Hillel heeft het al gezegd: “Zeg geen woord dat niet meteen begrepen kan worden in de hoop dat het later wel begrepen zal worden” (Pirkee Avot 2:5). Dit citaat begint overigens met een referentie naar de peroesjiem, de farizeeërs. Deze vermaning van Hillel zou wel eens de eigenlijke betekenis kunnen weergeven van perosjiem, niet, zoals vaker wordt gezegd, de “afgescheidenen”, maar degenen die heel helder zijn in de uitleg van de Tora (peroesj = rabbijns uitleg van de tekst of in modern Hebreeuws “in heldere taal”).
  2. Wacht met het beantwoorden van een boodschap, die je van streek maakt; antwoord dan nooit onmiddellijk. Ben Zoma zegt: hakoweesj et jitsro, de ware held is hij, die zijn impulsieve gedragingen weet te beheersen (Pirkee Avot 4:1).
  3. Spreek in een email nooit over een derde en als het moet, dan alleen over tachles, feitelijke zaken (Lesjon sjeliesjiet, TB Arachien 15b).
  4. Oordeel niet over iemand anders zolang je niet in zijn situatie bent geweest (Pirkee Avot 2:5, uit naam van Hillel).
  5. Stuur geen email door zonder toestemming van de afzender. (Als iemand iets aan zijn vriend vertelt, mag deze dit niet verder doorvertellen zonder eerst toestemming te vragen (TB Joma 4b).
  6. Stuur geen mededelingen rond alvorens de waarheid daarvan te hebben gecheckt (de zegel van de Eeuwige is emet, waarheid ( TB Joma 69b; Sanhedrin 64a).
  7. Onthul geen privé informatie (TB Sanhedrin 31a).
  8. Toon geen afbeeldingen of informatie over jezelf die privé zijn. Van Bil’am wordt gezegd dat hij de tenten van Israël bewonderde omdat de ramen niet op elkaar gericht waren, waardoor ieders privacy verzekerd was.
  9. Gebruik geen lasterlijke taal (lesjon hara) (TB Baba Metsia 58b)
  10. Roddel niet (rechiloet) (Wajikra 19:16). Rabbi Nechemja leerde: ”wees niet als de marskramer, die het woord van de één naar de ander brengt en van de ander naar de één” (TJ Pesachiem 1:1, 16a). 

Wij denken vaak dat emails en SMSen gelijk zijn aan mondelinge gesprekken, en als de woorden eenmaal uitgesproken zijn, verdwijnen ze weer, maar dat is niet zo. Ze blijven hangen in de geest van mensen die gekwetst zijn en die pijn is moeilijk uit te wissen. Een klikje kan een grote schok veroorzaken: laat ons de tijd nemen, zeman nakat, (tijd om na te denken), laten we ons langzaam haasten opdat we motsie sjeem tov worden, mensen die goede woorden, over goede zaken, spreken en schrijven.

bron:

rabbijn Pauline Bebe Communauté Juive Libérale, Parijs, Frankrijk

afbeelding:

Miriam, Sister of Moses and Aaron, Sir Edward Burne-Jones, 1872.

 

Parashat Tazria-Metsora 

Wajikra 12:1-15:33

Haftara: Job1:13-3:1

De gecombineerde sidrot Tazria-Metsora van deze week zijn waarschijnlijk de minst geliefde afdelingen uit de Tora. Ze gaan over huidontstekingen, menstruatie en nachtelijke zaadlozingen. Nog een geluk, dat de haftarot voor deze sidrot, verbonden met het probleem van "lepra", interessante verhalen vertelt uit de serie legenden die rond de profeet Elisja verteld worden. 
In de haftara voor Tazria wordt het verhaal verteld van de wonderbaarlijke genezing van Naäman, die "lepra" had (2 Melachiem [Koningen] 4:42-5:19). Als de sidrot gecombineerd zijn zoals dit jaar wordt de haftara voor Metsora (2 Melachiem 7:3-20) gelezen.

De gebruikelijke, oudere vertaling van tsaraät en metsora met lepra en lepralijder is misleidend. De beschrijving van de Bijbelse ziekte komt niet overeen met de werkelijke lepra (ook bekend als Hansens ziekte). Wetenschappers zijn niet zeker van de ware oorzaak van de ziekte die de witte huid voortbrengt zoals in de Tora beschreven. In de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is uiteindelijk en na veel discussie besloten tsaraät te vertalen met ‘huidvraat' en metsora als ‘lijder aan huidvraat'.

DE TEKST VAN DE HAFTARA

Tenslotte zeiden [de vier] mannen [die aan huidvraat leden] tegen elkaar: ‘Wat we doen is niet goed. Er is vandaag goed nieuws, en als we dat voor onszelf houden tot het licht wordt, raken we in de problemen. Laten we meteen naar het paleis van de koning gaan om te vertellen wat er gebeurd is.' (2 Melachiem [Koningen] 7:9)

EEN HISTORISCH-BIOGRAFISCHE OPMERKING

De koning van Aram, Ben Hadad, die verbonden was met het zuidelijke koninkrijk Jehoeda, voerde oorlog tegen Israel. Er was hongersnood in het land en voedsel was schaars. De prijzen voor voedsel rezen de pan uit ( een kleine hoeveelheid schillen van johannesbrood, die gewoonlijk makkelijk te krijgen waren en niet veel gevraagd waren, werden duur verkocht) en zelfs werd er melding gemaakt van kannibalisme. Sjomron, de hoofdstad van Israel werd belegerd. Dan, op onverklaarbare wijze, eindigde het Aramese beleg plotseling. Het bleek dat de Arameeërs gevlucht waren en in hun kampement dieren, voedsel en goud hadden achtergelaten. Elisja's voorspelling dat voedsel overvloedig zou worden en de prijzen zouden dalen tot een normaal peil kwam uit. 

PEROESJ: ONS COMMENTAAR

De haftara begint bij pasoek (vers) 3 (na de inleiding met Elisjas voorspelling): "Nu waren er bij de stadspoort vier mannen die aan huidvraat leden. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Waarom zouden we hier de dood blijven afwachten? Als we de stad binnengaan, zullen we van honger omkomen. En als we hier blijven zitten, sterven we ook. Laten we overlopen naar de Arameeërs. Als zij ons in leven laten, blijven we leven en als ze ons doden, sterven we'." 

Toen de vier mannen bij de rand van het kamp kwamen, ontdekten ze dat het verlaten was. Ze gingen een tent binnen, aten en dronken en begroeven het goud en zilver. Maar toen realiseerden de lijders aan huidvraat zich dat wat ze deden niet goed was. Ze keerden terug naar de stad en vertelden de koning wat er gebeurd was. Hun bericht werd juist bevonden en de stad werd gered. 

Eén aspect van het verhaal vraagt bijzondere aandacht. De vele karakters die erin voorkomen, van koning, hoveling, soldaten, poortwachters, zij zijn allen zonder naam. Zoals een naam wordt gedacht iemands karakter te weerspiegelen, is het in ons verhaal de anonimiteit die het karakter en de rol van de personen belicht. Ieder karakter stelt een archetype voor. Adele Reinhartz suggereert in haar mooie boek "Waarom vraag je mijn naam" (Why Ask My Name?) dat: 

De focus op rolmodellen geeft ons gelegenheid identiteit te 
bepalen ten aanzien van de plaats tussen het rolmodel en de 
verhalende beschrijving van het karakter. Als we dat doen, 
vergelijken we de stereotiepe gedragspatronen die verbonden 
zijn met de rol in Bijbelse vertellingen en de bijzondere wijze 
waarop de karakters zonder naam al dan niet de rol vervullen. 
Of we kijken naar de mate waarin hij of zij zijn grenzen oprekt 
of de eigenlijke contouren in twijfel trekt. 


De tekst wil dat we ons richten op de identiteit van de vier individuele lijders aan huidvraat. De brengers van het goede nieuws, de vier "melaatsen", waren verschoppelingen. Net zoals in onze tegenwoordige wereld worden individuen aan de rand van de samenleving niet gewaardeerd. Toch waren het die vier laag geplaatsten op de sociale ladder die het instrument waren voor de redding van het volk. Het was juist hun plaats "buiten de hekken" die het hun mogelijk maakte een reeks van gebeurtenissen te ontketenen waardoor de stad werd gered. Hoe deden ze dit? In de eerste instantie zorgden ze alleen voor zichzelf. Daarna veranderde hun houding. Als maatschappelijk verstotenen hadden ze de plundering die zij ten bate van zichzelf pleegden heel eenvoudig kunnen rechtvaardigen, daar de samenleving elke verantwoordelijkheid en zorg voor hen had geweigerd. Maar dit deden ze niet, zij zeiden rechtuit wat ze dachten. 

Rabbijn Rochelle Robins (in "The Women's Haftarah Commentary") meent dat, als de vier "melaatsen" hun lijden te wijten hebben aan hun "vrijuit spreken", het interessant is dat het wederom door het "vrijuit spreken" is dat deze individuen uit hun lot verlost worden. Robins baseert dit natuurlijk op het rabbijnse woordspel waar metsora beschouwd wordt als een samentrekking van motsie sjeem ra, kwaadspreken. Huidvraat, waarbij de huid wit wordt, wordt door de rabbijnen verklaard als goddelijke straf voor het ‘zwart maken' van iemands reputatie met woorden. 

[Het idee dat wij voor slechte daden gestraft worden, is stellig vaak waar op veel niveaus; onze daden, goede en slechte, hebben gevolgen. Het omgekeerde hoeft niet zo te zijn. Als we roken, kunnen we kanker krijgen. Maar niet iedereen die kanker krijgt, heeft gerookt. De gedachte dat als wij lijden, we dus gezondigd moeten hebben, is uitermate problematisch. In de Tanach komt alles van God en dus wordt lijden gezien als een straf, maar ik kan hierin niet meegaan.] 

Robin wijst erop dat af en toe "vrijuit spreken" negatieve sociale consequenties kan hebben. Maar er zijn momenten dat we de moed moeten hebben de waarheid te zeggen en niet te zwijgen. Het is deze daad van tesjoewa, dit omkeren, denken aan anderen en zeggen wat we denken die verlossing kan brengen. 

bron: www.kolel.org

Baruch Sienna


Parashat Sjemini

Wajikra 9:1-11:47.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze sidra wordt de heiliging van het Misjkan [heiligdom] en het altaar beschreven, waarin de zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, sterven omdat zij "vreemd vuur" offeren.

In de Tora worden daarna de kasjroetvoorschriften omtrent het voedsel en de reinheidswetten beschreven.

Op de achtste dag van de wijding van Aharon tot Koheen Gadol [Hogepriester], krijgt het volk te horen dat ze hun offers naar het altaar moeten brengen.

Aharons twee oudste zonen, Nadav en Avihoe, brachten een offer dat niet voldeed aan de opdracht, blijkbaar omdat het uitgebreider was dan voorgeschreven. Zij voegden aan hun vuurpan een "vreemd vuur" toe. Het gevolg van hun ongehoorzaamheid was dat het vuur hen verteerde waardoor ze stierven.

Het was aan Mosjee zijn broer (Aharon) te melden dat God zei: "Voor degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon Ik Mijn heiligheid. Het hele volk maak Ik getuige van Mijn majesteit." Aharon zweeg. Verder kreeg hij de opdracht niet te rouwen, zijn kleren niet te scheuren en door te gaan met zijn priesterlijke plichten, terwijl de gemeenschap rouwde.

Ik ben gefascineerd door twee zaken in deze tekst. In de eerste plaats dit "vreemde vuur." Sommigen zijn van mening dat reukwerk was toegevoegd, waardoor het offer meer was dan vereist of noodzakelijk. Dat zou betekenen dat nieuw benoemde Hogepriesters, die iets toevoegen of een nieuw ritueel scheppen, tegen de "wet" ingaan. Toen ik de volgende regels las, die het gebruik van alcohol in het Heiligdom verbieden, vroeg ik me eerst af waarom dit hierop volgde. Sommige commentaren menen, dat dit aantoont dat Nadav en Avihoe dronken waren toen ze het altaar naderden. Dit betekende dat ze gebrek aan respect of decorum toonden en daarom moesten ze sterven (Wajikra Rabba 12:1).

