Dewariem - Deuteronomium

Parasha We-zot ha-beracha  

Eind en begin van de altijd

maar doorgaande cyclus 

Devariem/Deuteronomium 33 en 34  

door Rob Cassuto

Deze parasja wordt gelezen op Simchat Tora

De parasja We-zot ha-beracha is de laatste parasja van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasja over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasja van de Tora.
De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parsje van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Sjemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden. 
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen. 
Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Sjlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.
Lees daarover verder op mijn website.
Nu verder over de parasja.

de dood van Mosjee

De beschrijving van de laatste gang van Mosjee (Devariem/Deuteronomium 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Devariem/Deuteronomium34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt.

De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.

Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming. Mosjee was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.

Hij stierf al pi Hashem, wat vertaald wordt als ‘volgens het woord van de Eeuwige’, ‘op bevel van de Eeuwige’, ‘aan de mond van de Eeuwige’ etc.

Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Heeft Mosjee zijn eigen dood beschreven?

Als Mosjee de auteur is van Devariem, wie heeft dan de laatste verzen geschreven, is de vraag die bij de logisch georiënteerde lezer opkomt.

Rabbijn Evers heeft de antwoorden geïnventariseerd:

Jehosjoea heeft de laatste verzen geschreven. Of God heeft ze gedicteerd en Mosje heeft ze `bedima' - onder tranen opgeschreven. Of alle letters van de Tora zijn op Sinaj aan Mosjee gegeven en na diens dood hebben de letters zich tot de laatste verzen samengevoegd.

Zelf denk ik dat het boek Devariem bestaat uit een kern van authentieke fragmenten, uitspraken van Mosjee door hem zelf of door nakomelingen van Aharon opgetekend, waarbij rond die kern oude herinneringen zijn toegevoegd, waaronder de dood van Mosjee.

Mogelijk heeft die samenvoeging pas plaatsgevonden onder koning Josjiahoe.

de profeet Mosjee

Ook dit nog: in vers 34:10 staat: nooit stond er meer een profeet in Jisraël op als Mosjee, met wie de Eeuwige omging 'van aangezicht tot aangezicht'.

Maar Mosjee zelf sprak tot het volk in vers 18:15 ev: ‘De Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. Jullie hebt de Eeuwige daar immers zelf om gevraagd, toen jullie bij de Chorew bijeen waren. Jullie zeiden: "Wij kunnen het stemgeluid van de Eeuwige, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet." De Eeuwige heeft toen tegen mij gezegd: "Zij hebben goed gesproken. Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag"’.

Hoe kan dit samengaan? Een antwoord heb ik nog niet gevonden.
 

Jaarcyclus en historische voortgang
 

Met de parasja Ve-zot ha-beracha uit het boek Devariem/Deuteronomium is de jaarlijkse lezing van de Tora rond. Maar dit is niet het einde. De cyclus gaat altijd maar door. Meteen begint er een nieuwe ronde met het lezen van de parasja Beresjiet, waarmee de Tora en het boek Beresjiet/Genesis aanvangt.  In de synagoge wordt dat gedaan op de speciale feestdag van Simchat Tora, ‘Vreugde der Wet’. Twee personen uit de gemeente worden uitgekozen om deze twee lezingen te doen. Dat is een speciale koved, eer. De zogenoemde chatan Tora (‘bruidegom van de Tora’) leest het laatste stuk uit Devariem en de kalla Tora (‘bruid van de Tora’) leest het begin van Beresjiet/Genesis. Op het feest, dat met simcha (blijdschap) wordt gevierd,  haalt men de Torarollen uit de aron hakodesj (heilige ark) en danst ermee rond.

Die altijd maar doorgaande cyclus geldt ook voor de uitleg en commentaren op het boek en zijn parasjot. Het volgend Joodse jaar zullen rabbijnen, voorgangers, geleerden, leergroepen en studenten weer nieuwe interpretaties en commentaren geven, zoals dat in vorige eeuwen is gebeurd en zoals dat in volgende eeuwen ook zal mogen plaats vinden, jaar in jaar uit. In ieder epoch zal in die beschouwingen en uitleggingen weer de geest des tijds en de context van andere omstandigheden doorklinken en zullen nieuwe aspecten oplichten,

In de geschiedenis gaat het verhaal van de Israëlieten ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken. De oversteek over de rivier betekent het verlaten van de mythische grond van de Tora naar het gebied van de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het geschiedenisboek, het relaas over de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en met zijn vrienden en vijanden van het politieke moment. Het is een verhaal van dieptepunten en hoogtepunten, van voorspoed en ellende, van hoogtij en laagtij, van opkomst, bloei en verzinken, maar nooit van volkomen teloorgang.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar onbekend gebied en de overgang naar een ongewisse toekomst heeft een prototypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn.

‘Weest sterk en moedig’ – chazak ve-emats – voegt de Eeuwige de nieuwe leider tot driemaal toe (1). Daarmee herhaalt Hij de aanmoediging die eerder Mosjee aan zijn volk en aan zijn opvolger heeft gegeven (2). Een aanmoediging die zich spiegelt aan gelijke woorden, die veel later koning David op zijn oude dag sprak tot zijn zoon Sjlomo (Salomo): ‘Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt’. In hoeveel tijden en hoe vaak zullen deze en dergelijke woorden niet innerlijk zijn herhaald of naar anderen zijn uitgesproken?

Het is een aanmoediging, die we eigenlijk allemaal ter harte kunnen nemen, wanneer we in het leven grote stappen moeten nemen of voor de overgang staan naar een nieuwe levensfase:’wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.' (4). Of voor hen die het godswoord liever vermijden: ’wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, een grotere kracht dan jij draagt je en staat je bij’. Als je je er voor openstelt, zou ik eraan willen toevoegen.

noten

(1) Jehosjoea 1:6 en 8 en 9
(2) Devariem/Deuteronomium 31:7 en 31:23.
(3) 1 Divree Hajamiem/Kronieken 22:13 and 28:20
(4) Jehosjoea 1: 9, vrij naar NBV


 

Parasha Ha'azinoe  

Een poëtische laatste oproep 

Devariem/Deuteronomium 32:1–52  

door Rob Cassuto

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!’) bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.

De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk  Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt’. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (= Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.

Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap (galoet) en diaspora zullen zich gaan afspelen. Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller (28:49): ’Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt’. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht’. (3)

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israël als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer. Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).

Ten slotte, in de vijfde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.
 
Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee ’s boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha’azinoe’ zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt -  de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.

Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):

‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen.

De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door niet God de schuld te geven. Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981.
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar’, recht(op), rechtvaardig.
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren die vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zijn rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3) Bijv.  Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen’, we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776


RC herzien okt 2016


 

Parasha Wajelech  

Tesjoeva 

Devariem/Deuteronomium 31:1-30  

door Rob Cassuto

Deze sjabbat wordt Sjabbat Sjoeva (terugkeer) genoemd en valt in de week tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Het zijn de dagen van inkeer, waarin je rekenschap geeft over je daden en nalaten van afgelopen jaar.  Kan je door ommekeer – tesjoeva – je verleden beïnvloeden?

Als je kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan de jongen, het meisje, de adolescent, die jongeman of jonge vrouw dat je ooit was?  Welk verhaal zou je hem of haar vertellen? Fijne dingen, vreselijke dingen, hoogtepunten, dieptepunten? Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer?

In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd  als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator. 

Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.

Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoeva. Tesjoeva brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden.

Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel.  Dat verhaal is niet onveranderlijk en het varieert naarmate de levensloop vordert. Maar vaak bevat het constanten, die het leven innerlijk en in de omgang met anderen belemmeren. Het proces van Tesjoeva begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen onderzoeken, die ik gekoesterd heb naar mijzelf en niet zelden ook naar anderen. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn? De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen? Kan ik het oude verhaal im frage stellen, kan ik het loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen? Ja, be-ezrat Hasjem, is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen te zien, te onderzoeken en te berouwen en te vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, je toekomst een nieuwe perspectief geeft en je daden een nieuwe richting.  Je weet weer wat je te doen staat. 

In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen. 

In het tractaat Joma (1) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoeva. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt: 
Groot is Tesjoeva: zelfs de verkeerde daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoeva, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten. Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde. 

Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij  - zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover. 

Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen? 

De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoeva. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoeva in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoeva op te vatten als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama, hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoeva werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.

Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking: 

Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa, ‘gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas (3).

noten
(1) Talmoed Joma 86a
(2) Talmoed Pesachiem 54a
(3) Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345


 

Parasha Nitsaviem  

Ommekeer 

Devariem/Deuteronomium 29:9–30:20  

door Rob Cassuto

Meestal wordt de parasja Nitsaviem gecombineerd met de volgende parasja Vajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar is een Joods schrikkeljaar en dan biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt nu op de sjabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen zoals vooral in de vorige parasja Ki tavo, staan in deze parasja Nitsaviem  ook enkele gouden pesoekiem, die uiteindelijk een messiaans vergezicht beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Devariem 30 1-3: ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen’. We laten de brisante vraag of deze passage een geopolitieke betekenis heeft graag voor dit moment in het midden. We richten ons op de spiritueel-psychologische dimensie.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven. 

De tijd tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoeva, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen. 

Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's. 

”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig. 
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er een onthechtende sprong vanaf gaan staan, schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: om de mens in de ander te zien en hem of haar vergeving te schenken. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het misschien niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar. 

Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden. 

Moge een goed en zoet jaar voor jou zijn weggelegd; sjana tova oemetoeka tichtevoe!

 

 

Parasha Ki Tavo  

Een sterk narratief

Devariem/Deuteronomium 26:1 - 29:8  

door Rob Cassuto

Voorpublicatie uit REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II, 
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM 

Het grootste deel van de parasja Ki Tavo beslaat uit de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam Tochacha gekregen, ‘vermaning’. We zouden bijna vergeten, dat de parasja ook  essentiële zegeningen bevat (Devariem/Deuteronomium 28:1-15) en heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (Devariem/ Deuteronomium 26:1 ev).
Pasoek (vers) 26: 1:  ‘En wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen’  (die plaats is dus Jeruzalem).

In de Misjna, in het tractaat Bikkoeriem, ‘eerstelingen’, staan de plechtigheden uitgebreider beschreven, een tafereel dat speelde in de eerste eeuw van de gewone jaartelling (1):
‘Wie dichtbij woonde bracht verse vijgen en druiven, zij die ver weg woonden brachten gedroogde vijgen en rozijnen mee. Een os met horens bekleed met goud en een krans van olijven op zijn kop liep vooruit. Voor hen uit werd de fluit bespeeld tot ze bij Jeruzalem kwamen. En als ze vlakbij Jeruzalem waren zonden ze boodschappers vooruit en versierden ze hun eerstelingen. De gouverneur en de hoofden en de schatbewaarders (van de tempel) gingen naar buiten  hen tegemoet. Overeenkomstig de rang van de aankomers gingen ze uit. Alle bedreven ambachtslieden van Jeruzalem stonden dan voor hen op en begroetten hen: “Broeders, mannen van die en die plaats, we zijn verheugd jullie welkom te heten”. De fluit speelde voor hen uit tot ze bij de tempelberg kwamen. En als ze bij de tempelberg kwamen nam zelfs koning Agrippa  een mand op zijn schouders en liep mee tot de tempelhof. Bij de nadering van de hof zongen de levieten het lied: “Ik prijs u , O Heer, want u hebt mij opgeheven en hebt niet toegelaten, dat mijn vijanden zich over mij verheugden”’.

Stel je eens voor, die optocht over de heuvels van Judea, stoeten mensen met mooi gedecoreerde korven met vruchten op de schouders of op het hoofd, de stoere os voorop met gouden horens en de kop met bloemenkransen gekroond, samen met de fluitspelers, terwijl de imposante  muren van Jeruzalem in zicht komen.

Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Devariem/ Deuteronomium 26:4-11): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen.   Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing.  Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'
Daarna volgde een feestelijke maaltijd.

Deze formule, de widoei bikkoerim,  is eigenlijk heel bijzonder. Waar van oudsher de omwonende volkeren de vruchten van het land wijdden aan vruchtbaarheidsgodinnen en mythologische godheden, memoreert de Israëlitische landbouwer de geschiedenis van zijn volk, de kennismaking met die ene onzichtbare God en de uitredding door Zijn machtige interventie;  de geschiedenis is hier samengevat in een notendop, een kernachtiger formulering is niet denkbaar. Het is één van de vele reminders, die in Devariem en de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst, aan het proces van slavernij naar bevrijding en zijn roeping een samenleving te vormen, die geordend is naar principes van gerechtigheid en omzien naar de ander, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.

Israël wordt wel genoemd het volk van het boek; het zijn de woorden van een boek, de Tora, de Tanach, die het volk door de geschiedenis heen heeft bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative'  (narratief) heeft, anders gezegd: een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van een volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk.
De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om van ouders op kinderen, van generatie op generatie, le-dor wa-dor, de kern van dat narratief door te geven.

Zij die de seider (rituele maaltijd op Pesach) vieren herkennen deze woorden van Devariem 26:4-11; zij vormen het centrale gedeelte van het dan hervertelde Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, zoals samengevat in het speciale tekstboek voor die Pesach maaltijd, de Hagada. Al eeuwen worden ieder jaar in duizenden Joodse gezinnen en gezelschappen deze woorden, die beginnen met de zwervende Arameeër (naar mijn stellige idee wordt geduid op: Avraham) en zijn geschiedenis, weer gesproken. (2)

noten
(1) Misjna Bikkoeriem 3:3 en 4.
(2) Voor dit commentaar heb ik mij mede laten inspireren door het commentaar van Rabbijn  Jonathan Sacks  (www.rabbijsacks.org) uit het jaar 2013 en enkele passages uit Simon Schama: De geschiedenis van de Joden, Deel 1: De woorden vinden, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 4e druk, 2014, passim.


 

Parasha Ki tetsee 

Verafschuw de Egyptenaar

niet! 

Devariem/Deuteronomium 21:10 - 26 

door Rob Cassuto

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, alsmede moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot. 

Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen, maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid (Tzaär baälee chajiem). Andere bepalingen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen bijvoorbeeld omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen bevatten wrede, in moderne ogen disproportionele, sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft in iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam de dag van vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden?

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn. 
Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen (Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben. 

Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen (Devariem/Deuteronomium 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israël toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alle latere wrede onderdrukking het volk van de hongersnood gered en woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Jaäkov, Esav. Als we de bepalingen uit Devariem hfst. 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, respectievelijk Lot, de neef van Avraham. Rabbijn Sacks wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Mosjee een Koesjitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mosjee’s zuster Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar/Numeri  12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israëlitische) vrouw. De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Sjier Hasjiriem (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger ‘zwart en mooi', sjechora ani  ve-nava (Sjier Hasjieriem 1:5). 

Rabbijn Sacks ziet in de Mosjee van deze parasja een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij daarbij de toestand in het Midden-Oosten rond Israël daarbij in gedachten had. Wil je nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscene van Jaäkov en Esav, die Jaäkov haatte, maar Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden (Beresjiet/Genesis 33:4). Een generatie daarvoor hadden Jisjmaël, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Beresjiet/Genesis 25: 9). 

Dat alles neemt niet weg, dat de parasja besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid. 
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israël de woestijn had betreden (Sjemot/Exodus 17:14-16), dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet van onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet! (Devariem/Deuteronomium 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken. Hoe? Daar ben ik elders op ingegaan (zie Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype). 

Een groot deel van de bepalingen getuigt van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer. 

Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs kapitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen- en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een prominente rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in (ultra)orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In een ander commentaar op deze parasja heb ik daar meer over geschreven. 

Herzien sept 2016


 

Parasha Sjoftiem 

Rechtvaardigheid

Devariem/Deuteronomium 16:18 - 21:9 

door Rob Cassuto

De parasja start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Devariem 18-20: 
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Devariem 20: ‘Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten’, tsedek, tsedek tirdof. 

We gaan dieper in op deze uitspraak . 
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, tsedek, tsedek tirdof
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij. Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste beet din
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis. Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b werpt er een origineel licht op: 
(vertaald uit het Engels) 
‘Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven. 
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht. 
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken. Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder. 
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beet Horon. 
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert’.

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in de relatie en maakt haar ook mogelijk. De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisseld; ze hebben iets afgesproken. 

Al lang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten is ons samenleven doortrokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, niet veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen. 

Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten: 
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod. Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Devariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: ‘zodat je zal leven en het land zal bezitten’. 

Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding: ‘Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen’.
Moge dat zo zijn en worden.


 

Parasha Reëe 

Israël een paradigma voor

de mensheid als geheel?

Devariem/Deuteronomium 7:12 -11:26- 16:17

In deze parasja houdt Mosjee het vergaderde volk de keuze voor: Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. (Dan volgen in dit hoofdstuk vele voorschriften, die de afgodendienst betreffen en de sancties daarop, maar ook de kasjroet voorschriften worden weer genoemd, evenals de regels omtrent het sjemita-jaar en ook de drie pelgrimsfeesten passeren de revue en nog vele andere voorschriften, in deze en de andere parasjot). 

Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Uitgebreid zijn de meest wrede schilderingen – van ziekten, onderdrukking, marteling, natuurrampen, verbanning - te lezen in de komende parasja Ki Tavo. De zegen wordt gelijkgesteld met leven en de vloek met dood (Deut. 30:19). 

Om mijn commentaar vorm te geven over deze passages moet ik met mijzelf – en met jullie als je wilt – een aantal denkstappen ondernemen.

We beginnen met de vraag over hoe de Schepper in woorden te benaderen, in woorden die mij voor even kunnen helpen. Want woorden schieten per definitie te kort. De Schepper is de grootst (on)denkbare dimensie die het geschapene heeft opgeroepen en omvattend en scheppend doordraagt in een proces van welks doel wij geen notie hebben. Zodra de Schepper dit dragen een nanoseconde niet doet is er geen geschapene. In deze hoedanigheid is de schepper voor ons mensen het volstrekt andere, hij is transcendent. Een persoonlijk voornaamwoord (hij, zij, het) doet al af aan zijn onmetelijke en onpersoonlijke oneindigheid. Hij is voor ons onzichtbaar achter de gemanifesteerde wereld verborgen.

Wij mensen vragen echter een ‘gezicht', we zoeken een doorgang naar de transcendentie en roepen de vorm te hulp. We zoeken het gezicht van de Schepper. We trachten aan het transcendente in de buurt te raken en ons voorrecht als mensen is dat we dat af en toe kunnen. Omdat de Schepper in het proces van scheppen is verwikkeld en betrokken (zich erin ‘geïnvesteerd' heeft), zijn er tekenen van zijn doorstraling te vinden. 

Wij mensen zijn zo geschapen dat wij die tekenen kunnen ontwaren. We kunnen in de schepping die kant zien die de schepper naar ons toegewend heeft, zijn ‘gezicht', dat echter alleen gelezen kan worden – uiteraard – met menselijke middelen.   
Dit gezicht is voor het Joodse volk een Joods gezicht. 
Aan andere volken en andere groepen heeft hij een ander gezicht getoond, dat andere trekken vertoonde. Ook hier zijn goede en wijze zaken uit voortgevloeid evenals duistere. 
Maar zoals alle gezichten toch gezichten zijn, omdat ze de constituerende kenmerken vertonen, die ze tot gezicht maken, kunnen we misschien nu en in de toekomst steeds meer het universele in al die gezichten zien.   

Als mensen trachten wij het gezicht van de Schepper te lezen met menselijke middelen, dat kan uiteraard niet anders. 
Dit lezen heeft vele vormen en één van die vormen is het luisteren naar de openbarende stem die daalt in het innerlijk. Een ander middel is het geschonken zicht op wat achter de dingen schuilt. Omdat het lezen gebeurt met de beperkte en eindige middelen (het oor en het oog in de meest uitgebreide en ook metaforische zin) is de perceptie van de Schepper en Zijn wil per definitie onvolmaakt. Vele grillige vervormingen doen zich voor, beïnvloed door de beperkingen van ons bevattingsvermogen, de materialiteit van ons waarnemingsvermogen, de gelocaliseerdheid op plaats en in cultuur en tijd, de begeerten van het ego, de psychologische geschiedenis in groep en gezin en vele andere factoren. 
Wel lijkt er een soort evolutie ingebouwd in de schepselen inzake de gradatie van helderheid van die perceptie.

Met name vijfendertighonderd, drieduizend jaar geleden werden trekken van de Schepper helderder gezien door Joden, te beginnen met Abraham. Gezien werd dat er één scheppend principe is en dat die Schepper één is en niet gelocaliseerd kan worden in stoffelijke objecten (afgoden, magie). Daarnaast werd verstaan dat met de Schepper intrinsiek een opgave verbonden is om met elkaar om te gaan op een zorgvolle, rechtvaardige en liefdevolle manier en niet vanuit louter egoïstische of instinctieve impulsen. De kern ervan werd vastgelegd in de meerduidige tekens van het woord, in de taal en het idioom van die tijd.

Deze wonderbaarlijke en revolutionaire onthullingen werden begrepen in de specifiek Joodse vormen en werden ingebed in de cultuur van die tijd, waarvan de typische taal, de vele rituele voorschriften (b.v. de dierenoffers), de sociaal-culturele voorschriften (b.v. rond man-vrouw verhoudingen) getuigen. De essentie staat majestueus overeind in   
de Tien Uitspraken en vele andere uitspraken (b.v. in Leviticus 19), die de historische en sociaal-culturele context hebben ontstegen; het is de grote gift van het Jodendom aan de mensheid, doorklinkend in het beste deel van het Christendom en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het is die essentie van zorg, rechtvaardigheid en liefdevolheid voor de medemensen, die, als hij in de samenleving regel is en geen uitzondering, welzijn en voorspoed garandeert; als dit geen regel is dan is de kiem gelegd voor anarchie, geweld, vernietiging en oorlog. Dat is - denk ik - de essentie van de keuze die in deze parasja wordt voorgelegd. De rampen brengt de Eeuwige niet eigenhandig over de mensen, daar zorgen ze zelf voor. 
De geschiedenis van het Joodse volk laat een dramatische worsteling zien met de grote inzichten die het ten deel is gevallen en de keuze die hen steeds wordt voorgehouden.   
Maar geldt de grote keuze in zijn kernachtige inhoud niet voor alle mensen, Joden of niet-Joden? Israël is in die zin een paradigma voor de mensheid als geheel. 

De specifieke vormen van de voorschriften, wier precieze nakoming ook in vorm en detail wordt geëist, zijn alleen van belang als ze de realisatie van de essentiële inhoud dienen; iedere generatie heeft het recht die sociaal-culturele vormen en versieringen te toetsen, te waarderen en eventueel te veranderen of weg te laten. Traditie en geaccepteerd leiderschap zijn daarbij onmisbaar. 
De panische angst om de vorm-details gedetailleerd op te vatten en uit te voeren kan het zicht op de essentie verduisteren en de rampzalige verdeeldheid onder mensen, die het heil zoeken, alleen maar bevorderen.

De afbeelding is het wandtapijt 'Vrede' van Marc Chagall in het gebouw van de VN in New York.


 

Parasha Ekev 

Veertig jaar lang Hemels brood

Devariem/Deuteronomium 7:12 -11:25

‘En hij liet jullie ontberingen en honger lijden en liet jullie het Manna eten …’(8:3)

In Exodus 16:13 e.v. lezen we: ‘De volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. ‘Wat is dat?’ vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mosjee zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de Eeuwige u te eten geeft. De Eeuwige heeft bepaald dat ieder ervan kan verzamelen wat hij nodig heeft. Iedereen mag er een omer van nemen voor elke persoon die er bij hem in de tent woont.’ De Israëlieten deden dat. De een verzamelde veel, de ander weinig. Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel genomen had als hij nodig had. Mosjee verbood om ook maar iets ervan tot de volgende dag te bewaren. Sommigen luisterden niet naar hem en bewaarden toch iets; de volgende morgen zat het vol wormen en stonk het.

Het Manna was wit als korianderzaad. Het moest binnen vierentwintig uur worden gegeten. Zodra de zon er op scheen, begon het te smelten. Vrijdag werd een dubbele portie ingezameld, omdat er op Sjabbat geen Manna viel. Op vrijdag bedierf het Manna niet. Gedurende de hele woestijnreis, veertig jaar lang, aten de Joden het Manna. Voordat het Manna viel veegde een noorderwind de woestijngrond schoon. Daarna viel er regen en werd het schoon gewassen. Vervolgens viel er dauw, dat hard werd door de wind, zodat het kon dienen als de tafel voor het Manna, dat uit de Hemel viel. Dit Manna werd weer bedekt door een tweede laag dauw, om het te beschermen tegen insecten en ongedierte.

Het Manna had opmerkelijke kwaliteiten. Het was in het begin te vergelijken met astronautenvoedsel; Manna werd volledig door het lichaam opgenomen en produceerde geen uitwerpselen. Pas toen de joden zondigden door over de smaak van het Manna te klagen, werd het Manna gelijk normaal voedsel.

Het Manna viel elke dag opnieuw, zodat de Joden het niet hoefden te vervoeren en het vers konden genieten. Omdat zij iedere dag weer bedacht werden vanuit de Hemel, richtten zij hun harten op God voor hun dagelijks brood (BT Joma 75b-76a). Zonder speciale wensen smaakte het Manna voor kinderen als melk, voor volwassenen als brood, voor de ouderen als honing en voor de zieken als gerst in olie en honing. Manna had een heerlijke geur; voor de vrouwen diende het ook als parfum en make-up.

Toch bleven de Joden niet tevreden over het Manna. In de exegese literatuur worden hiervoor verschillende redeneringen gegeven. Juist omdat zij steeds afhankelijk waren van deze dagelijkse ‘manna-dropping’, voelden zij zich onzeker. Iedere dag weer werden de Joden met hun neus op het feit gedrukt dat zij afhankelijk waren van Boven.
Bovendien sloeg de verveling toe. Het Manna had iedere dag dezelfde witte kleur. Het was zeker waar dat men er alles in kon proeven wat men wilde, maar het oog wil ook wat. Men kan wel een heerlijke biefstuk proeven, maar zolang dit niet wordt gezien, smaakt het toch minder. De Joden wilden gevarieerd voedsel consumeren en dat was dit Hemelse voedsel nu eenmaal niet.

