Column Marcel Poorthuis

 

DE ZUIDAS STOND STIL

Stil staan is iets wat op de Zuidas niet veel voorkomt, iedere dag rennen en vliegen de mensen op de Zuidas. Bij De Nieuwe Poort stond men op 4 mei dit jaar samen stil tijdens de nationale herdenking. Voorafgaand aan de herdenking stond Marcel Poorthuis stil bij de waarde van de vrijheid waarin we leven.

In het Nederlands Dagblad van vrijdag 5 mei verscheen een fragment van zijn lezing: Geschiedenis leert niets. Dat doe je zelf.


 

Jodenbekering voor kids

Ewoud Sanders, Levi’s eerste kerstfeest. Jeugdverhalen over jodenbekering 1792-2015, Vantilt 2017.

De promotie van Ewoud Sanders vrijdag 3 maart, over jeugdliteratuur waarin een joods kind christen wordt, kende een merkwaardig moment.

Fred van Lieburg (VU) betoogde dat de protestantse lectuur dienaangaande niets met antisemitisme heeft uit te staan en veeleer filosemitisch is.

Hieruit bleek wel dat hij mijn eigen publicatie Een donkere spiegel niet had gelezen en ernstiger: ook het proefschrift van Sanders niet echt had bestudeerd. Sanders laat namelijk heel goed zien wat ik ooit het Jessica-effect heb genoemd.

Wat is het Jessica-effect? De oude Shylock beantwoordt aan anti-joodse stereotypen, zijn dochter is bloedmooi en wordt christen. Vertaald naar jeugdliteratuur: het kind is een halve heilige, de ouders, rabbijn en andere joodse omstanders zijn boosaardig. Dit gaat zelfs zover dat de blauwe ogen van het kind worden gecontrasteerd met de donkere ogen van de ouders!

Fysieke kenmerken worden ingezet om de dreiging van de joodse omgeving zwaar aan te zetten. Sanders heeft gelijk: filosemitisme ten aanzien van het kind – dat vaak sterft - gaat samen met antisemitisme jegens de omgeving. Voor katholieken kwam daar nog bij dat er rond 1900 een sterke hang was naar kindheiligen die jong stierven, dit mede in verband met de toen ingevoerde kindercommunie. Van Lieburg was hier eenvoudigweg te apologetisch.

De 76 protestantse verhalen laten daarover geen twijfel bestaan. De 13 katholieke verhalen al evenmin, waarbij zelfs een kruisiging van een joodse jongen niet wordt geschuwd – een merkwaardige herhaling van het lijden van Christus en dat alles als projectie van het eigen onderbewuste!

Een ander verhaal verhaalt hoe een joods jongetje in een brandende oven wordt gegooid en er dankzij Maria ongedeerd uitkomt – Sanders wijst de bron aan: Caesarius  van Heisterbach uit de 13e eeuw. Zo taai zijn tradities! Lichtpuntje: de katholieke verhalen behoren echt tot het verleden. Zorgwekkend: sommige protestantse bekeringsverhalen doen het in orthodox-protestantse kring nog steeds goed.

Zie ook Trouw, de Verdieping, woensdag 8 maart, p. 10.


Eerdere columns van

Marcel Poorthuis:



Yuval Noah Harari

Bestaat het jodendom uit sloten kippensoep en een gevoel van een nesjomme hebben? Je zou het haast denken als je het overigens boeiende boek van Ronit Palache, Ontroerende onzin, leest.

In de titel zit feitelijk al het oordeel: jodendom is mooi, maar heeft geen metafysische basis. Verder dan een gevoel van saamhorigheid, soms tegenover "de buitenwereld”, komt het doorgaans niet. Toch heeft het jodendom ook een visie op de samenleving (Sacks), een gedachte over wat werkelijk gemeenschap is (Buber), en wat de confrontatie met de ander inhoudt (Levinas).

Ook kent het jodendom wel degelijk een eeuwenlange geschiedenis van lernen (Judah Palache), geen dorre studeerkamerstudie, maar een manier om het leven in al zijn facetten waar te nemen en waar nodig onder kritiek te stellen.  

Het is kennelijk voor de zich modern voelende jood moeilijk om juist dat waarin het jodendom meer is dan nestgeur voor het voetlicht te brengen. 

Een onderwerp dat daarbij wel heel gauw vergeten wordt (door alle religies trouwens) is de toekomst. Het is al even geleden dat we Fred Polak hadden, die ons vertelde dat de toekomst verleden tijd is! Ook Henri van Praag kon er wat van, als hij het tijdperk van plastic als de nieuwe revolutie aankondigde.

Futurologie, een vak dat stilaan is verdwenen, maar misschien relevanter is dan ooit. Nu is er een nieuwe ster aan het futurologisch firmament verschenen: Yuval Noah Harari. Deze hoogleraar aan de Hebrew University neemt het op zich om heel de beschaving door te nemen: Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst.  

Het schema is wel erg 19e eeuws evolutionair: eerst geloofden de mensen in goden, toen in God, toen in de mens.  Zo wordt de religie als vanzelf naar het domein van de speelkamer gedelegeerd. Spannend wordt het evenwel als hij de blik naar de toekomst richt. De maakbare mens?  Opperste vrijheid of verlies van de mens zelf? Ik ga het lezen en houd u op de hoogte!

Marcel Poorthuis

Voorzitter Pardes

Link naar TED-talk van Yuval Noah Harari.



De stem van de zachte stilte: 

“Silence” van Scorcese.

“De film Silence van Martin Scorsese is één van de meest joodse films ooit gemaakt”.  Dick Hage maakte me attent op deze wel zeer uitdagende stelling van Liel Leibovitz. (1)

Een schokkende stelling, ook al omdat het verhaal van missionarissen in Japan enkele eeuwen geleden in niets lijkt op de situatie van het jodendom. Maar Leibovitz wijst op de centrale betekenis van de twijfel.

Historisch en opnieuw verhaald door de Japanse schrijver Endo is de tegenwerking die de missionarissen ondervonden van Japanse heersers. Hun argumenten klinken verrassend modern: het christendom is goed, maar niet in onze cultuur, zoals een boom die het op bepaalde grond niet doet, op andere wel. “Je moet de wortels met je eigen cultuur niet doorsnijden”.

Daarmee is het christendom een Westers product geworden. De jezuïet Rodrigues proclameert nu juist de universele betekenis van de christelijke waarheid, geen populaire gedachte in onze door postmodernisme geteisterde samenleving.

Als hij echter geconfronteerd wordt met de martelingen die christenen moeten ondergaan vanwege zijn eigen vasthoudendheid twijfelt hij: moet hij niet juist opgeven om zo levens te redden? Door op de beeltenis van Jezus te trappen kan hij verzaken aan het geloof. Deelt hij juist door de erkenning van verlatenheid, ook door God, niet in het lijden van Christus in Gethsemane? Hij meent de stem van Christus te horen: vertrap mij, want zo volg je in mijn voetspoor. En vloeien op één of andere wijze boeddhistische wijsheid en bijbelse waarheid hier samen: wie zijn leven verliest, die zal het vinden?

Hier ook ziet Leibovitz de overeenkomst met het jodendom; de Godsverduistering waarover de joodse denker Buber spreekt  en die de hoop op een goddelijk ingrijpen wegneemt. De wreedheid om aan te nemen dat God het lijden had kunnen voorkomen, maar niet voorkomt, maakt plaats voor een besef dat God zich openbaart in afwezigheid.  Alleen de religie: of om met Buber te spreken, alleen het joodse volk, geeft houvast en bevrijdt de jood uit zijn grondeloze eenzaamheid.

Pater Rodrigues gaat een lange weg. Hij ergert zich eraan dat de Japanse christenen zich vastklampen aan relikwieën en houten kruisjes. Wat stelt hun martelaarschap eigenlijk voor?  Een soort Gollem-achtige figuur is de Japanse christen Kichijiro die telkens weer de paters verraadt – een Judasfiguur - en telkens weer achter hen aansluipt om vergiffenis.

Hier treedt geleidelijk aan een de-centrering op; niet Rodrigues is de held die vergeving schenkt, maar hij zelf is slechts een werktuig in Gods handen. Rodrigues vergeeft helemaal niet, hij zegt slechts dat Kichijiro ‘s verraad hem is vergeven.

Is het waar, zoals Leibovitz schrijft, dat Kichijiro de warmte van de menselijke verhouding zoekt en niet de goddelijke vergeving? Mij lijkt dat Rodrigues steeds meer ontdekt dat niet hijzelf in het middelpunt staat. Uiteindelijk verzaakt hij zijn geloof – om zo de Japanse christenen van de marteldood te redden. Is het waar dat hij door zijn geloof verantwoordelijk zou zijn voor hun marteldood? Denk aan Sophie’s choice: de onmenselijke keuze tussen één van de twee kinderen is niet de schuld van de moeder, maar van het diabolische system. Toch is daarmee het schuldgevoel niet weggenomen…

En dan: is Rodrigues afvalligheid een daad van opgeven van het ego?

Het einde van de film is niet in het boek terug te vinden; bij de dood van de dan geheel als Japanner levende Rodrigues is een (verboden) houten kruisje zichtbaar dat hij op zijn lichaam draagt. Een relikwie, een Hollywood-einde? Of erkenning van het ware offer? Hoe dan ook is het wonderlijk dat deze film gemaakt is op een moment dat Europa in hoog tempo bezig is zijn religieuze wortels door te snijden, terwijl Aziaten ons aan het geloof komen herinneren!

Leibovitz heeft gelijk dat jodendom en christendom hierin gelijk zijn: juist de twijfel en onzekerheid zijn de dimensies waarin God zich openbaart: in de stilte.