Mijn eerste gedachte was, dat als zij inderdaad dronken waren, ze misschien een beetje van de alcohol hadden laten overlopen in hun offer - en alcohol en vuur maakt stellig een "vreemd vuur." Omdat zij met lichamen en kleren intact bleven terwijl hun ingewanden werden verbrand, kwam me dit aannemelijk voor.

De tweede brandende vraag is: waar bleef het verdriet van Aharon? Rabbijn Melanie Aron zei in een derasja dat Nachmanides (commentator 13e eeuw) ons leert dat het woord "vajidom" betekent "toen werd hij stil." Betekent dat, dat Aharon eerst reageerde en daarna zweeg? Die twee waren zijn geliefde zonen, die ook Hogepriester zouden worden en toch is zijn reactie: zwijgen?

Het komt voor dat mensen zo zijn aangeslagen door een groot verdriet dat ze niet in staat zijn meteen te huilen. De tranen en het verdriet komen later naar buiten. Maar niet bij Aharon.

Ik kan me niet echt voorstellen wat er door zijn geest moet zijn gegaan op dat moment: op de gelukkigste en belangrijkste dag van zijn leven, waarop hij gewijd wordt als Hogepriester, ziet hij zijn zoons voor zijn ogen sterven. Misschien liet hij de werkelijkheid niet tot zich doordringen. Het volk rouwde, maar dat anderen voor jou treuren, is wat anders dan dat je zelf treurt. De joodse traditie wil, dat bezoekers die een rouwende komen condoleren niet tegen de rouwende spreken totdat die begint te praten. Wellicht is de dieper liggende gedachte dat de rouwende zo de gelegenheid krijgt om zijn of haar gevoelens tot uitdrukking te brengen, herinneringen te delen en eer te bewijzen aan de overledene. Aharon kreeg die gelegenheid niet.

Ik vond het ook vreemd dat Mosjee God had verteld dat hij moeilijk kon spreken en aarzelde om tot Farao te praten; God zei hem dat Aharon voor hem zou spreken. Zo werd Aharon de eerste woordvoerder (Exodus 4:16). Hoe dan ook, nu is Mosjee voor zijn broer de vertolker van Gods woede, de rollen zijn omgekeerd. Toen Aharon Gods wensen nakwam, werd ook hij beloond - God sprak rechtstreeks tot hem. Vast en zeker een eer, maar tot welke prijs?

We moeten onthouden dat respect onze verantwoordelijkheid is. We mogen ons niet zonder respect gedragen in het huis van een rouwende of in een gebedshuis. Als wij werkelijk de rouwenden de gelegenheid geven te reflecteren over hun verlies, geven ook wij eer aan hen die ons zijn voor gegaan. Daardoor worden ook onze levens beter als een gemeenschap waarin wij echt voor elkaar zorgen.

bron: Limmud


 


Parashat

Tsav

Wajikra 6:1 - 7:10.

Verbinden

Wat is de Tora ? Een boek vol wetten? Maar wat zijn die wetten dan? Eenvoudige commando's van de oneindige, alwetende God aan de oneindig kleine, onwetende mens? Ja, klopt. Maar op een ander niveau is er meer aan de hand. Het komt tot uiting in de twee betekenissen van de naam van dit deel van de Tora: Tsav .

Tsav betekent letterlijk "commando." In dit deel van de Tora komt een opdracht van God tot uitdrukking over het brengen van offers in het Heiligdom, gerelateerd aan het meer algemene concept van het bedrijven van liefdadigheid. Maar Tsav heeft nog een andere betekenis: "Verbinden." Hier komt de idee tot uitdrukking dat Gods wetten een verbinding leggen tussen het individu en God.

In het Joodse mystieke onderwijs wordt gesteld dat deze verbinding niet als vanzelfsprekend kan worden aangenomen. God is oneindig, en stijgt uit boven alle definities en categorieën. Vergeleken met God is de gehele kosmos kleiner dan een stofje, het is alsof het niets is. En als de uitgestrekte kosmos niets is ten opzichte van God, wat heeft een klein, fragiel mensje, man of vrouw, dan te betekenen?

Maar toch geeft God Tora wetten aan die kleine fragiele mensjes. Precies het feit dat God aan die bepaalde persoon een voorschrift heeft gegeven, verleent betekenis aan het leven van die persoon. Hij of zij heeft nu een relatie met God, is verbonden met Hem door een goddelijke instructie.

De Lubavitcher Rebbe wijst erop dat deze verbinding is er ook als de persoon in kwestie zich niet daadwerkelijk houdt aan het voorschrift. Zoals de wijzen het uitdrukten: "Zelfs al heeft hij gezondigd, hij is een Jood." Het feit dat de 613 voorschriften in de Tora aan het individu zijn gericht, verleent aan die persoon een belangrijke rol en geeft hem een doel. Natuurlijk wordt die rol pas volledig vervuld door het naleven van de voorschriften. Maar de persoon die ze nog niet in acht heeft genomen heeft zijn rol in het systeem nog niet verloren: hij heeft een aansluiting, zij het ​​een negatieve.

De volgende stap is uiteraard om het negatieve om te zetten in het positieve. Ja zeker, als het gaat om een voorschrift zoals naastenliefde, waarin men iets moet weg geven, hebben we allemaal aanmoediging nodig. De Geleerden vertellen ons dat dit de kracht van het woord "Tsav" is aan het begin van de sidra van deze week: om ons door de generaties heen aan te moedigen. De aanmoediging is het weten dat we door middel van dit voorschrift uit de Tora werkelijk verbonden zijn met God.

Bron: Chabad

Afbeelding: De Large Hadron Collider is een ondergrondse deeltjesversneller,  het grootste door mensen gemaakte apparaat. Het wordt gebruikt om het Higgs-deeltje, ook wel ‘God’s particle’ genoemd te zoeken.


 

Parashat

Wajikra

Wajikra1:1 – 5:26

 

 

 

'En Hij riep' 

De joodse gedachtenwereld en literatuur neemt een ambivalente houding aan tegenover de offercultus. Deze ambivalentie is aanwezig vanaf de oude profeten van vóór de ballingschap, in het boek van de Psalmen, bij de rabbijnen van Talmoed en Midrash, bij de grote middeleeuwse filosofen, tot bij de hedendaagse religieuze denkers. Deze ambivalentie liet haar spoor na in de liturgle en was (en is nog steeds, tot op een zekere hoogte) het onderwerp van verhitte diskussies.

Over het algemeen denkt men dat de levende offers de vroegste en meest diepe uitdrukkingen waren van het menselijke verlangen om zo dicht mogelijk de Almachtige te benaderen. Terwijl in het Engels het werkwoord, to sacrifice” betekent “heiligmaken” (“to make sacred”), is het Hebreeuwse woord voor offer “korban” van dezelfde wortel als ,le-hakriv”, naderbij komen, naderen.

Enerzijds uiten profeten als Samuel (1 Sam. 5, 21-27), Amos (5, 21-27), Hosea (6, 6), jesaja (1, 11-17; 61, 1-2), Micha (6, 6-8), jeremia (6, 20; 7, 21-23) en ook de psalmist (40, 7; 50, 12-13) bezwaren tegen de uitvoering van de offercultus. Leidinggevende rabbijnen uit de talmoedische literatuur van de vroege eeuwen, Malmonides in zijn Mori ha-Nevoekbim (3, 32), waren het eens met hen. Ook sommige andere middeleeuwse joodse filosofen gingen met hen akkoord wanneer ze stelden dat dierenoffers bevolen werden niet omdat ze waarde op zich zouden hebben, maar om de Israëlieten af te houden van afgoderij en mensenoffers.

Anderzijds wijdt de Tora vele hoofdstukken aan de formulering van de wetten op de offers. De oorspronkelijke Hebreeuwse naam voor het derde boek van de Tora (omwille van het eerste woord Wa-jikra genoemd) was Torat kohaniein (de priestercodex, in de septuagint weergegeven als Leviticus), omdat het grootste deel van dit boek handelt over de rol die de leviim en kohanim in de offercultus innamen. Ook Mishna en Talmoed besteden heel wat boekdelen aan het verhelderen van de wetten op de offers. Maimonides zelf in zijn veertiendelige codex veronderstelt hen als een niet te betwisten wet.

Deze contradictorische houding ten aanzien van offers wordt zelfs nog meer paradoxaal als we de toekomst in de ogen durven te zien. Zouden joden die niet van ganser harte dierenoffers als vorm van eredienst onderschrijven, gebeden kunnen opzeggen voor het volledige herstel van de dierenoffers die toch een centrale plaats innemen in het traditionele joodse gebedenboek?

Offers vormen inderdaad een esthetisch en soms een moreel probleem voor vele moderne joden die niet in staat zijn om zichzelf spiritueel opgeheven te voelen bij het zien van geslachte dieren, vergoten bloed en verbrande as. Maar bij al deze terughoudende bemerkingen hebben profeten, rabbijnen en filosofen steeds duidelijk gezegd dat offers ontegensprekelijk een integraal deel vormen van de Tora-wetgeving en van de joodse geschiedenis in de eerste en tweede tempelperiode, en dat ze deel uitmaken van de joodse verlangens naar de derde tempel voor wiens spoedige herstel volgens het traditionele gebedenboek dagelijks wordt gebeden.

Sommige leidende moderne joodse denkers, waaronder Rav Kook en Franz Rosenzweig, hebben geargumenteerd dat we niet te haastig moeten willen begrijpen en het mysterie van de offers trachten te ontsluieren, omdat ze zichzelf ééns weer kunnen voordoen als deel van een nieuwe eindtijdelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid zou wel eens sommige van de heersende gevoeligheden kunnen doen veranderen of zogenaamde nieuwe inzichten als oud ontmaskeren.

Uit de hoofdstukken over de offers in Tora is een les voor vandaag te trekken en ieder kan deze les leren volgens zijn eigen niveau van verstaan. Er is inderdaad heel wat te leren als men de eerste hoofdstukken van Leviticus leest, welke vooruitgrijpen op de hoofdstukken over onze bekwaamheid en onze verplichting om een leven van heiligheid te leven.

Alhoewel de Tora handelt over de priesterlijke wetgeving keert ze zich vooreerst niet tot de Levieten en priesters, maar tot het hele volk.

,,Zeg aan de kinderen van Israël: wanneer iemand van u de Almachtige een gave wil aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee kiezen” (Lev. 1, 2). Zo staat het in heel wat vertalingen. Wanneer we echter terugkeren naar het Hebreeuwse origineel dan lezen we: ,. . . en zeg hen: wanneer iemand van uzelf de Almachtige een gave wil aanbieden . . . “. Niet “iemand van u” maar “iemand van uzelf”. Deze wat moeilijke zinswending heeft aanleiding gegeven tot tal van interpretaties die allen als grootste gemene deler hebben dat de Tora hier vraagt dat het offer deel van jullie zelf moet zijn. De Almachtige wil niet een offer dat niet tot jou persoonlijk behoort of dat ie niet beschouwt alsof jijzelf plaatsvervangend op het altaar geofferd wordt.

Als door Gods genade iemand het offer van zichzelf te vervangen heeft door het offer van een dier (zoals gebeurde bij Isaak die het prototype bleef van alle offers), dan moet men het brengen van zijn eigen runderen of kleinvee. Als men een offer brengt, moet men niet iets brengen dat niet werkelijk eigendom is, of een stuk wild, of iets dat men toch te veel heeft, maar een stier of een geit welke afkomstig is uit de eigen kudde. De rijkdom van een persoon werd gemeten aan de omvang van zijn kudde. Schapen en vee waren wat geld voor ons is. Als iemand een offer brengt moet hij zichzelf voorhouden dat hij weg moet geven wat hij voor zichzelf nodig heeft, niet enkel dat wat kan genomen worden als aftrekbaar voor de belastingen.