Iedere familie kreeg Manna naar het aantal gezinsleden. Zo werden veel conflicten beslecht. Wanneer Mosje geconfronteerd werd met een vraag wie bij welke huishouding hoorde, kon hij aan de hoeveelheid Manna aflezen hoeveel mensen bij de ene huishouding en hoeveel bij de andere behoorden. Toen de profeet Jeremia vele eeuwen later mensen aanspoorde om meer Tora te gaan leren, antwoordden zij, dat ze niet wisten hoe ze zich in leven moesten houden als ze alleen Tora zouden leren. De profeet haalde toen het kruikje met Manna uit de Tempel en hield de menigte voor, dat Manna het voedsel van hun voorouders was, toen zij in de woestijn de hele dag Tora bestudeerden. Hij beloofde hen, dat zij ook door God onderhouden zouden worden als ze zich meer aan de Torastudie zouden zetten.

o.b.v. hoofdstuk 46 uit ‘Van Week tot Week’; Gedachten over de Tora van Rabbijn Mr. drs. R. Evers 


 

Parasha Waètchanan 

Zijn smeken kreeg geen gehoor

door Laibl Wolf 

Devariem/Deuteronomium 3:23-7:11

In de sidra van deze week, ‘Waètchanan’, smeekt Mosjè God om hem tot het Beloofde Land toe te laten. Hij pleit voor de Eeuwige terwijl hij strijdt met een neonlicht met de boodschap: ‘geen toegang’. Waarom pleit hij bij God? Voelt hij zich tekortgedaan omdat zijn beloning voor ‘verleende diensten aan Boven’ hem is ontzegd? Of laat zijn meesterlijke beheersing van de ‘uitgestelde bevrediging’ hem plotseling in de steek?

De zaak gaat natuurlijk veel dieper en is beladen met kosmische diepgang. De grootste profeet aller tijden wist dat wanneer zijn diep-geïnspireerde ziel het verheven vlak van Èrèts Jisraëel zou bereiken een nieuw scheppingslicht van de hoogste graad zou worden ontstoken- het messiaanse licht van een nieuw tijdperk. Dit is waar hij met passie voor pleitte: een nieuwe wereld voor de Masjiach. Maar zijn smeken kreeg geen gehoor. Het was te vroeg.

Wij allen horen de bede van Mosjè in onze ziel. We ervaren het als een kortdurende flits van verlichting, die ons bewustzijn ontsteekt. We ervaren het als een plotselinge drang om te ontwerpen, scheppen, bij te dragen, opnieuw te beoordelen. Het zweeft boven ons, raakt ons spiritueel innerlijk aan, knaagt aan onze randen en roept onze gespitste aandacht. Maar als we het niet voeden, verdampt deze flits van verlichting en concentratie net zo snel als zij gekomen is, en wordt vervolgens verplaatst naar de ‘prullenbak’ van ons lagere bewustzijn.

De dagelijkse flits van Goddelijke verlichting vernieuwt de schepping. Het brengt iedere dag een nieuwe aura die ons tot grotere hoogten brengt. Iedere dag is op haar manier nieuw en fris. Als we ons eerste gebed zeggen, bij het ontwaken, ‘modè anie’, stemt onze ziel er onmiddellijk op af. De geoefende en gevoelige ziel kan een gewaar zijn ontwikkelen voor het nieuwe van iedere dag. De gevoelige ziel smeekt God om toelating tot het hogere Èrèts Jisraëel, om ons toe te staan de spirituele splijting van het Messiaanse tijdperk te beginnen - en gezien de toestand in de wereld hebben we dat zeker nodig. 

In dit commentaar wordt de situatie rond Mosjè’s binnengaan in Èrèts Jisraëel vanuit een mystieke visie verklaard. De mystiek leert ons vanuit een veranderd bewustzijn naar de werkelijkheid te kijken. Het betreden van dit andere bewustzijn is een proces, dat men niet op eigen kracht en wil kan beginnen en doorlopen. In het andere bewustzijn, in de transcendente staat van zijn ofwel de mystieke ervaring gelden andere regels en wetmatigheden dan in ons dagelijks bestaan. 

Èrèts Jisraëel, het beloofde land, is in deze uitleg een andere aanduiding voor deze mystieke bewustzijnstoestand. Messias is dan een aanduiding van een permanente overgang naar dit bewustzijn, voor allen. Dat Mosjè niet in deze staat kan overgaan heeft te maken met de andere regels. Verdienste en goede werken in onze werkelijkheid verliezen hun waarde niet, maar zijn geen sleutel op die deur. Wat Mosjè, anders dan de gewone mens wel wordt toegestaan, is te weten wat zijn overgang belemmert - onvoldoende vertrouwen en overgave. Het is zijn tijd nog niet voor het binnengaan van de toestand, die hier Èrèts Jisraëel genoemd wordt. En het is onze tijd nog niet (nog steeds niet) om over te gaan naar de staat van zijn, die met Messias wordt aangeduid.

Laibl Wolf is jurist en onderwijs-psycholoog. 


 

Parasha Devariem 

De woorden die Mosjè sprak

door Ted Temko 

Devariem/Deuteronomium 1:1-3:22

In de Nederlandse taal staat het vijfde, laatste en verheffende boek van Mosjè, dat begint met de sidra van deze week, bekend als Deuteronomium. Dat is Grieks voor "tweede wet", een verkeerde vertaling van een van zijn oude Hebreeuwse namen, Misjnè Tora ofwel “herhaling van de Tora.” In feite is geen van beide benamingen correct. De 120 jaar oude Mosjè begint immers zijn afscheidstoespraak voor het joodse volk, dat op het punt staat om de Jordaan over te steken en het land Israël binnen te trekken, niet met een poging om de Tora te herhalen, maar om deze "uiteen te zetten" of "te verklaren", afhankelijk van de vertaling. Het woord dat hier gebruikt wordt is beëer. Hierdoor legitimeert hij en legt hij de basis voor een religie, die niet bestaat uit zaken domweg uit het hoofd leren of reciteren, maar die zich kenmerkt door interpretatie, het stellen van vragen en discussie.

Zowel in detail als in interpretatie wijkt het Boek Devariem ("de woorden die Mosjè sprak") af van de vier voorgaande boeken van de Tora. Een belangrijk verschil is te zien in de versie die hier wordt gegeven van God die Mosjè belet om het Beloofde Land binnen te trekken. In sidra Choekat (in het boek Bemidbar) krijgen we te horen dat het komt omdat hij de Eeuwige ongehoorzaam was door in de woestijn op een rots te slaan, in plaats van deze toe te spreken, opdat deze water zou geven. Nu zegt Mosjè dat het de schuld is van de Israëlieten: hij moet zelf de rekening betalen omdat deze generatie van slaven het benauwd krijgt als zij voor het eerst de kans krijgt om echt naar Israël te gaan. Dit gebeurde nadat zij de autochtone bevolking heeft verkend en geconcludeerd dat het ging om "een volk dat groter is dan wij en dat boven ons uit torent, met grote versterkte steden die tot in de hemel reiken."

Nadat gedurende veertig jaar de twijfelaars gestorven waren en ook Mosjè op het punt stond om zijn laatste adem uit te blazen, wilde God dat "niet een van deze mannen, deze verdorven generatie," het Beloofde Land zou zien. 

Na de zondvloed had God beloofd dat de mensheid niet meer volledig uitgewist zou worden. Maar hij is hier opnieuw van plan om een nieuwe start te maken, zij het op een andere manier. Degenen die het land zullen erven, zo wordt ons verteld in Mosjè's afscheidsrede, zullen "jullie kinderen zijn, die vandaag de dag geen onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad.” 

Het is een aanlokkelijk, simpel beeld: een nieuw land, een vernieuwde en verbeterde Leer, voor een nieuw volk. Maar een dergelijk simplisme kan heel gevaarlijk zijn, zowel in onze joodse religie als in die van anderen (zoals mainstream Moslim voorgangers in deze tijd ondervinden, denk aan de terreur alom). Om simplisme, het negeren van een bepaalde context, tegen te gaan, richt Mosjè zich in Devariem tot zijn toehoorders, van wie vrijwel niemand de vlucht uit Egypte aan den lijve heeft ondervonden, alsof zij dat allemaal wél hebben meegemaakt. De boodschap hierachter is dat wij de Tora niet kunnen begrijpen, laat staan ons aan de Tora houden, als wij geen enkele notie hebben van geschiedenis, en niet over het vermogen beschikken om ons tenminste een voorstelling te maken van de beproevingen en opstanden van de voorgaande generatie. Het zal verkeerd aflopen met onze vrijheden als wij geen besef hebben van onvrijheid, van wat het is om slaaf te zijn.

Op een dieper niveau vereisen onze religieuze leerstellingen een goed inzicht in en gevoel voor de context waarin ze geplaatst zijn. Dit geldt evenzeer voor een vurige en toegewijde baäl tesjoewa (letterlijk: meester van de terugkeer - een recentelijk [ultra-]orthodox geworden Jood) als voor een fundamentalistische Moslim die een of twee Soera's(verzen) uit de Koran licht om zichzelf een license to kill te geven.

Eerder in de sidra van deze week herinnert Mosjè ons aan zijn besluit om rechters aan te stellen als hij het aantal zaken dat speelde in het volk dat steeds groter werd, niet meer zelf kon behandelen (dit is een andere versie dan die in Sjemot, waar ons werd verteld dat zijn schoonvader Jethro met dit idee was gekomen). "Verzamel jullie wijze, begripvolle en geleerde mannen", zegt hij, waarna de stammen terugkeren met "wijze en geleerde" mannen. Rabbijnse commentatoren trekken hieruit de conclusie dat "begrip", een gevoel voor diepte, context en reflectie, zo zeldzaam was dat blijkbaar niet één wijze en geleerde rechter over deze derde eigenschap beschikte. Zeker, “begrip” is een ongrijpbare eigenschap. Maar die is ook van wezenlijk belang, om het Jodendom te behouden als een bron, niet alleen voor gemakkelijke antwoorden, maar ook voor lastige vragen.

Ned Temko (1952) schreef voor The Guardian en was 15 jaar lang redacteur van de London Jewish Chronicle


 

Parasha We-zot ha-beracha

Een profeet van nu? 

door Rob Cassuto

Dewariem/Deuteronomium 32, 33 en 34   

De parasha

De parasha We-zot ha-beracha is de laatste parasha van de Tora. Op  het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasha over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasha van de Tora, Bereshiet/Genesis,  over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus van Tora lezen gaat door. In de geschiedenis van het volk van Israël gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: de Israëlieten staan aan de rivier de Jordaan en onder Jehoshoea zullen zij de rivier oversteken.

De parasha begint met de zegeningen die Moshé over de stammen Israëls uitspreekt. Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegenspreuk over zich uitgesproken.
Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja'akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28). Het is interessant de woorden van Ja'akov en die van Moshé naast elkaar te leggen; zie daarvoor een eerder commentaar van mij. De parasha besluit met een nuchtere en waardige schets van de dood van Moshé, nadat hij vanaf de berg Nevo een laatste blik mocht werpen op het beloofde land.

de dood van Mosjé

De beschrijving van de laatste gang van Moshé (Deut. 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscènes en dit is wel een van de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, "niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Deut. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.
Het is ook de menselijkheid ondanks de heroïeke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Moshé was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met ooit een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Profeten

In vers 34:10 staat: “nooit meer stond er een profeet in Jisraël op als Moshé, met wie de Eeuwige omging 'van aangezicht tot aangezicht’”. Moshé zelf sprak eerder tot het volk in Dew/Deut 18:15: “de Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren”. Die profeten zijn inderdaad gekomen. Vele profeten heeft het oude Israël gekend en een aantal hebben de canon van de Tanach gehaald, waaronder als meest bekenden Jirmejahoe (Jeremia) en Jeshajahoe (Jesaja). Echter: in de eeuwen na de terugkeer van het Joodse volk uit Babylon is de profetie als het ware uitgestorven en zijn de rabbijnen in hun plaats gekomen als richtingwijzers naar de goede weg. Toch is profetie wel een element in de Joodse religie gebleven. Maimonides is uitgebreid op profetie ingegaan. Het zesde geloofspunt van zijn bekende 13 geloofspunten luidt:
Ik geloof er volledig in dat al wat de profeten verkondigd hebben waar is. Hij ziet profetie als een eigenschap, die ieder, Jood of niet-jood, in principe kan hebben. Om een profeet te zijn somt de beroemde middeleeuwse geleerde de volgende criteria op: men moet wijs zijn en beschikken over een heldere geest, een onberispelijk karakter en beheersing van zijn hartstochten en begeerten, men moet een rustige en opgewekte gesteldheid hebben, men moet de stoffelijke en frivole kanten van het leven mijden en zichzelf volledig wijden aan het kennen en dienen van God. Met dat alles is zo’n persoon nog geen profeet; wat zo’n wijze pas echt een profeet maakt is dat de Eeuwige hem daartoe kiest (1).

Zoals gezegd, de rabbijnen hebben de profeten overbodig verklaard. Het  fenomeen van een overvloed aan valse profeten heeft dit waarschijnlijk in de hand gewerkt en ook de ervaring met allerlei messiassen heeft niet gunstig uitgepakt. Maar ze lieten de mogelijkheid van werkzaamheid door de ‘roeach ha-kodesh’ – de heilige inspiratie - wel open voor rechtvaardigen, voor tsadikiem.

De belevenissen van de oude profeten lieten zien, dat het een ondankbare en eenzame taak betrof. Ze werden gedreven om het  tegen koningen en regeringen op te nemen en misstanden aan de kaak te stellen, die door machthebbers werden bevorderd en door de meerderheid werden geduld en zelfs toegejuicht. Maar de waarheid is al te vaak bij machthebbers niet geliefd. Profeet zijn was een levensgevaarlijk beroep. Dat een profeet in zijn eigen land niet geëerd is ervoer ook Jezus in zijn vaderstad Nazareth (Matteus 13:54-57).

Een profeet van nu? 
 
Al komen profeten volgens de rabbijnse opvattingen niet meer voor, er zijn wel mensen, die door hun boodschap en levenswandel de associatie met profeten wekken of hebben gewekt. Ook die ‘evenknieën’ van de oude profeten kunnen bevestigen, dat hun boodschappen aan de natie of de wereld heftige weerstanden hebben opgeroepen of nog oproepen.  Niet zelden zijn die met verbanning, gevangenis of zelfs moord beantwoord.

Velen noemen  in dit verband figuren als de Dalai Lama, Martin Luther King, Nelson Mandela.
Het jongste nummer van het magazine van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, Joods Nu, is gewijd aan ‘Profeten, toen en nu’ (2).  Het bevat o.a. een interview met de voorvechtster van het liberaal Jodendom in Israël, Anat Hoffman. Gevraagd naar wie voor haar een hedendaagse profeet is hoeft ze niet lang na te denken: dat is de controversiële Israëlische denker en leraar professor Jeshajahoe Leibowitz. Op het onvolprezen internet heb ik wat informatie over hem opgezocht (3).  

Hij is in 1994 overleden, 91 jaar oud, verguisd, gerespecteerd en bewonderd. Zijn boodschap was straight, maar voor vele Israëli’s niet gemakkelijk. Hoewel rechtgeaard orthodox was hij een felle voorstander van de scheiding van kerk en staat, veroordeelde hij de corrupte religieuze instituten en beschouwde hij het nationalisme rond de staat Israël als voedingsbodem voor fascistische tendensen, waarbij hij indringende bewoordingen als ‘blut und boden’ niet schuwde. Een keerpunt ten kwade noemde hij de voortdurende bezetting van de Jordaanse westoever na de Zesdaagse oorlog , een bezetting die noodzaakte tot onderdrukking van een ander volk.  Leibowitz waarschuwde tegen de daaruit door hem voorziene ernstige ondergraving van Joodse morele waarden.  Hij was sterk geporteerd voor een tweestaten oplossing. Hoe je ook denkt over de staat, de identiteit en de politiek van Israël, je ontkomt er niet aan dat de opvattingen van Leibowitz je verontrusten door hun mogelijke waarheidsgehalte. Vlak voor zijn dood was het plan hem de Israël Prize toe te kennen, maar hij trok zich terug toen heftige protesten opriepen om zijn nominatie ongedaan te maken. Recent werd het voornemen om een straat in Jeruzalem naar hem te vernoemen ook na protesten weer ingetrokken. Wie een indruk wil krijgen van zijn betoog moet het youtube filmpje met een interview met hem eens bekijken (4).

Ik kan niet nalaten de woorden van Anat Hoffman uit ‘Joods Nu’ te citeren, woorden die hem opeens zo dichtbij halen: “Hij was een zeer bijzondere man. Hij had geen rijbewijs en nam elke dag bus 9 naar de universiteit waar hij werkte. Je kon dan met hem spreken, op de bus. Hij had een lijst en je ging twee of drie haltes naast hem zitten, tot de volgende persoon kwam om met hem te praten. Iedereen nam plaats naast hem in bus 9 met hun vragen en gedachtes: soldaten, professoren, huisvrouwen, Joden, moslims, christenen, mannen en vrouwen. Iedereen mocht plaats naast hem nemen en hij was in iedereen even geïnteresseerd. Het verhaal gaat dat een huisvrouw hem op een dag aansprak, hij luisterde naar haar en gaf zijn antwoord. Men zei: zij weet niet dat hij professor Leibowitz is, maar ook hij wist niet dat hij professor Leibowitz was. ‘Hij was een ware profeet.’”

Noten
(1) Een aardig overzicht biedt de Chabad website,
(2) Zie Joods nu nummer 5, jaargang 2, september 2015/ 5776
(3) Bv. op Wikipedia en op de website Sargasso
(4) https://youtu.be/buQ1C5RJ2Vk of op mijn website

RC 1 okt 2015


Parasha Ha'azinoe

Een poëtische laatste oproep 

door Rob Cassuto

Dewariem/Deuteronomium 32:1 - 52   

De parasha

In de vorige parasha Wajelech heeft Moshé een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasha Ha'azinoe (‘Hoort!’) bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).

De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.

De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk  Zijn bijzondere bescherming zal geven: "Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt". Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jeshoeroen (= Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.

Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap (galoet) en diaspora zullen zich gaan afspelen. Eerder in Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): "Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt".

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israël als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Moshé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer. Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (3).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.

Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Moshé te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasha.
 
Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Moshé ’s boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha’azinoe’, zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor onszelf te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt -  de laatste dag van Moshé is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief is origineel):

‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Moshé met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door niet God de schuld te geven. Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981
(2) Jeshoeroen, poetische naam voor Israël, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar’, recht(op), rechtvaardig
(3) Bijv.  Dew/Deut 30:1 ev
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776


RC herzien 24 sept 2015
 


Parasha Wajelech

Wees sterk en moedig

door Rob Cassuto

Dewariem/Deuteronomium 31:1 - 30

In de parasha Wajelech – de kortste in de Tora, in de meeste jaren gelezen samen met de voorgaande, Nitsaviem – neemt Moshé afscheid van het volk, dat hij veertig jaren over toppen en door dalen heeft geleid naar het moment suprême, waar het volk op het punt staat het zo lang beloofde land te betreden. Bemoedigende woorden spreekt hij hen toe.  God zal jullie niet in de steek laten bij het in bezit nemen van het land. Weest sterk en moedig en laat jullie niet afschrikken door de tegenstanders, die jullie zullen ontmoeten, zulke woorden spreekt hij. Ten overstaan van de verzamelde menigte draagt de oude leidsman het leiderschap over aan Jehoshoea, wees sterk en moedig – chazak we-èmats - voegt hij zijn opvolger toe.  De parasha meldt dan, dat Moshé eigenhandig zijn onderricht (letterlijke betekenis van ‘tora’) opschreef en dit geschrift overdroeg aan de priesters en levieten. Eens in de zeven jaar, tijdens Soekot, moesten deze de wetsrol voorlezen aan het verzamelde volk, inclusief de kinderen. De boekrol moest  naast de ark van het verbond gelegd worden als een eeuwige getuigenis van de juiste weg.

Aan het eind van de parasha vindt er een opvallende wending plaats. De Eeuwige verschijnt bij de tabernakel in een wolkzuil aan Moshé en Jehoshoea en profeteert aan hen, dat nu al Hem bekend is, dat het volk, als het eenmaal gesetteld is en welvarend geworden, zich van de Eeuwige en zijn geboden zal afkeren. Hij zal zich dan van zijn volk afkeren en vele ongelukken en rampen zullen over hen komen. De Eeuwige zal dan zijn gezicht afkeren, verbergen. Anochi hester astir pani. Nogmaals dus wordt herhaald, ik geloof voor de derde keer, dat de afvalligheid en de daarmee samenhangende rampen als onvermijdelijke  toekomst worden voorzien. Hiermee zijn de paradoxen geïntroduceerd van Gods voorzienigheid, zijn almacht en de menselijke vrije wil, die door alle eeuwen heen en ook nu nog de menselijke geest hebben beziggehouden, gepijnigd mag je wel zeggen, niet in het minst de rabbijnen en de theologen. De discussie omvatte het intrigerende fenomeen van de ‘verborgenheid van Gods aangezicht’ en wat dat betekende in het licht van al die rampen en met name de Sho’a. Op vele plaatsen elders ben ik daar verder op ingegaan. Nu vermeld ik alleen, dat Plaut (1) er op wijst, dat in de tijd, dat Dewariem/Deuteronomium volgens de bijbelwetenschappers in feite werd opgeschreven - vele eeuwen later dan de historische Moshé -  al vele rampen Israël hadden getroffen en dat dit in het geschrift doorklinkt als een door bittere ervaring getekende waarschuwing voor de toekomst. Als filosofisch en theologisch probleem werd het toenmaals niet ervaren, maar de teksten hebben er wel aanleiding toe gegeven.

De onthulling van deze komende afvalligheid aan Moshé, die sowieso zijn Israëlieten, zeg maar de mens, goed kende (2), gaf hem in om een gedicht te schrijven, een epische wanhoopskreet om de catastrofe van de verre toekomst te keren, zijn zwanenzang, die hij vervolgens ten aanhore van het volk zal reciteren en die de volgende parasha Ha’azinoe zal beslaan.

De shabbat valt tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer en wordt Shabbat Shoewa genoemd naar de eerste woorden van de Haftara (profetenlezing), Hoshea 14:2-10, shoewa, keer terug (NBV): Keer terug, Israël, naar de Eeuwige, je God! Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen. Kom met woorden van berouw en keer terug naar de Eeuwige. Zeg tegen hem: Vergeef ons al onze misdaden.

 

Noten
(1) Gunter Plaut (ed) The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981
(2) Bijv. Dew/Deut. 31:27 (NBV): Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de Eeuwige verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood!

 

 

Parasha Nitsaviem

Ommekeer

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 29:9–30:20

De parasha

Meestal wordt deze parasha gecombineerd met de volgende parasha Wajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar  biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt op de shabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosh Hashana.

Het afscheid van Moshé van zijn volk nadert. Op een van zijn laatste levensdagen heeft Moshé voor een belangrijke toespraak het volk bijeengeroepen, kennelijk om in een kernachtige samenvatting van al zijn voorgaande woorden de sluiting van het verbond tussen Israël en de Eeuwige nog eens te bevestigen. Het begin van de tekst van deze parasha schildert een breed beeld van een enorme massa mensen, die staan opgesteld voor de oude leider, niet alleen de belangrijke mensen, de aanvoerders  en officials, maar álle mannen van Israël, en ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, de houthakkers en waterdragers, met andere woorden van hoog tot laag. En niet alleen tot de aanwezigen richt Moshé zich, ‘maar ook tot degenen die hier (nog) niet bij zijn’ (29:13), kortom: de toekomstige generaties; de Tora is voor alle tijden.
Wederom schetst hij omstandig de fatale gevolgen van afvalligheid van de Eeuwige en het in de wind slaan van Zijn voorschriften: hij verwijst naar de eerder beschreven vervloekingen en de verjaging uit  het land. Maar steeds heeft het volk de keus, benadrukt de hoogbejaarde voorman: ‘Zie, vandaag houd ik je voor: het leven en de dood, het goede en het kwade’ (30:13). Het is geen onhaalbare zaak, die Tora, want de geboden zijn niet in de hemel, maar hier op aarde binnen het bereik van de mens.

Kennelijk heeft Moshé tijdens zijn gepassioneerde woorden opeens een bijna messiaans visioen, dat ver vooruit reikt tot in een nameloze toekomst, waarin al het denkbare, het kwade en het goede, onvermijdelijk al is gebeurd. ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen’ (30:1-3). (1)

De oude profeet – als middelaar van de Eeuwige – weet, steeds heeft de mens de vrije keus, maar toch zal onvermijdelijk vaak het verkeerde worden gekozen. Drukte Rabbi Akiva deze paradox  niet bondig uit in zijn spreuk ‘Alles is voorzien, toch is de vrije wil gegeven’ (Talmoed, Pirké Avot 3:15).

Teshoewa

De net geciteerde passage is wel de Grote Terugkeer genoemd, het woord voor terugkeren
 – shoew – komt zeven keer voor in deze parasha; het volk van Israël zal ooit definitief terugkeren van zijn afdwalingen en verkeerde daden. In de loop van de eeuwen heeft dit fenomeen van collectieve terugkeer ook een individuele inkleuring gekregen; ook ieder persoon kan op zijn verkeerde schreden terugkeren en ommekeer – teshoewa – doen.

De tijd rond en vooral tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om teshoewa, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen. Een van de grote thema's daarbij is vergeving. Gedurende de gebeden op en rond Rosh Hashana en Jom Kipoer komen drie woorden voor vergeving steeds weer terug: selach lanoe, mechal lanoe, kapper lanoe; alle drie betekenen ze ‘vergeef ons’, maar telkens met een andere bijklank.  Selach lanu betekent vooral ‘het spijt me oprecht en ik zal het niet meer doen’. Bij mechal lanoe ligt het accent op mijn vraag de verkeerde daad als het ware te wissen en de relatie te herstellen in de oude intimiteit. Ze staan beide in het teken van de relatie met de medemens. Met ‘kaper lanoe’ vraag ik om het schuldgevoel en de pijn om het misgedane, die los van al het andere zwaar op het hart kan blijven wegen, weg te nemen. Dat is alleen in de macht van de Ene om te bewerkstelligen: om essentiële troost in het hart te brengen (2).

De dagen van Rosh Hashana en speciaal Jom Kipoer  roepen ons dus op om naar onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden toe te stappen en sorry te zeggen voor wat we hun hebben aangedaan. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen, die ons wat  hebben aangedaan. En dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen, vrienden en collega’s en zo meer. ”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.