Marcel Poorthuis

Noten:

  1. Scorsese’s ‘Silence’ Is One of the Greatest Jewish Films Ever Made; Tablet Magazine; 30/1/2017
  2. You tube trailer

 

 


Is elke religie potentieel

gevaarlijk? 

door Marcel Poorthuis

Op gezette tijden komt de discussie over jongensbesnijdenis weer los. Ondanks dat in Amerika bijna de helft van de pasgeboren jongetjes wordt besneden heeft de KNMG medische bezwaren. Hier begaat men echter een vergissing: besnijdenis heeft geen medisch nut, maar is een religieus ritueel. Religieuze rituelen kunnen per definitie niet op hun praktisch nut worden beoordeeld.  De KNMG protesteert niet tegen tatoeages, borstvergroting, ijzerwaren in ledematen en andere niet-medische ingrepen.

Het gaat de KNMG dus om iets anders: ouders mogen niet voor hun kind beslissen over zijn identiteit. Deze typisch moderne ideologie maakt natuurlijk een einde aan heel wat religieuze opvoeding. Nu is er een nieuwe stem in het koor: de voormalig voorzitter van het Humanistisch Verbond Paul Cliteur. Deze rechtsgeleerde steekt het niet onder stoelen of banken dat hij elke religie potentieel gevaarlijk vindt. Het verhaal van Abraham en Izaak bewijst het volgens hem: God die een absurd en gewelddadig bevel geeft. Hij heeft wellicht het verhaal niet tot het einde gelezen: God wil overgave van de mens, maar niet ten koste van humaniteit. God is om met een vroege kerkvader te spreken: filantroop. God houdt van de mens.

Over besnijdenis gaat Cliteur echter nog een stap verder: Ik las een analyse van het standpunt van Paul Cliteur inzake besnijdenis van jongens door Matthea Westerduin c.s.*)

Ze wijst op enkele schokkende zaken: Cliteur zegt dat je dan ook kinderoffers zou moeten toestaan. Met dit zogenaamde Verlichtingsargument kun je feitelijk alle andere culturen met de grond gelijk maken (rituelen zijn immers per definitie niet louter rationeel te funderen). Dan gaat Cliteur nog een stap verder : hij vergelijkt de joden die volgens het evangelie bij Pilatus Jezus' dood eisen (wat natuurlijk niet "het hele volk" geweest kan zijn, denk alleen al aan de groep vrouwen die Jezus wenend volgde, maar goed), met de joden die vandaag de dag het recht willen om besnijdenis uit te voeren, waarbij hij zelfs het woord "bloeddorstig" hanteert. Cliteur ziet de joodse mentaliteit goed verwoord in Deut 13:6-11 (lees het maar na!).  Frisse Verlichting van Cliteur! Veeleer: diepe krochten van intolerantie. Goed dat Matthea c.s. dat signaleert in Filosofie en Praktijk 35/3.

*)

Jongensbesnijdenis tussen religie, recht en geschiedenis

Matthea Westerduin, Yolande Jansen, Karin Neutel

Filosofie en Praktijk 35/3


De Tora verstaanbaar

voor iedereen?

Het leven is permanent leren en zolang je leert ben je niet oud. Dat bewijst mevrouw Jeanette Middendorp die met een handgeschreven briefje ons de volgende vraag voorlegt: U schrijft dat de Tora voor alle volkeren verstaanbaar was. Zou dat - in het licht van Frans de Wal en zijn chimpansees - ook voor de dieren gelden?

Mevrouw slaat de spijker op zijn kop. Er is een verhaal dat de dieren in het paradijs konden spreken en wat meer is, dat de mens ze ook kon verstaan. Er is echter vervreemding opgetreden tussen mens en dier vanaf de verdrijving uit het paradijs en één van de tekenen daarvan is dat de mens de dieren niet meer begrijpt. Toch moeten we de verhalen serieus nemen van heiligen en wonderrabbijnen die met de dieren konden praten en wilde dieren konden temmen door hun aanwezigheid (denk aan Franciscus, maar ook aan Hillel en aan Jezus in de woestijn).

De tikkoen olam, het verbeteren van de wereld tot een messiaanse plaats, zal dan ook zeker een herstel van de verhouding van mens tot dier inhouden. We mogen in de strijd tegen de bio-industrie waar die redelijk gevoerd wordt, dan ook een messiaans teken zien. Wellicht - maar de mensheid als geheel is er nog niet aan toe - hoort vegetarisme daar ook bij: sommige kloosters hebben nu al een messiaans menu zonder vlees.

Dat de Eeuwige zijn eigen communicatie met de dieren onderhoudt blijkt uit het feit dat ook de dieren in het verbond met Noach zijn inbegrepen!


Jacob Israël de Haan

vandaag de dag in Israël

De stem van de dichter verwoordt wat een ieder met een romantische ziel kan voelen: "waar ik niet ben is het geluk".

Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’

En naar Jeruzalem gedreven kwam,

Hij zegt met een mijmrende stem:

‘Amsterdam. Amsterdam.’

Maar als Jacob Israël de Haan zich ooit in Jeruzalem heeft thuis gevoeld, dan was het bij de Palestijnen én bij rabbi Sonnefelt, de ultra-orthodoxe leider, die naar ik meen op de begrafenis van De Haan de beweging Neturei Karta uitriep. De dichter is ook vandaag de dag niet vergeten. Met mijn eigen gezin en dat van mijn vriend en medewerker van PaRDeS Leo Mock liepen we door Mea Sjearim, de ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem, waar met wat Jiddisch alle deuren voor je open gaan.

Te midden van de muurkranten die als medium dienen om begrafenissen en ander nieuws aan te kondigen troffen we deze aan.

De 29e Siwan, Dit is de Jahrzeit van de heilige professor rabbi Jacob Israel de Haan in het 91e jaar van zijn moord.

Van deze grote mens die toen al het gevaar zag van de besmeuring van de naam van Israël (...) en de ontworteling van de Tora uit het volk Israël.

De moord op Jacob Israel de Haan was niet begaan door een Arabische vader die vreesde voor de eer van zijn zoon in de omgang met de Haan. Dat was het verhaal dat de zionisten in 1924 naar buiten brachten. Zijn moordenaar Tehomi was lid van de zionistische Hagana en werd op het eind van zijn leven over zijn daad geïnterviewd (zie https://www.youtube.com/watch?v=No1gt2MvcGI ).

Dat dit radicaal afwijzende standpunt jegens de staat Israël ook vandaag de dag samengaat met sympathie voor de Palestijnen bewijst een tweede en derde foto:

Natuurlijk heeft dit ultra-orthodoxe standpunt weinig te maken met een concrete politieke oplossing voor het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Op dezelfde wijze, maar dan omgekeerd heeft de massale steun aan Israël door fundamentalistische christenen niets te maken met een politieke oplossing. Wel bevat de Neturei Karta een interessant messiaans perspectief: ze aanvaarden wel het land, maar niet de staat. De staat vormt een macht die zonder de messiaanse werkelijkheid alleen maar leidt tot afgoderij en machtsverheerlijking. Denk maar aan de profeet Samuel die diep teleurgesteld was toen het volk vroeg "Geef ons een koning, net als de andere volken". Het staatsmonopolie op geweld is iets wat wij zonder nadenken accepteren, maar die gemakkelijk kan leiden tot idolatrie en ontkenning van God als ware machthebber.  


Het evangelie van Barnabas:

een heel interessante kwestie!

Marcel Poorthuis reageert op een bericht in het Metronieuws van 24 november:

Commentaar van Marcel Poorthuis:

Wat hiervan te denken?

Merk op dat de "profeet Jezus" in het bericht al een islamitisch perspectief van dit bericht verraadt. Het evangelie van Barnabas is een bekende islamitische vervalsing die moet doorgaan voor het nog niet gecorrumpeerde oer evangelie. Hierin staat inderdaad dat Jezus niet is gekruisigd, een opinie die mijns inziens niet door de Koran wordt geleerd, al denken bijna alle moslims van wel.

Hoe dan ook, het evangelie van Barnabas is een product, knap gemaakt, van de 16e eeuw. Waarschijnlijk Italië. De grote islamkenner Jan Slomp (zie o.a. dit artikel) heeft hieraan diverse publicaties gewijd.
Dat oorspronkelijk Aramees (dat Jezus ook gesproken zou hebben) zegt weinig: het alfabet is in elk geval Syrisch, maar dat wordt tot op de dag van vandaag gebruikt (estrangelo). Grote vraag is wat we eigenlijk voor boek zien op de foto *).

Afwachten maar!

Marcel Poorthuis

Voorzitter PaRDeS

*)
De foto bovenaan deze pagina komt van een site 'theusefulin' waar in het artikel van Metronieuws naar verwezen wordt. Het oorspronkelijke artikel met dezelfde foto staat op een site die getiteld is ‘Sons on the Pyre. Experimental Rock & Electronica’.

Wilt u reageren op deze column? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

Over sjaria en religieuze wetten

door Marcel Poorthuis

De politiek lijkt door de religie telkens in verwarring te worden gebracht. Was het christendom net een beetje getemd, komt de islam weer verwarring brengen. Turkse organisaties worden op de vingers getikt, waarna Nederland door Turkije op de vingers wordt getikt. Het doet een beetje denken aan de tijd dat Roomsen werden gewantrouwd om hun identiteit als ultramontanen, over de bergen, namelijk in Rome, in plaats van Nederlands staatsburger.  Direct daarop kapittelt minister Asscher de PVV vanwege anti-islamitische uitlatingen. Vrijheid van godsdienst is een groot goed! En in één adem zegt de minister toe de suggestie van het CDA te onderzoeken of partijen die de sjaria (de islamitische wet) willen promoten verboden kunnen worden.  Laten we het maar toegeven, Nederland begrijpt steeds minder van religie en weet er in de politiek geen raad mee. Met name de religieus-juridische kant van religie, zowel in jodendom als in islam van belang, meer dan in het christendom, stuit op onbegrip. Zo bezien zou de Nederlandse politiek zich van een christelijk referentiekader bedienen in de emotionele afwijzing van de sjaria!