Toen we kinderen waren werd ons het volgende verhaal verteld. Een rijke man stierf en liet aan zijn drie zonen drie kostbare gaven na. De eerste zoon ontving een verrekijker waardoor hij van het ene eind van de wereld tot het andere kon zien. De tweede ontving een tovertapijt dat zijn passagiers in een ogenblik tot het einde van de wereld kon dragen. En de derde zoon ontving een appel. Als men daarvan at, kon men om het even welke wens uiten en deze zou worden vervuld.

Op een dag keek de zoon met zijn verrekijker naar buiten en zag dat ergens in een heel ver land een mooie prinses leefde, de enige dochter van een groot koning. Deze prinses was ernstig ziek. Geen enkele dokter kon haar genezen en de koning verklaarde dat eenieder die de gezondheid kon terugbrengen aan zijn geliefde dochter, haar ook ten huwelijk zou krijgen, om mettertijd ook koning te worden. Toen hij dit zag, riep hij zijn broers bijeen en alle drie stegen ze op het tovertapijt van de tweede zoon. In een oogwenk kwamen ze aan in het afgelegen land. De prinses at van de betoverde appel van de derde zoon, wenste dat ze weer gezond zou worden en was op hetzelfde ogenblik weer gezond.

Nu kwam elk van de drie zonen naar de koning en ieder van hen beweerde verdiend te hebben met de dochter van de koning te huwen. De eerste zei: “Had ik mijn verrekijker niet gebruikt, dan waren we nooit te weten gekomen dat de prinses ziek was en dan waren we nooit gekomen om haar te genezen. Daarom verdien ik het om met de prinses te trouwen”.

De tweede zoon echter zei: “Hadden we mijn tovertapijt niet gehad, dan waren we hier nooit op tijd gekomen om het leven van de prinses te redden. De verrekijker en de appel zouden tot niets gediend hebben zonder mijn tovertapijt”. En tenslotte zei de derde zoon: “Noch de verrekijker noch het tovertapijt zouden geholpen hebben, ware het niet dat ik de appel had gegeven waardoor de prinses in een oogwenk werd genezen”.

De koning zag uiteraard dat elk van de drie zonen goede argumenten had om aan te tonen dat hij de uitverkorene was. Hij echter had te beslissen wie van de drie zijn enige dochter zou huwen. Wat besliste hij en waarom?

Als kinderen werden we gevraagd hoe het dilemma van de koning op te lossen en hoe tot een juiste beslissing te komen. Een moeilijke zaak. En de sleutel tot het juiste antwoord kan men vinden in de afdeling van de Tora die handelt over de offers.

Bron: Beth Ha Midrasj


Deze week heeft 2 parasjot:
 
Parasja Bechoekotai

"Wie straft en beloont?"

door: Rob Cassuto

Aan het eind van het bijbelboek Leviticus (in het hebreeuws Wajikra), in deze parasja, staan na de woorden "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen" een reeks zegeningen  en daarna een reeks rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen”. Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen staan ook weer aan het eind van Deuteronomium (Dewariem)

Er wordt wel gezegd dat de passages in deze parasja Bechoekotai slaan op de periode dat Israël op het punt stond het beloofde land binnen te trekken en nog niet het veertigjarig uitstel over zichzelf had afgeroepen. 
Opnieuw worden dan na veertig jaar omzwerving in de woestijn de zegeningen en rampspoedige voorspellingen hernomen; daarop slaan dan de analoge passages in Deuteronomium (in de parasja Ki Tavo).

Waarom zo kort over de zegeningen en zo lang en gedetailleerd over de rampen? Dat lijkt maar zo, zeggen de oude wijzen: de zegeningen worden meteen en in zijn geheel genoten en de rampen worden geleidelijk gedoseerd en dus ook beschreven, naarmate het volk koppig blijft in zijn weerspannigheid, ongehoorzaamheid en afkeer. 

Ook wordt gewezen op verschil in formulering van de precondities voor zegen en ramp: Voor zegen is het rechtstreeks en eenvoudig:"als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen”. 
De precondities voor de rampen worden steeds in alle toonaarden herhaald en gaan verder dan alleen het niet houden van de voorschriften: "als jullie mijn wetten versmaden en van mijn voorschriften een afkeer hebben etc.” 
Aldus zeggen de Rabbijnse geleerden: goed beschouwd weegt de maat van goedheid van de Ene op tegen de maat van Zijn vergelding. 

Een ander punt dat de oude commentatoren opviel was dat bij de zegeningen het alleen gaat om materiële zegeningen als regen op tijd, goede oogst etc. en niet om de beloning van spiritueel geluk of zelfs een ‘aandeel in de komende wereld'. 
Nachmanides zegt ongeveer: het voortleven van de ziel en zijn vereniging met De Ene is de natuurlijke gang van zaken en behoeft geen aparte vermelding, de in het vooruitzicht gestelde materiële voorspoed en de voorspelde rampen zijn de eigenlijke wonderen van Gods ingrijpen. Geen slecht idee: om de voorspoed waarin je nu leeft te ervaren als een wonder.

Maimonides stelt, dat het houden van de Tora en zijn voorschriften voorspoed bewerkstelligt, maar dit is niet de eigenlijke beloning: de voorspoed, materieel, qua gezondheid, stelt de mens in staat in actie en Tora-studie kennis en wijsheid te verzamelen en vooral deze wijsheid garandeert hem een aandeel in de komende wereld. Omgekeerd zijn de rampen geen uiteindelijke straf, maar de straf is het afsnijden van het voortleven van de ziel, omdat deze niet voldoende kennis en wijsheid in zich heeft kunnen verkrijgen. Dit lijkt een beetje elitair: wie geld, goed en gezondheid bezit heeft meteen een extra voordeel: hij of zij is in de gelegenheid - zij het met veel reflectie en studie - zijn ziel het eeuwige leven te bezorgen. 

Wat vinden wij nu van dit straf- en beloningsysteem, eventueel dus in de verfijnde versie van Maimonides?

Goed beschouwd zit er een zekere logica in. En vooral op het niveau van een maatschappij of volksgemeenschap in zijn geheel. Als het volk, zeg het merendeel van een samenleving, Joden of niet-joden, goed zorgt voor het land, de ouders en de ouderen, de weduwen en de wezen, voor de dagloners (arbeiders), de vreemdelingen, rechtvaardigheid betracht tegenover armen, overtreders, de medemensen fatsoenlijk behandelt en zelfs van hen houdt, en zich niet overgeeft aan allerlei tovenarij, bijgeloof, onrecht, en verzoening zoekt bij overtreding et cetera, zal er zich een maatschappij vormen waarin vrede en voorspoed zich kunnen nestelen en waar welvaart kan groeien. Het geldt niet voor ieders individuele lot, het gaat om een overall tendens (de Tora richt zich meestal tot het geheel, niet tot de enkeling).

Omgekeerd zal een verwaarlozing en uitbuiting van land en medemens, onfatsoen, uitspattingen, twist, onverzoenlijkheid et cetera, op den duur opstand, op langere duur oorlog en rampen uitlokken.

Het verband is misschien niet zo lineair als de passages van deze parasja suggereren, maar de trend is duidelijk. De geschiedenis laat niet na de bewijzen te leveren, echt niet alleen voor het Joodse volk, maar voor alle volkeren die door de geschiedenis heen hebben bestaan en nog bestaan.
Al die gruwelen die in deze parasja – en met een bijna wellustige poëzie worden beschreven - hebben plaatsgevonden en vinden op sommige plekken op deze wereld nog steeds plaats. De moderne tijd verschilt in dit opzicht niet van het verleden.

Het Joodse volk, het Am Jisraël, vormt echter wel het paradigma van deze geschiedkundige wetmatigheid, die door de Tora al zo lang geleden werd opgemerkt en uitgewerkt.
Voor alle maatschappijen geldt: onrechtvaardigheid, wreedheid, haat voor de naaste of de vreemdeling, uitbuiting van medemens en natuur en herhaalde waarschuwingen niet benutten voor ommekeer, veroorzaken op de lange duur twist, oorlog en rampen, ook op ecologisch niveau.

Gaat het dan om die 613 mitswot met al hun rituele kanten, als je die maar perfect houdt? De essentiële boodschappen die uit de oude geschriften opklinken - neem alleen al de tien uitspraken en de voorschriften in Leviticus 19 - gaan over vrede, compassie en rechtvaardigheid en de mogelijkheid van ommekeer (tesjoewa). 
In de Talmoed wordt gevraagd: waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat ("sinat chinam') was (Yoma 9B). 
(In een artikel in de Jerusalem Post van een paar jaar geleden verzucht een schrijver: "Stel dat het orthodoxe Jodendom zou doen wat het vroeger zelden gedaan heeft en in een revolutionaire ommekeer de morele voorschriften even hoog zou schatten als de rituele voorschriften.") 

Is de Eeuwige nu de Persoonlijke uitdeler van ramp en voorspoed? Nee natuurlijk, Hij schept, werkt en vernietigt in en door de mens, zijn duurzame regels hebben de bemiddeling van de mens nodig in wier geest en hart ze doorwerken of juist niet doordringen, of zelfs afkeer wekken.
Buiten de mens om bestaan ze eigenlijk niet. De mens roept zijn eigen voorspoed en zijn eigen rampen over zich af. Een soort Joodse expressie van de wet van karma.

Dat laat onverlet, dat er een groot gebied van mysterie overblijft en een sfeer van oncontroleerbaar noodlot onze geest blijft bezighouden. 
Zoveel rampen aan Joodse gemeenschappen door andere groepen toegebracht lijken zo door en door "onverdiend” in een theorie van beloning en straf, zelfs wanneer men die opvat in de wat ruimere en minder 'schuldbeladen' idee van karma, het schijnbaar complexe weefwerk van oorzaak en gevolg.

Zo letterlijk en lineair kan het allemaal niet bedoeld zijn. 
Hebben de Israëlieten die rampen over zich zelf afgeroepen?  Of zijn zij op zijn minst ook de speelbal, of meer nog het mikpunt, geweest van de goddeloosheid - letterlijk van God-losheid - van de grotere gemeenschap waarin zij een plek meenden te hebben gevonden?


Parasja Behar

"Het Joweel-jaar als utopisch moment."

door: Rob Cassuto

In het Bijbelse boek "Leviticus" ofwel "Wajikra", in het hoofdstuk (parasja) dat wordt genoemd "Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.

Na 49 jaren is het vijftigste jaar een jubeljaar; dat gaat nog verder, ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht komt dan weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

"Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweel-jaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen"(Lev. 25, 9-10) en: 
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" (Lev. 25,23) 

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door. 

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet. 
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon in de zin van: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles "van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij". 
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd. 

Tegenwoordig hebben wij in onze wereld van kapitalisme en materialisme bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de "Joweel-tijd" 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment:
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld. Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine...

En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld. 

Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij". 
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor" Imagine

En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat.

Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes millennia een sabbath-millennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. iemand als R. Avraham Sutton) 

Maar even een stapje terug: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats. 
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden: 
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.

En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. Laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden. 
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.
En om te weten hoe wij misschien voor een schijnbaar nietig stukje zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn ....

 

Parasja Emor
 
Leviticus/Wajikra 21:1-24:3

"Is onze vrijheid goed afgestemd?"

door: Rob Cassuto

In de parasja Emor vinden we verdere voorschriften en bepalingen over de priesters en de offergaven. Dan worden de hoogtijdagen voorgeschreven en omschreven, de sjabbat, Pesach, Sjawoeot, Rosh Hashana, Jom Kipoer en Soekot. Tenslotte volgen bepalingen over de twaalf toonbroden en wordt naar aanleiding van een geval van godslaster nog eens teruggekomen op het ‘oog voor oog, tand voor tand etc.’, de lex talionis, waarover we eerder al hebben gesproken.

De tekst maakt een zeer oude indruk, want de drie pelgrimsfeesten, Pesach, Sjawoeot en Soekot worden hier vooral als oogstfeesten beschreven. De nu gebruikelijke namen worden daar niet genoemd; wel wordt het Pesachoffer genoemd. Pesach wordt gevierd ten tijde van de gerstoogst en heet het feest van het ongezuurde brood. 