Een half leven lang kunnen we met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan ons aangedaan inderdaad afschuwelijk en onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van  onze gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van eerder opgedane trauma’s, die ons kwetsbaar hebben gemaakt. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, trots, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een vicieuze cirkel, in een slachtofferpositie, die het leven vaak grondig verstoort. De pijn die daaronder ligt schrikt af om er echt naar te kijken. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig om verder te komen. De grote vaak onoverkomelijk lijkende stap is: ons los te maken van wrok, trots, lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in ons zelf en de pijn aangaan. Want na die soms ongelooflijk moedige stap komt er ruimte voor de volgende stap: de vergeving aan de ander, die het allemaal heeft aangedaan. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen (3).

Vergeven doen we  voor ons  zelf in de eerste plaats en de anderen in onze omgeving zullen er volop van meeprofiteren, als een zware last van ons is afgevallen. We worden een lichter mens en onbespreekbare zaken worden misschien bespreekbaar.

Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen, waarin de spirituele kracht extra voorradig is om dieper te kijken en te werken aan wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid, die  mogelijk  in ons schuilen en die de vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Moge het nieuwe joodse jaar licht en goed en zoet zijn!
Lesjana tova oemetoeka tikatvoe!

Noten
(1) In de sfeer van messiaanse visioenen is ook de Haftara (aanvullende profetenlezing), die bij deze parasha wordt gelezen, Jesaja 61:10 - 63:9. Dit is de laatste van de zogenoemde zeven ‘troost-haftarot’, die na Tisha be’Av op shabbat worden gelezen, allen uit de profeet Jesaja.
(2) Ontleend aan Rabbi Simon Jacobson
(3) De eerste keer dat het proces van vergeving in de Tora uitgebreid wordt beschreven is in het verhaal van Joseef en zijn broeders, zie bv. de parasha Mikeets

foto: Yoram Raanan

RC 11092015


Parasha Ki Tavo

Een gruwelijke vermaning

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.

De parasha

De parasha Ki Tavo begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (1), gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasha is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door  Moshé van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israël aan de Eeuwige en zijn geboden(2). Opvallend is de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning (3). De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat,  is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken’. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.(2 Melachim/Koningen 22:13)’


De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet,  beschreven met een barokke pen, geformuleerd  met aan perversie grenzende beeldrijkdom. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling zal waarschijnlijk geweest zijn om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers uit het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en daardoor te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld) (4).

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt. Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft  de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid  (vaak samengevat in de term theodicee) ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie tot en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in de gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, voor de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid.

Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept voor álle naties om als volk in welvaart, overvloed en blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te danken of te wijten. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, puur eigenbelang, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgen is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, en in laatste instantie naar (burger)oorlog. Die samenleving kan de prooi worden van onzegbare verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue; vul zelf maar in.

Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in deze Tochacha. In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, een jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijkheid heeft gekregen om zijn bijdrage te geven aan het wel en wee van zijn samenleving. Maar daarmee deelt het individu ook mee in het wel evenals in het wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden worden genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid (5). Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op en kan zelfs het verschil malen, maar kwaadwillenden halen de gemeenschap naar beneden en nemen allen mee in hun val.

Noten
(1) In een ander commentaar ben ik op de aanbieding van de eerste vruchten ingegaan.
(2) Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30.
(3) Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai. Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeks vervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.
(4) Lees in het boek van Simon Schama (De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014) over de uittocht van Joden uit Spanje in 1492:
‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. (…) Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, (…) en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken' , wie dat leest, wie moet dan ook niet denken aan de Syrische vluchtelingen, die in een eindeloze stroom door de velden van de Balkan trekken?
(5) Zie de beroemde dialoog van Avraham met de Eeuwige over de vernietiging van Sedom en ‘Amorra in Bereshiet/Genesis 18:23 ev


RC 3 sept 2015


Parasha Ki Tetsé

Schaamte

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 21:10 tot 26.

Korte samenvatting van de parasha 

Deze parasha Ki Tetsé gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken.

Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasha, de meeste van alle parashot. Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen, maar de moedervogel moet laten vliegen. Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties, waarvoor de latere rabbijnen wegen hebben gevonden om ze te verzachten of buiten werking te laten.

Een curieuze en wrede bepaling lokte mij tot een nadere beschouwing: 25:11,12. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden.

Het is een bepaling, die bij de meeste moderne lezers afschuw oproept. Kennelijk betreft het een casus, die zo vaak voorkwam en dan zoveel geschoktheid opriep, dat de Tora er een voorschrift aan wilde wijden. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met het afhakken van de delinquente hand. We kunnen dit voorschrift rustig terzijde schuiven en dat doet Rashi dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij - ondanks dat er staat 'geen medelijden te tonen' – het afhakken van de hand verstaat als een financiële sanctie, een boete.

naaktheid

Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een invoelen hoe in de Tora aangekeken werd tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder. Ik wil dat doen vanuit een min of meer cultureel antropologisch perspectief (1).

Het valt dan op dat de Tora de wereld van liefde en erotiek - op te vatten als zelfstandige bron van genieting - amper kent (2)(3) Daarentegen valt het accent zwaar op de plicht en de macht van  de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je. Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pas geschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt ('aroemiem') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.

Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven.  

In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft het weten omtrent goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.  Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het ontwaakte weten omtrent de voortbrenging middels de geslachtsdaad, anders gezegd, dat zij ontdekten "waar de kinderen vandaan kwamen" en dat hun naaktheid prominent toonde welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.
 
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven. Naaktheid getuigde voortaan steeds  van de immense mogelijkheid en macht om nieuw leven te kunnen scheppen, maar was tegelijk beladen een bewustwording en besef van de diep ingrijpende consequenties van de volvoering van die macht, het kind.

Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene van Genesis misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert: ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op zijn eigen microniveau door.

Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.  Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora - in die zin is het een verlicht document - is dat het betrekken van seksualiteit, erotiek en vruchtbaarheid in godsdienstige ceremoniën en religieuze verering strikt worden verboden;  in zekere zin zou je kunnen zeggen dat zaken van seksualiteit en vruchtbaarheid worden ‘geseculariseerd', ontdaan van de duistere wereld van de magie. Een van de redenen waarom de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo worden verketterd.

schaamte

De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering gaat buiten de religieuze wereld van Israël vallen, maar niet de procreatieve organen zelf; die worden het onderwerp van vele voorschriften. Ik breng dit in verband met de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham (Ber/Gen 9:20). Die naaktheid is schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist. De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht, beter gereguleerd.  

Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. wordt ervaren als een ontheiliging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele (ultra)orthodoxe vormen van jodendom, islam en christendom. Dat de sancties in de Tora niet mis zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen.  

Nu wordt duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit. De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast.  

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, - en door de wetenschap tot op grote hoogte in finesse is ontleed - maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte.

De schaamte is in de loop der eeuwen geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in de zedigheid van een kleinburgerlijk calvinisme of in katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad, mede onder invloed van het christendom.  
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, in grote mate een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).  

De schaamte is in de zestiger/zeventiger jaren bij grote delen van de bevolking overbodig verklaard.  Tot op grote hoogte zijn de seksuele organen daarbij ‘onttaboeïseerd’, wat op zich een gezonde ontwikkeling mag worden genoemd.

Mij lijkt het, dat onze maatschappij daarin nu veel te ver is doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid - dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden - dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.

De schaamte is lastig; als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is verouderd, hinderlijk. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. De verleidelijkheid van het prikkelend naakte helpt de verkoop.  Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Het sloopt ons gevoel voor maat, onze sensitiviteit voor de waardigheid van de ander en het respect voor de subtiele wegen van de natuur.

Het is tijd om de schaamte weer naar boven te halen. Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien. Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.

noten

(1) Gebruik is gemaakt van enkele passages uit het  boek "Eros and the Jews" van David Biale, University of California Press, 1992.
(2)  Seksualiteit is een begrip dat pas in de 19e eeuw C.E. ingang heeft gevonden.
(3) Een uitzondering is de openlijke erotiek, die het Hooglied (Shir Hashiriem) uitstraalt. Hier mengt zich op unieke manier eros en devotie.
Eros als genieting op zich laat zich soms wel afleiden uit de verhalen in Tora en Tenach.
De ontroerende ontmoeting van Ja’akov en Rachel bij de put. De lust, die Juda zocht bij de prostituée, die zijn schoondochter Tamar bleek te zijn. De begeerte van David, toen hij de naakte Batsheva zag.


Parasha Shoftiem

Zuiverheid van wapenen

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9.

Korte samenvatting van de parasha 

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en de eis van onpartijdig rechtspreken, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden: dwaalwegen als wichelarij, waarzeggerij en tovenarij. Afgoderij wordt bestraft met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé, dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen, goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha; op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders, waar de moderniteit officieel niet meer achter staat (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

Terughoudendheid inzake geweld (1)

Laten we eens de bepalingen inzake het oorlog voeren (hoofdstuk 20) wat nader bekijken. In de eerste plaats is er de uitdrukkelijke en concrete verplichting om het land Kena’an te veroveren en de zeven Kena’anitische volkeren volledig uit te roeien (20: 15-18). We missen hier de compassionele interventie die Avraham ooit deed ten behoeve van de bevolking van Sedom en Amorra. Deze meedogenloze bepalingen zijn nooit zo uitgevoerd. In feite hebben naast de Joden ook altijd andere volken in Palestina gewoond, tot op heden. Overigens is deze opdracht van de Eeuwige alleen nog van historische waarde en dient dit niet meer als model voor oorlogvoering binnen het Jodendom. Een talmoedrabbijn verklaarde al in het begin van de gewone jaartelling de zeven Kena’anitische volken als niet meer te traceren.
Voor ‘gewone’ oorlogen geeft deze parasha andere regels, samengevat:.
De oorlog wordt alleen gevochten door moedige en gelovige mannen, die geen andere zaken aan hun hoofd hebben zoals een nieuw huis, een nieuwe wijngaard of een nieuwe vrouw
Er moet altijd eerst een vredesaanbod met bepaalde voorwaarden worden gedaan.
Wordt dit aanbod geweigerd, dan worden de mannen van de tegenstander omgebracht, vrouwen en kinderen gevangen genomen en de stad geplunderd.
Tijdens de belegering van een stad mogen geen vruchtbomen worden omgehakt. Deze bepaling (vers 19) heeft aanleiding gegeven tot een heel ecologisch leerstuk over zorgvuldige omgang met het milieu en tegen verspilling onder de naam Bal Tashchiet (‘vernietig niet’). Zie daarvoor een
ander commentaar van mij.

In Tora of Tenach zijn geen grondbeginselen aangegeven voor wat een aanleiding voor oorlog (casus belli) kan zijn. Een vluchtige scan door de geschiedenis van rabbijnse commentaren geeft grond voor het ontwaren van de tendens om voorzichtig en terughoudend met militaire middelen om te gaan.
Isaac Arama (1420–1494) ziet ook in het verbod om in tijd van oorlog vruchtbomen om te hakken aanleiding om te poneren, dat we des te meer ervoor moeten zorgen  geen schade en dood toe te brengen aan mensen.
Isaac Abravanel (1437–1508), geeft in zijn commentaar op vers 20:10 drie redenen om een vredesaanbod te doen nog voor het begin van vijandelijkheden, nl: God wenst geen dood en destructie, maar vergeeft wie berouw heeft; de regeerder, die zonder geweld verovert, toont pas macht en grootmoedigheid; het uitbreken van oorlog heeft een onzekere uitkomst en veelal catastrofale gevolgen (2).
Samuel David Luzzatto (Italië, 1800-1865) verklaarde kort en goed, dat de enige toegestane oorlog de verdedigingsoorlog is. Hij zegt over Dewariem/Deuteronomium 20:10-11: ‘De tekst formuleert niet wat een toegestane aanleiding voor oorlog is of dat Israël een oorlog zonder reden mag voeren alleen maar om te roven en buit te maken. Maar de tekst zegt: “wanneer je ten strijde trekt tegen je vijand“, dat wil zeggen, dat je alleen oorlog mag voeren tegen je vijand; het woord vijand betekent niets anders dan degene, die ons wil schaden, dat wil zeggen, die binnenvalt om ons gebied te veroveren en die ons wil beroven’.

‘zuiverheid van wapenen’

De moderne tijd kent tegelijk met de ingrijpende en invloedrijke  beweging van de Verlichting ook de uitbraak van barbaarse oorlogen. Het Joodse denken verschuift dan ook van een preoccupatie van Israël versus de wereld van afgodendom naar loyaliteit aan een wereld van fatsoen en beschaving versus barbarisme en bijgeloof. De verdediging van democratische, liberale en humanitaire waarden kan daarmee een onderdeel van het mainstream Joods gedachtegoed worden. Wat in dat gedachtegoed een belangrijke invloed blijft hebben, is de houding van terughoudendheid ten aanzien van geweld en militaire agressie. In de eerste helft van de 20ste eeuw voelden de seculiere zionistische pioniers (zoals Vladimir Jabotinski) de noodzaak van zelfverdediging en werd de Hagana opgericht. Tegelijkertijd drongen de religieuze leiders in die tijd, met name Avraham Kook, aan op uiterste terughoudendheid (havlaga) in het gebruik van geweld en een jongere rabbinale  tijdgenoot ging zover, dat hij “zelfs als hij zeker wist, dat we de Uiteindelijke Verlossing teweeg zouden brengen [door het doden van Arabieren] , dan zouden we met alle kracht zo’n ‘verlossing’ moeten verwerpen om niet verlost te zijn door bloed”.
De tweede helft van de 20ste eeuw heeft vele oorlogen op het pad van de nieuwe staat Israël gebracht, grotendeels voortkomend uit de pure noodzaak van lijfs- en landbehoud. Met dat al heeft het concept van terughoudendheid, ooit gesproten uit Tora en Halacha en ondersteund door het seculiere deel van Israël,  stand gehouden als fundament van de officiële militaire ethiek. Men noemt dit concept tohar ha-nesheq of ‘zuiverheid van wapenen’, wat betekent de eis van minimale toepassing van geweld om militaire doelen te bereiken en het maken van onderscheid tussen combattanten en non-combattanten. Dit is verder uitgewerkt in een officieel ethisch basisdocument van het Israëlische leger (IDF) (3).
In hoeverre deze nobele beginselen ook altijd de praktijk zijn geweest in de operaties van de IDF is een zaak van veel dispuut en onderzoek geweest – met name sinds de Libanonoorlog - en nog. Hoe dan ook, tohar ha-nesheq blijft als toetssteen overeind en dat kan niet gezegd worden van vele andere militaire groeperingen in het Midden-Oosten.

Noten
(1) In de volgende alinea’s is dankbaar geput uit het artikel van Rabbi Norman Solomon (June 2005):  "Judaism and the ethics of war" (PDF). International Review of the Red Cross. Uit dit artikel zijn een aantal passages vertaald, bewerkt en geciteerd.
(2) Het is interessant tegen de achtergond van dit voorschrift en zijn uitleggingen het recente nucleaire akkoord met Iran te beschouwen. Is het akkoord voldoende garantie om af te zien van militaire middelen om de vijand Iran onder controle te houden? Lees de verschillende nieuwssites of Ha’arets hierover. Obama zegt van wel: "How can we in good conscience justify war before we've tested a diplomatic agreement that achieves our objectives?".  Hij kiest de positieve invalshoek. Democratisch kopstuk en joodse senator Charles Schumer zegt nee en  sombert, ”It is because I believe Iran will not change, and under this agreement it will be able to achieve its dual goals of eliminating sanctions while ultimately retaining its nuclear and non-nuclear power.”
Netanjahoe heeft helemaal geen vertrouwen in de deal, "The agreement will allow Iran to arm itself with nuclear weapons either after adhering to the agreement for 10-15 years, or by violating it beforehand. In addition, [the deal] will pump billions of dollars to the Iranian terror and war machine, which threatens Israel and the entire world." De IDF zelf geeft de benefit of the doubt:” the accord poses a large number of risks, but also a number of opportunities for Israel's political leadership”.
Ik zou zeggen, de weerstand vanuit het belaagde Israël tegen het akkoord is begrijpelijk, maar Obama lijkt mij toch het meeste kans te bieden op een proces naar vrede en hij lijkt het meest in lijn met het Joods gedachtegoed over maximale benutting van vredeskansen alvorens een oorlog te beginnen.
(3) https://www.idfblog.com/about-the-idf/idf-code-of-ethics/ en zie ook een artikel over deze code van het Shalom Hartman Institute.


Parasha Re'é

Zegen en vloek

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 11:26–16:17.

Het begin van de parashat Re'é (‘Zie, besef’) luidt het derde deel in van de grote laatste rede van de oude leider. Moshé houdt het vergaderde volk de grote keuze voor: Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Verder gaat de parasha over de centralisatie van de eredienst op één plaats (dat werd Jeruzalem), bepalingen rond slachten en vlees eten, tienden, de valse profeet ( navi sheker ), het shemieta-jaar, de vrijlating van de slaaf, het ten offer aanbieden van de eerstgeborenen van de kudde en ook de drie pelgrimsfeesten (Pesach, Shawoeot en Soekot) passeren weer de revue.

Is de zegen een beloning achteraf of een gegeven toestand vooraf?

De parasha begint met de grote keuze: (Dewarim 11:26-28 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: de zegen, als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied, afwijken om achter andere goden aan te gaan, die jullie niet kennen. De mens heeft een vrije wil, impliceren deze woorden. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens.

De rabbijnse uitleg van deze tekst weet nog een belangrijke verduidelijking aan te brengen over de vraag of de wereld aanvankelijk slecht is en verlost moet worden door ’s mensen goede daden of dat de wereld aanvankelijk goed is en dat ongeluk en ellende door de daden van mensen in de wereld worden gebracht (1).  Voor die uitleg moeten we in het Hebreeuws duiken en ik nodig je graag uit daar even voor een keer in mee te gaan. We zullen zien, hoe twee voegwoorden – en hun vertaling – een groot verschil kunnen maken. We gaan naar de regels 27 en 28: de zegen, als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, etc.  Wat de tekstlezers is opgevallen is dat het woordje ‘als' in deze regels in het Hebreeuws twee verschillende woorden zijn. Het eerste als is in het Hebreeuws ‘asher', dat eigenlijk gewoon ‘dat' betekent, het tweede als is in het Hebreeuws ‘ im ', dat ‘indien' betekent.
Heeft dat verschil enige betekenis?
De 19e eeuwse commentator Malbim (2) vindt dat inderdaad en hij legt uit, dat "Een zegen, dat je gehoorzaamt”, inhoudt dat juist die gehoorzaamheid aan het goddelijke voorschrift alleen al de zegen uitmaakt. ‘Denk niet’, zegt deze leraar, ‘dat er een beloning in deze wereld bestaat buiten de daad zelf. Het lijkt niet op de meester die zijn slaaf beloont voor zijn trouw en straft voor zijn ongehoorzaamheid, zodat het loon van de slaaf afhangt van de grillen van zijn meester en niet in de handeling zelf zit. Het lijkt meer op de dokter, die zijn patiënt verzekert, dat het goed met hem zal gaan, zolang hij zich houdt aan het voorgeschreven regime en dat hij anders zal sterven. De gevolgen liggen besloten in de daad zelf’.
Het indien van ‘im' bij de vloek maakt die vloek expliciet voorwaardelijk. Het ‘asher' bij de zegen maakt niet zozeer voorwaardelijk, maar stelt die zegen als  een feit.

Deze duiding wordt ondersteund door de korte verhelderende opmerking van de middeleeuwse bijbelcommentator Rashi (3) bij die tekst over de zegen, bij ‘een zegen, dat je gehoorzaamt’ noteert hij: Et ha-beracha: al menat asher tisjme'oe .  Wat ongeveer neerkomt op: ‘De zegen: op grond van dat zij luisteren’. Hoe zou je al menat kunnen vertalen? Misschien met ‘on account of' of in het Nederlands ‘op grond van' of ‘in verband met'.
Dat betekent, dat je aan het ‘on account of 'of het ‘op grond van' een terugwerkende kracht kan toekennen. Vergelijk enerzijds : ‘Ik betaal je uit, indien je een bepaalde taak hebt verricht’ betekent een verplichting tot uitbetaling achteraf, na de gedane taak. En anderzijds : ‘Ik betaal je uit op grond van – of in verband met – een taak die je voor mij verricht’, dat kan betekenen, dat ik verplicht ben je vooraf te betalen.

Nu komen we weer terug op ‘Een zegen, dat je gehoorzaamt’. Door de verfijning van het woord ‘asher’ (‘dat, op grond van’) kunnen we het zo interpreteren, dat die zegen de mens al gegeven is voordat hij zijn gehoorzaamheid aan de Goddelijke richtlijnen heeft vervuld.
Want de wereld is gegrond op divine genade. (4) Aan het einde van de scheppingsdagen ‘zag de Eeuwige alles wat Hij had gemaakt en zie, het was heel goed’ (Bereshiet 1:31).
Die wereld werd aan de mens geschonken om ervan te genieten en om er te leven volgens de hem gegeven richtlijnen. De vloek – de rampen, oorlogen, misstanden, ellende - komen achteraf als nasleep van de afdwaling van de mens. Eenvoudig een kwestie van oorzaak en gevolg.
Dat betekent, dat de wereld niet van nature vol ongeluk en ellende is. Het goede van de wereld is de oorsprong en die oorspronkelijke goedheid is niet verloren gegaan maar ligt in principe voor de mensen klaar en kan weer worden teruggebracht. Het ongeluk, de ellende en de lelijkheid zijn het gevolg van menselijk toedoen, het is de vloek, ‘indien jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied’.
Zoals wij zingen in de eerste voorbede van het dagelijkse ochtendgebed, het  Shema: ‘Hoe talrijk zijn uw werken, Eeuwige; Alles hebt u met wijsheid gemaakt’ (psalm 104: 24) Ma raboe ma'asecha,  Hashem, koelam be-chochma asita.

noten 

(1) Richtlijn voor dit commentaar is geweest  het commentaar van Nechama Leibowitz . Zie ook haar Studies in Devarim, WZO, 1980
(2) De Malbim: Meïr Leibush ben Jechiel Michel Wisser (1809 –1879), bekend onder het acronym Malbim, was een specialist in de Hebreeuwse grammatica en bijbelcommentator
(3) Rashi, Rabbi Shlomo Yitzchaki, bekend onder zijn acroniem Rashi (1040 –1105), was een middeleeuwse rabbijn en commentator van Tora en Talmoed en als zodanig hogelijk gewaardeerd
(4) Rabbi Jochanan  (overleden plm. 279), een rabbijn in de eerste jaren van de Talmoed, komt met deze zin uit de klaagliederen (3:38): Uit de mond van de Allerhoogste komt niet het kwaad noch het goede en noteert: ‘maar het kwade komt uit zichzelf naar de mens die kwaad doet en het goede naar de mens die goed doet’. Dat gaat meer in de richting van een amorele voorwereld. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat we niet blanco ter wereld komen. We zijn geen tabula rasa. We zijn ook niet gepredestineerd. En evenmin inherent slecht of goed. Wel is in ons ieder geplant het zaad van het verlangen naar het goede, dat wil zeggen een verlangen naar ontplooiing van onze competentie en van ontvouwing van het primaire verlangen om – ieder op zijn of haar specifieke manier – goed te doen aan medemens, groep en samenleving. Dit is voor mij de jetser ha-tov. Geleidelijk ontkiemt zich – natuurlijk in een relationeel proces met ouders, omgeving – het zaad van de jetser ha-tov. Natuurlijk worden daarbij vele hindernissen ondervonden. Sprookjes, mythen en ook de aggadische vertellingen uit Tora, Talmoed en midrash zijn daar vol van. De reis van het leven gaat soms door barre landen.


Parasha Ekev

Een veeleisende God

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 7:12–11:25

Korte samenvatting van de parasha

In de parashat Ekev zet Moshé zijn lange laatste toespraak tot de Bené Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Moshé in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis, waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat de mens niet door brood alleen leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Moshé zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.

De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Moshé’s uiteindelijk effectieve smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Moshé op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de Parasha keert Moshé terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Dewarim 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Shema gebed als de tweede alinea daarvan.

De boodschap van het Jodendom en de bron van antisemitisme

Deze parasha Ekev is representatief voor de aard van de God van de Tora, die monotheïsme paart aan een tot op dan ongekende opdracht om als volk en als individu boven zichzelf uit te stijgen tot bijna onhaalbare volmaaktheid.  Deze strenge maar rechtvaardige God, die geen andere goden naast zich duldt, maar ook geen tastbare zichtbaarheid in beeld toestaat, legt bij monde van Moshé de lat voor de onvolkomen mens bijzonder hoog, niet alleen en zozeer in ritueel opzicht, maar vooral ook in ethisch opzicht. De invloed van deze God van Israël  op de religieuze praktijk en cultuur rond de Middellandse Zee en Europa in de eeuwen tot op de dag van vandaag is niet te onderschatten. Dat geldt zeker als we het christendom meetellen, het christendom, dat door Paulus en de latere kerkvaders flink wat concessies deed aan het monotheïstisch ideaal. Door meer picturale permissies (de drie-eenheid, de figuur van Christus, Maria, de heiligen). Maar veel van de ethische geboden en psychische attituden (om de eigen driften en belangen niet centraal te stellen) werden wel van het Jodendom overgenomen  (we zien dus even af van het antagonisme tussen Jodendom en christendom).

Heinrich Heine, George Steiner, Abel Herzberg

Vele schrijvers zien in de eis om een nergens visueel bespeurbare God te aanvaarden en daarmee ook de opdracht om een ideaal van beteugeling van driften, impulsieve verlangens en eigenbelang  te verwezenlijken als enerzijds het unieke en revolutionaire van de missie van het Jodendom, maar anderzijds ook als de bron van het lot van het Joodse volk om als object van haat en vervolging te fungeren. Hun redenering is niet zozeer een historische, culturele of sociale (hoewel die ook hun gelding hebben), maar een meer theologische  poging het antisemitisme te benaderen. De algemene trend van hun redenering:
De last die de Tora aan de (Joodse) mens oplegt is een te zware, zeg maar voor het grote merendeel een onhaalbare.  Steeds dringt de drang tot uitleving van de alledaagse verlangens, de drang om desnoods met geweld de onmiddellijke eigen behoeften te bevredigen.  Die drang te beteugelen en in dienst te stellen van een hoger streven is een zware taak. Het gevaar, dat na lange onderdrukking van ‘de heiden in ons’ deze op een bepaald moment toch losbreekt is groot, zo niet haast statistisch voorspelbaar. Moshé zelf besefte dit al, hij houdt niet op het volk te bezweren die last op zich te nemen en niet te vervallen tot de afgoden van de heidenen; tegelijk voorziet hij het grote falen al aankomen, Dew/Deut. 4:27-28: De Eeuwige zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken. 