Tijd dus voor enige verheldering: de voormalige aartsbisschop van Canterbury, Rowam Williams, heeft enige tijd geleden opzien gebaard door de mogelijkheid van de invoering van de sjaria serieus te overwegen.[1] Hierbij moeten we natuurlijk clichés als hand afhakken en iedere vrouw gedwongen een hoofddoek even achterwege laten. De sjaria zou uiteraard alleen gelden voor moslims, niet voor de andere burgers. Bovendien zou de sjaria geen vervanging kunnen zijn van het burgerlijk wetboek en wetboek van strafrecht, want die gelden voor alle burgers van Nederland. Wat meer is: alleen de Nederlandse overheid heeft het recht om straffen uit te delen: de staat heeft het monopolie op geweld, luidt de misschien wel aanvechtbare maar geaccepteerde regel. Het gaat dan ook om een speciaal soort wetten. Ook het katholicisme en meer nog het jodendom kennen religieuze wetten, die zelfs van kracht zijn in Nederland. Deze wetten kunnen echter alleen met disciplinaire sancties worden opgelegd, waarvan uitsluiting uit de gemeenschap wel de zwaarste is: andere sancties zoals gevangenisstraf of lijfstraffen komen niet in aanmerking.

Wel was er vóór de Napoleontische tijd sprake van een zekere autonomie van joodse gemeenten in Nederland. De staat had als het ware een gedeelte van de rechtspraak gedelegeerd aan de joodse gemeenschappen. Na het centralisme van de Emancipatie kwam daaraan een einde.

Wat is het betoog van Rowan Williams? Wil hij deze relatieve autonomie voor verschillende religieuze gemeenschappen, inclusief de islam, herstellen? Alvorens deze vraag te beantwoorden moeten we helder hebben wat de sjaria eigenlijk is.[2] Het gaat om voorschriften die deels ethisch, deels juridisch zijn en waarin het  voorbeeld van Mohammed een grote rol speelt. Die ethische voorschriften vormen feitelijk geen enkel probleem, net zoals de Bergrede geen probleem vormt met de staat om die na te volgen. Het feit dat naast 'verboden' of 'verplicht' er ook categorieën bestaan als: laakbaar, aanbevolen en toegestaan, geeft al aan dat het hier niet om strafrecht in strikte zin gaat. Individuele verplichtingen zoals gebed staan naast collectieve verplichtingen zoals de zorg voor een begrafenis (die niet door ieder individu hoeft te worden behartigd). Verder gaat het om een jurisprudentie, een casuïstiek, waarbij vroegere uitspraken (fatwa's) van gewicht zijn. In dat opzicht is de sjaria goed te vergelijken met de responsa-literatuur in het jodendom. Vervolgens bestrijkt de sjaria niet heel het juridische gebied, maar met name familierecht, erfrecht, oorlogsrecht, contractrecht, positie van niet-moslims, positie van vrouwen. De overheid blijft dus altijd naast de sjaria nodig als wetgevende instantie. Ook kan de sjaria in een democratisch land nooit tegen de wetgeving van dat land ingaan. Zaken als echtscheiding en erfrecht zouden evenwel met wederzijds goedvinden door een islamitische rechtbank kunnen worden beslecht, ook in een democratie. Dit gebeurt in Canada. Partijen die zeggen de sjaria te willen invoeren kunnen óf doelen op een dergelijke beperkte toepassing zoals hierboven genoemd, binnen de normen van de algemeen geldende wet, óf hiermee een eschatologisch ideaal koesteren. Zo'n ideaal dat ooit, aan het einde der tijden, zal worden gerealiseerd is vergelijkbaar met bijvoorbeeld het theocratisch ideaal van de SGP - God regeert! - die daarmee democratie feitelijk op het tweede plan stelt. Aangezien er echter geen sprake is van geweld en van een directe realisering kan dit binnen een democratie worden geaccepteerd.

Rowan Williams nu stelt dat religieuze gerechtshoven dienen te worden geaccepteerd en feitelijk onvermijdelijk zijn. Tegenreacties wezen op het gevaar dat de eenheid van Engeland zou worden bedreigd, of dat de positie van de islamitische vrouw hierdoor kan worden bedreigd. Voorstanders merkten op dat rechtspraak door een derde partij onder supervisie van gerechtshof allang gebeurt.

Een volgende keer meer over de mening van Rowan Williams. Het onderwerp is voor PaRDeS van belang omdat het hier gaat om de status van de religie en van de religieuze wet. De religies geheel op christelijke maat snijden heeft in het verleden ten aanzien van het jodendom niet goed gewerkt en zal inzake de islam niet vruchtbaar zijn. Intussen tast de politiek in het duister. Nu al wordt duidelijk hoe provinciaal het CDA handelt door voor te stellen dat partijen die de invoering van de sjaria bepleiten verboden moeten worden. Uiteraard zal minister Asscher "deze mogelijkheid grondig onderzoeken". Wellicht zal het hier gaan om lonken naar populistisch electoraat; met kennis van zaken heeft het minder te maken dan met angst. En angst is een slechte raadgever, zei mijn moeder altijd.

 

[2] Islamoloog Maurits Berger heeft verschillende publicaties hierover het licht doen zien, waarover een volgende keer. 


 

Waarom de islam niet

14 eeuwen

van antisemitisme kent

door Marcel Poorthuis

In de NRC stond een artikel over de dissertatie van David Suurland met Afshin Ellian als promotor. Daarin werd verdedigd dat de islam 14 eeuwen jodenhaat zou kennen en dat de huidige antisemitische tendensen in de islam daarvan een logisch uitvloeisel zijn.

http://www.nrcreader.nl/artikel/6318/antisemieten-als-helden-ingehaald-in-moslimwereld

Ik reageerde daarop met de stelling dat Suurland zijn scopus: een vergelijking tussen nazisme, communisme en hedendaags  islamisme,  nu nog aanzienlijk had verbreed door de veertien eeuwen erbij te betrekken en daardoor tot ongefundeerde uitspraken kwam. Dit resulteerde in een korte column, (elders geplaatst, omdat de NRC er geen plaats voor had).

http://www.nieuwwij.nl/column/suurland-en-zijn-nrc-artikel-islam-en-jodenhaat/

Uiteraard zullen we moeten wachten op de handelseditie van het proefschrift, maar het Genootschap voor Joodse Wetenschappen deed me de eer aan mijn stelling in een lezing te komen toelichten. Hieronder volgt een samenvatting van die lezing met enige literatuurverwijzingen.

 

1. Inleiding

In Nederland is veel aandacht geweest voor de verhouding tussen jodendom en christendom. Met name de protestantse kerken spraken daarbij wel van 'onopgeefbaar verbonden'. Hierbij werd niet de vraag gesteld of het jodendom zich even onopgeefbaar verbonden voelt met het christendom.

Ondanks dat juist deze protestantse belangstelling voor het jodendom zich moeilijk laat combineren met openheid voor de islam, kan men stellen dat de overeenkomsten tussen islam en jodendom groter zijn. De plaats van de religieuze wet is voor het jodendom even centraal als voor de islam. Ondanks dat het woord sjariah als een rode lap op de stier werkt in Europa, moet men zich realiseren dat één van de grote debatten bij de joodse Emancipatie de betekenis van de joodse wet (halacha) betrof. Mozes Mendelssohn had welsprekend betoogd dat de joodse wetten alleen een overtuigend karakter hadden zonder dat daaraan straffen zouden zijn verbonden (wat Kant de opmerking ontlokte: het zou mooi zijn als het waar was). Daarmee maakte Mendelssohn de integratie van het jodendom in Europa mogelijk. Zowel zionisme als antisemitisme hebben laten zien dat die integratie een fragiel concept was. Het feit van het jodendom in de staat Israël met als grondwet de Torah laat zien dat het vraagstuk van de religieuze wet voor het jodendom nu heel anders ligt dan in de 19e eeuw. Toch wordt in Nederland  weinig teruggegrepen naar deze discussie om het vraagstuk van de islam in de Europese samenleving mutatis mutandis te belichten.

Ook historisch zijn er banden tussen halacha en sjaria: Getuigenis van twee vrouwen telt als één man. Dat is een ontwikkeling vergeleken met de halacha, waar de getuigenis van de vrouw helemaal niet telt. Ook wat betreft spijswetten is er  een zeker verband met joodse spijswetten. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat jodendom en islam in Nederland een gezamenlijke agenda hebben, al moeten beide partijen daaraan wennen. Het betreft met name jongensbesnijdenis en ritueel slachten , twee zaken waarvoor onze 'moderne' samenleving geen begrip heeft vanuit een anti-religieus sentiment, die deze rituelen ten onrechte als 'primitief' beschouwt.

 

De relatie van jodendom tot christendom ligt veel moeilijker dan die tot de islam, omdat de vraag of christenen wel tot Noachieten kunnen worden gerekend (die geen afgoderij mogen plegen) min of meer onopgelost is gebleven vanuit joods perspectief. Wel is waar dat al in de Middeleeuwen wordt gesteld dat christenen geen afgodendienaars zijn (ondanks Triniteit en goddelijkheid van Christus). Meir van Rothenburg is daarvan een duidelijke exponent. Historische studie maakt duidelijk dat niet zozeer theologische als wel praktische overtuigingen daaraan ten grondslag hebben gelegen: de wijnhandel werd makkelijker als christenen niet als afgodendienaar werden bestempeld. Met afgodendienaars  mag een jood geen wijn verhandelen. (Zie Jacob Katz, Exclusiveness and Tolerance). Toch leidt dat niet tot een eenstemmig standpunt aan joodse zijde vandaag de dag. De gezaghebbende ultra-orthodoxe Moshe Feinstein beschouwt in zijn responsa het christendom nog steeds als afgoderij. De islam wordt aanzienlijk milder beoordeeld.