Sjawoeot heeft in deze parasha nog geen naam (elders in de Tora wel, het heet het oogstfeest of het feest van de eerstelingen of inderdaad het wekenfeest), het is een offerplechtigheid ten tijde van de tarweoogst . 
Soekot heeft ook nog niet zijn naam, al worden de hutten als tijdelijke verblijfplaats wel verordend, hutten die mogelijk afstammen van de hutten op de oogstvelden, waarin de boeren en hun knechten de nacht overbleven tijdens de late oogst. Ook was Soekot een smeekfeest voor voldoende regen.
Het is kenmerkend voor het jodendom, dat deze agriculturele feesten in de loop van de jaren ook een geschiedenis aspect kregen en een spirituele betekenis. Het oude herdersfeest in de lente werd (ook) herdenking van de uittocht uit Egypte en werd het symbool van uiterlijke en innerlijke vrijheid. Het late oogst-  en regenfeest in de herfst moest gaan herinneren aan de tocht door de woestijn en verwees naar de afhankelijkheid van de mens van de natuur en het vertrouwen om het leven voort te zetten.

Op Sjawoeot, het wekenfeest, dat aanstaande is, het feest van het geven van de Tora op Sinaj,  gaan we wat verder in. 
Zoals gezegd wordt het feest nog niet als zodanig genoemd op deze plaats. 
In de parasja Emor wordt het meest van alle vermeldingen in de Tora in detail  ingegaan op wat er op die dag precies aan offers moet worden gebracht als dank voor de nieuwe graanoogst. Wat opvalt zijn vooral de twee broden. 
Maar het gebeuren wordt in het geheel niet in verband gebracht met het geven van de Tora, het is (nog) niet chag matan Tora, het feest van het geven van de Tora, geworden, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard.

Hoe komt het, dat – blijkbaar in latere tijd – dat verband werd gezien?
Historisch bekeken, lijkt het aannemelijk, dat een proces van de-agriculturisering, als ik dat zo mag noemen, is begonnen, in ieder geval versneld, in de eerste eeuw van de gewone jaartelling, vooral na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Het centrum van de offergaven was daarmee vervallen en sowieso was er al een behoorlijke diaspora, die alleen nog maar toenam. 
De tempel was er niet meer, offers konden daar niet meer worden gebracht, maar de Tora kon niet vernietigd worden en reisde altijd mee. 
Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag.

De Rabbijnen begonnen eens goed te rekenen: als de uittocht uit Egypte begonnen was op 14 Niesan, in de lente, en je telt daarbij zeven weken op - dat tellen wordt zelfs uitdrukkelijk genoemd -, dan moet het volk na zeven weken reizen in de woestijn aangeland zijn bij de Sinai. Dan moet er toch een verband bestaan met wat er op die datum van 6/7 Siewan op de Sinai is gebeurd, de bekendmaking aan Moshé van de Tora.

Een indicatie vinden de uitleggers op het rituele vlak:  

Op Pesach worden de ongedesemde broden gegeten, ze zijn nog in het begin van het bakproces, ze zijn zonder ‘chameets’ dus nog niet gerezen, het zijn ‘matsot’. Ze zijn als het ware nog niet ‘af’.
Op Sjawoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, nu gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk voorgeschreven. De broden zijn nu ‘af’.
Dat verwijst naar een verband, naar een ontwikkelingsrelatie tussen Pesach en Sjawoeot.
Zoals de door de chameets gerezen broden op Sjawoeot de voltooiing betekenen van het bakproces en het hoogtepunt markeren van de oogst van het graan, dat de basis is van het fysieke bestaan, zo is het geschenk van de Tora het hoogtepunt  van de bevrijding, die met de uittocht uit Egypte begon, en vormt die Tora de spirituele basis voor het leven. 
Daarom wordt op Sjawoeot niet deze parasja gelezen, maar de Tien Uitspraken in Sjemot 20.

Als we deze relatie tussen Pesach en Sjewoeot nog wat verder trekken naar ons dagelijks leven, dan kunnen we zien, hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een leidraad van gekozen begrenzing. 

De Israëlieten reisden uit de slavernij niet in het wilde weg de leegte van de woestijn in. 
Welbewust voerde Moshé hen naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze de leidraad konden vernemen hoe hun vrijheid een basis te geven in essentiële waarden en vorm te geven in leefregels om een goede samenleving te vormen. De tweede bestemming was het beloofde land, dat we nu wellicht mogen ‘ontgeografiseren’ als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaanse toekomst, die hoe schimmig ook toch ergens als een vonk van verlangen blijft gloeien.

Maar ook vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot moeten ontworstelen heeft een bestemming nodig, en misschien is Sjawoeot een goede gelegenheid om nog eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd’.


Parasja Kedosjim

Leviticus/Wajikra 19:1–20:27

Wie is mijn naaste?”


Heb uw naaste lief als u zelf

De parasja Kedosjim is een deel van Wajikra/Leviticus, dat theologen de ‘Holiness Code’ (Heiligheidscodex) noemen: het woord Heilig komt er heel vaak in voor. Het zijn merendeels voorschriften over de precieze manier om offers te brengen, hoe priesters zuiver moeten zijn door zich te onthouden van allerlei als onrein beschouwde  zaken en regels over al dan niet geoorloofde seksuele omgang.
Zuiverheid, volmaaktheid in uiterlijk en innerlijk waren vereist om de band tussen de Eeuwige en het volk niet te verstoren, om goedgunstigheid en voorspoed te houden of te bevorderen en tegenslag en rampen te vermijden.

Het hoogtepunt van de Heiligheidscodex is te vinden in hoofdstuk 19, waar een groot aantal voorschriften van aard ethisch zijn.
De rituele voorschriften zijn grotendeels in onbruik geraakt en hun ingewikkelde karakter geeft hoogstens nog aanleiding tot discussie en filosoferen over concepten als offer, heelheid en de achterliggende motivatie: op zich heel belangwekkend.
Maar de ethische voorschriften van hoofdstuk 19 spreken ons nog steeds aan. Ze leggen de bodem voor de principes van menselijke omgang en iets wat wij rechtvaardigheid en beschaving noemen. Die voorschriften nakomen behoort ook tot de opgave een heilig volk te zijn.

Van al die voorschriften is de meest bekende: Heb uw naaste lief als uzelf. Deze woorden worden door de gemiddelde burger meestal aan Jezus toegeschreven.
Het is ook niet één van de tien geboden, zoals velen wel denken. Die uitspraak is dus te lezen in Leviticus/Wajikra 19:18. Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de Eeuwige!”
Zo luidt het volledige vers.
‘Heb uw naaste lief als uzelf’. Het wordt wel de ‘Gulden regel’ genoemd, die in vele andere religies en levensbeschouwingen en ook in de filosofie voorkomt.
Hij is ook verwoord door Rabbi Hillel (Talmoed Shabbat 31a):
‘Wat u vreselijk vindt als het u gebeurt, doe dat een ander niet aan; dat is de hele Tora. De rest is commentaar. Ga heen en leer!’.
Let wel, in dat staartje ‘Ga en leer’ zit nog wel een licht te onderschatten boodschap.

‘Heb uw naaste lief als uzelf’; het statement in Leviticus staat als een monument van menselijke ethische ontwikkeling overeind. En toch – en beter misschien: daarom – roept het wezenlijke vragen op:
Tot wie is het gebod gericht? Wie is de naaste? Wat is liefhebben? Wat heeft de Eeuwige ermee te maken, die na het gebod onmiddellijk poneert: ‘Ik ben de Eeuwige’?
Op deze plek ga ik van al die vragen voorlopig alleen in op de vraag: wie is mijn naaste?

Wie is mijn naaste?

In de rabbijnse traditie is het tot in de 19e eeuw eigenlijk vanzelfsprekend geweest, wie die naaste was: de medejood. En sommigen zoals Maimonides zeiden zelfs: de goede Jood, de vrome, miswot in acht nemende volksgenoot. Ze wijzen dan op de eerste zin van de pasoek:
“ Gij zult u niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk” en zeggen dan dat de naaste uit het tweede deel van de zin een synoniem is voor die ‘kinderen van uw volk’
Met evenveel recht kan echter gesteld worden dat het twee groepen betreft: ‘kinderen van uw volk’ en de ‘naasten’, de ‘re’a’, een term die in andere contexten (b.v. Ex. 11:2) ook zelfs niet-Joden kan aanduiden. De term ‘naaste’ , ‘re’a’ blijft onduidelijk.

Maar wat gebeurt er als we even verderop kijken naar de passage, waar met dezelfde termen wordt geboden om de vreemdeling, de ‘ger’ lief te hebben als jezelf? (Lev. 19:34):
'De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingeborene van u; gij zult hem liefhebben als uzelf; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Eeuwige, uw God!'
Een aantal commentatoren en ook Kenneth Reinhard*, aan wiens artikel ik veel van de hier gegeven redeneringen heb ontleend, wijzen erop, dat de ‘ger’, de vreemdeling, vanuit deze passage ook terugslaat op de betekenis van naaste.
Hermann Cohen en ook Martin Buber ontlenen er hun universalistische uitleg aan: deze twee bepalingen bij elkaar, het gebod de naaste lief te hebben en de vreemdeling, maken het ontwijfelbaar dat het naastenliefde-gebod op alle mensen betrekking heeft. Ze wijzen op een ethiek, die uitgaat boven de Joodse wet.

Genoemde Kenneth Reinhard stelt echter dat de tegenstelling tussen ‘universalisme’ en ‘particularisme’ niet de meest vruchtbare grondslag is om de ethiek van Leviticus en ethiek in meer algemene zin te begrijpen.
Hij wijst op de reden die de passage opgeeft waarom men de vreemdeling dient lief te hebben: het is omdat zij als vreemdeling iets gemeenschappelijk hebben met de bewoners - de kinderen van Israël -  temidden waarvan zij leven: ook die bewoners zijn vreemdeling geweest - in Egypte - en dat zijn ze niet vergeten.
Het gemeenschappelijke met de vreemdeling - het besef van vreemdelingschap - is iets dat nu juist niet universeel met alle mensen wordt gedeeld.
De vreemdeling herinnert mij eraan, dat ik ook het vreemdelingschap nog in mij draag.
De betekenislading vanuit Leviticus 19:34 straalt terug uit naar Leviticus 19:18 en haalt de naaste juist uit zijn anonieme universaliteit naar de concreetheid. De naaste duikt naast mij op als een unieke figuur, die mij vreemd is, die anders is in taal, cultuur en geschiedenis.
En tegelijk confronteert hij mij met mijn eigen vreemdheid aan mijzelf, mijn eigen ballingschap.

Deze uitleg put uit het gedachtegoed van de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas, waarin de ander niet een deeltje is van een afgeronde homogene totaliteit, maar juist de volstrekt andere, die mij confronteert met de oneindigheid van zijn ander zijn.

Martin Buber vertaalt: Heb uw naaste lief, want hij is als uzelf.
Hoe is dat te rijmen met deze uitleg.
Zijn vertaling verwijst ongetwijfeld naar de grote sprong die de mens maakt als hij zich kan verplaatsen in een ander, de sprong van de empathie. Het gaat dan niet om een zomaar aannemen, dat de ander precies hetzelfde is als ik. In de ontmoeting staat de ander, de naaste, tegenover mij en in de tussenruimte tussen mij en hem kan de relatie gebeuren.
Juist dat ‘tegenover’, ‘Gegenüber’, is verwant aan de vreemdheid, die de medemens als naaste en als vreemdeling voor mij heeft.


*Kenneth Reinhard: The ethics of the Neighbor: Universalism, Particularism, Exceptionalism.
The Journal of Textual Reasoning, Volume 4, Number 1, November 2005. 