Het Christendom nam deze beteugelende taak van het Jodendom in zijn eigen vormen over, maar slaagde er niet in de ‘heidense’ verlangens naar botviering van de eigen driften en de viering van geweld (en de bijbehorende mythen) uit te wissen. Ze leidden lange tijd een broeierig bestaan in het halfbewustzijn, waarin een schuldig besef van tekortschieten zich paarde aan wrok tegen de dictatuur van een opgelegde en onhaalbare ethiek.

De broodkatholieke Joodse schrijver Heinrich Heine besefte al in 1834, dat deze spanning ooit tot een uitbarsting moest komen. ‘Christendom - en dat is zijn beste verdienste - heeft deze brutale Germaanse vechtlust tot op zekere hoogte gestild, vernietigen kon hij het niet, en als eenmaal de temmende talisman, het kruis, breekt, dan laait weer de wildheid van de oude krijgers op, de zinloze razernij, waarvan de noordelijke dichters zoveel zingen en spreken. Die talisman is broos geworden, en komen zal de dag dat hij jammerlijk breekt. De oude stenen goden stijgen dan op uit het puin en wrijven zich het duizendjarig stof uit de ogen en uiteindelijk springt Thor met zijn gigantische hamer op en breekt de gotische kathedralen (1)

De veroorzaker van en schuldige aan al deze onaangename spanningen  was niet ver te zoeken. Hij stond al eeuw in eeuw uit klaar: de Jood. George Steiner zegt  - in zijn weidse, controversiële cultuuranalyse (2) - onomwonden: ‘Er lag een gemakkelijkere wraak voor de hand, een eenvoudiger manier om de eeuwen van mauvaise foi goed te maken, eeuwen van onderbewuste maar pijnlijke wrok tegen het onbereikbare ideaal van de ene God. Door het doden van de Joden, zou de westerse cultuur hèn uitroeien, die God hadden "uitgevonden", die hoe gebrekkig en weerspannig ook Zijn ondraaglijke Afwezigheid hadden bekendgemaakt.
De Holocaust is een reflex, heftiger naarmate langer onderdrukt, van natuurlijke zintuiglijke gewaarwording, van polytheïstische, instinctieve en animistische behoeften. Hij getuigt van een wereld, die zowel ouder als nieuwer is dan Nietzsche’.

Gelijke geluiden laat Abel Herzberg horen in zijn vlak na de oorlog verschenen prachtige bundel ‘Amor Fati’ in het gelijknamige essay (3). Hij zegt o.a.: ‘Want het doel van Hitler bestond in het afschaffen van de beschavingsfactor, die door het jodendom in de wereld was gebracht en met het christendom door Europa was aanvaard. Zijn ideale mens was niet zozeer de Germaan, als wel in het algemeen de mens zoals hij was, voordat hij voor de eerste maal (voor zover wij ons tenminste historisch bewust zijn) door de monotheïstische idee aan banden was gelegd. Daarom had hij ook groot gelijk wanneer hij beweerde, dat er geen groter tegenstelling bestond dan tussen nationaal-socialisme en jodendom’.
De 'heiden' in de mens verlangt zijn vrijheid terug en haat daarom de Jood die hem gebonden heeft. 'De heiden haat de Jood omdat de christen hem knevelt.'
De ‘heiden’ is te vinden in ieder mens, atheïst, christen, moslim, ook in de Jood, ook in jou en mij. Herzberg: ‘Hij wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goede dag een doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen zijner vrijheid. Dan treedt hij aan de dag met zijn onbedwingbaar heimwee naar het oerwoud, waarvan hij zulke schone mythen te vertellen weet. Zijn gastheer luistert en geeft toe’.

De twee tegenpolen hebben elk hun eigen rol. Het antisemitisme wordt een primitief verlangen terug te keren naar een amoreel bestaan, een onbeteugeld driftleven. Het Jodendom wordt het verlangen naar moraal, beschaving, zelfoverwinning. Het zijn twee tegenstrijdige verlangens die in elk mens leven, ongeacht geloof of wat dan ook, en die ten eeuwigen dage in gevecht zullen zijn. Dat te beseffen is amor fati. De Jood beseft de hem toegevallen rol in de geschiedenis en aanvaardt hem steeds weer. Voor mij betekent dat allerminst apathie, maar steeds weer een positieve stellingname met kracht. Het werk is nooit voltooid, maar je mag je er ook niet aan onttrekken.

noten

(1) Heinrich Heine uit: Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland

(2) George Steiner In:  Bluebeard's Castle. Some Notes Towards the Redefinition of Culture (2)

(3) Abel J. Herzberg, Amor fati, 1946


Parasha Wa'etchanan

Een schurk op gezag van de

Tora

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 3:23-7:11

Korte inhoud

Na de inleidingen van Moshé in de eerste parasha van het boek Dewariem begint in de tweede parasha Wa'etchanan de eigenlijke wetgeving. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1,4:44, 5:1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid.

Als prelude klikt het verzoek van Moshé om toch mee de Jordaan over te mogen steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga (1).

Dan volgen een aantal fundamentele teksten, met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20. Ook de tekst van het Shema – het centrale dagelijkse Joodse gebed - is hier te vinden en de regels op grond waarvan de geboden om gebedsriemen (tefillin) te gebruiken en om mezoezot aan de deurpost te slaan zijn gebaseerd. De oude leider voorziet overigens al, dat ooit zijn volk in de fout zal gaan en verstrooid zal worden onder vele volken. Maar dan zal zult u daar de Eeuwige, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt (4,29). Tenslotte verbiedt de Eeuwige exogamie en laat hij bij monde van Moshé even het nobele ethische standpunt varen en laat Hij zijn oude stammengodgezicht zien in het gebod om de zeven Kena’anitische volken te doden (7:2, of met de ban slaan, de vertalingen verschillen) of vernietigen/doden (7:16, in de volgende parashat Ekev), wat trouwens nooit zo is uitgevoerd.

Voorbij aan de maat van het recht

Een van de vele aansporingen om de voorschriften te volgen, die in deze parasha te vinden is  bevat een aantal woorden, die aanleiding zijn geweest tot het destilleren van een belangrijk beginsel in de praktische toepassing van die voorschriften. Dat beginsel wordt gevonden in Dewariem/Deut. 6:17-18:   Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de Eeuwige, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na en doe wat recht en goed is in Gods ogen.
Dat laatste doe wat recht en goed is in Gods ogen, omvat dat nu alle in de Tora gegeven regels of is dat nu een heel nieuwe en zelfstandige bepaling?  Dat was de vraag, waar geleerden uit alle eeuwen mee bezig zijn geweest.
De gezaghebbende middeleeuwse bijbelcommentator Rabbi Shlomo ben Jitschak (Rashi, 11e eeuw) vindt het laatste: het is een nieuwe bepaling.  Rashi zegt: Recht en goed, dat betekent een compromis, handelen voorbij aan de strikte eisen van de wet. zè peshara, lifniem mishoerat ha-dien' . Dat is het principe , lifniem mishoerat ha-dien, voorbij aan de maat van het recht.
Nachmanides  (13e eeuw) is het daarmee eens en licht verder toe. ‘Tora schrijft vele richtlijnen voor. Je kunt je daar in alle details aan houden, aan de voedselwetten, aan de huwelijkswetten etcetera en je toch als gulzigaard te buiten gaan aan voedsel en drank en je vrouw slecht behandelen. Je bent dan een ‘naval bi resjoet ha-Tora', een schurk op gezag van de Tora.' Je houdt je keurig aan alle regels, je kan zelfs met je vroomheid te koop lopen, maar bent in feite een grote egoïst.

Waar gaat het nu om? Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of het recht geen gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora vraagt, soms vraag je minder dan de Tora toekent.

Anekdote uit Talmoedische tijd:  Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiële koper kwam langs, net toen hij het Sjema zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wilde zijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger. Toen Raf Savra klaar was met zijn gebed, zei hij: ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet nemen’. (Sheiltot Vayehi, No. 38) (2)

Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. omschrijft in zijn afscheidscollege als hoogleraar: lifniem meshoerat hadien , naar aanleiding van een andere anekdote uit de Talmoed (Bava Metsia 83a): ‘“Rabba bar bar Chanan gebeurde het dat sjouwers [door onvoorzichtigheid] een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam hun kleren in beslag [om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen]. Men ging Rav vertellen wat hij gedaan had. Die zei hem: geef ze hun kleren terug. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: Ja, want er staat (Spr. 2,20): opdat je gaat in de weg van de goeden. Hij gaf hun hun kleren terug. Ze zeiden hem: We zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar Chanan: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet?!  Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: En hoedt de wegen van de rechtvaardigen”.  Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens bet recht verplicht zijn. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifniem meshoerat ha-dien, dat wil zeggen: dat we het strikte recht steeds moeten duiden naar de actuele situatie. Het komt erop neer dat ik tot meer verplicht ben dan de ander en dat de ander meer van mij mag vragen dan ik van hem. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid. In de woorden van de zojuist besproken tekst: opdat we 'doen wat goed en recht is in Zijn ogen'.  Antropocentrisme en theocentrisme vallen dan samen’ (3)

Marcel Poorthuis  haalt in het herdenkingsnummer rond Yehuda deze passage aan en redeneert hierop door: ‘Er is iets bijzonders met dit beginsel van Lifniem mishoerat ha-dien aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van lifniem mishoerat ha-dien kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht is. Deze rabbijnse ethiek en de Bergrede ademen dezelfde sfeer; beiden houden een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaad. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging’. (4)

Hoe belangrijk dit principe al werd gevonden in het begin van de gangbare jaartelling, blijkt uit het gezegde van de alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3 e eeuw), dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (Bava Metzia 30b).(5)

noten

(1) Over de smeekbede van Moshé zie een ander commentaar van mij
(2) De casus van Rav Safra is uit de website My Jewish learning
(3) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Heroriëntatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989
(4) prof. Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht, in: Tenachon, augustus 2012
(5) Mogelijk klinkt een echo van dit beginsel door in Mattheüs 5:20: Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan die der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. Weliswaar worden al die schriftgeleerden en Farizeeën hier wel op een hoop gegooid volgens de anti-Joodse strekking van dit evangelie, maar de strekking is conform Dewariem/Deut. 6:17-18: dat louter formeel vroomheidsgedrag allerminst voldoende is.


Parasha Dewariem

De week van Tisha be-Av,

katastrofe en veerkracht

door Rob Cassuto

Dewariem / Deuteronomium 1:1 – 3:22

Het boek en de parasha Dewariem 

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Dewariem is ook de naam van de eerste parasha van het boek Dewariem, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘eileh ha-dewariem', die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar. In een ander commentaar ga ik daar verder op in.

Tisha be-Av, de negende van de maand Av

Waar in de parasha Dewariem Moshé terugblikt op veertig jaar reizen door de woestijn, kijken wij nu terug op drieduizend jaar reizen door de tijd; in deze week valt de rouwdag, die een aantal grote rampen in drie milennia herdenkt, Tisha be-Av, de negende van de Joodse maand Av . Tisja be-Av is een rouw- en vastendag  –  dit jaar valt het vasten op zondag 26 juli, aangezien op shabbat niet wordt gevast. De voorschriften zijn dezelfde als die voor Jom Kippoer. Naast niet eten en drinken ook niet wassen of leren schoenen dragen.
Vele tragische gebeurtenissen in de afgelopen drieduizend jaar vonden plaats in de maand Av (plm. eind juli-augustus) en de overlevering heeft de negende dag gepind als de dag waarop dit alles plaats vond.  Laten we deze rampzalige gebeurtenissen eens de revue passeren middels een aantal getuigenissen uit vroeger tijden.

Op de negende Av besloot – volgens de Oude Wijzen - de Eeuwige, dat de Israëlieten veertig jaar in de woestijn moesten blijven alvorens het beloofde land te mogen binnentrekken, dit  als gevolg van de zonde van de verspieders (1)

Op de negende Av werd  de eerste Tempel verwoest, 586 voor de gewone jaartelling.
Jeremia (Jirmejahoe) vertelt (2):  ‘Op de tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens vertegenwoordiger Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen.  Hij stak de tempel van de Eeuwige in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op.  Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer.  De mensen die nog in de stad overgebleven waren, onder wie de armen, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen en de overgebleven handwerkslieden.  Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

De tweede Tempel werd verwoest, 70 in gewone jaartelling.
In de Joodse oorlog van het jaar 70 in gewone jaartelling bereikt de Romeinse generaal Titus de Tempelberg. Op de 9de Av wordt de Tempel vernietigd. De geschiedschrijver Josephus beschrijft de vernietiging van de Tempel: ‘Terwijl de Tempel in brand stond, werd er van alles geplunderd en tienduizenden die werden gepakt werden afgeslacht; iedereen werd afgeslacht ongeacht leeftijd, kinderen en oude mannen...en priesters, allen werden op dezelfde manier afgeslacht. Er was geen medelijden voor leeftijd, geen respect voor rang; kleine kinderen en oude mannen, leken en priesters allen werden afgeslacht; elke bevolkingsgroep zat geklemd in de ijzeren greep van de oorlog, of ze zich nu verdedigden of schreeuwden om genade’.
In de Talmoed wordt gevraagd: ‘waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat (‘sinat chinam') was’ (3).
Een dergelijk uitspraak is ook te vinden in het Tweede Testament, waarin Jezus voorzegt over Jeruzalem: ‘Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten.  Ze zullen je met de grond gelijkmaken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’ (4)

Betar, het laatste fort dat de Romeinen weerstond tijdens de opstand van Bar Kochwa viel  op 9 AV in het jaar 135.
De Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden – en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, waren in het jaar 132 een nieuwe oorlog begonnen onder militaire leiding van Shimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Shimon bar Kochwa werd door velen als Mashieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi’, vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en belegerden de laatste toevlucht, het hoofdkwartier van Bar Kochwa, het fort  Betar. Dat werd, zo wil de overlevering op 9 Av 135, ingenomen. Duizenden en duizenden Joden werden door de Romeinse legers afgeslacht. Rabbi Akiva werd gekruisigd.
De Talmoed geeft nog een echo van de verschrikkingen: ‘Rabbi Zera zei in de naam van rabbi Abbahu, die rabbijn Jochanan citeerde: “Dit zijn de tachtigduizend strijdtrompetten, die in de stad Betar waren verzameld toen de stad werd ingenomen en mannen, vrouwen en kinderen werden gedood, zodat hun bloed in de grote zee stroomde. (Denkt u dat het vlakbij was? Het stroomde zes kilometer ver)” en “(…) In een baraita (uitspraak buiten de Mishna) is onderwezen: ‘..  zeven jaar lang hebben de Romeinen hun wijngaarden bevrucht met het bloed van Israël zonder mest te gebruiken'”(5)
Een jaar na de val van Betar werd het gebied van de Tempel omgeploegd, de voorzegging van de profeet Micha waarmakend: ’Daarom, door jullie toedoen, zal de Tsion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de Tempelberg een overwoekerde heuvel’.

In 1492, vaardigde Koning Ferdinand van Spanje het besluit uit dat de Joden het land moesten verlaten met de negende Av als uiterste datum.
Historicus Simon Schama geeft verslag: ‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. Deze keer werden de Joden niet achtervolgd door kreten van haat en dood, zoals in de tijd van de onlusten, maar trokken ze voort in een gelouterde, verbaasde stilte. Zelfs een verbitterde judeofoob als de priester Andres Bernaldez was onverwacht aangedaan, niet het minst door de waardigheid en kracht van zovelen onder de beproeving.
Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, en waar ze ook gingen, smeekten (de christenen) hen om zich te laten dopen, en sommigen bekeerden zich in hun ellende en bleven, maar dat waren er heel erg weinig, en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken.’ (6)

De Eerste Wereldoorlog, waarmee het neerwaartse proces naar de Shoa inzette, begon op Tisha be-Av. 
Een persoonlijke getuigenis (7): ‘Het was op de dag van 9 Av - Tisj'a be'Av - de dag waarop er getreurd wordt om de verwoesting van de tempel te Jeruzalem.  Met grote "koppen" brachten de kranten het bericht dat de Russen samen met Engeland en Frankrijk aan Duitsland en Oostenrijk de oorlog hebben verklaard.  De rouw om de verwoesting van de tempel veranderde ineens in een grote verontrusting over wat ons, Joden, in Rusland en in Polen nu te wachten stond. Want de ervaring had ons geleerd dat bij elke wijziging van de situatie de Joden het slachtoffer ervan werden. En inderdaad brachten de eerste berichten over de overwinningen die de Duitse troepen op de Russen behaalden, een golf van ellende over de Joden in Polen.  Uit de kleinere plaatsen werden de Joden verdreven met achterlating van al hun bezittingen. Vooraanstaande Joden werden door de Russen als gijzelaars gevangen genomen, waarvan velen zonder enige vorm van proces doodgeschoten of opgehangen werden. De smadelijke nederlagen van de Russische legers werden op de Joden gewroken.  De grote steden, zoals Warschau en Lodz, kregen een stroom van vluchtelingen te verwerken. Want alleen omdat het ondoenlijk was de honderdduizenden Joden uit de grote steden op de vlucht te jagen mochten deze blijven.  Maar de Russische overheid legde aan hen zware "brandschattingen" op.  Om de paar weken kwam er een nieuwe order om millioenen roebels te betalen, zogenaamd vanwege de sabotage door de Joden gepleegd. Aan de Joden werd ten laste gelegd dat zij de militaire telefoondraden doorknipten en meer van dat soort lasterpraatjes.  Honderden joodse jongelui boden zich aan als vrijwilligers om dag en nacht wacht te lopen en te letten op de telefoondraden dat zij niet doorgeknipt zouden worden.  Het bleken uit de duim gezogen praatjes te zijn, die alleen maar ten doel hadden om de Joden te vernederen en hen te dwingen geld op te brengen voor het Russische oorlogsapparaat.
In de winter van 1915 hadden de Duitse troepen heel het Russische deel van Polen veroverd en bezet. Na een drieweekse belegering veroverden de Duitse troepen ook Lodz.

Veerkracht

Deze selecte bloemlezing van katastrofes vindt een tegenhanger in een mogelijke lijst van voorbeelden van de enorme veerkracht van het Joodse volk om zich na en ondanks alle vervolgingen weer op te richten en nieuwe plekken te creëren waar volgende generaties konden leven en zelfs tot nieuwe bloei komen. Mijn eigen voorouders vonden na 1492 een nieuw thuis in Italië, in Florence, waar Moïse Cassuto – weliswaar in het getto – een bloeiende juwelenhandel heeft opgezet. Niet in de slachtoffer modus blijven steken, maar zonder het verleden te vergeten altijd weer de toekomst ingaan met oog voor nieuwe mogelijkheden, is het motto.
Niet in de laatste plaats noem ik het wonder van de staat Israël, waar berooiden uit Europa, Afrika en Azië na de Tweede Wereldoorlog samen met de pioniers van voor die oorlog een moderne natie hebben gesticht. Een moderne natie, zoals alle andere naties, met alle deugden en ondeugden vandien;  niet altijd hebben de vaak ongelooflijk dappere acties om temidden van een harde en hatende omringende wereld te overleven de schoonheidsprijs verdiend. De vraag is, hoe hoog mogen zowel anderen als de Joden zelf de (ethische) lat leggen voor een Joodse staat? Dat deze vraag blijft leven en onderwerp van discussie blijft is misschien wel belangrijker dan een definitief antwoord.
Ergens blijft in mij waarschuwend doorzingen het Talmoedische antwoord op de vraag waarom de Tweede Tempel verwoest werd.  Niet omdat men niet vroom of religieus genoeg was, maar omdat er binnen de stad redeloze haat heerste.

noten
(1) Bemidbar/Numeri 13 en 14, zie parashat Shelach Lecha
(2) Jirmejahoe/Jeremia 52
(3) Talmoed, Joma 9B
(4) Lucas 19: 43
(5) Talmoed, Gittin 57a-b
(6) Simon Schama, De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014
(7) uit: Bladen uit mijn levensboek, S.P. Tabaksblatt


Shabbat Chol HaMoëd

Soekot 5775

Soekot en Kohelet

door Rob Cassuto

De shabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere shabbat, shabbat Chol HaMoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parasha van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Shemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden.

In vele gemeenten wordt ook Kohelet/Prediker gelezen.

Soekot staat in het teken van lichtheid en vreugde. Uitdrukkelijk zegt de Tora: we-hajta ach sameach (Deut. 16:15), je zult volkomen blij zijn. Een van de andere namen van het feest is: chag simchatenoe, feest van onze blijdschap. Na de dagen van inkeer, vernieuwing en verzoening, die Rosj Hasjana en Jom Kippoer inhouden, vormt Soekot een vreugdevolle afsluiting en luidt eerst waarachtig een nieuwe jaarcyclus in.

De vreugde van Soekot is een resonantie van de agriculturele oorsprong als feest van de late oogst, van dadels, vijgen, druiven e.d. We kunnen ons indenken, hoe blij de boeren en landarbeiders waren met het goede verloop van de inzameling van de vruchten en hoe verheugd dat ook deze oogst er weer opzit en wellicht hebben ze dat gevierd in de provisorische hutten, waarin ze tijdens het oogsten op de vaak ver van huis liggende velden hebben verbleven.

Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Shlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.

De rabbijnen hadden moeite met het boek, dat niet echt leek te passen in de rechtzinnige overtuigingen, die de andere boeken van de Tanach propageren. Op het nippertje is het dan ook in de canon toegelaten (met als concessie, dat misschien de laatste twee verzen, die oproepen tot vrome navolging van de geboden, zijn toegevoegd (Koh. 9:13, 14)). Gelukkig maar, want hoe diepzinnig en poëtisch zijn de wijsheden van een kennelijk oude man, die de toppen en de dalen van het leven heeft meegemaakt, verwoord. En wat de bejaarde koning over vrolijkheid en vreugde te zeggen heeft is de moeite waard om ter harte te nemen.

Goed beschouwd is het boek een worsteling van een man op zoek naar de zin van het leven, die tot zijn groot verdriet tot de conclusie komt, dat het een mens niet lukt die te ontdekken. Het is alles leegte, niets dan leegte. Het besef van de dood maakt alles betrekkelijk en dat dwaasheid en onrechtvaardigheid vaak de overhand hebben is verbijsterend en maakt moedeloos. Rijkdom en bezit als doel van het leven blijkt op zich een mens geen vervulling te geven. De prediker heeft het zelf allemaal onderzocht, macht en rijkdom heeft hij vergaard, zich ondergedompeld in de vrolijkheid van wijn en hij heeft persoonlijk ook de dwaasheid beproefd, maar de conclusie was: Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? (Koh. 2:2).

Kennelijk heeft de ervaring van zinloosheid bij Kohelet tot een zware depressie geleid.
Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegenstaan, want het is niet meer dan lucht en het najagen van wind. (Koh. 2:17).

Maar als oudere mens is hij die diepgaande crisis toch te boven gekomen, want te midden van die vruchteloze zoektocht naar zin en betekenis heeft de vrolijkheid een nieuwe vorm gekregen. Dat de mens zelf geen zin in de schepping kan ontdekken, hoeft niet te verhinderen, dat hij daarom niet kan genieten.
Ik heb vastgesteld dat voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten. 13 Want wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God . (Koh. 3 12) 

Een onomwonden oproep om het leven te genieten klinkt in Kohelet 9:7 Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. 8 Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. 9 Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.

Zo zijn er meer passages aan te halen, waarin het in vreugde genieten van het leven toch de voorkeur krijgt boven het in verdriet en depressie ter neer zitten.
Er is kennelijk sprake van twee soorten vreugde, die in de boodschappen van de oude koning meespreken.
De eerste soort zijn de korte vreugden van de wijn, de pleziertjes, waarmee je in de jacht naar een comfortabel leven, naar amusement of erkenning en eerbetoon de leegte tracht op te vullen.
Met genieting is echter niks mis, als ze gepaard gaat met twee essentiële zaken: Dankbaarheid voor de gaven die je in het leven toevallen en die je door het lot – of als je gelovig bent door God - zijn toebedeeld, maar die ook weer kunnen worden weggenomen. Bewustzijn van de eindigheid van het leven en het besef, dat verlies onvermijdelijk is, dat de dood altijd op de achtergrond aanwezig is, dat bitter besef, dat van harte ons tot het vergieten van vele tranen kan brengen, kan de ruimte scheppen voor een diepere vreugde om het leven; dat is de vreugde van de wijze, een blijdschap met een diepe ondergrond, een genieting, die altijd een bitterzoete smaak heeft. Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om te lachen.

Dat is ook de betekenis van de ogenschijnlijk tegensprakige woorden in Kohelet 7: 2

Het is beter dat je naar een huis vol rouw gaat dan naar een huis vol feestrumoer, want in een huis vol rouw eindigt iedereen. Dat neme ieder mens zijn leven lang ter harte. 3 Je kunt beter droevig zijn dan vrolijk, want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. 4 De gedachten van de wijze zijn graag in een huis vol rouw, die van de dwaas in een huis vol plezier.

Ik moet dan denken aan de gevoelens, die je kan hebben als bijwoner van een begrafenis, paradoxale gevoelens van verdriet, compassie en besef van de fundamentele waarheid van de dood, die het hart verruimen en een diepe blijdschap niet hoeven uit te sluiten.
Misschien is dat een van de zaken, die Soekot en Kohelet samen ons vertellen: Wees blij, maar vergeet nooit dankbaar te zijn. Geniet van de resultaten van je werk, maar besef, dat het leven niet maakbaar is. Wees verheugd, maar ‘memento mori'.

(citaten NBV)

 

 

Jom Kipoer 5775

Het boek van je leven

door Rob Cassuto

Ondanks alle tekortkomingen vragen we op Jom Kipoer om in het boek van het leven ingeschreven te blijven. Allerlei uitdrukkingen herinneren aan de krachtige metaforische werking van het beeld van het boek. Iemand is een open boek of een gesloten boek. Iets spreekt boekdelen en over iemand of iets kan je een boekje opendoen. Er worden helaas nogal eens zwarte bladzijden geschreven

Israël wordt wel genoemd ‘het volk van het boek’. Dat boek is de Tora. De Tora en de Tanach zijn bepalend geweest voor het leven en overleven van Am Jisrael. Het boek en zijn woorden hebben het volk door de geschiedenis heen bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative’ (narratief) heeft, een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een verbindende basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van een volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk. Een boek van het leven. De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om dat narratief door te geven van ouders op kinderen, van generatie op generatie, le-dor wa-dor.