Toch kennen we in de Middeleeuwen ook het standpunt van Maimonides die spreekt over Mohammed als mesjoega (Hilchot melachim 10).  Hier klinkt het bekende Middeleeuwse cliché door dat Mohammed geestesziek zou zijn geweest (in de 19e eeuw 'wetenschappelijk' gemaakt als epilepsie) hetgeen zijn openbaringen zou moeten verklaren (zie N. Daniel, Islam and the West). Het feit dat Maimonides werd geconfronteerd met onderdrukking van de joden door moslims in Jemen zal hier zeker meespelen. Hij schrijft dat geen godsdienst de joden zoveel kwaad heeft gedaan als de islam. Ook in zijn persoonlijk leven (hij zou zijn beschuldigd van afvalligheid van de islam) hebben zich moeilijkheden voorgedaan.

Overigens zijn er meer joodse schrijvers over de islam geweest, zoals Naetanael al-Fayyumi (12e eeuw). Deze Arabisch schrijvende persoon deinst er niet voor terug in zijn Bustan al-Ukul, om Mohammed een profeet te noemen! Weliswaar alleen een profeet voor de heidense Arabieren, dus heeft hij in één klap duidelijk gemaakt dat joden (die al gelovig zijn, ook volgens de Koran, meent hij) die profeet niet nodig hebben. Dezelfde argumentatie kunnen we vinden bij christelijk-Arabische auteurs zoals Elias van Nisibis en Paulus van Antiochië.[1] Natuurlijk kunnen we ook hier vermoeden dat de positie van minderheid debet is aan deze milde beoordeling van de islam, maar dan vergeten we wel dat Arabische joden en christenen enerzijds veel scherper konden toezien, maar anderzijds ook veel gemeen hadden met de islam. Vooroordelen zoals die in het boek Islam and the West zijn bijeengegaard, vinden we niet op die wijze in de Oosterse literatuur.

Ons interesseert nu breder hoe de positie van joden onder de islam is geweest. Was dat inderdaad leven onder antisemitisch regime zoals Suurland meent? Ik meen dat dat geenszins het geval is geweest. Om dit te verhelderen moeten we eerst naar enkele mythen kijken, die hun eigen redenen hebben, maar die het zicht op de historie kunnen verduisteren.

 

2. Mythe 1: het jodendom onder de islam is een Gouden tijdperk geweest

Joodse geschiedschrijvers in de 19e eeuw vonden dat de emancipatie van het jodendom door het christendom werd tegengehouden. In contrast daarmee schilderden ze het jodendom onder moslimheerschappij als een paradijs, met name in Andalusië. Deze mythe had dus zijn reden in de 19e eeuw, maar tot op de dag van vandaag is een zekere nostalgie te bespeuren, met name bij Spaanse historici, zoals Maria Rosa Menocal.[2]

Maar: Synagoge El Transito in Toledo, en allerlei christelijke bouwwerken zijn inderdaad doordrenkt van Arabische cultuur: Zo is er de Mudejar style door moslims die christen waren geworden.

Soms vindt men tussen al de imitatie-arabische letters een echt Arabisch woord: Allah. Een stil protest van moslims die gedwongen waren gedoopt. Er is daar inderdaad een symbiose van drie culturen geweest die nog steeds kan verbazen. Dichtwerken van Judah Halevi en Solomon ibn Gabirol staan onder directe invloed van islamitische dichtwerken.

De Gouden Eeuw van Andalusië was in feite een creatie van 19e eeuwse joodse historici die vonden dat hun maatschappelijke erkenning veel te traag ging. Ook werd toen het beeld geschapen van wat wel de lacrimose opvatting van de joodse geschiedenis onder het christendom  wordt genoemd: alsof die louter een aaneenschakeling van vervolging is geweest. Zo werd het islamitisch bewind als positief model gecontrasteerd met het christelijk bewind.

Dit kan dan vervolgens ook politiek worden toegepast: de spanning tussen islam en jodendom is geheel een product van het politieke zionisme en heeft een eeuwenoude verstandhouding verstoord.

Men is het er nu echter wel over eens dat de christelijke overheersing voor joden (en moslims) veel slechter uitpakte. De speciale status van joden en christenen in de islam (dhimmi-status) was een hiërachisch lagere status die bijvoorbeeld verplichtte tot aparte kleding. Het was wel een officieel erkende status, die tot belasting verplichtte, maar in ruil bescherming bood door de overheid.

In de Koran zelf lijken joden wat negatiever beoordeeld te worden dan christenen, wat verrast aangezien christenen de goddelijkheid van Jezus belijden. Daarover heeft de islam (en alle inscripties in de rotskoepel van de Dome of the Rock op de Tempelberg) dan ook heel wat te zeggen. Toch is er ook een tekst die zegt dat joden, christenen en Sabiërs (mogelijik Mandeeën), niets te vrezen hebben bij het oordeel als ze in God geloven en goede daden doen. Al wordt deze tekst door moslim-commentaren snel van zijn tolerante lading ontdaan door te betogen dat dit alleen geldt vóór de tijd van Mohammed. Ik denk dat oorspronkelijk deze tekst (Soera 2: 62), wel degelijk die openheid had.

Nu lijkt die dhimmi-status in het na-Koranische document het Pact van Omar toch geen pretje!

(Opmerkelijk is dat christenen en joden dit zelf zouden hebben opgesteld).

Ik geef de regels:

1.   Wij zullen niet bouwen, in onze steden noch in de buurt daarvan, nieuwe mannenkloosters,

2.   kerken,

3.   vrouwenkloosters,

4.   of kluizenaarshutten;

5.   noch zullen wij ze repareren, bij dag of bij nacht, mocht een van hen instorten

6.   of gelegen zijn in een moslimwijk.

7.   Wij zullen onze poorten open houden voor voorbijgangers en reizigers. We zullen voor drie dagen onderdak en leeftocht geven aan alle moslims die voorbij komen.

8.   Wij zullen noch in onze kerken noch in onze woonhuizen enige spion onderdak geven,

9.   noch hem voor de moslims verbergen. Wij zullen de Koran niet aan onze kinderen onderwijzen.

10. Wij zullen onze godsdienst niet in het openbaar beoefenen.

11. noch iemand ertoe bekeren.

12. Wij zullen niemand van onze familie verhinderen tot de islam over te gaan als zij dat wensen.

13. Wij zullen de moslims respect tonen, en

14. wij zullen van onze zitplaats opstaan als zij wensen te zitten.

15. Wij zullen niet proberen op de moslims te lijken door het imiteren van een van hun kledingstukken, hoofdsieraden, tulband, schoeisel, of de scheiding van hun haar.

16. Wij zullen niet spreken wanneer zij spreken,

17. noch zullen wij hun eervolle namen dragen.

18. Wij zullen niet rijden op een zadel,

19. noch zullen wij zwaarden aangorden, noch enig wapen in de hand houden of op ons lichaam dragen.

20. Wij zullen geen Arabische tekens in onze zegels graveren.

21. Wij zullen geen gefermenteerde dranken verkopen.

22. Wij zullen onze kruizen en boeken niet tonen op de straten of markten van de moslims.

23. Wij zullen in onze kerken alleen heel zachtjes klappen.

24. Wij zullen niet hard praten in onze kerkdiensten of in de nabijheid van moslims,

25. noch zullen wij onze stem verheffen wanneer wij in een rouwstoet lopen.

26. Wij zullen geen verlichting voeren op enige straat van de moslims of op hun markten.

27. Wij zullen onze doden niet dichtbij de moslims begraven.

28. Wij zullen geen slaven nemen die aan de moslims zijn toegewezen.

29. Wij zullen onze huizen niet hoger maken dan die van de moslims."

 

Alhoewel joden strenger lijken te worden toegesproken dan christenen in de Koran gaan deze bepalingen van mogelijk enkele eeuwen na de Koran  mijns inziens vooral over christenen.  Sommige bepalingen lijken overigens op de bepalingen die tot 1850 voor katholieken golden in onze protestantse natie: geen herkenbare kerken, geen openbare godsdienstuitingen zoals processie. Dat verbod is pas rond 1980 opgeheven.

Veel van deze bepalingen zijn theoretisch gebleven: zo zijn juist in Arabische landen christenen vaak de drankhandelaren, terwijl gefermenteerde dranken verkopen volgens het pact van Omar is verboden.

Ook goud en zilverhandel wordt vaak door een minderheidsgroep gedaan, joden dan wel Armeniërs.

Het onderscheid in kleding is een voorloper van de gele lap in Europa, niet altijd als discriminatie, maar ook om bevolkingsgroepen van elkaar te onderscheiden. Maar critici van de islam mogen graag deze regels van het pact van Omar aanhalen als voorlopers van de gele ster, of in elk geval van de gele badge op het Vierde Lateraans concilie in de 13e eeuw. Daarmee komen we tot een tweede mythe.

 

3. Mythe 2: de dhimmistatus is regelrechte discriminatie

Een tegengestelde mythe is eveneens door joodse wetenschappers benadrukt: de dhimmi-styatus is pure discriminatie en de Gouden-Eeuw is een mythe. Deze tegenmythe is met name verdedigd door Bat Ye'or, (pseud. Litmann)  een Egyptisch-joodse vrouw. Zij beschuldigt de islam van permanente onderdrukking en van gebrek aan democratisch gehalte. maar dat hier gemakkelijk anachronistisch eisen aan de islam worden gesteld die elders ook niet verwezenlijkt waren is evident. De beschuldiging van antisemitisme klinkt dan al gauw (waarbij overigens zoals gezegd het christendom meer voorwerp van de bepalingen is!). Het lijkt erop dat de dissertatie van Suurland een late loot is aan dezelfde stam van Bat Ye'or. Bat Ye'or beschuldigt mensen die die dhimmi-status als niet-discriminatoir verdedigen van eenzelfde dhimmi-mentaliteit: buigen voor de overheersers en die te vriend willen houden.