Parashat Acharé Mot:

Wajikra/Leviticus 16:1 - 18:30

"Het verzoeningsproces"

door: Rob Cassuto

In deze parasha – in hoofdstuk 16 - wordt de Grote Verzoendag, Jom Kipoer ofwel Jom Ha-Kippoeriem, ingesteld en de procedures, die de hogepriester, de Kohen Gadol, heeft te volgen om verzoening voor de gepleegde zonden te bewerkstelligen worden uitgebreid beschreven. Dit hoofdstuk 16 wordt dan ook gelezen in de ochtenddienst van Jom Kipoer 
Er zijn drie fasen in het verzoeningsproces. Eerst maakt de Hogepriester – beschreven in de persoon Aharon – verzoening voor zichzelf. Dan doet hij als gezuiverde voorganger een gelijksoortig ritueel voor het hele priesterhuis en als derde fase wordt de verzoening bewerkstelligd voor het hele volk. 
Daarbij worden twee bokken onderworpen aan het lot. Het ene lot treft de bok die wordt opgedragen aan de Eeuwige en geofferd, de ander wordt door de Hogepriester belast met de zonden van het volk en de woestijn ingejaagd: de zondebok. 
In de moesaf (aanvullende) dienst op Jom Kipoer wordt de tempeldienst, zoals die beschreven is in het Talmoed tractaat Joma, dat gaat over Jom Kipoer, gelezen en als het ware meebeleefd. 
Daarin wordt de tekst van elk van de drie fasen afgesloten met wat aan het einde van hoofdstuk 16 uit deze parasha wordt geconcludeerd in de woorden: 
Ki bajom hazè jechaper aleichem letaher etchem mikol chetoteichem lifné Hashem titharoe. 

We volgen de vertaling van A.S. Onderwijzer, die het ‘t meest letterlijk vertaalt: 
‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige.' 
Het lijkt logisch dit zo op te vatten dat de eerste zin een intentie stelt, ‘om u te reinigen’. De tweede zin formuleert die intentie als vervuld, het doel als bereikt, ‘van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige'. 

Maar in de Mishna – de schriftstelling van de mondelinge leer en de kern van de Talmoed - wordt anders geredeneerd: De woorden worden anders verdeeld over de twee zinnen.
De eerste zin wordt gelezen als ‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen van al uw zonden vóór de Eeuwige'. De tweede zin bevat alleen het Hebreeuwse ‘titharoe', ‘je zal rein zijn', in de zin van ‘jezelf rein hebben gemaakt', 
Deze lezing vinden we terug in de interpretatie van R. Eleazar ben Azariah: voor overtredingen tussen de mens en de Alomaanwezige verschaft Jom Kipoer verzoening, maar voor overtredingen tussen de ene mens en de andere verschaft Jom Kipoer pas verzoening als hij het met zijn naaste heeft goedgemaakt. (Joma 85b). In zijn uitleg wordt ‘titharoe' op het eind van de tweede zin gelezen als werkwoordsvorm in aansporende zin: laat u zich zichzelf (eerst) reinigen! 
Het is dan geen follow up van de eerste zin, maar eerder een conditie voor de eerste zin; De Eeuwige zal pas verzoenen voor alle zonden, als u rein ben door u zelf gereinigd te hebben van de verkeerdheden in relatie met uw naasten, door wat misdaan is met hen goed te maken.

Intussen is dit de mainstream opvatting geworden van de leer rond verzoening op Jom Kipoer. 

Parashat Tazria-Metsora:

"Zij die zwanger wordt"

 

 

 

door: Rob Cassuto

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korte inhoud (Wajikra 12-14 en14-16)

De parajsa Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over de huidziekte ‘tsara'at', vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Wanneer is daarvan sprake, het is aan de priester om dat volgens de hier gegeven richtlijnen dat te bepalen – en in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven - en tevens is het aan hem om te concluderen over al dan niet genezing; de verschillende reinigingshandelingen en bijbehorende offerprocedures worden hier voorgeschreven. Tsara’at wordt door veel bijbelcommentatoren in verband met roddel en kwaadspraak, dat laten we hier terzijde.
 
In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare procedures voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsara'at en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.
 
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een indringend oerbesef van het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen.
 
Vrouw en eros

We weiden wat verder uit over het zondeoffer, dat de kraamvrouw na drieëndertig dagen (in het geval van een jongen), resp. zesenzestig dagen (in het geval van een meisje) moet brengen. 
Er staat (12:6) (HSV): “Wanneer de dagen van haar reiniging voor een zoon of een dochter voorbij zijn, moet zij een lam van een jaar oud als brandoffer en een jonge duif of tortelduif als zondeoffer bij de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting.” 

Al vroeg vroegen de oude wijzen zich af, wat de vrouw nu misdaan had, dat zij een zondeoffer heeft te brengen. Heeft ze niet gewoon, samen met haar man, gevolg gegeven aan het gebod ‘weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u', ‘peroe oereboe!'
 
De worsteling om hier een verklaring voor te geven illustreert de ambivalente houding van het jodendom rond de zaken van lust en voortbrenging, rond wat wij sinds omstreeks 1860 seksualiteit noemen. Zaken die in principe in Tora en Tanach al niet eenduidig liggen.
 
De bijbelcommentator Nechama Leibowitz, die deze ambivalentie signaleert, brengt in haar commentaar op deze passage een aantal midrasjiem te berde. Deels belichten deze het wonder van de geboorte en duiden deze het duivenoffer dan meer als dankoffer; veelzeggend is de zin: de mens plengt een druppel vloeistof in private beslotenheid bij Kodesjborchoe en Hij geeft in het openbaar een compleet en perfect menselijk wezen terug. 
Blijft de vraag: en het woord zonde dan, in zondeoffer, ‘chattat' (van het woord cheet, zonde), wat is de zonde? Wat moet er worden verzoend?
 
Nechama Leibowitz zoekt verklaringen in andere midrasjiem, waarin bij voorbeeld gezegd wordt: ‘een mens prijzen om zijn schoonheid of knapheid? Als je had gezien uit welke onreinheid en vuiligheid hij vandaan komt, - van een stinkende druppel (verwijzing naar Pirké Avot3:1). Hier spreekt een duidelijke lustvijandige attitude, die we veel vaker tegenkomen, lust, die de grote verleider is, de Setan, die de vromen verhindert in hun streven naar eenwording met G-d. Man en vrouw hebben blijkbaar in de sfeer van dit soort opvattingen iets heel onreins gedaan, vooral de vrouw..., bij het maken van een kind.
 
Hoewel de erfzonde geen deel uitmaakt van de joodse theologie (voor zover die al bestaat), doemt het idee van een erfzonde wel op bij lezing van sommige commentaren.
 
Bachja Ibn Pekuda, (geciteerd uit een commentaar van Leo Mock op deze parsje) gaat heel ver wanneer hij over deze passage over het zondeoffer van de vrouw het volgende schrijft:
'En het is mogelijk om als verklaring te geven (voor de offers en het woord zonde ) dat deze niet komen vanwege een zonde van haar zelf, maar vanwege haar (oer)moeder die de bron van al het leven is. Want zonder die zonde (van het eten van de Boom van de Kennis) zou de man zich met zijn vrouw voortplanten zonder lust of verlangen, maar op slechts de natuurlijke manier, zoals een boom die elk jaar zijn vruchten voortbrengt zonder (seksuele) lust.' 

Hieruit blijkt, dat het ideaal van Bachya Ibn Pakuda en zijn vele geestverwanten is: voortplanten zonder lust. De erfzonde is de ontdekking dat lust, begeerte, de oerdrijfveer van eros, onvermijdelijk samengaat met de procreatie. Harmonie tussen de meeslepende kracht van begeerte en lust en de zelfcontrole van een uitgebalanceerde geest gaan welhaast niet samen. Procreatie gaat voor alles, zeker in de opvatting van de Tora, zonen en dochters moeten de familie voortzetten. Maar de dwingende en verleidende stuwing van eros leidt van dit proces af naar onbekende paden en verboden afslagen en de vromen zouden liever de voortbrenging zonder deze stormachtige nevenverschijnselen verrichten.
 
Het eerste liefdeslied zong Adam, toen hij uit zijn diepe slaap wakker werd en een medemens ontwaarde, Eva (Genesis 2:23).
 
“‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.'
 
Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.”
 
Hier klinkt nog de onschuldige genieting van het samen zijn. 
Maar dan overvalt de primordiale kennis Eva en dan Adam, namelijk de ontdekking dat lust, begeerte, de oerdrijfveer van eros, onvermijdelijk samengaat met de procreatie. *) De doorbraak van het inzicht, dat de daad van opperste lust en plezier (en wellicht ook mannelijke macht) negen maanden later bij de vrouw zulk een indrukwekkend en ingrijpend gevolg had in de vorm van de geboorte van een kind moet een verbijsterend moment zijn geweest, een primordiale aha-erlebnis, een giant step for mankind.
 
Ga nog even mee met mijn cultureel antropologische speculatie: Vermoedelijk was deze pionier van de menselijke wetenschap een vrouw, wat nog doorklinkt in het paradijsverhaal van Genesis. Misschien ligt hierin wel de kiem van de door het mannendom aan de vrouw toebedeelde zonde: dat zij de paradijselijke onschuld van vooral de mannelijke lust verstoorde door hem te confronteren met zijn ontegenzeggelijke aandeel in de totstandkoming van haar kind. Aldus deelde een Eva dit schokkende feit met een Adam en zo werden man en vrouw uit een prereflexieve wereld geworpen in een wereld waarin zij voortaan wisten, dat hun gezamenlijke seksuele daad – die in hun nu bewust waargenomen naaktheid al als kiem besloten lag – onontkoombaar verbonden was met zijn gevolg, het kind. Dat moet een menigte revolutionaire psychische en maatschappelijke gevolgen hebben gehad, waar ik nu verder niet op in kan gaan. 
Maar de geest, resp. het verstand, moest nu voortaan de anarchistische eros in geordende banen leiden. Ze staan op gespannen voet met elkaar, zijn tot elkaar veroordeeld, kunnen niet zonder elkaar. 

De Tora en de boeken daarna in de Tanach zijn een spiegel van deze spanningen tussen ordening en overtreding, tussen bedding en stroom. Enerzijds geeft de Tora een ordening, met als kern de tien woorden, maar ook vele andere voorschriften, die tot doel hebben de energie te kanaliseren en te richten op de ander en het belang van betrouwbare relaties en een veilige samenleving en respect voor de divine bron van deze voorschriften. 

Deze voorschriften worden geflankeerd door verhalen in Tora en Tanach over de nimmer aflatende en zo vaak vergeefse worstelingen in dit spanningsveld. Daarenboven ligt over de voorschriften en verhalen de schaduw van de extreem patriarchale samenleving van die lange tijd geleden; de vrouw is minder waard, ook letterlijk: Wajikra 27: 1 e.v .: 1 De Eeuwige zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand de Eeuwige de tegenwaarde van een mensenleven belooft, 3 worden de volgende bedragen berekend: Het vaste bedrag voor een man tussen de twintig en de zestig jaar is vijftig sjekel zilver, berekend volgens het ijkgewicht van het heiligdom. 4 Voor een vrouw geldt een bedrag van dertig sjekel. 5 Gaat het om iemand tussen de vijf en de twintig jaar, dan geldt er een bedrag van twintig sjekel voor een jongen en tien voor een meisje. 6 Bij kinderen tussen één maand en vijf jaar geldt er een bedrag van vijf sjekel voor een jongen en drie voor een meisje.” 
En als moeder is zij na de geboorte van een dochter twee keer zo lang onrein voor de tempel als na de geboorte van een jongen. 
Het is de opgave van een modern jodendom om voortschrijdend inzicht in de gelijke waardigheid van mannen en vrouwen in de bijbeluitleg te verdisconteren.