Ook u en ik hebben een eigen narratief. Een mens kan niet zonder de woorden die zijn leven in een kader plaatsen, die een zin proberen te ontdekken of te scheppen, die de gebeurtenissen en de daden van zijn leven kunnen verklaren, rechtvaardigen of richting kunnen geven. Het kan een positief en steunend verhaal zijn, een dramatisch verhaal, een stormachtig verhaal, een saai verhaal of een negatief verhaal. Hoe ik ben en wat ik doe komt voor een flink deel voort uit het verhaal dat ik aan mezelf vertel. Dat verhaal is geen vaststaand document. Ik vertel het steeds weer opnieuw aan mezelf en het kan wijzigen in de loop van de tijd. Het kan een beter verhaal worden, ik kan het verhaal af en toe herschrijven zodat het me stimuleert om betere dingen te doen. Eigenlijk een vorm van teshoeva.

Onlangs heb ik een boek gepubliceerd over de eerste twaalf jaar van het huwelijk van mijn ouders en dus ook over de eerste tien jaar van mijn leven. Deels was het schrijven een herschrijven van het verhaal, dat ik mijzelf heb verteld over mijn jonge jaren. Het verhaal is meer gekleurd en genuanceerd en realistischer geworden, milder voor mijn ouders en voor mezelf. Tijdens die sentimental journey kwam trouwens een belangrijk boek terug in mijn herinnering. Je leven kan als het ware als boek worden afgebeeld, een boek kan ook als boek belangrijk zijn geweest in je leven. Dat was het geval toen ik een jaar of negen was. Het was geen romantisch of diepzinnig boek.

Mijn moeder schrijft anno 1950 aan haar ouders ‘Robbie is dus gisteren 10 jaar geworden. We hebben een hele toer gehad, om een cadeau voor hem te kopen. In heel Bandung was niets leuks te vinden. Uit akeligheid hebben we een boekje ‘WieWatWaar. Voor de Jeugd’ voor hem gekocht, prijs f 7,40. Het is eigenlijk helemaal geen leuk boek voor een kind’.

Het boekje ‘WieWatWaar’, jaarboekje voor 1949, dat mijn moeder voor mij had gekocht, omdat ze niets anders had, en dat ze ‘helemaal geen leuk boekje’ vond was echter een schot in de roos. Het was een jaarboekje op zakformaat met harde kaft, waarin de politieke gebeurtenissen van het afgelopen jaar werden samengevat, de belangrijkste politieke kopstukken van dat jaar werden genoemd, alle landen van de wereld werden beschreven inclusief hoofdstad, aantal inwoners etc. en wie de grootste legers had en nog veel meer interessante wetenswaardigheden. Ik vond dat fantastisch en verslond het jaarboekje 1949, en ook de boekjes van de volgende jaren. Nog kan ik de kopstukken uit die tijd dromen. Harry S. Truman, Winston Churchill, Clement Attlee, Dean Acheson, sir Anthony Eden, Conrad Adenauer, Jawaharlal Nehru, Mohammed Jinnah, Jozef Stalin. En ik weet nog steeds dat India toen 295 miljoen inwoners had. Machtig interessant vond ik dat allemaal.

Toen de poort van het kamp Banju Biru openging in augustus 1945 stond ik met mijn handje in de hand van mijn grootmoeder in de poortopening en schijn ik te hebben gevraagd: ‘is dat nu de wijde wereld? ‘Want dat had ik in veel verhaaltjes horen vertellen, dat prinsen de wijde wereld introkken om heldendaden te gaan doen. Dat jaarboekje WieWatWaar 1949 liet al enkele contouren van die wijde wereld zien.

Ik wens u en mijzelf nog vele jaren in die wijde wereld.


Parasha Ha'azinoe

Laatste oproep

Dewarim / Deuteronomium 32:1–52

door Rob Cassuto


De parasha Ha'azinoe bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanezang. Het bestaat uit drie episoden.

De eerste brengt in herinnering de keuze van de Eeuwige van Israël als Zijn volk, Zijn bijzondere bescherming: "Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt" en vervolgens een tekening van de voorspoed waardoor "Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots."

Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk: eerder in Deuteronomium wordt eveneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): "Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt."

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven.
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël in zouden zien. Het doet denken aan het argument waarin Moshé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"'
Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn. Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige uitredding.

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die in geuren en kleuren beschreven worden.

In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de lyrische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet wordt gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.

Tegelijk is het ook een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt ondanks alles; de laatste dag van Moshé is steeds de dag van nu, vandaag, hajom. Het is met alle heftige lyriek een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Ik kan niet nalaten Rabbijn Sacks te citeren uit zijn magistraal commentaar op deze parasha, waarbij ik vraag aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal’ van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Moshé met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door niet God de schuld te geven. Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.’

Chatima tova, een goede bezegeling van inschrijving in het boek des levens.|

 

 

Parasha Nitsaviem-Wajelech

Ommekeer

Dewarim / Deuteronomium 29:9- 31:30

door Rob Cassuto

Deze twee parashot worden meestal tezamen gelezen. Vaak valt Rosh Hashana in deze periode zoals ook deze week. De laatste dagen van het Joodse jaar vallen samen met de in deze parashot beschreven laatste lessen van de oude leider, de laatste dagen van Moshé.
Als je deze hoofdstukken doorleest springt steeds een schrijnende paradox in het oog. Steeds hamert Moshé op de noodzaak de geboden die in dit boek gegeven worden niet uit het oog te verliezen en de voorschriften, die de Eeuwige door zijn mond heeft gegeven niet te veronachtzamen; steeds schildert hij weer de rampzalige gevolgen van afgodendienst en afdwaling. Tegelijk weet Moshé, dat zijn waarschuwingen geen durend effect zullen hebben.
Hij weet het en de Eeuwige kent zijn volk en zijn gezindheid zoals ook is genoteerd in Dewarim 31:16: al snel na de dood van Moshé zullen de Israëlieten de rechte weg verlaten. Mede daarom dient het lied Ha’azinoe (dat in de volgende parasha staat) geschreven te worden, dat is de opdracht aan de profeet op zijn laatste dag, een lied te schrijven als een getuigenis van dit visioen over afvalligheid; het is Moshé’s zwanezang.

De in Deuteronomium in zo grote getale uitgestorte voorzeggingen van rampen en vervloekingen, ze zijn in de drie volgende millennia in elke periode wel ergens werkelijkheid geworden. In die zin kan het boek Dewarim een realistisch boek worden genoemd. Tegelijk is daar het wonder, dat het Joodse volk ondanks zijn tegenslagen, vervolgingen, pogroms, massamoorden toch nog na drieduizend jaar bestaat mede dank zij de binding met dit grillige heilige geschrift. In dat geschrift, in deze parashot,  wordt - in het eeuwig ‘vandaag’ van Moshé’s laatste dag - wel steeds een keuze geboden, al is de juiste weg niet de makkelijkste. Ieder moment kan  de goede kant worden ingeslagen. Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht (Dew. 30:19).

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen staan er ook enkele gouden pesoekim, die een messiaans happy end beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Dewarim 30: 1 Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Hashem, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar Hashem, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3 dan zal de Hashem, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.
De tijd tussen Rosh Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Teshoewa, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.
Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: voor vergeving van de ander. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Leshana tova tikatevoe, moge je voor een goed jaar worden ingeschreven!


Parasha Ki Tavo

Een sterk narratief

Deuteronomium / Dewarim 26:1–29:8

door Rob Cassuto

De parasha Ki Tavo beslaat Dewarim 26:1–29:8. In deze parasha staat de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning. Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai. In de parasha Ki Tavo zijn het er 98; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote verbeeldingskracht en dramatische begaafdheid bij elkaar gezet . De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest), die de vervloekingen bevat,  is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken’. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewarim (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden zeggen: ‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.(2 Melachim/Koningen 22:13)’
Hij voerde grote zuiveringen door en bracht een geest van nieuwe vroomheid in het land. Het mocht niet baten. Amper 50 jaar later vond de eerste verwoesting van Jeruzalem plaats en had de profeet Jirmejahoe alle reden zijn klaagliederen aan te heffen. In een vorig commentaar ben ik uitgebreider op de vervloekingen ingegaan.

We zouden bijna vergeten, dat de parasha ook essentiële zegeningen bevat (28:1-15) en eigenlijk heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (26:1 ev).
26: 1 En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn 2 dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen (dat is dus Jeruzalem).

In de Mishna  (tractaat Bikkoerim) staan de plechtigheden uitgebreider beschreven:
Mishna 3: 3 Wie dichtbij woonde bracht verse vijgen en druiven, zij die ver weg woonden brachten gedroogde vijgen en rozijnen mee. Een os met horens bekleed met goud en een krans van olijven op zijn kop liep vooruit. Voor hen uit werd de fluit bespeeld tot ze bij Jeruzalem kwamen. En als ze vlakbij Jeruzalem waren zonden ze boodschappers vooruit en versierden ze hun eerstelingen (bikkoerim). De gouverneur en de hoofden en de schatbewaarders (van de tempel) gingen naar buiten hen tegemoet. Overeenkomstig de rang van de aankomers gingen ze uit. Alle bedreven ambachtslieden van Jeruzalem stonden dan voor hen op en begroetten hen: “Broeders, mannen van die en die plaats, we zijn verheugd jullie welkom te heten”.
4. De fluit speelde voor hen uit tot ze bij de tempelberg kwamen. En als ze bij de tempelberg kwamen nam zelfs koning Agrippa  een mand op zijn schouders en en liep mee tot de tempelhof. Bij de nadering van de hof zongen de levieten het lied: “Ik prijs u , O Heer, want u hebt mij opgeheven en hebt niet toegelaten, dat mijn vijanden zich over mij verheugden”.


Stel je eens voor, die optocht over de heuvels van Judea, stoeten mensen met mooi gedecoreerde korven met vruchten op de schouders of op het hoofd, de stoere os voorop met gouden horens en de kop met bloemenkransen gekroond, samen met de fluitspelers, terwijl de imposante  muren van Jeruzalem in zicht komen.

Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Dew. 26:4-11): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9  Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.’

Daarna volgde een feestelijke maaltijd. Deze formule, de widoei bikkoerim, is eigenlijk heel bijzonder.

Waar van oudsher omliggende volkeren de vruchten van het land wijdden aan vruchtbaarheidsgodinnen en mythologische godheden, memoreert de Israëlitische landbouwer de geschiedenis van zijn volk en zijn machtige uitredding door en kennismaking met die ene onzichtbare God;  de geschiedenis, die hier is samengevat in een notendop, een kernachtiger formulering is niet denkbaar.
Het is één van de vele reminders, die in Dewarim en de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst van onderdrukking naar bevrijding en zijn roeping tot een samenleving, die geordend is naar principes van gerechtigheid, omzien naar de ander, gastvrijheid en compassie, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
Israël wordt wel genoemd het volk van het boek, het zijn de woorden van een boek, de Tora, de Tanach, die het volk door de geschiedenis heen heeft bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative’ heeft, een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van dat volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk.
De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om van ouders op kinderen, van generatie op generatie, Le-dor wa-dor, de kern van dat narratief door te geven.
Zij die de seider (rituele maaltijd op Pesach) vieren herkennen deze woorden van Dewarim 26:4-11; zij vormen het centrale gedeelte van het dan hervertelde Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, zoals samengevat in het speciale tekstboek voor die Pesach maaltijd, de Haggada. Al eeuwen worden ieder jaar in duizenden Joodse gezinnen en gezelschappen deze woorden, die beginnen met de zwervende Arameeër (naar mijn stellige idee wordt geduid op: Avraham) en zijn geschiedenis weer gesproken.

RC sept. 2014

Voor bovenstaand commentaar heb ik mij mede laten inspireren door het commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks en enkele passages uit Simon Schama: De geschiedenis van de Joden / Deel 1: De woorden vinden.


Parasha Ki Tetsé

Verafschuw de Egyptenaar niet!

Deuteronomium / Dewarim 21:10 tot 26

door Rob Cassuto

Deze parasha Ki Tetsé  gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving  en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie-  en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasha, de meeste van alle parashot.
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her. Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen, maar de moedervogel moet laten vliegen. Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft in iedere generatie: wat moeten we er in Gods naam toch mee? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden? 

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie’ zijn.

Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd  en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen (Dew. 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben.

Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen (Dew. 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israël toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alles het volk van de hongersnood gered en een woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Ja’akov, Esav. Als we de bepalingen uit Dewarim 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, de broer van Ja’akov, en Lot, de neef van Avraham. Rabbijn Sacks wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Moshé een Cushitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar 12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israëlitische) vrouw.  De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Shir Hashirim (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger zelfs ‘zwart en mooi’, ‘shechora  ani we-nawa’ (Shir Hashirim 1:5).
Rabbijn Sacks ziet in de Moshé van deze parasha  een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider  tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij de toestand in het Midden-Oosten rond Israël daarbij in gedachte had. Wilt u nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscène van Ja’akov en Esav, die Jacob haatte, maar ‘Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden (Ber.33:4)’. Een generatie daarvoor hadden Jishma’el, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Ber. 25: 9).

Dat alles neemt niet weg, dat de parasha besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid.
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israël de woestijn had betreden (Shemot 17:14-16), dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet!(Dew. 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken, hoe daar ben ik elders op ingegaan (zie Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype).

Een groot deel van de bepalingen getuigen van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer.
Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs capitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen-  en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een grote rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In mijn vorige commentaar op deze parasha heb ik daar meer over geschreven.


Parasha Shoftim

Vernietig niet! Verspil niet!

Deuteronomium / Dewarim 16:18 - 21:9

door Rob Cassuto

Korte samenvatting van de parasha
In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en onpartijdig rechtspreken, beroepsmogelijkheid bij de Levieten), bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé, dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen en goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha, op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders, waar wij niet meer achter staan (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

Bal Tashchit
Onder de bepalingen van het oorlogsrecht treffen we een opmerkelijk vers (pasoek) aan. Was het oorlogsrecht al behoorlijk revolutionair voor die middenoosterse wereld van de samenstelling van de Tora, helemaal zijn tijd vooruit was wat er staat in hoofdstuk 20 pasoek 19 (iets bewerkte Dasbergvertaling): ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. Is de boom van het veld soms een mens, die bij de belegering is betrokken?’
Niet-vruchtbomen mogen wel worden omgehakt ten behoeve van de belegering.
De Rabbijnse uitleggers redeneerden extrapolerend: als je vruchtbomen al niet in oorlogsomstandigheden mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede. Gaandeweg werd het principe, dat aan deze specifieke bepaling ten grondslag ligt, uitgebreid naar andere levensgebieden. Dat principe werd begrepen als een verbod om opzettelijk datgene wat voor mensen van nut is te vernietigen, inbegrepen ook nodeloze verspilling. Op grond hiervan is een heel leerstuk ontwikkeld onder het adagium ‘Bal Tashchit’, ‘vernietig niet’.
Wie vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tashchit, vonden de rabbijnen van de Talmoed. Men nam het principe zeer serieus. Rabbi Chanina dacht, dat de vroege dood van zijn zoon te wijten was aan het feit dat de jongen een vijgenboom had omgehakt. (Baba Kamma 91b). Het principe is uitgebreid besproken en becommentarieerd door de eeuwen heen. Rabbijn Samson Raphael Hirsch maakte het tot een zwaarwegend principe: ‘Dit is de eerste wet (Deuteronomium 20:19, 20) … Bezie de dingen als Gods eigendom en gebruik hen met gevoel voor verantwoordelijkheid ten behoeve van wijze menselijke doeleinden. Vernietig niet! Verspil niet!’.
In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tashchit als een pijler onder de beweging van eco-kashroet, de leer die puttend uit de bronnen van oude Joodse wijsheid en traditie over de relatie tussen mens en aarde een nieuwe kijk wil ontwikkelen op wat een goede Joodse levenspraktijk is in het moderne leven van alle dag (Arthur Waskow). De ethische overwegingen van Bal Tashchit en eco-kashroet hebben een enorme impact op zowel consument als producent. Het gaat telkens om afweging in hoeverre een handeling een nodeloze belasting betekent van de natuur of nodeloze vernietiging met zich meebrengt. In het commentaar op de vorige parasha over vlees heb ik opgemerkt, dat het eten van vlees te veel kost, de aarde uitput en de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar brengt. Het ongeremd vlees eten van industrieel geproduceerd vlees kan je in de omstandigheden van deze 21ste eeuwse omstandigheden rangschikken als een schending van het principe van Bal Tashchit. Een interessante keuze voor de ecologisch bewuste Jood is: als ik dan al af en toe een stukje vlees eet, wat is belangrijker, dat het kosher is of dat het diervriendelijk, duurzaam en met respect voor de natuur is behandeld?
De pas gewijde Rabbijn van het Verbond voor Progressief Jodendom in Nederland, Clary Roda, is een enthousiaste adept van eco-kashroet . Zij vertaalt het naar Nederland en naar zichzelf. ‘Wat voor energie gebruik je? Er is groene energie. Maar ook: bij welke bank breng je je geld onder? Als je weet waar sommige banken in investeren... Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? En hoe geef je eco-kasjroet dan een plek binnen traditioneel kashroet’ (interview Joods nu). Roda pleit er voor, dat beetje bij beetje dat eco-kashroet ook ingang vindt bij de Progressief-Joodse gemeenschap. Zelf probeer ik een lijn te volgen die je eco-kosher style zou kunnen noemen.

(Bronnen o.a. http://www.reformjudaism.org.uk/a-to-z-of-reform-judaism/contemporary-issues/bal-tashchit.html
http://www.chabad.org/library/article_cdo/aid/1892179/jewish/Judaism-and-Environmentalism-Bal-Tashchit.htm )

Vanaf de rouwdag Tisha Be’Av tot Rosh HaShana, vanaf de parasha Wa-etchanan tot en met de parasha Nitsavim, worden de zeven zogenaamde troost-haftarot (shiva d’nechamta) gelezen, stukken uit het boek Jeshajahoe (Jesaja), die tot strekking hebben het verbannen Israel troost te bieden. Bij de parasha Shoftim is dat Jesaiah 51:12-52:12, waarin deze mooie regels (HSV):

Hoe lieflijk zijn op de bergen
de voeten van hem die het goede boodschapt,
die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
die heil laat horen,
die tegen Tsion zegt:
Uw God is Koning.

Afgelopen week is de maand Eloel aangebroken, de maand van reflectie, die zal uitlopen op Rosh HaShana.


Parasha Re'é

Vlees

Deuteronomium / Dewarim 11:26–16:17

door Rob Cassuto

Kort overzicht

Het begin van de parasha Re’é (‘Zie, besef’) luidt het derde deel in van de grote laatste rede van de oude leider. Het begint met de grote keuze: (Dewarim 11:26, 27 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: de zegen, als u luistert naar de geboden van de Ene, uw God, die ik u heden gebied; 28 de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de Ene, uw God, en van de weg die ik u heden gebied, afwijkt om achter andere goden aan te gaan, die u niet gekend hebt.
De mens heeft een vrije wil, impliceren deze woorden. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens. Elders ben ik op die vrije wil verder ingegaan.  Zie hier en hier. Verder gaat de parasha  over de centralisatie van de eredienst in Jeruzalem, bepalingen rond slachten en vlees eten, tienden, de valse profeet (navi sheker), het shemieta-jaar, de vrijlating van de slaaf, het ter offer aanbieden van de eerstgeborenen van de kudde en ook de drie pelgrimsfeesten (Pesach, Shawoeot en Soekot) passeren weer de revue.

Jeruzalem

In hoofdstuk 12  in pasoek (vers) 11 e.v. wordt verordonneerd, dat, als het volk zich heeft gesetteld in het beloofde land  er één plaats moet zijn voor de eredienst.  Dan zal daar de plaats zijn die de Ene, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de Ene belooft.


Veel van de bepalingen in Dewarim worden ook al eerder 
elders, soms in wat kortere soms in  uitgebreidere vorm beschreven, maar deze centralisering van de eredienst op één plaats is uniek voor dit bijbelboek. Hoewel de stad nergens in Dewarim of ook de andere Mozaïsche boeken met name wordt genoemd, wordt met de plaats natuurlijk Jeruzalem bedoeld. Bijbelhistorici brengen dit in verband met de zuivering door de vrome koning Joshiahoe, die beval, dat overal in het land alle vaak afgodische altaren en dubieuze plaatsen van verering moesten worden vernietigd en dat de offers en de feesten alleen in Jeruzalem zouden mogen plaatsvinden. Misschien heeft  hij deze centralisatiebepaling laten invlechten in de geschriften om aldus deze aanwijzing van Jeruzalem meer gezag te verlenen. Die geschriften zijn misschien de boekrol  geweest, die tijdens de restauratie van de tempel werd gevonden: Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. Hilkia gaf die boekrol aan Safan, en die las het etc. (2 Melachim 22: 8 ev}. De geleerden veronderstellen, dat dit de oertekst van Deuteronomium is geweest of een voorloper daarvan.

vlees

De aanwijzing van Jeruzalem als enige plaats voor offers, aanbieden van eerstelingen, de heilige feesten  etc. bracht een moeilijkheid met zich mee, die moest worden opgelost: het slachten van dieren voor de vleesconsumptie.  Want tijdens de reis door de woestijn was het eten van vlees altijd verbonden met de offers van gewijde dieren. Wilde men vlees eten, dan moest een dier ter wijding aan de priesters worden aangeboden, die het dan slachtten en offerden en dan hun deel kregen. Daarna kon de familie pas aan het eten van hun deel  beginnen. Maar nu de offers alleen in Jeruzalem plaatsvinden wonen velen te ver om deze procedure te volgen en  deze mensen krijgen dispensatie: Wanneer de Ene, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft,  zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten (Dew. 112: 20 ev).

Het is interessant hoe de mysticus Rav Kook (Rabbi Abraham Isaac Hakohen Kook, 1865-1935) deze passage heeft opgevat.  Hij hoorde namelijk in de wijze van formulering van deze zinsneden een licht verwijt doorklinken; met enige tegenzin stond de Ene het eten van vlees toe. Dit was een concessie aan de mensen gedaan om erger bloedvergieten onder elkaar te voorkomen.  Oorspronkelijk was de mens vegetariër, immers  er staat in Genesis: En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen. (Ber. 1: 29) en twee verzen later verklaart Hij dat al wat Hij geschapen had ‘zeer goed was’ (Ber. 1:31). Vegetariër zijn is dus spiritueel gezien de hoogste trede in de menselijke ontwikkeling. Maar sinds Noach konden de mensen die spirituele volmaaktheid niet meer opbrengen en hun verlangen naar vlees niet bedwingen. Daarom werd het in beperkte mate toegestaan  (Ber. 9:3-5). Het eten  van vlees is een neiging, die Rav Kook als negatief betitelt, maar die nu eenmaal moeilijk te bedwingen is.  Vandaar dat de Schepper het eten van vlees heeft toegestaan. De mensen konden  de energie, die het kostte om het verlangen naar vlees eronder te houden, beter besteden aan het verbeteren van de onderlinge relaties van mens tot mens. Echter, het betreft hier een tijdelijke maatregel!  ‘De ontwikkeling van dynamische idealen zal niet voor altijd geblokkeerd zijn. Door algemene morele en intellectuele vooruitgang (…) zal het latente streven naar rechtvaardigheid voor het dierenrijk doorbreken, wanneer de tijd rijp is’, aldus de Rav (geciteerd door Nechama Leibowitz uit ‘Tallelei Orot’, Dauwdruppels van Licht). Vegetarisme is het uiteindelijke ideaal, dat de Messiaanse tijd zal kenmerken. Zelfs de dieren zullen dan een vegetarisch bewustzijn bereiken, zoals Jesjajahoe voorspelt in hoofdstuk 11:

6   Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7 Koe en berin zullen samen weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.

Overigens waarschuwde de rabbi  tegen een al te radicaal vegetarisme, dat het gevaar inhield, dat de aanhanger te zeer los zou komen te staan van de nu eenmaal onvolmaakte wereld.  Om zich zelf eraan te herinneren, dat de Messiaanse tijd nog niet was gekomen at  Rav Kook, die verder vegetarisch leefde,  op shabbat een kippetje!
De dispensatie ten aanzien van het eten van vlees is overigens niet grenzeloos. De slachtvoorschriften (shechieta) en de voorschriften over welke dieren gegeten mogen worden en welke niet en onder welke voorwaarden het vlees moet worden bereid (kashroet) dienen ertoe om de geest bewust te laten blijven van het voedsel, dat men eet en zullen, naar Rav Kook hoopt,  ooit de motivatie te bevorderen het vlees van het menu te schrappen.

Naast messiaans-spirituele overwegingen zijn er ook in de seculiere wereld argumenten van heel andere aard die oproepen om het eten van vlees te stoppen of in ieder geval te minderen. Het zijn argumenten van materiële en ecologische aard, die uiteindelijk ook zeker een ethische en zelfs spiritueel te noemen strekking hebben. Want het eten van vlees kost te veel, put de aarde uit en brengt de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar.
De productie van vlees gaat gepaard met het verbruik van heel wat natuurlijke rijkdommen: Om een kilo vlees te produceren is evenveel tijd en evenveel ruimte (dus oppervlakte grond) nodig als om 160 kg aardappelen te telen. Met de hoeveelheid water die nodig is om een kilo rundvlees te produceren, zou u een jaar lang elke dag een douche kunnen nemen. Voor elke kilo rundvlees die op uw bord terechtkomt, werd 7 liter benzine verbruikt. Wat de klimaatopwarming betreft : de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. Dit komt overeen met een afstand van 60 km die wordt afgelegd met de wagen.

(gegevens vermeld op http://documentatie.leefmilieubrussel.be/ ).

Het geeft mij altijd wel voldoening als ik zie, dat bepalingen uit de Tora in combinatie met (spirituele) uitleg inzichten opleveren, die in een andere moderne vorm opduiken in wetenschappen als bijvoorbeeld sociologie, psychologie en ecologie. De rationele en materiële buitenkant van het weten is ingebed in een onafzienbare bedding  van intuïtieve spirituele kennis.


Parasha Ekev

fundamentele logica

Deuteronomium / Dewarim 7:12–11:25

door Rob Cassuto

Korte samenvatting

In de parasha Ekev zet Moshé zijn lange laatste toespraak tot de Bené Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die  Hij bij monde van Moshé in het vooruitzicht stelt. De  oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar  er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Moshé zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Moshé’s smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Moshé op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de Parasha keert Moshé terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar:  de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Dewarim 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Shema gebed als de tweede alinea daarvan.