Het wordt echter  algemeen aangenomen dat deze bepalingen grotendeels theoretisch zijn gebleven en dat de bouw van kerken en synagogen in voorbije eeuwen behoudens enkele periodes geen probleem was.[3]

Wat we wel zien is dat door het fundamentalisme deze bepalingen weer op scherp zijn gezet. De positie van Kopten in Egypte kan nauwkeurig worden gekoppeld aan een politisering van deze bepalingen door het fundamentalisme.

 Het gaat hier om mythe en tegen-mythe: de vraag is hoe hier duidelijkheid in te krijgen.

Ik geef nog een voorbeeld van hoe een vraagstelling snel kan ontaarden in mythevorming alvorens ik mijn eigen oplossing naar voren breng.  Ik doel op Bernard Lewis, een groot kenner van islam: What went wrong with islam?

Lewis was een adviseur van de Bush politiek, inclusief de invasie in Irak. Ook de term clash of civilisations, later overgenomen door Huntington, is van hem afkomstig. De vraag is: hoe kan een voortreffelijke islamkenner als hij tot uitspraken komen die mijns inziens als mythevorming moeten worden bestempeld?

De reden is de volgende: hij stelt vragen die ver buiten het eigen vakgebied gaan en een interdisciplinaire benadering zouden vergen en dan nog moeilijk te beantwoorden zijn. Bijvoorbeeld:

Lewis meent dat de islam is gestagneerd en als cultuur ver achter ligt bij het Westen. Onderliggende vraag: hoe meet je de waarde van een cultuur?

Voorbeeld: er was een  kaart van Columbus. In het Westen is die kaart verloren gegaan, maar in het Topkapi-paleis lag nog een exemplaar, volgens Lewis eeuwenlang onder het stof. Dit geldt als bewijs dat de islam geen interesse heeft gehad in de Europese cultuur. Maar waarom zou ik niet als volgt redeneren: het Westen heeft die kostbare kaart verloren laten gaan, maar de islam heeft die kaart zorgvuldig bewaard? Het raster bepaalt hier niet de feiten zelf, maar wel de interpretatie van de feiten. Ander voorbeeld: Lewis klaagt over het gebrek aan interesse voor Beethoven in Arabische landen. Maar hoe staat het met de Europese belangstelling voor Umm Kalthoem?

Bij haar begrafenis waren meer dan een miljoen mensen aanwezig.

Dan brengt Lewis nog de technisch industriële ontwikkeling ter sprake die inderdaad in Europa indrukwekkend is , met name in de bewapening. Maar gaan we daaraan de waarde van een cultuur ontlenen?

Eén stap verder en we gaan ons op de borst kloppen dat Europa tenminste wél twee wereldoorlogen heeft gekend! Dat thema van de stagnatie van de islamitische cultuur is dus behoorlijk complex. Kolonialisme zal zeker als factor mee moeten worden gewogen: feitelijk is de stad Amsterdam zelf een product van kolonialisme.

 

4. Afscheid van de mythen

Mijn voorstel is om niet  sweeping statements te maken vanuit onbewezen mythen, maar naar detailkwesties te kijken.

Ik wil met u kijken naar de wijze waarop oude islamitische bronnen opnieuw worden ingezet in het debat over islam en jodendom. Een naam die daarbij vaak valt is die van de grote islamitische geleerde Ibn Taymiyya (rond 1300), door iemand als de arabist Hans Jansen wel de vader van het moslimfundamentalisme genoemd. Ik denk ten onrechte, omdat ik het fundamentalisme als een modern verschijnsel beschouw en niet als een traditioneel-religieuze zaak.

Om de zaak ingewikkelder te maken:

Ook moslimfundamentalisten zelf beroepen zich vaak op Ibn Taymiyya. Hoe gaat dat?

Fundamentalisten willen niet alleen zuivere islam, maar eisen  ook een zuiver islamitische regering.

Ze beroepen zich op Ibn Taymiyya (1263-1328), die de wrede Mongoolse overheersers ervan beschuldigde geen ware moslims te zijn. Fundamentalisten planten deze uitspraak over naar deze tijd en wel in Egypte door de moslimbroederschap, met als stichter Hassan al-Banna (grootvader van Tariq Ramadan).

President Sadat van Egypte was volgens de fundamentalisten van de Moslim Broederschap geen zuivere moslim. Hun geschrift  The neglected duty (Hans Jansen) stelt: Jihad is bepaald niet alleen geestelijk (geen milchemet mitswa): en zelfs de traditionele uitleg dat verdediging gewapenderhand erbij hoort, voldoet niet. The neglected duty gaat  verder: omverwerping van niet legitieme heersers is ook Jihad.

Hier zien we een politisering van religie. Ideale werkelijkheid die eschatologisch is (toekomstig) wordt onbemiddeld geprojecteerd op bestaande politiek.

Het pan-arabisme maakt de laatste twintig jaar plaats voor pan-islamisme, hetgeen de toenemend benarde situatie van Arabische christenen verklaart.

We zien hoe een historische bron zoals Ibn Taymiyya door fundamentalisten eigenlijk nogal instrumenteel wordt aangewend om een politisering van de religie te bewerken.

Ibn Taymiyya is ook bekend vanwege een tweede zaak: hij verzette zich tegen d e invloed van Isra'iliyyat, de joodse verhalen in de islam. Hij is te vergelijken met Ibn Hazm uit Andalusië (994-1064) die ook een terugkeer naar de Koran alleen voorstond en allerhande 'fabels' wilde verwijderen en als eerste een massieve beschuldiging van corruptie van de bijbel, zowel Oude als Nieuwe Testament, systematisch onderbouwde.

De invloed van joodse verhalen (zoals over Hagar) op literatuur na de Koran is enorm. Het is een speciaal interesseveld van mij: zie

http://www.marcelpoorthuis.nl/documents/POORTHUIS-HagarsWanderingsbetweenJudaismandIslam.pdf

Tegenwoordig wordt ook Syrisch christendom als intermediair tussen jodendom en islam gezien.

De pionier Abraham Geiger, met zijn boek: Was hat Mohammed aus dem Judenthume aufgenommen?  (1833) en vele andere joodse geleerden uit de 19e eeuw hadden een wat eenzijdige blik:  de islam zou allerhande joodse verhalen verkeerd hebben begrepen. Er was geen oog voor het eigene van islamitische verhaaltradities die vaak wel onder joodse (of christelijke) invloed stonden maar getransformeerd werden. Met name het Syrisch christendom wordt toenemend als belangrijke bron gezien van de Isra'iliyyat.

Bijvoorbeeld het verhaal van Abraham en de afgoden: zijn vader had een afgodenwinkel en de jonge Abraham slaat ze kapot. Daarop volgt een strijd tegen Nimrod, etc. Sommige verhalen zijn nauwelijks te onderscheiden of ze joods of islamitisch zijn, in elk geval is er een versie die van islam naar jodendom is gegaan, waarbij de naam Ka'b al-Achbar , een joodse bekeerling tot de islam uit de 7e eeuw, is vervangen door magid (leraar).

Ander voorbeeld: David en Bathsheba: pijnlijke kwestie, in midrasj reden voor apologetiek: het was legaal wat David deed. De islam ziet het nog iets anders en al even apologetisch: David ging pas na de dood van Uriah naar Bathsheba. De Koran vermeldt deze kwestie heel beknopt. De  Isra'iliyyat vertelt allerlei bijzonderheden. Veel daarvan neemt de islam over. In de islam treedt echter een beweging op die zich tegen deze verhalen gaat keren, met name voor zover ze op gespannen voet staan met de islam zelf. Dat hing mede samen met de ontdekking van Arabische bijbelteksten, want tot dan toe was veel invloed via mondelinge verhalen gegaan of via midrasj, zonder dat moslims zicht hadden op de bijbeltekst zelf. Die bijbeltekst week nogal af van de  Isra'lliyat! Profeten zijn volgens de islam onberispelijk: een radicale oplossing, ook bij Ibn Taymiyya te vinden: de hele Bathsheba heeft nooit bestaan. De benadering van de Koran wordt veel meer grammaticaal en "sola Scriptura": allerlei verhalen eromheen worden afgewezen, een ontwikkeling die ook binnen-joods is aan te wijzen in de controverse tussen Rabbanieten en Karaieten.

De tendens wordt vanaf dan: de Koran centraal, joodse invloeden die een zuivere uitleg dreigen te beïnvloeden moeten worden verwijderd.  Het ging echter niet om een anti-judaisme of antisemitisme per sé: allerlei eveneens van het jodendom afkomstige verhalen bleven gehandhaafd, omdat ze pasten binnen de islamitische overtuiging (zoals die over Hagar die als eerste de hajj volbracht. Hagar komt niet voor in de Koran).

De strijd tegen de Isra'iliyyat ontstond pas eeuwen na de Koran. Het is begrijpelijk dat de islam de fundamenten van de eigen traditie hier en daar ondermijnd zag worden door de Isra’iliyyat: bijvoorbeeld door het ook in de islam bekende idee dat het Izaak was die met zijn vader Abraham / Ibrahim het offer moest brengen. Dat zou verder doorgedacht een groot probleem opleveren, aangezien Izaak nooit in Mekka is geweest , ook niet volgens de islam. Toch vonden we deze opvatting bij een grote Korancommentator al-Tabari. Het zijn juist dit soort joodse verhalen die dan later worden gemarginaliseerd, voorzover dat nog kon. Het ging hierbij echter niet om zoiets als een antisemitische verwerping van joodse verhalen, maar om het consolideren van islamitische overtuigingen.

Nog een voorbeeld, waarbij juist de keuze vóór Mozes opvalt:

Du-l Karnaim, betekent met de horens, en is Alexander de Grote, die wonderlijke reizen maakt naar het uiteinde der aarde. Ibn Taymiyya stelt: dat is niet Alexander, maar Mozes.

Hij wil niet aan een heiden in de Koran een grote rol geven, wel aan Mozes.