Alles bij elkaar genomen is het opvallend hoe juist de overtredingen – veelal op mannelijk initiatief - van de regulerende regels omtrent eros een bepalende invloed hebben gehad op de geschiedenis van de Israëlieten van de Tanach en deze naar een nieuwe fase voortstuwden.
Het meest treffend is de geschiedenis van het overspel van koning David met Batsjewa, gevolgd door de verraderlijke moord op haar echtgenoot. Deze zondige escapade maakt de geboorte mogelijk van de grootste koning van Israël, Sjelomo. 
David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews': “Nogmaals, erotische overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen”
 

*) De boom der kennis van goed en kwaad, in het hebreeuws: eets ha-da'at tov we-ra ; lada'at, weten, kennen, is ook de term die gebruikt wordt voor seksuele gemeenschap zoals herhaaldelijk in Genesis gebruikt, te beginnen met 4:1, we-ha-adam jada chawa iesjto , en de mens ‘kende' (had gemeenschap met) Chawa zijn vrouw.

Afbeeldingen:

- De zesde dag van de schepping; Escher

http://www.conversationswithnechama.com/about-the-book.html


Parashat Sjemini:

 

"Verkeerd vuur"

 

door: Rob Cassuto

 

Korte inhoud (Wajikra (9:1 - 12:1).

Op de achtste (jom ha-sjemini) dag van de inwijding van de tabernakel (Misjkan), brengen Aharon, zijn zonen en heel het volk verschillende offers (korbanot)), zoals Mosjé hen geboden had. Aharon en Mosjé zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (kawod) waar te nemen.

Nadaw en Awihoe, twee zonen van Aharon, bedenken en brengen een nieuw soort offer, dat de Eeuwige niet gevraagd had. Een vuur verteert hen, waarmee duidelijk wordt dat alleen die geboden mogen worden uitgevoerd die Mosjé heeft opgedragen.  Mosjé spreekt Aharon toe, die in stilte treurt. Mosjé geeft de kohaniem instructies hoe zij zich moeten gedragen tijdens hun rouwperiode, en waarschuwt hen dat zij geen sterke drank mogen drinken voordat zij in het Misjkan dienst gaan doen. 
De Tora geeft de twee kenmerken van een kosjer dier: het heeft gespleten hoeven; het kauwt zijn voedsel, geeft het weer op en herkauwt het nog eens. De Tora specificeert de namen van niet-kosjere dieren die slechts één van beide kenmerken hebben. Een kosjere vis heeft vinnen en makkelijk te verwijderen schubben. Alle vogels die niet voorkomen op de lijst van verboden families zijn toegestaan. 

De Tora verbiedt alle soorten insecten, met uitzondering van vier soorten sprinkhanen. 

Er worden details gegeven van het reinigingsproces nadat men in contact is gekomen met ritueel onreine dieren. Het Joodse volk wordt opgedragen zich af te scheiden en heilig te zijn.

 Nadaw en Awihoe

De meest opvallende gebeurtenis in deze parasja is de tragedie rond de zonen van Aharon.
Een snelle opeenvolging van gebeurtenissen moet hebben plaatsgevonden tijdens de offerplechtigheden ter inwijding van de tabernakel:

(NBV Lev. 9:23-10:4) Toen ze weer buitenkwamen, zegenden ze het volk. Daarop verscheen de majesteit van de Eeuwige aan het verzamelde volk. 24 Een felle vlam kwam uit het heiligdom (ik zou vertalen: een vuur ging uit van de Eeuwige) en verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dat zag, begon het te jubelen, en iedereen wierp zich ter aarde.

Aärons zonen Nadaw en Awihoe deden gloeiende kolen in hun vuurbak en legden er reukwerk op. Maar het was verkeerd (‘esj zara’, vreemd vuur) vuur dat ze de Eeuwige wilden aanbieden, vuur dat niet voldeed aan de voorschriften van de Eeuwige. 2 Een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar, in de nabijheid van de Eeuwige, stierven. 3 Mozes zei tegen Aäron: ‘Dit bedoelde de Eeuwige toen hij zei: “Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit.”’ Aäron zweeg.

Vele vragen liet en laat dit accident open en vele antwoorden van vroeger en nu hebben geprobeerd een verklaring te vinden.

Het meest voor de hand liggend is de uitleg, die de Tora al geeft: Nadaw en Awihoe hebben zich niet aan de voorschriften van de Eeuwige, zoals die door bemiddeling van Mosjé zijn gegeven, gehouden en hebben op eigen houtje opgetreden. 
Dat de straf zo zwaar was probeert Mosjé dan aan zijn broeder Aharon, de vader van de twee slachtoffers, uit te leggen: ‘Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid’.
Dat wil volgens mij zeggen: de meest nabijen dragen de grootste verantwoording, ze hebben de zwaarste consequenties te dragen, als de heiligheid niet gerespecteerd wordt.

Het tragische zit vooral in de goede bedoelingen die de twee priesters gehad moeten hebben. 

Er is wel gesuggereerd, dat ze ook wijn gedronken hadden, zoals verboden zou gaan zijn bij betreding van het heiligdom (pasoek 9), mede waardoor ze misschien in hun oordeel beneveld waren. (Hoewel ook nobele bedoelingen aan deze mogelijke wijnconsumptie worden toegedicht)
Ook is gesuggereerd, dat zij misschien overambitieuze bedoelingen hebben gehad om Mosjé en Aharon opzij te zetten als leiders van het volk; dat is als interpretatie mijns inziens veel te vrijmoedig. 
Wel valt op dat zij als enige met name worden genoemd in Sjemot (24:9) als metgezellen van Mosjé en Aharon bij het bestijgen van de berg om de Eeuwige te ontmoeten.
De beide mannen zagen nu dus voor de tweede keer een manifestatie van de Eeuwige.
In deze extatische beleving moeten zij in een roes zijn geraakt, die hen alle voorzichtigheid uit het oog deed verliezen. Wat mij opvalt, is dat als het vuur op het altaar is geschoten in een imposant bliksemgebeuren Nadaw en Awihoe eveneens met vuur aan de slag gaan. Er zit daar iets van overmoed in, een hybris, een Icarusscenario. Ze braken uit het via de mond van Mosjé gegeven systeem in een extatische poging en verbraken het evenwicht met fatale gevolgen.

De uitleggers hebben altijd ook in Nadaw en Awihoe hun enthousiaste bedoelingen gewaardeerd en zagen hun zielen in Pinchas weer gemanifesteerd, Aharons kleinzoon Pinchas, die ook op eigen houtje optrad, maar nu met een betere uitslag (Bamidbar 25:7) en zelfs Elia is genoemd als nieuwe belichaming van hun zielen.

Afbeeldingen:

- De twee priesters worden vernietigd; Tissot

- Nadaw en Awihoe


Sjabbat Chol Hamoëd Pesach:

"Een herinnering aan compassie"
 
door: Rob Cassuto

De sjabbat die valt in de week van Pesach is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoëd Pesach. Dan worden in  plaats van de te verwachten parsje van de week stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Shemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol  beenderen die weer tot levend lichaam worden.
In veel gemeenten wordt ook Shir Hashirim/ het Hooglied gelezen.

We gaan wat verder in op een top experience van Moshé in deze Exodus passages, die ons a.h.w. plotseling verplaatsen naar een van de belangrijkste doelen van de uittocht, de berg Sinaj.  Daar speelt de smeekbede zich af van Moshé aan de Eeuwige om - na de essentiële vergiffenis voor de zonde met het gouden kalf  - ook letterlijk met het volk mee te reizen en nabij te blijven. 
De Eeuwige stemt toe en plaatst Moshé op een veilig plekje, waar hij dicht bij de Eeuwige is, die hem voorbij zal gaan. Maar zien mag hij Hem niet. Alleen een glimp van Zijn achterkant mag Moshé zien. Misschien zoals wij het goddelijke nooit rechtstreeks zien, maar misschien iets van de sporen, die hij in de door ons waar te nemen omringende wereld nalaat.

Als de Eeuwige aan Moshé voorbijgaat roept hij zijn 13 eigenschappen van barmhartigheid uit. (Sjemot 34, 6-7): “De Eeuwige ging voor hem langs en riep uit: ‘Adonai! Adonai! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig,die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft’.

De lezing van dit stuk met dat centrale moment in de Tora, herinnert ons op deze sjabbat aan de behoefte aan compassie en nabijheid. Hetzelfde stuk wordt weer gelezen op sjabbat Chol Hamoed Sukkot.
In het kader van het zoeken naar wat in de sfeer van ethisch gedrag de navolging van de eigenschappen van de Schepper betekent (imitatio Dei) wezen de Oude Wijzen op die dertien eigenschappen; ze worden ons voorgehouden om zover het in ons vermogen ligt na te volgen.

1. Adonai: God is genadig vóórdat iemand zonde begaat

2. Adonai: God is genadig ook nadat iemand een zonde heeft begaan en berouw heeft getoond

3. El: Hij is almachtig

4. rachoem: Hij is barmhartig

5. we-chanoen: en genadig

6. erech apajiem: Hij is lankmoedig in boosheid

7. we-rav chesed: Hij is overvloedig in liefde

8. we-emmet: zelfs na Zijn onderzoek van ons gedrag

9. Notzer chesed la-alafiem: Zijn liefde strekt zich uit tot toekomstige generaties

10. nosee awon : Hij vergeeft opzettelijk begane zonden

11. wa-fesja: Hij vergeeft zonden begaan tegen Zijn wil in

12. we-chata: en zonden die onbewust zijn begaan

13. we-nakee: Hij geeft kwijtschelding aan de berouwvolle zondaar

(Tosefot Rosh HaShanah 17b, geciteerd op http://www.koach.org/documents/Selihot-2004.pdf )

 “Het is passend voor de mens om zijn Schepper na te volgen en hem nabij te komen in beeld en gelijkenis …” Zo begint ook ‘De palmboom van Devorah' van kabbalist Moses Cordovero (1522 – 1570). Daarin behandelt Cordovero ook 13 vergelijkbare eigenschappen, die hij baseert op Micha 7, 18-20, een passage die op Grote Verzoendag ook altijd gelezen wordt aan het eind van de lezing van het boek Jona):

18 Wie is een God als u,

die schuld vergeeft

en aan zonde voorbijgaat

van wie er van uw volk nog over zijn?

U blijft niet woedend

liever toont u hun uw genade.

19 Opnieuw zult u zich over ons ontfermen

en al onze zonden tenietdoen.

Hun zonden werpt u in de diepten van de zee.

20 U geeft Jakob uw waarheid

en Abraham uw goedheid,

zoals u gezworen hebt aan onze voorouders,

in de dagen van weleer.

(Micha 7, 18-20)

Het boek van Cordovero was de aanzet tot veel ethische literatuur in later eeuwen en is een van de favoriete geschriften van de 'Moessar', de ethische vernieuwingsbeweging, die in de 19e eeuw opkwam, en nu, vooral in de US, een herleving doormaakt.

 Ik geef een zeer verkorte omschrijving van de uitleg van Cordovero van deze regels; het komt neer op allerlei schakeringen van rachamiem, een oproep tot afstand doen van de eigen gekwetstheid, beoefening van de uiterste vergevingsgezindheid, tolerantie, compassie en empathie met de naaste.

* Wie is een God als u: Cordovero: ondanks alle zonden en beledigingen weerhoudt God zijn levenbrengende kracht niet aan de bedrijvers. Zo moet ook de mens verdraagzaam zijn en zijn goedheid niet terughouden ondanks wat aan hem verkeerd wordt gedaan.

* die schuld vergeeft: Zoals God het kwaad verdraagt en de kwaaddoener in stand houdt, en hem in de gelegenheid stelt op zijn pad terug te keren, zo moet ook de mens zijn naaste die hem kwaad doet verdragen, tot de kwaaddoener het kwaad herstelt of vanzelf te gronde gaat;

en aan zonde voorbijgaat: ook de mens moet aan de zonden van zijn naaste 'voorbijgaan' en deze niet willen rechtzetten, het schoonwassen van de verkeerde daden is een zaak van God persoonlijk.

* van wie er van uw volk nog over zijn: Zoals God meelijdt en meevoelt met zijn volk, laat ook de mens niet het kwade voor zijn naaste wensen, maar zich verheugen over zijn voorspoed.