Fundamentele logica

Het beeld van de Ene, dat Moshé de kinderen van Israël voorhoudt is dat van een strenge maar rechtvaardige vader, er staat letterlijk: ‘ Laat ieder van u dan beseffen dat de Eeuwige, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt.’ (Dew. 8:5).
Nu moet ik zeggen, dat  wat betreft het beeld, dat voor mij uit het boek Dewarim oprijst, het beeld van strengheid  overheerst. De vele waarschuwingen van vaak kleurrijk geschilderd onheil, dat het volk te wachten staat, als het de fout ingaat, werken dat bij mij wel in de hand, met als toppunt de passages verderop in de parasha Ki Tavo. Ook als je beseft, dat Dewarim is geschreven naar het model van een Middenoosters contract of verbondsovereenkomst uit die tijd met vervloekingen aan het slot voor als het contract niet wordt nagekomen. Ook als je, in de huid van Moshé kruipend, – meer vanuit psychologisch uitlegniveau -  beseft dat hier nog eenmaal een oude leider spreekt met een bijna wanhopige vastbeslotenheid, wetend dat het koppige volk ooit eenmaal weer voor de verleiding zal bezwijken (zie bijvoorbeeld Dewarim 30:1).
In een persoonlijke God, een hemelse vader, die rechtstreeks ingrijpt en ‘goed gedrag’  beloont  met welvaart enerzijds en ‘slecht gedrag’ met rampen en ellende anderzijds geloven velen (de meesten?) en ook ik niet meer.
Toch is een fundamentele logica onder Dewarim wel aan te wijzen. Die zou ongeveer als volgt kunnen luiden: een volk, dat erin slaagt essentiële waarden van rechtvaardigheid, integriteit en compassie te realiseren in de intermenselijke omgang en de maatschappelijke ordening heeft een grotere kans op welvaart en vrede dan een volk dat daar niet in slaagt; dat volk, waarin die essentiële waarden niet worden gerealiseerd of zelfs met de voeten getreden, dat volk loopt een gerede kans op anarchie, burgeroorlog en verdrijving, eigenlijk een kwestie van oorzaak en gevolg. Dat bewijst de geschiedenis en is - denk ik - statistisch aan te tonen.
Deze fundamentele logica ligt als een kiembesef besloten in de menselijke ziel, maar moet wel tot bewustzijn worden gewekt. Dat gebeurt met veel vallen en opstaan in de lange evolutionaire weg van de geschiedenis. In de Tora komt dit oerinzicht voor het eerst tot expressie bij monde van Moshé en kan alleen door het gewone volk worden geaccepteerd als het ervaren wordt als komend  van een boven ieder staande metafysische autoriteit, met de kenmerken van een ideale oervader, de Eeuwige, Hij zij gezegend. In het bewustzijn van de westerse moderniteit heeft God zich als  vaderlijke regisserende autoriteit teruggetrokken, hij is ‘dood’ sinds Nietzsche.
Om in  ‘Joods-theologische’ termen te blijven - waag ik te zeggen als amateur – zou je kunnen spreken van een doorgaande ‘tzimtzum’ van de Schepper, een proces, waarin de Eeuwige zich steeds meer terugtrekt als beheerder van de schepping en de wereld overlaat aan de mens en zijn verantwoordelijkheid.
Ook al is God niet meer de regisseur en de beloner of straffer, de fundamentele logica met zijn essentiële waarden, zoals ik die net verwoord heb en die aan Dewarim ten grondslag ligt, blijft wel bestaan en gelding hebben.
Aan de eigenschappen, die Moshé aan de Eeuwige in deze parasha toekent, kunnen we iets zien van de essentiële waarden, die een goed mens of een ideale samenleving zou moeten nastreven. Bijvoorbeeld:  Want de Ene, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de machtige, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; hij verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding (Dewarim 10: 17, 18).

Een andere essentiële waarde, die deel uitmaakt van de fundamentele logica van Dewarim is de liefde. Rabbijn Jonathan Sacks vestigt de aandacht op de liefde, als kenmerkend voor de Eeuwige, met name in het boek Dewarim. Daar komt de wortel a-h-v (liefde, ahava, liefde, ahav, houden van) 23 keer voor, in Shemot 2 keer, in Wajikra 2 keer en in Bemidbar niet één keer. Het is uit liefde(van God), dat de schepping voortkomt en die liefde heeft mede een ethische strekking, dat is heel kort door de bocht het thema van Jonathan Sacks commentaar. Wat vrij vertaald zegt hij o.a.:
“Het radicale van dit idee is, dat ten eerste de Tora met stelligheid beweert, tegen praktisch heel de  oude wereld in, dat de essentie, die de werkelijkheid bepaalt, niet vijandig of onverschillig is ten opzichte van de mensheid. We zijn hier omdat iemand of iets ons wil. We zijn hier omdat  iets of iemand  om ons geeft, over ons waakt, streeft naar ons welzijn.”
Als dat de essentie van de werkelijkheid is – and ‘you better believe it’ en of men dat nu in een opperwezen legt of niet – het is aan mij en u  om dat in onze ‘mind’ en in ons doen en laten te spiegelen en tot expressie te brengen.

Het is de kunst om niet ontmoedigd te raken als we in onze moderne wereld om ons heen zien, hoezeer die fundamentele logica van Dewarim niet wordt gezien, wordt genegeerd, niet wordt (h)erkend; als we zien in welke mate menselijke rampen, ellende het gevolg zijn van afgunst, haat, fanatisme,  onverschilligheid, vooroordeel, overmoed, corruptie en zo meer.


 

Parasha Wa'etchanan

moderniteit en religie

Dewarim / Deuteronomium 3:23-7:11

door Rob Cassuto

Korte inhoud
In de parasha Wa’etchanan begint de eigenlijke wetgeving. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid.
Als prelude klinkt het verzoek van Moshé om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga.
Dan volgen een aantal fundamentele teksten, met als hoogtepunt de Tien Woorden in een  in detail afwijkende versie van Exodus 20. Ook de tekst van het Shema is hier te vinden en de regels op grond waarvan de geboden om gebedsriemen (tefillin) te gebruiken en om mezoezot aan de deurpost te slaan zijn gebaseerd.  De oude leider voorziet overigens al, dat ooit zijn volk in de fout zal gaan en verstrooid zal worden onder vele volken. Maar dan zal zult u daar de Eeuwige, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt (4,29).

Als commentaar gebruik ik een deel van een paar jaar geleden gehouden lezing.

de moderniteit
We passeren heel snel een aantal stations op deze lange mars door de eeuwen en komen via de renaissance en de wetenschappelijke omwentelingen in de 17e eeuw bij de Verlichting. Deze beweging, gekenmerkt door een vernieuwde en scherpere toepassing van de rede op de feiten van de wereld (met name door experimentele toetsing) deed de oude gebouwen van het dogmatiek en kerkelijke autoriteit wankelen. De wereld werd kleiner en de analyserende blik van de mens reikte naar onvermoede verten. Ook God moest eraan geloven.
Ik beschouw de fase van de Verlichting als een fase in de evolutie van het religieus bewustzijn en beleven van de mens en ik zie de gave tot objectief onderzoek van feiten met behulp van rede en experiment als een ongekende expansie van het bewustzijn van de mens en een enorme verruiming van zijn mogelijkheden, ook om de oude absolute dogma’s en benauwende claims van de religieuze instituten van de religie te overstijgen. Het is een progressie in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn met een onpeilbaar grote invloed ook op levensbeschouwing en religie. De moderniteit was aangebroken. Met alle voordelen en de prijs die de mensen ervoor betalen.
De mogelijk van secularisatie werd door brede massa’s aangegrepen. Voor de joden betekende de verlichting emancipatie uit het getto. Het gaf de mogelijkheid de overgeleverde tradities in een nieuw en ruimer licht te zien. Sommigen stapten helemaal van hun geloof af en kozen voor assimilatie.
Omdat de mensen toch niet zonder perspectief kunnen en opgenomen willen zijn in een enthousiasmerend perspectief dat hun eigen leven ontstijgt ontstonden in de moderniteit pseudo-religieuze bewegingen, die een enorme impact op de wereld zouden hebben. Nationalisme, het materialistische marxisme of het kapitalistisch-liberale vooruitgangsgeloof. Onder de seculiere profeten die opstonden konden we trouwens nogal wat Joden ontwaren zoals Karl Marx met zijn socialistisch-messiaanse theorieën en Sigmund Freud, die als een moderne Mozes door de wildernis van het innerlijk trok.

We zijn inmiddels aangeland in de postmoderne periode. De net genoemde surrogaatgeloven zijn van hun voetstuk zijn gevallen en hebben hun magnetische impact op geest en ziel verloren. Wat er overgebleven is aan kerk of geloofsinstituut probeert krampachtig nog een bestaansrecht te claimen. De barsten in het seculiere vooruitgangsgeloof zijn maar al te zichtbaar en voelbaar.
Het rationele tijdperk heeft zoals elke fase zijn vervorming; het is de absolutistische en uitsluitende pretentie, die het als het ware heeft overgenomen van de oude religieuze instituten, maar nu om het niet manifeste, het innerlijk, het spirituele en God te ontkennen. Alleen wat gemeten en bewezen kan worden is waar. De ratio is geen instrument meer maar absoluut heerser en zijn neef ‘ het objectief aantoonbaar nut’ zijn vazal. Met de enorme technologische ontwikkelingen lijkt de triomf compleet. Wij staan in deze nieuwe eeuw in al onze ontnuchtering voor de vraag, wat nu?

Wat langzaam tot velen doordringt is hoe de wereld is veranderd. Communicatie reikt tot de verste uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourced. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen alom. Maar tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in de welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte vaart. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig en we hebben ook iets onmetelijks verloren.

We kunnen natuurlijk onze ogen sluiten en gewoon lekker leven. Een joodse witz brengt dat aardig in beeld: Rabbijn Goldberg stormt zijn huis in en roept:
Rivka, Rivka, ik heb net doorgekregen, over twee weken komt de masjieach!
Rivka: Oj gewalt, waarom net nu, we hebben net ons nieuwe huis afbetaald, nieuw bankstel gekocht en een moderne keuken laten installeren...
Rabbijn: Ach Rivka, je moet denken, we hebben Farao overleefd, Haman, Bergen Belsen, de Masjieach overleven we ook wel...

Maar Rivka kan de problemen niet voortdurend ontkennen.
Wat nu? Hebben de religies ons nog iets te bieden?
Een kwart van de Nederlanders is ’ongebonden spiritueel’ stelt een rapport  van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vast.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De gangbare theorie dat spirituele mensen vooral oude hippies zijn – de flowerpower-adepten van weleer – en dat ze vanzelf wel uitsterven, klopt volgens het rapport niet. „Ons onderzoek laat zien dat spirituele mensen ook onder jongeren goed vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld zijn ze 42 jaar en bovendien zijn het blijvertjes."  Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de ’ongebonden spirituelen’ (mensen die naar eigen zeggen spiritueel zijn, maar zichzelf tot geen enkele groepering rekenen) niet alleen maar met hun eigen spirituele verrijking bezig zijn. Spirituelen zijn juist betrokken bij milieubescherming, mensenrechten en vluchtelingen, en ze geven gul aan goede doelen.

We kunnen best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Wat verlies je als je bijvoorbeeld jodendom en christendom zou afschaffen?


Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis

ethische essentie
De essentie van het jodendom is naast het numineuze (en wellicht daarmee verbonden) de ethische richtlijn. In het Boeddhisme is dat bijv. opgenomen in het achtvoudige pad. In het jodendom is dat te vinden in de Tien Geboden – Uitspraken zegt men in het jodendom – en in vele andere voorschriften in de Tora zoals die te vinden zijn in bijv. Leviticus 19, waarvan de bekendste is: ‘Heb je naaste lief als jezelf’ en Deuteronium 4 ev. ‘Ik ben de Eeuwige’. Deze richtlijnen voor omgang tussen de mensen en met de Schepper, deze geboden van rechtvaardigheid en compassie, zijn ooit een vrucht van diep inzicht geweest van de joden in oerverbinding met wat hun als God werd geopenbaard. Deze ethische essenties zijn verder opgenomen door Jezus in zijn verkondiging en zo ook een wezensbestanddeel van het christendom geworden. Eigenlijk hebben deze ooit aan de joden gegeven geboden uiteindelijk doorgewerkt in een door de meerderheid aanvaard humanisme met name in westerse samenlevingen; dank zij hen is onze maatschappij met een aantal rechtsregels van menselijkheid en omgangsafspraken van fatsoen en respect onderbouwd en mogelijk gemaakt. Het is evident dat het wegvallen van een religieus draagvlak voor deze regels ondermijnend werkt en uitbuiting, decadentie, anomie en anarchie in de hand werkt. Het normen en waarden-debat.

gemeenschap
Religie en dus ook jodendom is gemeenschap. Religie verbindt mensen met elkaar rond het centrum van de primordiale vraag naar hun bestemming. Dit is ook de oplossing voor de existentiële eenzaamheid en het antwoord op de oervraag naar zin, die soms met stille fluisterstem spreekt. Het is de niet op nut of productie of doel gerichte gemeenschap, die mensen wezenlijk zoeken. In het jodendom wordt die gemeenschap uitgewerkt in het Verbond, dat is gesloten tussen God en het volk van Israël, dat concreet wordt beleefd in de synagogale gemeente. Daar worden ook de grote levensmomenten rond geboorte, huwelijk, verlies en dood samen gedeeld.

geschiedenis
Religie – en jodendom bij uitstek - is geschiedenis. Religie verbindt de generaties met elkaar in een gemeenschappelijk verhaal en een gedeeld lot. Van vader en moeder op zoon en dochter wordt het familieverhaal, het gedachtegoed en een context om het te begrijpen doorgegeven. Geschiedenis geeft een verleden en plaatst ook het eigen levenslot in het perspectief van een verleden en een toekomst. Daarin heeft het individu deel aan het drama van de wereld- en volksgeschiedenis.
Bij de joden is het evident dat deze geschiedenis een complexe is met vele vragen. De zogenoemde uitverkorenheid is bij vele niet-joden verkeerd begrepen als superioriteit. Het gaat in feite om de opdracht tot een bepaalde bestemming in de reis van mensheid.


 

Parasha Dewarim

terugblikken

Dewarim / Deuteronomium 1:1–3:22

door Rob Cassuto

Het boek Dewarim

Dewarim is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewarim is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewarim is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Bijbelwetenschappers zijn het er bijna allemaal over eens, dat het geschrift is gecomponeerd in de tijd van de koningen Chizkijahoe en Joshiahoe uit bestaande orale of al geschreven teksten. Men identificeert Deuteronomium dan met de boekrol die wordt vermeld in 2 Koningen/Melachim 22, waarin vermeld wordt dat bij de restauratie van de tempel een boekrol is gevonden met heilige teksten, die aan de vrome koning Joshiahoe onthulden hoezeer het volk was afgedwaald van de rechte leer. Het kwam de koning goed uit in zijn strijd tegen de afgodendienst, voor de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem.
Waarschijnlijk was het oorspronkelijke geschrift korter dan het huidige boek en is het  later verrijkt met een epiloog en een proloog waarin Moshé als spreker wordt ingevoerd om het boek het nodige gezag te geven.
Een interessante inleiding in het boek geeft G. Plaut in zijn ’Torah, a modern commentary’.

In het boek Dewarim zijn een aantal onderdelen te onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewarim 1- 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Verder vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27. + capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes. 27-29
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo. 29-34

De parasha Dewarim  

Dewarim  is ook de naam van de eerste parasha van het boek Dewarim, naar de eerste woorden, die  luiden: “Dit zijn de woorden, ‘eileh ha-dewarim’, die Moshé etc.”  De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Delen van het Transjordaanse land zijn al toegedeeld aan de stammen Rueven, Gad en de halve stam van Menashe. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar.
Er zijn als het ware twee terugblikken.

De eerste terugblik put uit de geschiedenis van de eerste generatie, de eerste 38 jaar woestijnverblijf. Opvallend zijn de highlights die de terugblikkende leider uit die lange periode kiest om te memoreren. Je zou verwachten, dat hij bijvoorbeeld het gebeuren bij de Sinaj nog eens ophaalt of de grote misstap van het gouden kalf. Maar Moshé noemt  de aanstelling van de stamhoofden en rechters, in deze versie voorgesteld door het volk en niet door zijn schoonvader Jitro, zoals Exodus verhaalt. Moshé memoreert, dat de rechters onpartijdig, neutraal en zonder aanzien des persoons moeten oordelen. Dat hij juist hier nogmaals over uitwijdt benadrukt, hoe belangrijk de waarde van onpartijdige rechtspraak voor een samenleving is, de hoeksteen van rechtvaardigheid en vrede.
De andere gebeurtenis, die Moshé terughaalt,  is de geschiedenis van de verkenners van het  beloofde land, toen ze na twee jaar aan de grenzen daarvan waren aangeland, waarbij de spreker nog eens het mismoedig verslag  van de verkenners vermeldt en waarbij hij het gebrek aan geloof van het volk in een voorspoedige en gezegende voortgang van zijn missie breed uitmeet. Uitgebreid verhaalt de oude leider de gebeurtenissen nog eens en memoreert hoe het volk van Israel  gedoemd werd in de woestijn te blijven tot een nieuwe generatie was volgroeid.
Dat Moshé juist op dit drama nog eens terugkomt is begrijpelijk als we beseffen, dat het die nieuwe generatie van jongeren is, die hij toespreekt. Juist het falen van de vorige generatie bij de grenzen van het beloofde land destijds houdt hij hen voor, alsof hij impliciet zegt: nu wij weer aan de Jordaan staan, maak niet dezelfde fout als jullie ouders en vertrouw en geloof daarentegen in eigen kunnen en de hulp van de Eeuwige.

De tweede terugblik behandelt de afgelopen twee jaar, het langzaam oprukken vanaf de oase van Kadesh – waar ze het merendeel van de 38 jaar hadden verbleven -  langs de Jordaan, eerst om het land van de Edomieten – die als broedervolk en afstammelingen van Esav niet mochten worden aangevallen – en dan om het land van de Ammonieten heen – ook een broedervolk en afstammelingen van Lot, de neef van Avraham – en dan verder noordwaarts het land in van  koning Sichon en het land Bashan van koning Og, waar succesvol strijd tegen werd gevoerd. Genoemde laatste twee landen werden toegedeeld aan de stammen van Reuven en Gad en de halve stam van Menashé, mits de mannen  wel aan de verovering van het Cisjordaanse land zouden deelnemen, zelfs als stoottroepen. Dat is ongeveer en goeddeels de inhoud van de inleiding van Moshé en de eerste parasha van het boek Dewarim. Daarna komt hij toe aan de werkelijke boodschap, de richtlijnen voor het juiste leven van de Israelietën, nodig voor het overleven als natie.
In de volgende parasha Wa’etchanan krijgen we even nog de onroerende scene, dat Moshé verzoekt om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga. Dan begint in hoofdstuk 4 de wetgeving met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20.

 

We-zot ha-beracha

(Dewariem/Deuteronomium 33 en 34), gelezen op Simchat Tora 

door Rob Cassuto


de dood van Mosjé

De beschrijving van de laatste gang van Mosjé (Deut. 34), weg van het volk, de berg Nebo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscènes en dit is wel de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Deut. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt.

De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.

Het is ook de menselijkheid ondanks de heroïeke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Mosjé was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.

Hij stierf "al pi Hashem", wat vertaald wordt als "volgens des Heren woord", "op bevel van de Eeuwige", "aan de mond van de Eeuwige" etc.

Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Heeft Mosjé zijn eigen dood beschreven?
 

Als Mosjé de auteur is van Dewariem, wie heeft dan de laatste verzen geschreven, is de vraag die bij de logisch georiënteerde lezer opkomt.

Rabbijn Evers heeft de antwoorden geïnventariseerd:

Jehosjoea heeft de laatste verzen geschreven. Of God heeft ze gedicteerd en Mosje heeft ze `bedima' - onder tranen - opgeschreven. Of alle letters van de Tora zijn op Sinaj aan Mosjé gegeven en na de dood hebben de letters zich tot de laatste verzen samengevoegd.

Zelf denk ik dat het boek Dewariem bestaat uit een kern van authentieke fragmenten, uitspraken van Mosjé door hem zelf of door nakomelingen van Aharon opgetekend, waarbij rond die kern oude herinneringen zijn toegevoegd, waaronder de dood van Mosjé.

Mogelijk heeft die samenvoeging pas plaatsgevonden onder koning Josjiahoe (zie mijn commentaar op de eerste parasja van Dewariem). 

de profeet Mosjé

 

Ook dit nog: in vers 34:10 staat: nooit meer stond er een profeet in Jisraël op als Mosjé, met wie de Eeuwige omging 'van aangezicht tot aangezicht'.

Maar Mosjé zelf sprak tot het volk in vers 18:15: De Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. 16 Jullie hebt de Eeuwige daar immers zelf om gevraagd, toen jullie bij de Chorew bijeen waren. Jullie zeiden: "Wij kunnen het stemgeluid van de Eeuwige, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet." 17 De Eeuwige heeft toen tegen mij gezegd: "Zij hebben goed gesproken. 18 Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag".

Hoe kan dit samengaan? Een antwoord heb ik nog niet gevonden.

Jaarcyclus en historische voortgang

Het boek Dewariem is afgesloten en de lezing van de Tora is rond. Het is Simchat Tora en de chataniem Tora hebben de laatste parasja gelezen en ook weer de eerste parasja Beresjiet. De cyclus gaat door. Maar in de geschiedenis gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier de Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken; deze situatie is ook de inhoud van de haftara - stuk uit de bijbel dat naast het Tora-stuk wordt gelezen- die bij deze parasja hoort.

Die oversteek betekent het verlaten van mythische grond van de Tora en de oversteek naar de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het echte geschiedenisboek, de geschiedenis van de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en zijn vrienden en vijanden van het politieke moment.

Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar een onbekend gebied en een ongewisse toekomst heeft ook een archetypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn. Ook individueel zijn deze momenten te herkennen: grote beslissingen die een nieuwe levensfase inluiden.

In het allereerste stuk van het boek Jehosjoea (1:9) staat, dat de Altijdzijnde Jehosjoea - en eigenlijk ons allemaal wanneer we voor grote stappen in het leven staan - gebiedt: “wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij”.


Soekot en Kohelet

door Rob Cassuto

Soekot en Kohelet

De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan worden in  plaats van de te verwachten parsje van de week enkele stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Shemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol  beenderen die weer levend lichaam worden.
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen.

Soekot staat in het teken van lichtheid en vreugde. Uitdrukkelijk zegt de Tora: we-hajta ach sameach (Deut. 16:15), je zult volkomen blij zijn. Een van de andere namen van het feest is: chag simchatenoe, feest van onze blijdschap. Na de dagen van inkeer, vernieuwing en verzoening, die Rosj Hasjana en Jom Kippoer inhouden, vormt Soekot een vreugdevolle afsluiting en luidt eerst waarachtig een nieuwe jaarcyclus in.
 
De vreugde van  Soekot is een resonantie van de agriculturele oorsprong als  feest van de late oogst, van dadels, vijgen, druiven e.d. We kunnen ons indenken, hoe blij de boeren en landarbeiders waren met het goede verloop van de inzameling van de vruchten en hoe verheugd dat ook deze oogst er weer opzit en wellicht hebben ze dat gevierd in de provisorische hutten, waarin ze tijdens het oogsten op de vaak ver van huis liggende velden hebben verbleven.

Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Shlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.
De rabbijnen hadden moeite met het boek, dat niet echt leek te passen in de rechtzinnige overtuigingen, die de andere boeken van de Tanach propageren. Op het nippertje is het dan ook in de canon toegelaten (met als concessie, dat misschien de laatste twee verzen, die oproepen tot vrome navolging van de geboden, zijn toegevoegd (Koh. 9:13, 14)). 
Gelukkig maar, want hoe diepzinnig en poëtisch zijn de wijsheden van een kennelijk oude man, die de toppen en de dalen van het leven heeft meegemaakt, verwoord!
En wat de bejaarde koning over vrolijkheid en vreugde te zeggen heeft is de moeite waard om ter harte te nemen.

Goed beschouwd is het boek een worsteling van een man op zoek naar de zin van het leven en tot zijn groot verdriet tot de conclusie komt, dat het een mens niet lukt die te ontdekken. Het is alles leegte, niets dan leegte.  Het besef van de dood maakt alles betrekkelijk en dat dwaasheid en onrechtvaardigheid vaak de overhand hebben is verbijsterend en maakt moedeloos. Rijkdom en bezit als doel van het leven blijkt op zich een mens geen vervulling te geven. De prediker heeft het zelf allemaal onderzocht, macht en rijkdom heeft hij vergaard, zich ondergedompeld in de vrolijkheid van wijn en hij heeft persoonlijk ook de dwaasheid beproefd, maar de conclusie was: Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? (Koh. 2:2). 

Kennelijk heeft de ervaring van zinloosheid bij Kohelet tot een zware depressie geleid.
Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegenstaan, want het is niet meer dan lucht en het najagen van wind. (Koh. 2:17).

Maar als oudere mens is hij die diepgaande crisis toch te boven gekomen, want te midden van die vruchteloze zoektocht naar zin en betekenis heeft de vrolijkheid een nieuwe vorm gekregen. Dat de mens zelf geen zin in de schepping kan ontdekken, hoeft niet te verhinderen, dat hij daarom niet kan genieten.
Ik heb vastgesteld dat voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten. 13 Want wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God. (Koh. 3 12) 

Een onomwonden oproep om van het leven te genieten klinkt in Kohelet 9:7 Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. 8 Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. 9 Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.
Zo zijn er meer passages aan te halen, waarin het in vreugde genieten van het leven toch de voorkeur krijgt boven het in verdriet en depressie ter neer zitten.

Er is kennelijk sprake van twee soorten vreugde, die in de boodschappen van de oude koning meespreken. 
De eerste soort zijn de korte vreugden van de wijn, de pleziertjes, waarmee je in de jacht naar een comfortabel leven, naar amusement of erkenning en eerbetoon de leegte tracht op te vullen.
Met genieting is echter niks mis, als ze gepaard gaat met twee essentiële zaken: 
Dankbaarheid voor de gaven die je in het leven toevallen en die je door het lot – of als je gelovig bent door God - zijn toegedeeld, maar die ook weer kunnen worden weggenomen.
Bewustzijn van de eindigheid van het leven en besef, dat de dood altijd op de achtergrond aanwezig is. Dat is de vreugde van de wijze, een blijdschap met een diepe ondergrond, een genieting, die altijd een bitterzoete smaak heeft.
Dat is ook de betekenis van de ogenschijnlijk tegensprakige woorden in Kohelet 7: 2: 
Het is beter dat je naar een huis vol rouw gaat dan naar een huis vol feestrumoer, want in een huis vol rouw eindigt iedereen. Dat neme ieder mens zijn leven lang ter harte. 3 Je kunt beter droevig zijn dan vrolijk, want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. 4 De gedachten van de wijze zijn graag in een huis vol rouw, die van de dwaas in een huis vol plezier. 
Ik moet dan denken aan de gevoelens, die je kan hebben als bijwoner van een begrafenis, paradoxale gevoelens van verdriet, compassie en besef van de fundamentele waarheid van de dood, die het hart verruimen en een diepe blijdschap niet hoeven uit te sluiten.