 

5. De radicalisering van de afwijzing van Isra'iliyyat

Bestuderen we nu de opkomst van islamitische hervormingsbewegingen in de islam die wel als voorloper van fundamentalisme gezien kunnen worden. Er is sprake van rationalisering van de verhalen: de Isra'iliyyat worden afgewezen vanwege hun ongeloofwaardigheid. Dat Mozes een staf had die een slang werd is aanvaardbaar, want dat staat ook in de Koran. Dat volgens de Isra'iliyyat die staf 25.000 mensen verslond is ergerlijk bijgeloof.

Isra'iliyyat wordt dan toenemend als ondermijning van islam gezien.

Moderniteit voegt er echter argumenten bij die het geheel wel een behoorlijk anti-joodse zo niet antisemitische tendens kunnen verlenen. We komen nu dus bij de 20e eeuwse herneming van klassieke islamitische motieven in een geheel andere context.             

We weten dat joodse bekeerlingen tot de islam nogal wat joodse verhalen in de islam hebben geïntroduceerd, vaak al getransformeerd tot islamitische verhalen, maar toch duidelijk van joodse herkomst. Eén zo'n figuur is de al genoemde Ka'b al-Achbar.

Dez e Ka'b al-Achbar die honderden verhaaltradities op zijn naam heeft staan en een belangrijke figuur is van de vroege islam, wordt in de 20e eeuw aan de kaak gesteld als zionist!

In Egype, buiten de al-Azhar universiteit, kwamen islamitische denkers op die een modernisering van de islam voorstonden, tegelijkertijd een terugkeer naar een zuivere oorsprong. Mohammed Abdu en diens leerlingen Rida en Abu Rayya zagen in de fantastische verhalen van de Isra'iliyyat een bedreiging van het rationele karakter van de islam.[4] Wonderen, vooral buiten de Koran verteld, werden sceptisch bekeken. Zo is het wonder  van Mozes' staf die een slang wordt geen discussiepunt - het staat in de  Koran. Maar dat die slang alle omstanders aanviel  en wel 25.000 mensen doodde is ergerlijke fantasie.

Die invloed wordt verklaard door zegslieden onder wie Ka'b al-Achbar die zich heimelijk zouden willen wreken op de Arabisch-islamitische overheersing.  Ook Shi'ieten zouden in dit complot zijn betrokken.

Abu Rayya (1946) meent dat Ka'b al-Achbar de eerste zionist was en een crypto-jood in de islam. Omdat de metgezellen van Mohammed niet waakzaam waren werden zijn overleveringen opgenomen in de islam.

"We hebben hem ontmaskerd, Ka'b al-Ahbar is de eerste zionist. We hebben hem ontdaan van zijn vermomming van overleveraar van islamitische tradities."

Wat opvalt is de a-historische kijk op de oorsprong van de islam, het absoluut centraal stellen van de Koran als sola Scriptura (wat een breuk betekent met de eerste eeuwen van Koran uitleg zoals bij al-Tabari),  maar ook het praten over historische figuren in moderne politieke termen en zelfs in termen van samenzwering.   Het religieus fundamentalisme, dat we overigens ook vinden in 19e eeuws protestants Amerika, spiegelt zich aan de natuurwetenschappen en zoekt liever naar "principles" dan naar verhalen, liever naar "fundamentals" dan naar existentiële ervaringen. De natuurwetenschappen met hun claim van ondubbelzinnige objectieve waarheid vormen de matrix voor het fundamentalisme, dat dus niet per sé anti-wetenschappelijk  is.

Verontreiniging van de zuivere oorsprong is waartegen het fundamentalistische protest zich richt. Interpretatie maakt plaats voor de claim het Woord van God zelf in zuivere gestalte te bezitten (dat natuurlijk samenvalt met de eigen overtuiging).  De talrijke perspectieven en dimensies van traditionele Koranuitleg worden moeiteloos terzijde geschoven door de fundamentalist die immers niet in interpretaties (meervoud) is geïnteresseerd, maar veeleer in de ene waarheid (enkelvoud).

Abu Rayya ontwerpt een visie op de oorsprong van de islam als zuivere bron, vrij van joodse smetten. Een oorsprong die nooit heeft bestaan en ook nooit door moslims zo is begrepen!

Het is paradoxaal dat Abu Rayya's scherpe kritiek op Ka'b Al-Ahbar hem dito scherpe kritiek heeft opgeleverd van traditonele geleerden van de al-Azhar-universiteit, die een dergelijke aanval op de bronnen, de zegslieden en de Isra’iliyyat niet waarderen. Dat gaat echter aan de fundamentalisten voorbij.

Dit soort fundamentalisme is dus een modernistische visie. De spanning tussen Mohammed en d e joden in Medina wordt eveneens getransformeerd tot een eeuwige vijandschap tussen jodendom en islam. In werkelijkheid is dit alles getriggerd door de Palestijns-Israëlische kwestie, die zelf weer geheel gezien wordt als een overblijfsel van het kolonialisme.

 

6. Het antisemitisme in modern fundamentalisme

Laten we nog een stap verder gaan in onze analyse van het hergebruik van oude bronnen en motieven. Een modernistische benadering kan besluiten ook publicaties uit de eigen tijd te gebruiken om kritiek op de joodse verhalen te onderbouwen. Dat doet bijvoorbeeld Mohmmed Tantawi : Banu isra'il fi'al - Qur'an wa al-Sunna, een publicatie uit 1969, toen de anti-Israëlische tendens in Egypte op zijn hoogtepunt was.[5]

Hij beschouwt de verspreide opmerkingen over het jodendom in de Koran als essentialistische beschrijvingen van het wezen van het jodendom toen en thans, onder weglating van de positieve opmerkingen zoals Soera 2:62, hierboven geciteerd.

De auteur is overigens gepromoveerd aan de al-Azhar universiteit op dit boek. Later werd hij mufti en nog later sjeik van de universiteit. Het boek maakt gebruik van traditionele commentaeren zoals al-Tabari, Zamakhshari en anderen.

Het begint echter met het onrecht moslims aangedaan in Palestina. De joden hebben met hulp van ongelovige staten onwettig een gedeelte van ons land genomen, in 1948. Het religieuze aspect ervan is nooit belicht en dat is wat dit boek wil doen, op basis van Koran en Soenna. De schaamteloze daden van de joden zullen op deze wijze worden getoond.

Joden worden beschreven als complotterend tegen Mohammed, pogingen om moslims te bekeren en allianties met afgodendienaren.

In de moderne tijd citeert hij plotseling Benjamin Franklin: er is een groot gevaar voor Amerika, de joden: "De joden die hier binnen komen zullen het te gronde richten".

Het begin van de islam en wat nu gebeurt is hetzelfde: joden manipuleren de media zodat het Westen geen vriendschap met ons kan sluiten.

Een andere auteur is Tabbara. Hij citeert de Koran: "Jullie zullen de meest vijandige mensen vinden onder de joden en de polytheisten". Beide auteurs grijpen naar niet-arabische literatuur om hun betoog te ondersteunen:

Het joodse vraagstuk, van Karl Marx, Chaim Weizman, Golda Meir, maar ook de antisemitische vervalsing De Protocollen van de Wijzen van Zion en zelfs Mein Kampf.

Tabbara geeft aan dat hij de vervolging en moord op onschuldige mensen verwerpt, maar hij citeert Mein Kampf om het Zionisme aan de kaak te stellen en te laten zien dat de Koran dat al zou zeggen.

"Dat de joden Duitsland ondermijnen zegt Hitler, maar de Koran al 14 eeuwen eerder":

"Zij haasten zich om de aarde te bederven en God houdt niet van bewerkers van corruptie (5:64).

Uiteraard is zijn benadering van de Koran uiterst selectief, onhistorisch en essentialistisch. Een lijst van essentialistische joodse fouten omvat: 1. schending van overeenkomsten 2. slechte manieren jegens God, vijandigheid jegens zijn engelen, doden van de profeten, 3. haat jegens anderen, egoïsme, sluwheid, verwerping van Gods boek en gebruik van magie, 4. corruptie van de Schrift, 5.  angst voor vechten in naam van God, 6. Mozes vragen om het gouden kalf, enzovoort.

Beroep op biologische afstamming van Abraham, als garantie voor heil, is een bijzondere fout van de joden. Het is de auteur duidelijk dat de joden van zijn tijd de eigenschappen hebben geërfd van hun voorvaderen uit de bijbelse tijd en uit de tijd van de Koran.

God straft hen voortdurend, alle vervolgingen zijn evenzovele straffen van God.

Dat joden onmiddellijk over anderen gaan heersen is aangetoond door de gebeurtenissen in  Deir Jassin (een Arabisch dorp dat is uitgemoord door zionisten).

Dan brengt hij een vroom-islamitisch motief aan: moslims zouden allang van God de overwinning hebben gekregen als ze zelf niet zo laks waren in het geloof.

Ook wordt de Talmoed nog als bewijs erbij gehaald, dat joden de rechten van anderen mogen schenden.

Hier is de bron hoogstwaarschijnlijk niet de Talmoed, maar antisemitsiche bloemlezingen zoals die in de 19e eeuw in Europa zijn vervaardigd zoals August Röhling, Der Talmudjude. Ook de Protocollen vormen een belangrijke bron. We zien dus dat het antisemitisme goeddeels stamt uit publicaties van eind 19e eeuw uit Europa. De bewering dat dat antisemitsime altijd al in Islamitische bronnen aanwezig was, wordt zowel door moslimfundamentalisten (als positief) als door sommige Westerse wetenschappers zoals Suurland (als negatief) beweerd, maar is resultaat van gezichtsbedrog en teruglezen van hedendaagse ontwikkelingen.