* U blijft niet woedend: Zelfs als de kwaaddoener geen berouw heeft, bindt God zijn woede in en hoopt op ommekeer. Laat ook zo de mens doen, al heeft zijn haat goede grond (zoals ook voorgeschreven staat om de vijand wiens ezel bezwijkt bij te staan, Sjemot 23, 5)

* liever toont u hun uw genade: zoals God veel liever kijkt naar en zich verheugt over de goede kanten van zelfs de meest schuldigen (sommige engelen in het hemels paleis hebben als enige taak goede daden van alle mensen onder Zijn aandacht te brengen), laat ook zo de mens oog hebben voor de goede daden die zijn kwaaddoener ook heeft verricht.

* Opnieuw zult u zich over ons ontfermen: zoals God een speciale plek heeft voor de teruggekeerde kwaaddoener, zo zou ook de mens de naaste die op zijn fouten terugkomt en de relatie wil herstellen meer dan vroeger nog moeten liefhebben.

* en al onze zonden tenietdoen: Zoals God onze zonden bagatelliseert ten opzichte van het goede dat we hebben gedaan, zo zou ook de mens het goede dat zijn naaste heeft gedaan voorop moeten stellen en het kwade moeten vergeten.

* Hun zonden werpt u in de diepten van de zee: via ingewikkelde redeneringen komt Cordovero tot de aansporing mededogen te hebben voor de kwaaddoener die voor zijn verkeerde daden met zwaar lijden heeft betaald.

* U geeft Jacob uw waarheid: Jacob is 'de gewone, fatsoenlijke man' (Israel wijst op de uitmuntende mens). Zoals God eerlijk en rechtvaardig is ten op zichte van Jacob, wees eerlijk en rechtvaardig tegenover je naaste.

* en Abraham uw goedheid: Abraham staat voor de rechtvaardigen die uitgaan boven wat wet en fatsoen vragen. Zoals God hen extra begunstigt, laat ook de mens zijn rechtvaardigen extra eerbiedigen en liefhebben.

* zoals u gezworen hebt aan onze voorouders: Zoals God bij latere kwaaddoeners rekening houdt met de verdiensten van de voorvaderen en Zijn beloften aan hen, laat zo ook een mens bedenken dat de kwaaddoeners kinderen van Abraham zijn; laat hij ze niet slecht en wraakzuchtig, maar genadig tegemoet treden.

* in de dagen van weleer: Zoals God, wanneer al zijn beweegredenen tot vergeving zijn uitgeput, eraan denkt dat er ooit een periode was waarin geen verkeerde maar goede daden werden verricht, zo kan een mens uiteindelijk bedenken dat er ook voor de meest verdorvenen ooit een periode was, waarin ze niet verkeerd deden, al waren ze babies.

In principe kan niemand onwaardig worden bevonden om voor te bidden en is niemand onwaardig om voor vergeving in aanmerking te komen.

Illustraties:

zie voor verdere informatie ook de vertaling van het boek van Cordovero.


Parashat Tsav:

 
"Offer en bevrijding"
 
door: Rob Cassuto

Ook de parasja Tsav (Draag op …) bevat regels over het offeren, deels een herhaling van de vorige parasja, en beschrijft hoe Mosjé zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester wijdde.

Zoals gezegd offeren wij niet meer de dieren en de graanproducten, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling wat betreft dierenoffers voorbij is. 

Wel kunnen wij aan de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten ontlenen. In het Toracommentaar van Harvey Fields worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op – zo zegt de Lubavitcher Rebbe Menachem Schneerson – Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou verruimend er aan willen toevoegen: gericht op awareness, op ontvouwing van het beste in ons op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd, zoals ik in het commentaar op de vorige parasja Wajikra al heb gezegd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uitgaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Ik zal proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken. 
Als offer zouden nu kunnen worden aangemerkt:
- Ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol, dwangmatig eten, het automatisch op de bank televisie gaan kijken.
- Afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachtenreeksen over Zelf en Anderen.
- Afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk eens aan de auto… Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- Een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst inhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- Afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.
- Als het niet anders kan het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem, zoals de dappere zioniste Hanna Senesh, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit de Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

Vandaag is het binnenkort Pesach.
Misschien ontstaan uit het lentefeest van de herders, die de eerstgeboren lammetjes offerden, is het een feest geworden van bevrijding, van uittocht uit de slavernij. Daarom is het samengaan met de parasja Tsav niet zonder zin. Het gaat er om de voorwaarden te scheppen voor verzoening. We offeren tenslotte om een innerlijke en tussenmenselijke plek te maken, die onbezoedeld is, ruim en open, waardoor het grote Licht kan binnenvallen, waardoor onze verlossing en uiteindelijk die van de wereld naderbijkomt.

Pesach: feest van de innerlijke bevrijding

Pesach is het moment van besef dat innerlijke bevrijding en ontwikkeling naar verlossing tijdens het leven mogelijk is. Dit is het revolutionaire inzicht dat in het Joodse volk is doorgebroken.
Dat bedoelt Rabbijn Yitz Greenberg waarschijnlijk als hij zegt: Wat is het meest betekenisvolle gebeuren in de menselijke geschiedenis geweest? De uitvinding van het wiel of van de drukpers? De Industriële Revolutie? Het Internet? De Uittocht uit Egypte! Dat is dé hoofdoorzaak van alles wat erop is gevolgd en nog volgt (als dat niet was gebeurd, was niets anders tot stand gekomen), want de boodschap van Pesach van verlossing blijft weerklinken als de krachtigste verklaring van hoop in de geschiedenis van de mensheid. Met Pesach bezingen we de ultieme (en hopelijk heel dichtbije) dag waarop de profeet Elia de uiteindelijke bevrijding van elke vorm van onderdrukking zal aankondigen.

Dan krijgen begrippen als Egypte, de afgoden, slavernij een wijdere en diepere betekenis. Dan kunnen we in ons leven eens nagaan in hoeverre wij slaaf zijn, d.w.z. in hoeverre wij niet vrij zijn. In hoeverre wij niet meester zijn over ons leven. In welke mate geven wij het meesterschap uit handen en zijn wij slaaf van onze vastgeroeste ideeën, gewoonten, gefixeerde overtuigingen over ons zelf en over anderen, hoezeer lopen we aan de leiband van onze persoonlijke routines, zorgjes, probleempjes en problemen die geest en ziel grote delen van de dag vullen met gepieker, gemok, gemaal, haat, jaloersheid, machtsspellen etc?

Maar er is een weg naar de vrijheid en het moment van Pesach is een groot kosmisch raam, waardoor het goddelijke Licht valt, waarin we uit onze beperkingen kunnen groeien naar meer vrijheid!

Mi-aféla le-or gadol. 

Afbeeldingen:

- Hogepriester

- Elia; Rembrandt


Parashat Wajikra:

 
"Het offer als kosmische correctie"
 
door: Rob Cassuto

Het derde boek van de Tora – na Bereshiet en Shemot - heet Wajikra ofwel Leviticus, en de eerste parasha heeft dezelfde naam: Wajikra en bestaat uit de hoofdstukken 1-6. Rabbijn Simon Jacobson wijst ons erop, dat dat eerste woord 'Wajikra' van het boek en van de parasha geen persoonsaanduiding heeft; er staat eenvoudig: (hij)Riep.
In het Chassidische denken legt men uit dat deze omissie eigenlijk een krachtige aanvulling is: De essentie van G'd tart elke naam en beschrijving. Dit vers wil aan ons overbrengen dat G'ds wezen riep tot Mozes, dus zelfs de naam "G-d" is niet genoemd; het vers zegt alleen maar: "En ___ riep tot Mozes," en vertelt ons zo dat de oproep kwam van een plek die definities overstijgt, een plaats die geen naam of titel heeft. Had het vers Gods naam vermeld, al was het maar het woord "G'd" ("En G'd riep Mozes '), dan zou dat hebben betekend dat deze bijzondere dimensie van G'ddelijkheid (uitgedrukt in de naam" G'd ") tot Mozes heeft geroepen. Door geen enkele naam te gebruiken, vertelt het vers ons dat dit een oproep is vanuit de Essentie. 

Een heel groot deel van het boek bestaat uit voorschriften over wanneer en hoe welke offers gebracht moeten worden.
De parasha Wajikra begint meteen al met een uitgebreide beschrijving van de brandoffers, vredeoffers, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers.
Er zijn vele technische verschillen tussen de verschillende offers, afgezien van het object (stier, bok, duif, graanmeel etc.). Daar ga ik verder niet op in; alleen valt vooral in het oog, dat de dierlijke brandoffers in zijn geheel op het altaar worden verbrand en van de vredeoffers en zondeoffers alleen het vet (waarbij de rest buiten de legerplaats wordt verbrand).

Het belangrijkste motief achter de brandoffers, en zonde- en schuldoffers lijkt verzoening, terwijl bij de vredeoffers en meeloffers meer het accent lijkt te liggen op dank als belangrijkste motief.

Intussen is na de verwoesting van de tempel de offerdienst vervallen. Allengs heeft het gebed als middel tot verzoening de dierenoffers vervangen. Maar is gebed voldoende?

Maimonides ontkende de intrinsieke waarde van de offerdienst en zag de instelling en de voorschriften van de offerdienst als een in alle wijsheid aan het volk destijds gegeven aanpassing, om het af te wenden van de afgodendienst, maar toch te voorzien van de nodige rituelen.

Nachmanides kwam hier tegenin en zag wel degelijk een intrinsieke reden in de dierenoffers: eigenlijk verspeelt de mens met zijn zonden van geest en lichaam zijn leven en het dier dient met zijn bloed en organen als substituut om genade en vergiffenis van de Eeuwige te verkrijgen.

Volgens mij raakt Nachmanides hier de dieptepsychologische kern van het offer, wellicht mogen we verder gaan en zeggen: de kern van de zielennoodzaak van het offer.

Het kenmerk van het offer is dat het iets is dat de mens dierbaar is – en in de agriculturele samenleving is dat een mooi exemplaar van de kudde - , dat hij afstaat en dat tegelijk kan dienen als substituut voor zichzelf, om zijn leven en welzijn veilig te stellen. Het uitgangspunt is dat als hij niet zijn offer aanbiedt noodlot, dood en tegenslag op zijn pad zullen komen. Het offer herstelt de kosmische disbalans, die de mens door zijn gedrag heeft geschapen. Wanneer de disbalans niet wordt hersteld, roept hij de gevolgen daarvan over zich af, of men de zender van de gevolgen nu als een intrinsieke kracht of essentie van de kosmos (schepping) ziet of als zelfstandig wezen (Schepper).

Dat het heel nauw luistert, hoe en op welke wijze men de geschapen disbalans herstelt wordt geïllustreerd door de precieze voorschriften, die de Tora geeft voor het brengen van de offers (en ook de Misjna, zie b.v. het tractaat Joma over de offers op Jom Kipoer).
Alleen – en dat kunnen we weer met Maimonides eens zijn - de Tempeldienst en de dierenoffers waren toegesneden op het volk en de omstandigheden van toen, het Midden-Oosten van het tweede millennium vóór de gangbare jaartelling. Vaak protesteerden de profeten tegen een geperverteerde offerdienst, die zijn oorpronkelijke doelen had overleefd en verzand was in schijnheiligheid, zoals Hosjea (6:6): “Ki chesed chafatsti we-lo zewach we-da’at elohiem we-olot”, “Want liefde wil ik, geen offers; en kennis van de Eeuwige eerder dan offers”.

Maar het offer als kosmische correctie, als daad die de goedgunstige loop van mens en wereld moet veiligstellen, is dat nog nodig? Zo gesteld is het antwoord ja.
Wat is het kostbare bezit, dat we moeten leggen op het altaar om ons ontspoorde leven op de rails te krijgen? Welke hechting aan dierbare gewoonten of overtuigingen moeten we loslaten om misstanden in onze familie, onze vereniging, ons kerkgenootschap, onze samenleving te hervormen? 
Welke offers moeten we brengen om de uit de hand lopende balans van natuur en klimaat te herstellen? 
Welke heilige koeien moeten we offeren? 
Het lijkt erop, dat niet alleen steeds meer wetenschappelijk onderzoek wijst op verstoringen in maatschappelijke verhoudingen en natuur, maar dat daarbovenuit of daaronder een bewustzijn van een diepere disbalans veld wint, een besef van de nadering van een kritisch omslagpunt, als we geëigende offers niet kunnen of willen brengen.