Misschien is dat een van de zaken, die Soekot en Kohelet samen ons vertellen: Wees blij, maar vergeet nooit dankbaar te zijn. Geniet van de resultaten van je werk, maar besef, dat het leven niet maakbaar is. Wees verheugd, maar ‘memento mori’. 

(citaten NBV)

 

Groot en klein

 

 

Een gedachte over de strekking van Grote Verzoendag

door Rob Cassuto

“Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze diepste angst is dat we oneindig machtig zijn. Het is ons licht, niet onze duisternis waar we het allerbangst voor zijn. We vragen ons af: wie ben ik dat ik briljant, buitengewoon aantrekkelijk, getalenteerd en geweldig zou zijn. Maar waarom eigenlijk niet? Je bent toch een kind van God? 
Dat je je kleiner voordoet dan je bent komt de wereld niet ten goede. Er is niets verheffends aan om je kleiner voor te doen dan je bent, opdat de mensen om je heen zich vooral niet onzeker gaan voelen.”
Als woorden van Nelson Mandela gaan zij de wereld rond. Hij zou ze hebben uitgesproken bij zijn inauguratie tot president van de republiek Zuid-Afrika. In feite is de tekst van Marianne Williamson, een van de founding mothers van de z.g. Course in Miracles. Ze zijn te lezen in een van haar boeken. Of Mandela ze nu geciteerd heeft of helemaal niet gesproken heeft, doet nu niet meer ter zake. Ze zijn aan hem vastgehecht geraakt en in ieder geval op hem van toepassing en in principe ook op ons. De woorden wekken ons op, voelen aan als juist en roepen ons op het beste in ons zelf te realiseren, om als het ware over de drempel van onze angst te stappen in onze beste mogelijkheden. 

In de Machzor (het gebedenboek) voor Rosh HaShana en Jom Kipoer, lezen we: “De mens zijn oorsprong is stof en zijn einde is stof. (…) Broos als breekbaar glas, hij verdort als ’t gras”.
En: “Mijn G-d zolang ik niet geschapen was, zolang ik niet gevormd was, was ik niets waard. En nu ik gevormd ben is het alsof ik niet gevormd ben, want stof ben ik in mijn leven, hoeveel temeer dan, wanneer ik gestorven zal zijn. Hier sta ik dan voor U Heer, als een voorwerp vol smart en vol schande om zijn eigen tekortkomingen”. En vele malen op Grote Verzoendag wordt in de ‘bekentenisgebeden’, de Widoej, beleden hoe wij mensen hebben gedwaald en gefaald. De gebeden brengen de bidders tot een besef van vergankelijkheid, kleinheid en nietigheid, slechts overgeleverd aan de vergevingsgezindheid van de Schepper.
Ook die woorden van de gebeden van Grote Verzoendag voelen aan als juiste oproepen, hoe zwaar ze soms zijn aangezet ook of juist daarom, als indringend en nodig.

Hoe is dat met elkaar te rijmen, die ‘grootheid’ van de mens en die ‘kleinheid’?

twee woorden

Wellicht biedt Rabbi Bunam zicht op deze vraag.
Hij sprak tot zijn leerlingen: Ieder van jullie moet twee zakken hebben om naar behoefte in de ene of in de andere te kunnen tasten: in de rechter ligt het woord: “Om mijnentwille is de wereld geschapen” (Talmoed, Sanhedrin 37)) en in de linker: “Ik ben stof en as” (Genesis 18:27).
Deze twee zakken zijn voor ons beschikbaar.
Je zou ook kunnen zeggen: de mens is een wezen dat gespannen is tussen twee polen. In de ene is hij de koning van het universum; voor hém is het geschapen en hij mag het bewerken en genieten, een winnaar is hij. Maar onvermijdelijk breekt er een moment aan, dat zijn project feilbaar blijkt, barsten vertoont en schipbreuk lijdt. Hij belandt bij de andere pool.
In de andere is hij klein, nietig en vergankelijk en moet hij, afgestapt van zijn troon, erkennen dat hij het niet redt. Eenzaam is hij en overgeleverd aan de genade van wat hem ver te boven gaat. De wende die dan voor hem ligt is de ommekeer, de tesjoewa, en als hij die wende maakt keert hij weer naar de andere pool en deze levenslange slingerbeweging, is dat niet één van de grondtonen van het bestaan?

Meer over Jom Kipoer op Rob Cassuto's website


Parasha Ha'azinoe

Commentaar door Rob Cassuto

De parasja Ha'azinoe (Dewariem 32-33) bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Het bestaat uit drie episoden. 

De eerste brengt in herinnering de keuze van de Eeuwige van Israël als Zijn volk, Zijn bijzondere bescherming: "Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt" en vervolgens een tekening van de voorspoed waardoor "Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots."

Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk: eerder in Deuteronomium wordt eveneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller. (28:49): "Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt."

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen oefent, in lyrische beelden beschreven. 
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël zouden zien. Het doet denken aan het argument waarin Mosjé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"'

Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn. Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige redding. 
In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor de afval de vreselijkste rampspoeden, die in geuren en kleuren beschreven worden.

In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de lyrische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet wordt gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.

De God en zijn geboden die óf gevolgd worden óf in de wind geslagen worden ten gunste van de afgoden (in ruimste zin), wie en welke zijn dat? Slaat het vooral op de strikte inachtneming van de 613 mitswot die uit de Tora gedestilleerd zijn en op de exacte opvolging van de regels van de Sjoelchan Aroech of geldt het vooral voor het luisteren naar de stem van het ethische hart dat onlosmakelijk versmolten is met de God, zoals die aan Mozes en Israël verschenen is en het praktiseren van de essentie van wat toen is gehoord en nog steeds resoneert in ons eigen hart? 

Afbeeldingen:

- Ha'azinoe: Luister.

- Sea Eagles Nest; Bruno Liljefors

 


 

Parasha Nitsaviem-Wajelech

 

 

Commentaar door Rob Cassuto

In parasha Wajelech (hfst 31) staat de voorspelling dat het volk van Israël na de dood van Mosjé achter andere goden zal aanrennen en (NBV):

17 Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” 18 Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.

Deze passage is een omschrijving van het Verborgen Aangezicht van God. Een hardvochtige en rechtlijnige passage
Steeds worstel ik met enerzijds de constatering dat zovelen van het volk van Israël, zovelen van de volkeren van deze wereld, zovelen zoveel ellende onder ons brengen. Ook ik als iemand die meestal langs de zijlijn staat heb mijn aandeeltje.
Anderzijds zijn er ook zoveel hoopvolle tekenen, zoveel goede initiatieven, zoveel ontluiking van goede intenties en goede daden.
De in Deuteronomium in zo grote getale uitgestorte voorzeggingen van rampen en vervloekingen, ze lijken altijd wel te eniger tijd ergens ter wereld werkelijkheid te worden.

Ook het laatste lied van Mosjé staat vol van de woede van de Eeuwige die op zijn ongehoorzame kinderen ontbrandt en met een literair welhaast wellustige pen (voorloper van Dante’s beeldende taferelen) worden voor de zoveelste keer allerlei bloedige scene’s geschilderd.
Steeds pepert de oude leider, die weldra het stokje moet overgeven, het zijn volk van Israël en ons in, hoe ongehoorzaam en verderfelijk wij zullen zijn. 
Ja, nou weten we het wel, ben ik geneigd uit te roepen.

Daarom lijkt het alsof de zon even een straal van haar licht laat schijnen in een duister bewolkte hemel als we in hfst. 30 de regels over de Grote Terugkeer (Tesjoewa) lezen (NBV):

1 Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Hashem, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar Hashem, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3 dan zal de Hashem, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.

De uitleggers hebben verschillende verklaringen voor deze passage. Maar hij ademt wel de nabijheid van een Messiaanse tijd. De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Dat een grote ommekeer in ons eigen leven zal plaatsvinden. En iedere dag doen we onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.
De tijd tussen Rosh Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoewa, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.

Eén van de grote thema’s is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega’s en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora’, waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

It's never too late to be what you might have been.

Wat ons is aangedaan door anderen:
Dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega’s. 
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Of de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht was of een projectie van jou naar aanleiding van eerdere misstanden, heel vaak komen door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terecht in een slachtofferpositie.
De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan.
Toch is dat nodig.
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: voor vergeving van de ander. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen.
Die ander hoeft het niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.
Tesjoewa is het thema van deze week waarin Rosj Hasjana valt en de Jamiem Noraiem beginnen.
Rosj Hasjana is de eerste dag, de dag waarop de Akedat Jitschak - de binding van Isaäk op het altaar - wordt gelezen.
Het verhaal begint met het strikte oordeel aan Avraham om zijn zoon te offeren. De maan is een smalle sikkel, Rosj Chodesj. 

Alles staat in het teken van de sefira Gewoera, gestrengheid, oordeel. Maar als Jitschak op het hout ligt, gebiedt de engel Avraham te stoppen. Het offer van zijn zoon hoeft niet. De maan gaat wassen. De sefira van Chesed – barmhartigheid, liefde, vergevingsgezindheid – krijgt de overhand.

Lesjana tova tikatvoe

citaat Simon Jacobson:
Imagine waking up every day knowing that you have a job to do that no one else but you can accomplish. That the entire world is waiting in anticipation for you to fulfill your role. And if you don't do your part, no one else can fulfill their roles. Imagine that you are carrying the baton in your leg of a long marathon, and if you drop the baton or do not run your leg, everyone else is compromised. Imagine that you are an astronaut in space and if you don't press the right button all of humanity hangs in the balance.
Imagine that every second of the day, every fiber of your being, feels how your next act changes the course of destiny.
If you felt this sense of urgency and this confidence all the time, how many problems would it pre-empt? How much heartache, aggravation, and therapy it would prevent; how much money, time and resources it would save!

Afbeeldingen:

- Nitsaviem

- Rosj Chodesj


Parasha Ki Tavo

Commentaar door Rob Cassuto

De parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26:1–29:8. 
De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest) is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagoges is het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken’.
Want in dit stuk komt de lange reeks vervloekingen voor, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, berisping. Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai. 

Maar deze Tochacha in Dewariem is uitgebreider; ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en dramatische begaafdheid bij elkaar gezet en met een fantasierijke welhaast aan perversie grenzende beeldrijkdom geformuleerd, beschreven met een barokke literair begaafde pen. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling was waarschijnlijk om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers van het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden. 

Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld). 
Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeks vervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren. En na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van een tijdschema, waarna alles weer goed komt. 

Rav Soloveitchik wijst erop, in navolging van Maimonides, dat alleen teshoewa (ommekeer uit afdwalingen) tot verlossing uit de benarde omstandigheden kan leiden. Dat deze algehele teshoewa ooit zal plaatsvinden wordt voorzegd in de volgende parasha Nietsawiem (Dewariem 30: 1-10) 

Natuurlijk rijst ook naar aanleiding van deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat de vraag: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal, nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan weer ‘in de reeks vloeken’ als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? 
De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid te behandelen ontbreekt mij. Spontaan veroorloof ik mij - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar door mij gelezen regels hierover - het volgende te zeggen. 

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Dit is nog de nasleep van de ‘God is dood' geschriften van de zeventiger jaren.
Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op metafysisch niveau raakbaar - , maar één ding is duidelijk: als hij werkzaam is, is hij dat dóór de mens heen.
De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie tot en samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zichzelf, de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . 
Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, rechtvaardigheid naar de naaste en in de gemeenschap, trouw en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor de minder bedeelden en behoeftigen, zorg voor de natuur en de leefomgeving, e.d. 

Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm ‘zo lang geleden al’ zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept om als volk in welvaart, overvloed, blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven. 

Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te wijten of te danken. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie (burger)oorlog of die samenleving wordt de prooi van vergelijkbare of ergere verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue van de media of (hopelijk niet) onze eigen ervaring. 
Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in de specifieke vorm van de Tochacha. 
In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder verantwoordelijk is gesteld om zijn bijdrage te hebben aan het wel en wee van zijn samenleving. 
Maar daarmee ook meedeelt in dat wel en wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden wordt genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid. Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op, maar de verkeerd gerichten halen de gemeenschap naar beneden en kunnen hem in een neerwaartse spiraal brengen. En omgekeerd. 

Blijft nog de grote vraag rond de Shoah: als het geen straf van God is, hebben de Joden dan dit aan zichzelf te danken? 
Nee. Hier is iets anders aan de hand. Onze geneigdheid dit in verklaringen te willen vatten moeten we laten rusten. 
Een gepast zwijgen is hier op zijn plaats. 
Alleen dit: de Shoah is een gebeuren geweest in Europa, temidden van andere volken. Ook voor die volken gelden de universele basiswaarden, die de Tora doordesemen. Een groot deel van die volkeren hebben zelfs als Christenen de tien woorden (geboden) expliciet omarmd en de leer van liefde en compassie van de Jood Jezus. Waarom zou het principe van de Tochacha - dat bij veronachtzaming, ontkenning van basiswaarden, zoals ze hierboven zijn aangeduid, bij verval van maatschappelijke ordening, rampen en ellende het gevolg is - niet gelden? 
Wat ik hiermee wil zeggen is dat het gebeuren van de Shoah niet een gebeuren is dat geïsoleerd als een lot van alleen het Joodse volk moet worden gezien. 
De schuld ligt niet bij de Joden, ze zijn niet schuldig ondanks enkele extreme rabbijnse opvattingen die anders preken. Verder laat ik de ontelbare grote vragen hieromtrent open.

Afbeelding:

De verwoesting van de 2e Tempel in Jeruzalem; Francesco Hayez


 

Parasha Ki Tetsé

 

 

Commentaar door Rob Cassuto

Dit hoofdstuk, Dewariem/Deuteronomium 21:10 tot 26, is één van die parasjot, die bij mij als kind van de moderniteit een mengsel oproept van weerstand en verwondering. Verwondering over de verlichte passages: De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen.

Weerstand tegen de bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. Afkeer van de wrede, disproportionele sancties.

Natuurlijk, het zijn maatregelen van voor die tijd ongekend progressieve strekking om de anarchistische massa bedding te geven en om de relaties te ordenen. 
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen drieduizend jaar geleden geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her. 
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: wat moeten we er in Gods naam toch mee?
Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden. 

Ik wil dit eens proberen – op een min of meer antropologische manier - rond één van de meest confronterende bepalingen, die in Dewariem 25: 11-12. Die luidt: 

11. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12 . dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden.

Zo op het eerste gezicht wil je dit niet eens gelezen hebben. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met de afhakking van de delinquente hand. We kunnen dit rustig terzijde schuiven en dat doet Rasji dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij - ondanks dat er staat 'geen medelijden te tonen' - de afhakking verstaat als een financiële sanctie, een boete.

Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een invoelen in hoe in de Tora aangekeken wordt tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder.

Voorlopig wil ik dat doen vanuit een min of meer cultureel-antropologisch perspectief, gebruikmakend van de verhandeling hierover in het boek "Eros and the Jews" van David Biale.
Het valt dan op dat de Tora seksualiteit (een begrip dat pas in de 19e eeuw C.E. ingang heeft gevonden) - op te vatten als bron van menselijke actie en begeerte, als erotiek - amper kent.

Daarentegen valt het accent zwaar op de procreatie en het weten omtrent de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je. 
Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt ('aroemiem') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.

Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven. 
In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid. 
Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van bewustheid van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het weten omtrent de voortbrenging, anders gezegd, dat zij ontdekten "waar de kinderen vandaan kwamen" en dat hun naaktheid prominent toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging. 
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven, maar beladen met diep ingrijpende consequenties, met de immense mogelijkheid, maar ook verantwoording nieuw leven te kunnen scheppen. 
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert: ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op microniveau door.

Het is niet zomaar een weten, dat Adam en Eva overkomt, het is een heilig weten, een diep lotsbepalend inzicht, dat in het proces van de schepping besloten liggend, eens moest opduiken. In Bereshiet 3: 22 staat een monoloog van De Eeuwige: "Zie, de mens is geworden tot één van Ons doordat hij weet van goed en kwaad". 
Ook in dit opzicht is de mens naar Gods beeld geschapen. Tegelijk betekent deze heilige wetenschap dat man en vrouw het paradijs van de onschuld zullen moeten verlaten. 
Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen. 
Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora - in die zin is het een verlicht document - is dat alle vormen van ritualisering, van pogingen om seksualiteit, erotiek, vruchtbaarheid te trekken in de sfeer van godsdienstige ceremoniën en religieuze verering strikt worden verboden; 
in zekere zin zou je kunnen zeggen dat seksualiteit en erotiek worden ‘geseculariseerd'. Een van de redenen waarom vermenging met de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo wordt verketterd.

De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering wordt in de niet-religieuze wereld getrokken, maar niet de procreatieve daad zelf; die wordt het onderwerp van vele voorschriften (en ook verhalen, te beginnen met Sara's onvruchtbaarheid). 
Zoals gezegd heeft het te maken de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.

De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht gegarandeerd. 
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. staat gelijk aan belediging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele vormen van orthodox jodendom, de islam en de katholieke kerk. Dat de sancties in de Tora niet mis te verstaan zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen. 

Nu wordt wel duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit, een schandalige daad. 
De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast. 

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte.

Nu heeft de wetenschap veel van het proces van procreatie onthuld; het hoe - en binnen dit hoe het waarom - is en wordt steeds preciezer beschreven. Veel volksgeloof over de condities van vruchtbaarheid, die deels aan de taboesfeer zijn ontsproten, zijn of kunnen worden afgeschaft. De wrede en soms kapitale sancties die de Tora geeft hebben geen plaats meer. Maar aan het fundamentele raadsel van de voortbrenging doen ook de moderne wetenschappelijke inzichten en verlichte ideeën naar mijn idee niks af. Voor de schaamte rond de naaktheid is nog alle reden. 

Natuurlijk heeft de schaamte in de loop der eeuwen zijn rigide vormen gekregen, is geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in een kleinburgerlijk calvimisme of katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad. 
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, tot op zekere hoogte een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid). 
De schaamte is in de zeventiger jaren verder bij grote delen van de bevolking overbodig verklaard. 

Dezer dagen moet ik constateren, dat onze maatschappij daarin veel te ver lijkt doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid - dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden - dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.
De schaamte is lastig; als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is versleten, verouderd, hinderlijk. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd, met name op de buis. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Dit is slecht, bijna in de zin van het Tora-woord voor slecht: rasha.

Het is tijd om de schaamte weer in te voeren. 
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien. 
Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.

Afbeeldingen:

Adam & Eva verdreven uit het Paradijs; Tommaso Masaccio

De mantel van Noach; Marc Chagall


 

Parasha Shoftiem 

 

 

Commentaar door Rob Cassuto

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij. Wie kan je wel vertrouwen? Een profeet. Wie is een profeet: hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. Er staan regels in van oorlogvoering, een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties, waar wij officieel niet meer achter staan (al komen ze nog iedere dag voor). 

De parasha start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Dewariem 18-20: 
Rechtvaardigheid is de hoeksteen van alle verdere regelingen van de samenleving. 
Stel rechters aan die rechtspreken volgens miesjpat-tsedek. Buig het recht niet om, wees niet partijdig, laat je niet omkopen. 
In ons solide Nederland lijkt het zo goed voor elkaar, maar zie eens de terechte verontrusting en verontwaardiging als het vermoeden is gewekt dat het Openbaar Ministerie bewijs niet volledig zou hebben verstrekt aan de rechters, zoals bijvoorbeeld destijds aanwijzingen op grond van DNA sporen, in de zaak van de Schiedammer parkmoord. 
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Dewariem 20: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten. 

tsedek, tsedek tirdof 

We gaan dieper in op deze uitspraak. 
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, tsedek, tsedek tirdof
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij. 
Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste 'beit din'. 
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis. 
Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b vond ik en werpt een origineel licht: 
(vertaald uit het Engels) 
"Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven. 
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht. 
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken. 
Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder. 
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beth Horon. 
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert."

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk. 
De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisseld; ze hebben iets afgesproken. 
Allang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortrokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen. 
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten: 
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod. 
Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek. Die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Dewariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: zodat je zal leven en het land zal bezitten. 
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding:

"Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen." 

Moge dat zo zijn en worden.

Afbeelding:

A Judge Announcing Judgment (illustration circa 1890–1910 by Paul Hardy)


Parasha Reëe 

Commentaar door Rob Cassuto

In deze parsje houdt Mosjé het vergaderde volk de keuze voor:

Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Dan volgen in dit hoofdstuk vele voorschriften, die de afgodendienst betreffen en de sancties daarop, maar ook de kasjroetvoorschriften worden weer genoemd, evenals de regels omtrent het sjmita-jaar en ook de drie pelgrimsfeesten passeren de revue en nog vele andere voorschriften, in deze en de andere parashot.

Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Uitgebreid zijn de meest wrede schilderingen – van ziekten, onderdrukking, marteling, natuurrampen, verbanning - te lezen in de parasja Ki Tavo. 
De zegen wordt gelijkgesteld met leven en de vloek met dood (Deut. 30:19).

Om mijn commentaar vorm te geven over deze passages moet ik met mijzelf – en met jullie als je wilt – een aantal denkstappen ondernemen.

Stap één gaat over hoe de schepper in woorden te benaderen, in woorden die mij voor even kunnen helpen. Want woorden schieten per definitie te kort. De Schepper is de grootst (on)denkbare dimensie die het geschapene heeft opgeroepen en omvattend en scheppend doordraagt in een proces van welks doel wij geen notie hebben. Zodra de Schepper dit dragen een nanoseconde niet doet is er geen geschapene. In deze hoedanigheid is de schepper voor ons mensen het volstrekt andere, hij is transcendent. Een persoonlijk voornaamwoord (hij, zij, het) doet al af aan zijn onmetelijke en onpersoonlijke oneindigheid. Hij is voor ons onzichtbaar achter de gemanifesteerde wereld verborgen.

Wij mensen vragen echter een ‘gezicht’, we zoeken een doorgang naar de transcendentie en roepen de vorm te hulp. We zoeken het gezicht van de Schepper.
We trachten aan het transcendente te raken en ons voorrecht als mensen is dat we dat af en toe kunnen. Omdat de Schepper in het proces van scheppen is verwikkeld en betrokken (zich erin ‘geïnvesteerd’ heeft), zijn er tekenen van zijn doorstraling te vinden.

Wij mensen zijn zo geschapen dat wij die tekenen kunnen ontwaren. We kunnen in de schepping die kant zien die de schepper naar ons toegewend heeft, zijn ‘gezicht’, dat echter alleen gelezen kan worden – uiteraard – met menselijke middelen. 
Dit gezicht is voor het Joodse volk een Joods gezicht.
Aan andere volken en andere groepen heeft hij een ander gezicht getoond, dat andere trekken vertoonde. Ook hier zijn goede en wijze zaken uit voortgevloeid evenals duistere.
Maar zoals alle gezichten toch gezichten zijn, omdat ze de constituerende kenmerken vertonen, die ze tot gezicht maken, kunnen we misschien nu en in de toekomst steeds meer het universele in al die gezichten zien. 

Als mensen trachten wij het gezicht van de Schepper te lezen met menselijke middelen, dat kan uiteraard niet anders.
Dit lezen heeft vele vormen en één van die vormen is het luisteren naar de openbarende stem die daalt in het innerlijk. Een ander middel is het geschonken zicht op wat achter de dingen schuilt. Omdat het lezen gebeurt met de beperkte en eindige middelen (het oor en het oog in de meest uitgebreide en ook metaforische zin) is de perceptie van de Schepper en Zijn wil per definitie onvolmaakt. Vele grillige vervormingen doen zich voor, beïnvloed door de beperkingen van ons bevattingsvermogen, de materialiteit van ons waarnemingsvermogen, de gelocaliseerdheid op plaats en in cultuur en tijd, de begeerten van het ego, de psychologische geschiedenis in groep en gezin en vele andere factoren.

Wel lijkt er een soort evolutie ingebouwd in de schepselen inzake de gradatie van helderheid van die perceptie.
Met name vijfendertighonderd, drieduizend jaar geleden werden trekken van de Schepper helderder gezien door Joden, te beginnen met Abraham. Gezien werd dat er één scheppend principe is en dat die Schepper één is en niet gelocaliseerd kan worden in stoffelijke objecten (afgoden, magie). Daarnaast werd verstaan dat met de Schepper intrinsiek een opgave verbonden is om met elkaar om te gaan op een zorgvolle, rechtvaardige en liefdevolle manier en niet vanuit louter egoïstische of instinctieve impulsen. De kern ervan werd vastgelegd in de meerduidige tekens van het woord, in de taal en het idioom van die tijd.

Deze wonderbaarlijke en revolutionaire onthullingen werden begrepen in de specifiek Joodse vormen en werden ingebed in de cultuur van die tijd, waarvan de typische taal, de vele rituele voorschriften (b.v. de dierenoffers), de sociaal-culturele voorschriften (b.v. rond man-vrouw verhoudingen) getuigen. De essentie staat majestueus overeind in de Tien Uitspraken en vele andere uitspraken (b.v. in Leviticus 19), die de historische en sociaalculturele context hebben ontstegen; het is de grote gift van het Jodendom aan de mensheid, doorklinkend in het beste deel van het Christendom en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het is die essentie van zorg, rechtvaardigheid en liefdevolheid voor de medemensen, die, als hij in de samenleving regel is en geen uitzondering, welzijn en voorspoed garandeert; als dit geen regel is dan is de kiem gelegd voor anarchie, geweld, vernietiging en oorlog. Dat is - denk ik - de essentie van de keuze die in deze parasja wordt voorgelegd. De rampen brengt de Eeuwige niet eigenhandig over de mensen, daar zorgen ze zelf voor. De geschiedenis van het Joodse volk laat een dramatische worsteling zien met de grote inzichten die het ten deel is gevallen en de keuze die hen steeds wordt voorgehouden. Maar geldt de grote keuze in zijn kernachtige inhoud niet voor alle mensen, Joden of niet-Joden? Israël is in die zin een paradigma voor de mensheid als geheel.