Interessant genoeg is één van bovengenoemde Islamitische auteurs, Tantawi,  zeer onder de indruk van het optreden van Sadat, met name dat Sadat uit kracht naar Israël kwam en niet uit zwakte. De auteur  voelt zich genoodzaakt nogal wat oordelen te herzien, maar komt nu in een lastig parket. Fundamentalisten vragen hem of hij meent dat de Koran is veranderd. Dat kan hij natuurlijk niet toegeven zonder als ketter te worden gebrandmerkt! De Koran is onveranderlijk! Hierbij gaat hij volkomen voorbij aan de uiterst lenige uitlegtradities die de Koran kenmerken. De mengeling van hedendaags antisemitisme en Koranuitleg verleent aan zijn woorden een onveranderlijke status.

Het is opmerkelijk dat dezelfde Tantawi in 1994 deelnam aan interfaith ontmoetingen en in New York ook rabbijnen ontmoette. Hij zou zelfs de opperrabbijn van Israël in 1996 ontmoeten, maar de Egyptische regering verhinderde dat. Hij werd ter verantwoording geroepen en men wees op zijn boek.  Hij antwoordde dat hij getrouw was aan de Koran, maar dat de Koran de joden zowel prijst als bekritiseert. Maar ik zou president Sadats verrichtingen eraan toevoegen, zei hij.

Mogelijk heeft de auteur een verandering ondergaan en is hij gematigd geworden. In dezelfde tijd was er zoals gezegd ook een groepering die juist Sadat als een grote verrader beschouwde. De jihad moest gericht zijn tegen de valse heersers die niet echt moslim zijn; dit weer met een beroep op Ibn Taymiyya. Uit die kringen van The neglected duty  kwamen ook de moordenaars van Sadat. De auteur Faraj betoogde uiteraard dat jihad een gewapende strijd tegen de overheid impliceerde.

Bij onze Tantawi zien we echter een omslag en een heel ander geluid dan tevoren! Het is duidelijk dat de veranderde politieke constellatie een verandering in religieuze visie op de joden zowel toen als thans bij hem oplevert.

 

7. Conclusie

Bron van die negatieve visies op de joden is dus niet een vermeend eeuwenoud islamitisch antisemitisme, maar de politieke constellatie vanaf de oprichting van de staat Israël, die onveranderlijk als product van Westers kolonialisme wordt gezien. Dat de jodenvervolging er ook mee te maken heeft wordt hier en daar wel gezien, maar als Europees probleem gezien dat niet door de Palestijnen kan worden opgelost. Maar daarmee zijn we al in een ander mentaal universum dan het hedendaagse Arabische antisemitisme.

Duidelijk is dat de islamtraditie zeer verschillende beelden van joden toestaat en dat er ook geleerden zijn die dat toegeven. De huidige politieke constellatie en de politiek van Israël, die er kennelijk op gericht is om radicalisering onder de Palestijnen te bevorderen (zodat onderhandelingen verder weg blijven) zal een positievere beeldvorming voorlopig wel onmogelijk maken.

De islam als essentieel antisemitisch aanmerken, zoals Suurland doet en vele anderen,  is echter een grove karikatuur die al even essentialistisch is als het beeld van het jodendom bij bovengenoemde auteurs.

Wel zien we dat religieus onderricht een instrument is geworden in politieke agitatie, net zoals we in Israël zien dat talmoedscholen gepolitiseerd zijn en bijdragen tot politieke ideologieën.

Met name de neiging om heilige teksten te verbinden met antisemitische propaganda maakt van het geheel een gevaarlijk mengsel. Dit mengsel is echter een product van de 20e eeuw en mede gevoed door Westerse antisemitische bronnen.

 

Marcel Poorthuis

Hoogleraar Tilburg School of Theology

Voorzitter Pardes

               

 

[1] Zie: M. Poorthuis, B. Roggema, P. Valkenberg (red.), The three rings. Textual Studies in the Historical Trialogue of Judaism, Christianity and Islam. Peeters, Leuven 2005.

[2] Deze jonggestorven historica is feitelijk van Cubaanse afkomst en weet ontroerend over Andalusië te verhalen.

[3] Zie Marc Cohen, 'The Golden Age of Jewish-Muslim Relations: Myth and Reality', in: A. Meddeb and B. Stora, A History of Jewish-Muslim Relations from the Origins to the Present Day, Princeton 2013, 28-38.

[4] R. Nettler, 'Early Islam, Modern Islam and Judaism', in: R. Nettler & S. Taji-Farouki (red.), Muslim-Jewish Encounters . Intellectual Traditions & Modern Politics, Amsterdam 1998, 1-14.

[5] Suha Taji-Farouki, 'A Contemporay Construction of the Jews in the Qur'an: a Review of Muhammed Sayyid Tantawi's Banu Isra'il fi al-Qur'an wa-al-Sunna and `Afif `Abd al-Fattah Tabbara's Al-Yahud fi Al-Qur'an , in:  R. Nettler & S. Taji-Farouki (red.), Muslim-Jewish Encounters . Intelectual Traditions & Modern Politics, Amsterdam 1998, 15-37. Een Fundgrube of van dergelijke literatuur biedt de dissertatie van M. Haddad, onder leiding van J. Waardenburg: Arab Perspectives of Judaism: a Study of Image Formation in the Writings of Muslim Arab Authors 1948-1978, Utrecht 1984. Ondanks de nadruk op 'iomage formation' valt te vrezen datd e auteru zelf meende dat de beweringen bij deze auteurs over het jodendom op waarheid berustten!  


Onvermoede schatten uit de bibliotheek van PaRDeS

door Marcel Poorthuis, voorzitter PaRDeS

Toenmalige werkelijke

verhoudingen

getransformeerd tot

een 'romantische' affaire?

In de vakantietijd mag ik graag een boek ter hand nemen dat met de vakantiebestemming te maken heeft. Dit jaar was Italië aan de beurt en dus nam ik een dik maar door mij nooit gelezen boek mee van al wat jaren oud, maar meerdere malen herdrukt: Het geheime boek van Grazia dei Rossi, van Jacqueline Park. Een uitermate wonderlijk boek dat Dichtung en Wahrheit door elkaar vlecht. De befaamde joodse familie Dei Rossi is natuurlijk bekend van de manuscriptenverzameling van Azariah dei Rossi en van de eerste joodse componist van meerstemmige muziek Samuel dei Rossi. Ook Judah del Medigo is gemodelleerd naar een beroemdheid: in het boek is hij getrouwd met de hoofdpersoon Grazia. Het boek weet een verfijnde Renaissance-sfeer op te roepen door het citeren van Vergilius en Cicero, maar de joodse geschriften komen er wat bekaaid af. Toch snijdt het boek het grootste taboe in joodse kring aan: de bekering tot het christendom. Een romantische liaison met een Italiaanse edelman zou Grazia op 13-jarige leeftijd ertoe gebracht hebben om huis en haard te verlaten en zich bij het casa dei neofyti te melden, huis voor joden die christen willen worden. Waarom ik dit ter sprake breng is hierom: schrijfster citeert de oorspronkelijke en werkelijk bestaande brief van een joodse vrouw, Pacienza Pontremoli uit Mantua, die antwoordt op een eveneens bestaande brief van de christelijke Isabella Gonzaga en die het uitgangspunt vormen voor deze vuistdikke roman. Het boeiende is nu dat kennis van enkele boeken uit de Yehuda Aschkenasy bibliotheek een geheel andere duiding van deze briefwisseling mogelijk maakt. Natuurlijk heeft een roman recht op dichterlijke vrijheid - alhoewel de hoofdpersoon ter communie gaat zelfs voordat ze is gedoopt, een onbestaanbare gang van zaken. De oorspronkelijke brieven zijn echter minstens zo boeiend als de roman, maar het lijkt erop dat ondanks de vermelde joodse geleerden als adviseurs en behoorlijk wat documentatie (Shimonson's History of the Jews of Mantua) de strekking niet duidelijk is geweest.

Wij gaan het proberen: Isabella schrijft dat zij heeft gehoord van de deugdzaamheid van Pacienza en spoort haar aan zich te bekeren tot het christendom "opdat een deugdzame ziel als de uwe niet verstoken blijft van hemelse vertroosting". Zij heeft bovendien een aantrekkelijke bruidegom in het verschiet, die zijn hoofd heeft verloren vanwege Pacienza en haar meer zal liefhebben dan Orpheus Euridice liefhad, Pericles Aspasia enzovoort.

Van belang is echter haar theologische argumentatie: "Is het niet uw eigen profeet Rhau die beweert dat het uur waarop de Messias is verschenen reeds is geweest? Hebt u dat niet meer dan eens gelezen in het boek dat Sanidrin wordt genoemd?" 

Deze 'profeet' is niemand anders dan de Talmoedische rabbijn Rav, die in het tractaat Sanhedrin stelt: "Alle vastgestelde tijden zijn verstreken en de zaak hangt nu slechts af van omkeer en goede daden" (Bab. Talmoed Sanhedrin 97b). Deze spreuk keert zich tegen apocalyptische tijdsberekeningen, maar wordt in deze briefwisseling geduid als een weerlegging van de joodse gedachte dat de Messias nog moet komen. Inderdaad vervolgt Isabella: "Zijn de zeventig weken van Daniel inmiddels niet verstreken?" Daarmee refereert ze aan de talmoedische berekening van de komst van de Messias: 70 weken staan wellicht voor 4900 jaar, gerekend vanaf de schepping of voor 490 jaar, wellicht gerekend vanaf de terugkeer uit de ballingschap. Maar uiteraard gaat ze zelf van een christelijke berekening uit waarbij bovendien Daniel 9:26 over de vermoorde gezalfde op Jezus wordt betrokken.

Isabella zegt in hetzelfde tractaat te hebben gelezen dat de Messias is geboren op het moment dat de tempel is verwoest. Nu staat dat niet in het tractaat Sanhedrin, maar in de midrasj. Interessanter is dat deze discussie ook voorkomt in het debat tussen de joodse geleerde Nachmanides en Pablo Christiano, een jood die christen was geworden en zich fel tegen het jodendom keerde.