En misschien mogen we het wel zo formuleren dat we steeds weer concrete rituelen nodig hebben, die ons opwekken om ons gedrag in overeenstemming te brengen met wat de schepping (i.c. zijn Schepper) van ons eist. Willen wij en onze kinderen het leven en welzijn behouden.

(in dit commentaar is gebruik gemaakt van de ‘iyunim’ van Nechama Leibowitz)

Afbeeldingen:

- Maimonides

- Nachmanides


 

Pesach: feest van de geschiedenis

 

In het voorjaar vieren wij weer Pesach. We herdenken de bevrijding van het volk Israël uit de Egyptische slavernij, lang, lang geleden…

De afstammelingen van Jacob, de ‘Benee Jisraël’, ooit in Egypte, vluchtend voor de hongersnood, aangeland, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder onderdrukt; onder de profetische leiding van Mozes en in een reeks wonderlijke gebeurtenissen worden zij door Far'o vrijgelaten en beginnen zij een reis door de woestijn op weg naar Sinaj waar de volkswording zijn beslag krijgt in het verbond met de Eeuwige die hen naar hun vrijheid geleid heeft.

 

Archeologisch is er maar weinig voorhanden.

De Joodse theoloog en filosoof Martin Buber vat het op als een bijzondere sage, waarbij Moshé het oude Semitische herdersmaal zou hebben omgevormd. Dit maal werd in de lente gehouden, waarbij eerstgeboren bokjes werden geslacht en de demonen werden geweerd door het bloed van de bokjes aan de tentpalen te smeren. Het woord Pesach komt van het werkwoord ‘pasach’, dat pas later ‘overslaan om te ontzien’ is gaan betekenen; nog oorspronkelijker betekende het huppelen van het ene been op het andere en kan het geduid hebben op een rituele reidans (‘chag’ = ‘feest’ betekent ook oorspronkelijk reidans), die wellicht ook werkelijk is uitgevoerd en die de uittocht al voorafspiegelde. Met deze omvorming door Mozes van het lentefeest is, aldus Buber, Pesach van een ritueel bezwerend feest het ‘Geschiedfeest' bij uitstek geworden.

 

Pesach: feest van de gemeenschap 

Pesach is vooral ook het feest waarin wij met familie, vrienden en leden van onze plaatselijke gemeenschap samenkomen, samen spreken en samen genieten. 
Eigenlijk is het passend bij iedere Seider te denken aan alle omgekomenen, wier schreeuw om bevrijding niet is beantwoord.

Pesach: feest van de doorgaande bevrijding

 

‘In iedere generatie ben je verplicht jezelf te zien alsof jijzelf uit Egypte bent vertrokken' staat er in de Haggada. Je herbeleeft niet alleen de tijd van toen, maar beleeft ook het nu. We overstijgen de historische details van ooit naar nu. Het proces van bevrijding uit slavernij naar werkelijke vrijheid is nooit afgelopen. 
In hoeverre is er nu nog sprake van onderdrukking? 
Op vele niveaus is het niet moeilijk, ook niet in de relatief vrije maatschappij waarin wij in Nederland leven, om sporen van onderdrukking te traceren. Op veel plaatsen in de wereld liggen symptomen van onderdrukking openlijker aan de oppervlakte. Laat dit eens onderwerp zijn in een fase van de Seider: waar speelt onderdrukking? Waar in de wereld, de maatschappij, in de buurt, in je persoonlijk leven? Waar is nog sprake van onvrijheid, discriminatie, vervolging, antisemitisme? Waar is er bij jezelf nog dwang om dingen te doen, 
die je niet wil, om te zwijgen waar je wil spreken? Waar word je weerhouden te doen wat jou werkelijk goeddunkt, waar word je geblokkeerd om het beste in jezelf te manifesteren?
 

 

Pesach: feest van de innerlijke bevrijding 

Pesach is ook het moment van besef dat innerlijke bevrijding en ontwikkeling tijdens het leven naar verlossing mogelijk is. Dit is het revolutionaire inzicht dat in het Joodse volk is doorgebroken. Dat bedoelt waarschijlijk Rabbijn Yitz Greenberg als hij zegt: Wat is het meest betekenisvolle gebeuren in de menselijke geschiedenis geweest? De uitvinding van het wiel of van de drukpers? De Industriële Revolutie? Het Internet? de Uittocht uit Egypte! Dit is  hoofdoorzaak van alles wat erop is gevolgd en nog volgt (als dit niet was gebeurd, was niets anders tot stand gekomen), want de boodschap van Pesach, van verlossing blijft weerklinken als de krachtigste verklaring van hoop in de geschiedenis van de mensheid. Met Pesach bezingen we de ultieme (en hopelijk heel dichtbije) dag waarop de profeet Elia de uiteindelijke bevrijding van elke vorm van onderdrukking zal aankondigen.

Dan krijgen begrippen als Egypte, de afgoden en slavernij een wijdere en diepere betekenis. Dan kunnen we in ons leven eens nagaan in hoeverre wij slaaf zijn, d.w.z. in hoeverre wij niet vrij zijn. In hoeverre wij niet meester zijn over ons leven. In welke mate geven wij het meesterschap uit handen en zijn slaaf van onze vastgeroeste ideeën, gewoonten, gefixeerde overtuigingen over ons zelf en over anderen, hoezeer lopen we aan de leiband van onze persoonlijke routines, zorgjes, probleempjes en problemen die geest en ziel grote delen van de dag vullen met gepieker, gemok, gemaal, haat, jaloersheid, machtsspellen etc.?

Maar er is een weg naar de vrijheid en het moment van Pesach is een groot kosmisch raam, waardoor het goddelijk licht valt, waarin we uit onze beperkingen kunnen groeien naar meer vrijheid. 

 

Mi’aféla le’or gadol

Een visie op dit verhaal, geïnspireerd op de esoterische opvatting, dat de geschiedenis van Israël in Egypte en de verlossing uit de slavernij een diepere betekenis heeft voor de gang van de mens door het leven in deze wereld, anders gezegd dat het verhaal een allegorie is van de weg van de ziel door het fysieke bestaan. 
'Israël' staat dan voor onze essentie, voor onze werkelijke bestemming, voor onze ziel.

In een onontkoombaar verlangen om te beleven, ervaren, te leren daalt de ziel af in de fysieke wereld, incarneert in de materie, dit is de aankomst van Jacob - Israël - en zijn door hongersnood gedreven directe afstammelingen in het voedselrijke Egypte; met deze aankomst begint het boek Exodus. 

Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien dringt de materiële wereld zich met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen steeds onvermijdelijker op. Steeds meer wordt het volk Israël – onze essentie – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Opvoeding, vorming en andere ingrijpende lotgevallen, die ons overkomen doen ons steeds meer accommoderen aan het systeem, tot in die mate dat we ons bijna geheel geïdentificeerd hebben met dat omringende en onderdrukkende systeem; het systeem hebben we zelfs binnen onszelf gehaald, het heeft ons bezet. 
Dit onderdrukkende systeem, dat we nodig denken te hebben voor onze overleving in de fysieke wereld, wordt in de verschillende psychologische en esoterische richtingen wel genoemd: het ego, of: de persoonlijkheid (soms ook: karakter). In het Pesachverhaal wordt het belichaamd door Farao en zijn slavendrijvers, de Egyptische opzichters.

 

Vaak zijn we onze meest eigen essentie geheel vergeten; hij ligt verborgen achter vele schillen (‘klipot' in de Joodse esoterie) van het ego. We zijn bijna helemaal ons ego geworden, meer Egypte dan Israël, voor de goede verstaander. Het is een onvermijdelijke fase van de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).

Maar helemaal vergeten en ontkennen van de ziel is ook onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek, de kern van ons levensbeginsel. Het kan er dan toe komen, dat – vaak onderhuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp.

Die hulp komt in de vorm van Mozes, de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet en wil wat het beste is voor de ontvouwing van onze onderdrukte essentie. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je idee over de weg die te gaan is.

Maar de strijd is nog niet beslist. Het echte gevecht is net begonnen.
Het ego is hardnekkig. Het vindt zichzelf onmisbaar. Het kan weliswaar niet zonder de vitaliteit en de essentie van de ziel, maar het wil wel absoluut de baas blijven. Er zijn misschien wel meerdere crises ( psychische dieptepunten, tegenslagen, soms zelfs verliezen, ziekten, kortom: de plagen, in het hebreeuws de ‘makot') nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen en dat ego te brengen tot vrijlating van ons diepste verlangen, op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.

Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van het systeem hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

Lees het oude bijbelverhaal eens opnieuw vanuit deze optiek en je vindt nog veel meer raakpunten.

 

Pesach: Exodus 12 :  18 - 51

 Feest van de innerlijke bevrijding.

Pesach is het moment van besef dat innerlijke bevrijding en ontwikkeling tijdens het leven naar verlossing mogelijk is. Dit is het revolutionaire inzicht dat in het Joodse volk is doorgebroken.
Dat bedoelt rabbijn Yitz Greenberg waarschijnlijk ook als hij zegt: Wat is het meest betekenisvolle gebeuren in de menselijke geschiedenis geweest? De uitvinding van het wiel of van de drukpers? De Industriële Revolutie? Het Internet? 
De Uittocht uit Egypte! Dat is dé hoofdoorzaak van alles wat erop is gevolgd en nog volgt (als dat niet was gebeurd, was niets anders tot stand gekomen), want de Pesach boodschap van verlossing blijft weerklinken als de krachtigste verklaring van hoop in de geschiedenis van de mensheid. Met Pesach bezingen we de ultieme (en hopelijk heel dichtbije) dag waarop de profeet Elia de uiteindelijke bevrijding van elke vorm van onderdrukking zal aankondigen.

Dan krijgen begrippen als Egypte, afgoden en slavernij een diepere en wijdere betekenis. Dan kunnen we in ons leven eens nagaan in hoeverre wij slaaf zijn, d.w.z. in hoeverre wij niet vrij zijn. In hoeverre zijn wij meester over ons leven? In welke mate geven wij het meesterschap uit handen en zijn we slaaf van onze vastgeroeste ideeën, gewoonten, gefixeerde overtuigingen over ons zelf en over anderen? Hoezeer lopen we aan de leiband van onze persoonlijke routines, zorgjes, probleempjes en problemen die geest en ziel grote delen van de dag vullen met gepieker, gemok, gemaal, haat, jaloersheid, machtsspelletjes e.d.?
Maar er is een weg naar de vrijheid en het moment van Pesach is een groot kosmisch raam, waardoor het goddelijk Licht valt, waarin we uit onze beperkingen kunnen groeien naar meer vrijheid. 
 

Mi-aféla le-or gadol.

 

Parasja Behar, het Joweel-jaar :

In het Bijbelse boek "Leviticus" ofwel “Wajikra”, in het hoofdstuk (parasja) dat wordt genoemd ‘Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.

Na 49 jaren is het vijftigste jaar een jubeljaar; dat gaat nog verder, ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht komt dan weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

"Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweel-jaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen"(Lev. 25, 9-10) en:
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" (
Lev. 25,23)

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door.

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet.
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon in de zin van: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles “van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij".
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd.
Tegenwoordig hebben wij in onze wereld van kapitalisme en materialisme bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de “Joweel-tijd” 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment:
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld. Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine...
En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld.
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren, alle omheiningen van prive-bezitjes, ondernemingen weg; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij".
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor… Imagine

En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat. Hoe? fantaseer.

Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes milennia een sabbath-milennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. iemand als R. Avraham Sutton)

Maar even een stapje terug: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats.
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden:
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.
En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. Laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden.
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.
En om te weten hoe wij misschien voor een schijnbaar nietig stukje zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn ....

mei 2005, Rob Cassuto