De specifieke vormen van de voorschriften, wier precieze nakoming ook in vorm en detail wordt geëist, zijn alleen van belang als ze de realisatie van de essentiële inhoud dienen; iedere generatie heeft het recht die sociaal-culturele vormen en versieringen te toetsen, te waarderen en eventueel te veranderen of weg te laten. Traditie en geaccepteerd leiderschap zijn daarbij onmisbaar.
De panische angst om de vorm-details gedetailleerd op te vatten en uit te voeren kan het zicht op de essentie verduisteren en de rampzalige verdeeldheid onder mensen, die het heil zoeken, alleen maar bevorderen.

Afbeelding:

 

Mosjé houdt het vergaderde volk de keuze voor; Marc Chagall

 


 

Parasha Ekev 

 

 

(Dewariem | Deuteronomium 7:12 – 11:26)

Commentaar door Rob Cassuto

herverteld

In deze parasha hervertelt Mosjé een aantal van de wonderlijke gebeurtenissen uit de omzwervingen in de Sinaj om het volk ontzag en gehoorzaamheid in te prenten. Hij brengt het manna in herinnering.
Zelfs zegt de oude leider: veertig jaar lang raakten jullie kleren niet versleten en zwollen jullie voeten niet op (Deut. 8:4).
Waarover de beroemde middeleeuwse commentator Rasji verrassend poëtisch zegt:
´de wolken van Goddelijke glorie wreven het roet van hun goed en streken ze als gestreken klederen; en tegelijk dat hun kinderen groeiden, groeiden hun kleren met hen mee, zoals de bedekking van de slak (zijn huis) met hem meegroeit´ (in de Eng. vertaling op ww35.tachash.org).
In geuren en kleuren beschrijft Mosjé het wonderbaarlijke gebeuren op de Sinaj; de eerste twee tafelen, de afvalligheid bij het gouden kalf, de door Mosjé bewerkte vergiffenis door de Eeuwige.

historiciteit

Even een paar woorden over de historiciteit van het hele gebeuren, de uittocht uit Egypte, de wondere wetgeving op de berg, de latere veertigjarige omzwerving. Velen refereren eraan dat archeologisch gezien er praktisch geen bewijs bestaat van al deze dingen en dat het verblijf in Egypte, de uittocht en de omzwerving zeer waarschijnlijk nooit hebben plaatsgevonden. Is dat een argument om de Tora terzijde te kunnen schuiven?
De Tora kunnen we benaderen op verschillend niveau’s. Als geschiedschrift, als historisch verslag of als letterlijke Goddelijke openbaring. 
Of als een zeer bijzonder fenomeen dat zich aan categorisering onttrekt. 
Het is een neerslag van zeer bijzondere gebeurtenissen en wonderlijke openbaringen die in de mist van de tijden hebben plaatsgevonden en die in eeuwen zijn samengeboetseerd tot wat het nu is. Martin Buber zegt in deze trant in zijn boek over Mosjé, dat het bijbelverhaal is op te vatten als een soort sage, echter niet als een verheerlijking achteraf, maar als de neerslag van een organische herinnering. Belangrijk is om in te zien, dat de kern van de sage wordt gevormd door het enthousiasme van een overweldigende, aan het volk overkomen, gebeurtenis en dit enthousiasme, dat aanleiding gaf tot de herinneringen die de sage vormden, is wel degelijk een deel van de geschiedenis: de ervaring van gebeurtenissen als wonder, is geschiedenis in het groot en vanuit geschiedenis te begrijpen en in historische samenhang in te passen. Zo zijn de gebeurtenissen rond de Sinai niet de historisering van de mythe, maar veel meer een mythisering van de historie.

brokstukken

Na die eerste zondeval van het gouden kalf gaat Mosjé weer de berg op, op 18 Tammoez, rekent Rasji uit. Veertig dagen van smeekbeden volgen. Dan, op de 29e Av, krijgt Mosjé de opdracht twee nieuwe stenen tafelen uit te hakken en dan volgen weer veertig dagen op de berg en op 10 Tisjri volgt de algehele vergiffenis van zonde van het volk, mede waarom dan op die datum Jom Kipoer valt.
De meeste betreffende passages, met name die in Dewariem, vermelden de Eeuwige als de beschrijver van de tafelen. Maar in Sjemot 34:28 staat: hij, d.w.z. Mosjé die tweede versie schreef. Als we het dan over historiciteit hebben, dan lijkt dat het waarschijnlijkste: een geïnspireerde profeet met een geleide hand.
De tweede editie van de tafelen wordt gelegd in de ark van Mosjé; de definitieve ark zal – als we de gegevens logisch bij elkaar voegen – later worden vervaardigd door Betsalel.
Wat gebeurde er met de brokken van de stukgegooide tafelen?
Volgens de midrasj (verhalen en uitleggingen rond de Tora) werden ook die bewaard.
Ze zouden, toen de definitieve ark klaar was, in die eerste ark van Mosjé worden bewaard. Maar volgens anderen werden ze samen met de hele tafelen in de ark van de tabernakel gelegd en werd de ark van Mosjé buiten gebruik gesteld.

volmaaktheid

Misschien mogen we zeggen in termen van de sage: De Eeuwige schreef de eerste versie van de twee stenen tafelen. Deze versie was te hoog, te hemels voor de mensen. Nog lager in de stof moesten de voorschriften dalen om begrepen en uitgevoerd te worden. Verloren is de eerste volmaakte versie. De volmaaktheid moest gebroken worden om in deze wereld te kunnen bestaan. Mosjé beitelde de tweede versie uit zijn goddelijk geïnspireerde herinnering op de stenen tafels. Daarmee konden de mensen vooruit.
En het was nog moeilijk genoeg.
”Straks brengt de Eeuwige, uw God, u naar een goed land, een land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de valleien en op de bergen, een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing, een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de Eeuwige, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft.” 
Dat zegt Dewariem 8: 7—11. Maar dit zo wonderlijk goede, vruchtbare en rijke land zou nog een gebied vol voetangels en valkuilen blijken te zijn.

De gebroken tafelen

De gebroken tafelen werden ook in de ark meegevoerd.
Voor zover ze symbool waren van alles dat stuk was,
van alles dat was verloren, 
waren ze de wet van de gebroken dingen, 
van het blad in een storm van de steel gescheurd,
een wang ooit aangeraakt in liefde 
wiens naam nu is vergeten.
Hoe moeten ze op weg hebben gerammeld en gekletterd,
al werden ze nog zo omzichtig door de woestijn gevoerd,
hoe moeten ze hebben gerammeld tot ze
in stukken braken, tot de randen zacht werden
en verkruimelden, stof zich verzamelde op de bodem van de ark,
schimmen van oude letters en oude wetten. Voor zover
een gebroken wet nog wordt herinnerd
werden deze wetten gehoorzaamd. En voor zover herinnering
het patroon van gebroken dingen bewaart
werden deze stukjes steen bewaard
door vele reizen en dagen van verwoesting heen
tot zelfs, zeggen ze, in het beloofde land

(gedicht van Rodger Kamenetz, schrijver van o.a. The Jew in the Lotus)

Afbeelding:

Mozes verbrijzelt de stenen tafelen met de verbondstekst; Rembrandt, 1659, Berlijn.


 

Parasha Wa'etchanan

 

 

De Ene en zijn tolk.

door Rob Cassuto

Wa’etchanan is de tweede parasha van het boek Dewariem, het vijfde boek van de Tora. 

Ook de parasha Wa'etchanan balt met dramatische woorden een aantal essenties van Israëls opdracht samen, zoals Mosjé die met nadruk en bij herhaling aan het volk voorhoudt. Centraal staat daarbij de steeds ingewreven waarschuwing tegen afgodendienst.

Maar de parasha begint met een heel menselijk gebeuren: Mosjé wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden. Hij smeekt de Eeuwige. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt geen gehoor gegeven.
Zelfs de gebeden van een bijna volmaakt en heilig man als Mosjé met zoveel ontelbare verdiensten worden niet verhoord. Hoe kan dat? Het heeft de Oude Wijzen veel hoofdbrekens gekost om verklaringen te vinden.

”Rav lach – Genoeg voor jou - , spreek mij er niet meer over” was het antwoord aan Mosjé.

In de Talmoed in het tractaat Berachot wordt er wel op gewezen, dat Mosjé weliswaar geen toestemming krijgt de Jordaan over te steken, maar hem wordt wel geopperd de berg Pisgah te betreden, zodat hij het land kan zíen. Zonder de smeekbeden had hij dat waarschijnlijk niet gedaan.

Maar toch. Waarom geen complete verhoring van de smeekbeden, waarvan er volgens de Midrasj wel 515 waren?
Volgens een plaats in de Talmoed (Rosh Hashana) is er een moment dat het oordeel over iemand onherroepelijk wordt. Berouw is dan niet meer effectief zeggen de Wijzen.
Tenminste voegt een ander commentaar toe: in déze wereld. Maar in de komende wereld kan het wel helpen, dat gebed en het berouw, om je toestand te verbeteren en te helen.
Dit bedoelt ook het commentaar van Rasji, als hij over dat “Rav lach – Genoeg voor jou” zegt dat het misschien ook betekent: “Genoeg is er voor jou in de komende wereld, een heleboel goeds wacht daar voor jou”.

Volgens het commentaar van R. Ari Kahn is de functie van het gebed niet de Eeuwige ‘om te praten’ zodat hij zijn raadslagen verandert. Want God is onveranderlijk, Hij is altijd dezelfde. Het gebed wil de verloren verbondenheid met de Eeuwige herstellen, zodat de toestand van verwijderdheid, die onderwerp van het gebed is, b.v. ziekte, kan veranderen, c.q. herstellen.
In het geval van Mosjé was er geen sprake van een of andere gebrek of verkeerdheid.
Daarom ziet deze uitlegger in het “Rav lach” de betekenis: laat de Shechina, de presentie van de Eeuwige, genoeg voor je zijn.

In de Zohar (in de versie op Kabbalah.com) staat bij deze passage:
’”En de Eeuwige zei mij, laat het voor jou genoeg zijn”(Dew. 3:26).
Rabbi Chiya zei, De Heilige, gezegend zij Hij, sprak tot Mosjé, “Laat het voor jou voldoende zijn” d.w.z. je verenigd te hebben met de Shechina. Van nu af aan: “spreek niet meer”. 
Rabbi Yitschak zei,’ “laat het voor jou voldoende zijn”, d.w.z. het licht van de zon; de maan kan niet schijnen totdat de zon is ingezameld. “Maar geef Josjoea orders, bemoedig hem en sterk hem” (Dew. 3:28). Jij die de zon bent zou de maan moeten verlichten. Zo leerden wij.’

Dat is een mooi beeld: de zon gaat onder, zijn tijd is gekomen, maar als de zon onder is, wil hij via de maan nog licht geven. Na zijn dood wil Mosjé, dat zijn licht temidden van het volk blijft schijnen. 
Dringend is die zorg, want heen en weer geslingerd lijkt zijn gemoed. Hij is er niet zeker van dat het goed blijft gaan zonder zijn leiding. Het kan alleen als het volk zich steeds zijn wonderbaarlijke redding uit Egypte blijft herinneren en de openbaring van de Eeuwige bij de Sinaj en al de voorschriften en geboden die vanaf toen zijn gegeven.
Het brengt de oude leider ertoe nog eens het indrukwekkend gebeuren bij de Chorew in herinnering te brengen, de berg met het laaiend vuur, duisternis, nevel en de stem zonder gestalte. 
Hij herhaalt de tien uitspraken woordelijk. Luister goed, Israël, zegt hij steeds maar en in Dewariem 6:10 begint de zesde alija met wat later de kern van het hoofdgebed ‘Sjema Jisraël’ - Hoor Israël - zal worden: de erkenning dat er maar één God is.

In de verzen 4:6-7 lijkt even een rijk toekomstperspectief geschilderd te zijn: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het oog van andere volken.
In 4:27-28 wordt een somberder perspectief geschetst: de verstrooiing wordt in één donkere pennenstreek geschilderd. Alleen voor de weinige overgeblevenen worden redding en terugkeer voorzegd.
Mosjé kent zijn volk. “Want ik ken jullie weerspannigheid”, zegt hij zelf in Dew. 31:27 – “en hardnekkigheid; als jullie, toen ik dagelijks te midden van jullie leefde, al weerspannig waren tegen de Eeuwige, hoeveel te meer dan na mijn dood.”

Twee keer lijkt het er sterk op dat Mosjé zijn onmogelijkheid om het land te betreden wijt aan het weerspannige volk: “Om jullie (lema’anchem) bleef de Eeuwige boos op mij.” (3.26)
En: “De Eeuwige werd door jullie daden (al-diwréchem) boos op mij” (4:21)
De vraag is: is hier sprake van verwijt (o zo menselijk begrijpelijk, maar minder heilig niveau) of van edelmoedig de verantwoordelijkheid op zich nemen van het geheel (hoog niveau van heiligheid).

De Eeuwige, straffer of gelegenheidsschepper?

Ik moet zeggen dat Dewariem niet mijn meest geliefde boek is; er staan wat mij betreft wel erg veel passages in waarin de liefde gepaard gaat met moeten, geboden, dreigingen, straffen, vervloekingen en donkere voorspellingen. Als Mosjé zegt: “Besef dan goed dat zoals een man zijn zoon tuchtigt, zo tuchtigt de de Eeuwige, jullie G-d, jullie, dan vraag ik mij af op wie dat slaat, de Ene of zijn tolk: Is het eigenlijk niet Mosjé zelf, die zielsveel van zijn volk heeft gehouden, maar heeft gemerkt hoe hardleers en weerspannig de mens is? Is hìj niet de strenge vader? Als instrument en tolk van de Schepper is hij tenslotte ook een mens.
Is het eigenlijk niet het leven en de wereld die een harde leerschool biedt. Als Schepper van het universum en creator van de wonderlijke, liefdevolle en tegelijk wrede wereld is Hij de gelegenheidsgever. We kunnen kiezen voor (het verlangen naar) het in relatie staan tot de G-d en deel hebben aan de eindeloze gelegenheid om te veranderen en te groeien – en de Tora en zijn uitleggingen geven daar ook richting aan. Er hoeft geen bovenwereldse straffer te zijn, de rampen en de ellende komen van zelf wel als wij en de maatschappij waarin we leven de relatie met G- d steeds maar afwijzen en alleen voor onze eigen onmiddellijke materiële bevrediging leven.

De Eeuwige is dan niet meer te zien als een strenge Vader, die mooie beloningen van rijkdom en welvaart belooft en straffen van rampen en kwelling uitdeelt aan de ongehoorzamen. Dat beeld kunnen wij toch niet meer onderschrijven? 
God is de Onmetelijke en Oneindige, ook in de voorraad aan mogelijkheden ten goede die ons in genade steeds wordt voorgehouden en waaruit we kunnen putten als we daar verbinding mee maken.

Ik besluit met een aardig citaat dat ik op internet tegen het lijf liep. ‘Het vers uit Spreuken 3:34 zegt: „Wie zich tot de spotters voelt aangetrokken, die zal spotten, maar wie tot de nederigen wordt aangetrokken, die zal gunst vinden.” Reisj Lakisj legt uit: wanneer iemand zich wil bevuilen, dan wordt hem daartoe de gelegenheid gegeven, maar als iemand zich wil reinigen, dan wordt hij geholpen door de Hemel [d.w.z. als iemand zich aangetrokken voelt om slechte dingen te doen, dan laat de Hemel hem zijn gang gaan, maar wie het goede zoekt, zal daarbij gesteund worden door de Hemel (Rasji)].
Wanneer een klant komt voor petroleum, dan mag de winkelier tegen hem zeggen dat de klant het zelf moet afmeten. [Zo komt de winkelier niet in contact met de onaangenaam ruikende petroleum.] Maar als een klant komt voor balsem, dan kan de winkelier zeggen dat hij het zelf wil afmeten, zodat ook hij lekker zal ruiken.
‘Zonden verstoppen het hart.‘ 
(Talmoed Joma 39)

Ook dit citaat is lezenswaardig en het overdenken waard:

'Men is verplicht een beracha te zeggen over iets slechts, net zoals men een beracha zegt voor iets goeds, zoals er geschreven staat [Deut. 6:5]: „En je zult de Eeuwige je G-d liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met heel je vermogen. „Met heel je hart,” [dat wil zeggen] met alle twee je neigingen: je goede neiging en je slechte neiging; „en met heel je ziel,” [dat wil zeggen] zelfs al neemt Hij je leven; „en met heel je vermogen,” [dat wil zeggen] met al je geld, en een andere verklaring voor „met heel je vermogen” is: met wat voor maat Hij je ook meet, je moet Hem steeds ten zeerste bedanken.' (Berachot. misjna 5)

*in dit commentaar is gebruik gemaakt van het commentaar op Aish.com van R. Ari Kahn

 

Afbeelding:

Mozes op de berg Nebo; Jozef Israëls. Op menukaart t.g.v. het achtste zionistische congres, 1907.


 

Parasha Dewariem/Deuteronomium 

 

 

Boekrol gevonden! 

door Rob Cassuto

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch’ en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht.

Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd. 
Een aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:

  • Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1- 4.
  • de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1, 4:44, 5:1), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27.
  • capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes. 
  • afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijke dood op de berg Newo.

Gewezen is op de vorm van een in die tijden gebruikelijke vorm van een overeenkomst tussen G-d en het volk (covenant), dat het boek heeft, een introductie, inhoud en bezegeling met zegen of vloek. 

Vanuit historisch oogpunt is interessant het verslag in 2 Koningen 22 over het hervinden van een wetboek tijdens de restauratie van de tempel tijdens de regering van de hervormingsgezinde koning Josia (Joshijahoe) plm.700 voor de gebruikelijke jaartelling). 

"De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: "Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.' Safan nam het boek in ontvangst en las het. Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: "Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER .' Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: "Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.'" 

De maatregelen die Josia (Joshijahoe) nam tegen de afgodendienst, de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem. 

Het is speculatie, maar ook weer niet uit te sluiten -  met beroep op wat fantasie - , dat het boek de vrucht is van samenspel tussen Koning Josia en een aantal priesters vanuit hun verlangen om de oude opdracht van Israël en de autonomie van het volk naar de machtige omliggende rijken nieuw leven in te blazen: Josia of zijn priesters zouden dan het boek, althans de kern van Dewariem, hebben samengesteld op basis van oudere teksten (deels uit de andere boeken); daarbij hebben zij Mosjé als spreker van de inhoud opgevoerd om het geschrift gezag te verlenen. Vervolgens hebben zij de dramatische ‘vondst' in de tempel geënsceneerd om zo indruk te maken op het volk ten einde zijn bereidheid te wekken om de hervormingen te accepteren en een hernieuwd commitment aan de oude wetten aan te gaan. 

Maar misschien heeft de hogepriester Chilkia wel echt oude rollen ontdekt en heeft dit de stoot geven tot de zuiverende renaissance van de kant van zijn koning. 
Het hangt af van de mate van sophistication, die je de koning en zijn regering wil toedichten of de mate van wonderlijkheid, die je de realiteit toeschrijft, welke optiek je voorkeur heeft. 
Misschien begint het met een wonderlijke realiteit die met sophistication wordt gehanteerd.

Afbeelding: Mozes op de berg Newo; Lesser Ury, Berlijn.



Oudere bijdragen:


Ekev (Dewariem | Deuteronomium 7:12 – 11:26 )


This parasha looks like a part of a repeated tautology. Starting with the Torah as the blueprint of life, Dewarim is a mini Torah and Ekev is a mini Dewarim. Ekev has aspects of a management summary, it starts and ends by recapitulating the essence of the “deal”, i.e. keeping the Covenant.
Where it all boils down to is this: G’d proposes a covenant, if we keep to our part He will stick to His part. G’d then elaborates on His part, the blessings ( which are numerous) are attractive and advantageous.
However, if we, by any chance, would forsake our part, He will simply withhold the perks that go with keeping the covenant. The mere absence of these blessings will be experienced as curses. Imagine if the rain stops ( no crop and no food) or no child is born alive ( no  "le-dor va dor"  no offspring ).
To me this appears to be a lesson in empowerment. We are taught how to be an adult, how to think twice before making a choice and to be willing to accept the ramifications. To assess all the possible consequences of our actions, not only on the short term but especially on the long run and in the broadest context.
But does this sidra only try to explain the causal relationship between Torah observance and Divine blessings?
If it does, it would only reinforce the idea that greater welfare is a direct result of putting more effort and energy in our observance of the mitzvoth.
Dewarim 9: 1-5 clearly explains that there is hardly such thing as a reward/punishment principle behind the covenant. The covenant is rather relationship-driven. It aims primarily on our well-being rather than on our welfare, although the latter often ( but not always) tags along.
This also means that both the blessings and their absence are ( sometimes ungraspable) expressions of G’ds love and care.
This reminds me of the story of Avraham and Lot in Bereishit 13. The difference between Avraham and Lot is based on a conflict between two opposing lifestyles:
• A lifestyle where man prefers to be independent of G’d (=Lot);
• A lifestyle striving for a dependence (=relationship ) with G’d (Avraham )
From a Mussar point of view Ekev ( meaning  heel)  represents the midda Humility. The heel always follows the toes and the rest of the body, it doesn’t initiate autonomous actions and hence doesn’t run the risk of becoming arrogant.
Humility ( … no more than my place, no less than my space..) is the key factor for properly keeping any relationship, and par excellence the relationship driven covenant.


Dewarim 10:12-15 shows that observance is a measure of emotional attachment, a continuation of the relationship between G’d and our forefathers, which was a relationship based on mutual Trust. The only confidence-trust driven reality in the universe is the relationship between G’d and Israel as expressed in the covenant.
Daniel Beaupain, 5770.
 

Ha’azinoe Dewariem ( Deuteronomium ) 32:1-32:52

Tora lezing voor de week van Sep 25-Oct 1,2011 - Elul 26, 5771-Tishrei 3, 5772


De parasja Ha'azinoe (Dewariem 32-33) bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Het bestaat uit drie episoden.

De eerste brengt in herinnering de keuze van de Eeuwige van Israël als Zijn volk, Zijn bijzondere bescherming: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt' en vervolgens een tekening van de voorspoed waardoor ‘Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn Schepper, versmaadde zijn Stut en Steun, zijn Rots. ‘

Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk: eerder in Dewariem wordt eveneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): ‘Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt.'

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen oefent, in lyrische beelden beschreven.
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël zouden zien.

Het doet denken aan het argument waarin Mosjé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: ( Sjemot [Exodus] 32: 12) 'Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”?'
Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn.
Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige uitredding.

In het hele boek Dewariem klinkt steeds door de keuze die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor de afval de vreselijkste rampspoeden, in geuren en kleuren beschreven, worden verbonden.

In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht zijn straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de lyrische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet wordt gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.

De God en zijn geboden die óf gevolgd worden óf in de wind geslagen worden ten gunste van de afgoden (in ruimste zin), wie en welke zijn dat? Slaat het in deze tijd vooral op de preciesheid van de 613 mitswot die uit de Tora gedestilleerd zijn en op de exacte opvolging van de regels van de Sjoelchan Aroech, of geldt het vooral voor het luisteren naar de stem van het ethische hart dat onlosmakelijk versmolten is met de God, zoals die aan Mosjé en Israël verschenen is en het praktiseren van de essentie van wat toen is gehoord en nog steeds resoneert in ons eigen hart?

 

 

We-zot ha-beracha (Dewariem/Deuteronomium 33 en 34)

De beschrijving van de laatste gang van Mozes (Dew. 34), weg van het volk, de berg Nebo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat inzit weet ik niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Buber doet het denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.
Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Dew. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt.
De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.
Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Mozes was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.
Hij stierf "al pi Hashem", wat vertaald wordt als "volgens des Heren woord", "op bevel van de Eeuwige", "aan de mond van de Eeuwige" etc.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Als Mosjé de auteur is van Dewariem, wie heeft dan de laatste verzen geschreven, is de vraag die bij een logisch georiënteerde lezer opkomt.
Rabbijn Evers heeft de antwoorden geinventariseerd:
Jehosjoea heeft de laatste verzen geschreven.

Of God heeft ze gedicteerd en Mosje heeft ze `bedima' - onder tranen opgeschreven.

Of alle letters van de Tora zijn op Sinaj aan Mosjé en na de dood hebben de letters zich tot de laatste verzen samengevoegd.
Zelf denk ik dat het boek Dewariem bestaat uit een kern van authentieke fragmenten, uitspraken van Mosjé door hem zelf of door nakomelingen van Aharon opgetekend, waarbij rond die kern oude herinneringen zijn toegevoegd, waaronder de dood van Mosjé.
Mogelijk heeft die samenvoeging pas plaatsgevonden onder koning Josjiahoe (zie mijn commentaar op de eerste parasja van Dewariem).

Ook dit nog: in vers 34: 10 staat:

"..nooit stond er meer een profeet in Jisraël op als Mosjé, met wie de Eeuwige omging ‘van aangezicht tot aangezicht'.


Maar Mosjé zelf sprak tot het volk in vers 18:15:

De Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. 16 Jullie hebt de Eeuwige daar immers zelf om gevraagd, toen jullie bij de Chorew bijeen waren? Jullie zeiden: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de Eeuwige, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.' 17 De Eeuwige heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken. 18 Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag.


Hoe kan dit samengaan? Een antwoord heb ik ( nog) niet gevonden.

Het boek Dewariem is afgesloten en de lezing van de Tora is rond. De chataniem Tora hebben de laatste parasja gelezen en ook weer de eerste parasja Beresjiet. De cyclus gaat door. Maar in de geschiedenis gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken; deze situatie is ook de inhoud van de haftara - stuk uit de profeten dat naast het Tora-stuk wordt gelezen- die bij deze parasja hoort.
Die oversteek betekent het verlaten van mythische grond van de Tora en de oversteek naar de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het echte geschiedenisboek, de geschiedenis van de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en zijn vrienden en vijanden van het politieke moment.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar een onbekend gebied en een ongewisse toekomst heeft ook een archetypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn. Ook individueel zijn deze momenten te herkennen: grote beslissingen die een nieuwe levensfase inluiden.

In het allereerste stuk van het boek Jehosjoea (1:9) staat, dat de Altijdzijnde, Jehosjoea – en eigenlijk ons allemaal wanneer we voor grote stappen in het leven staan - gebiedt: " wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.'

Rob Cassuto. 13 okt. 2006