Ik vermoed dan ook dat Isabella niet uit de Talmoed citeert, al zegt ze van wel, maar uit een ander boek (of een compilatie daaruit) dat eveneens in de Yehuda Aschkenasy bibliotheek staat: de Pugio Fidei, de Dolk van het Geloof, een reusachtige compilatie van teksten uit de rabbijnse literatuur, in de 13e eeuw vervaardigd door de dominicaan Raymundo Martini ten behoeve van de zending onder de joden (en onder de moslims overigens. Binnenkort zal er een dissertatie over verschijnen). Al die teksten willen maar één ding bewijzen: de christelijke waarheid én dat joden die heimelijk al erkennen. Een grimmig werk dus en de brief van Isabella is evenmin onschuldig. Het antwoord van de joodse vrouw Pacienza is dan ook diplomatiek: "Uw betoog scheen me krachtig en bezield, ik realiseer me dat ik de echtgenoot die u me presenteert niet waardig ben".  Ondanks dat ze zegt diep geroerd te zijn door de brief stelt ze nogal principieel: "Met de komst van de Messias zal Jeruzalem worden herbouwd, en de tempel met kostbare stenen: dat is nog niet gebeurd". Dan zegt ze: "De Torah is door Mozes publiekelijk met donder en bliksem geopenbaard, een feit dat de christenen ook erkennen. Uw wet (het evangelie) is echter door twaalf  arme mannen op blote voeten heimelijk doorgegeven".  Ook dit argument is traditioneel: ik vermoed afkomstig van Judah Halevi. Het feit dat de apostelen eenvoudige vissers waren werd als argument tegen het christendom gebruikt (ofschoon het evengoed een argument pro kan dienen!). Maar vooral het publieke karakter van de openbaring op de Sinai was een geliefd polemisch argument van joodse zijde, waarover deze vrouw kennelijk ook beschikt. Ze besluit: "Ik hecht geloof aan onze rabbi's die er een volstrekt andere mening over uw Verlosser op na houden dan u".

Een moedige reactie die getuigt van zieleadel. Wetend dat je niet de macht, maar wel integriteit aan je zijde hebt. Mag een romancier een dergelijke brief transformeren tot een 'romantische' affaire inclusief een forse scheut erotiek en een kortstondige flirt met het christendom? Toch goed dat de boeken in de bibliotheek van PaRDeS een blik geven op de werkelijke toenmalige verhoudingen!

Marcel Poorthuis


Wilt u reageren op deze column? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

Vrouwen in het paradijs.

Waar ik maar geen genoeg van kan krijgen dat zijn de boekjes in de Yehuda Aschkenasy-bibliotheek van PaRDeS die wel worden samengevat onder de titel: kleine Midrasjim. Hier staan werkelijk de meest wonderlijke verhalen in, over Salomo, over Abraham, en ook over het paradijs. Herkomst, auteurschap en beïnvloeding zijn allemaal onzeker: soms lijkt het alsof de islam deze teksten heeft beïnvloed, dan weer is het omgekeerde het geval. (Op mijn website http://www.marcelpoorthuis.nl/ komt binnenkort een verhaal over Abraham / Ibrahim, waarin dat wel heel duidelijk blijkt!).

Hier gaat het me nu om een verhaal waarin het in de religie nogal gediscrimineerde gedeelte van de mensheid, namelijk de vrouwen, voluit aan bod komt!

Het gaat om Seder Gan Eden: de herkomst is A. Jellinek, Beth Hamidrasch deel 3, pp. 130 en volgende.

In Gan Eden zijn in het noorden zeven gebieden en paleizen bereid voor de rechtvaardige vrouwen in Israel die goede daden deden voor de Heilige geprezen zij Hij; daden van compassie en verdiensten van de Torah in hun kinderen. In het eerste gebied is Batya te vinden, de dochter van Farao. Iedere vrouw die wezen grootbrengt, Torahgeleerden eer bewijst en liefdadigheid in het verborgen doet komt daar. Elke dag krijgen ze een schitterende kroon van de glans van de Sjechina, en hierover wordt geproclameerd: “Gezegend jij die versterkt en voortzet wat groeit en bloeit als vertakking van de schittering in de wereld!”

 In het tweede gebied zijn vele rechtvaardige vrouwen van Israel. Daar is Jochebed, de vrouw van Amram, het hoofd.  Drie maal per dag wordt geproclameerd over haar: “Gezegend jij dat je een zoon hebt gedragen die met hoofd en voeten in een dichte wolk stond”.

 

In het derde gebied staat Miriam de profetes, samen met rechtvaardige vrouwen. Ieder die haar echtgenoot aanmoedigt om de goede weg te gaan en in dienst van de Schepper. In elk gebied zijn rustbedden en bekende engelen zijn als wachters aangesteld.

Kritische lezers zullen intussen wel gezien hebben dat het hier wellicht niet om een heel erg geëmancipeerde visie gaat. De vrouwen ontlenen hun belang aan de mannen, alsof ze zelf geen Torah kunnen leren. Maar laten we toch maar van deze bijzondere tekst genieten. De vrouwen worden in elk geval niet louter tot gerief van de mannen in het Paradijs opgevoerd.  Nu zult u zeggen:  we zitten in het derde gebied: waar blijft de rest? Ik wilde u alleen maar even nieuwsgierig maken, bovendien is de tekst zelf niet àf!

Maar tot geruststelling: de matriarchen ontbreken niet.

Marcel Poorthuis

 

 


 

Profetie als goddelijke pathos

Het was een mooie gebeurtenis, de presentatie van De profeten van de joodse filosoof Abraham Joshua Heschel. De intieme synagoge van Apeldoorn vormde het decor. Het gebouw is met hulp van velen weer in de oude luister hersteld, zodat de bezoeker weer onder de indruk komt bij binnentreden: Weet voor Wie je staat! Ook het tijdstip was wonderlijk goed gekozen: 10 oktober zou de verjaardag geweest zijn van Yehudah Aschkenasy; het boek werd aan zijn vrouw Jacqueline overhandigd. Ook het boek is door inspanning van vele vrijwilligers tot stand gekomen. Het resultaat mag er wezen: gebonden, ruim 700 bladzijden, met leeslint. De 50 euro is een schijntje voor zoveel moois!

Maar nu de inhoud: wat is eigenlijk het belang van dit boek? Iedereen die wel eens Heschel heeft gelezen, die denker die samen met Martin Luther King zich inzette voor mensenrechten, weet dat zijn proza niet makkelijk leest. De taal is nogal eens gezwollen en doet soms zelfs bombastisch aan. Reden daarvan is ongetwijfeld de gelaagdheid: in Heschel spreekt het Oost-Europese jodendom met zijn chassidisme en kabbala. Maar ook klinkt de Duitse filosofie door, en wel met name de fenomenologie. De verhouding van Heschel tot de katholieke denker Max Scheler (van joodse huize overigens) zou nader onderzoek verdienen. En dan is er de derde laag van Amerikaanse pragmatische filosofie en theologie, van Niebuhr en existentiële therapeuten. Het bijzondere van De profeten is dat hij hier zich het meest dwingt tot wetenschappelijke helderheid. Het is dan ook zijn proefschrift geweest. Kern is dat extase en orakel, bekende categorieën om profetie mee te omschrijven, volgens Heschel niet voldoen. Een omvangrijke vergelijking tussen Griekse inspiratieleer en de bijbelse tegenhanger maakt dat duidelijk. De profeet is geen mysticus en spreekt geen onbegrijpelijke taal. Zijn enige legitimatie om zich af te zonderen op de berg is om er vervolgens weer van af te dalen, naar het volk. Het volk is zijn dragende grond: zonder het volk kan de profeet niet leven. Maar het woord van God aan het volk doet de profeet persoonlijk pijn, juist omdat hij één is met het volk. De profeet deelt in Gods visie op de wereld: geen unio mystica, maar unio sympathetica. Het pathos van God, de goddelijke toorn, richt zich tegen het onrecht dat mensen elkaar aan doen. Een kernpassage tot slot (p. 403):

De profeet is iemand die  - vervoerd of koortsig – zowel Gods toorn als Gods liefde in zijn ziel draagt. Het is de liefde die in zijn ziel huist samen met het visioen van haar stroom van zegeningen; het is de toorn die zijn hart verteert samen met het visioen van haar stroom van verschrikkingen. De vreselijke pijn in de ziel van de profeet komt zowel voort uit het besef van wat de toorn teweeg kan brengen als uit het besef van de toorn zelf. 


Mozes de boekhouder

Bij de stichting PaRDeS bevindt zich de fraaie Yehuda Aschkenasy bibliotheek met boeken die geraadpleegd kunnen worden, maar niet uitgeleend. Daarnaast biedt PaRDeS ook heel wat boeken uit eigen fonds aan en soms ook van andere fondsen. En daarover wil ik het deze keer hebben.

Een bekend genre dat bij PaRDeS door Rob Cassuto met veel creativiteit wordt beoefend (lees maar op deze website!) is het commentaar op de Parasja van de week.

Een opmerkelijke auteur in dit genre is Pinchas Peli, een rabbijn uit de kringen van de legendarische joodse denker Joseph Soloveichik. Deze kring kenmerkt zich door gedetailleerde Talmoedstudie, flinke reserve jegens Kabbala en een opmerkelijk open houding jegens christelijke denkers als Max Scheler en Sǿren Kierkegaard. In De Torah vandaag (misschien nog verkrijgbaar bij PaRDeS, tegen reductie zelfs!) laat Peli zich van een minder filosofische kant zien. Hij verbindt het verhaal van schepping en uittocht telkens met alledaagse kwesties.

Zo laat hij zien dat Mozes een model is voor een transparante boekhouding. En zoals u weet hebben banken en financiën tegenwoordig weer de belangstelling van de religie en omgekeerd (dat was in de zeventiger jaren wel anders!). Peli vertelt hoe de kosten van het tabernakel nauwkeurig worden gespecificeerd. Maar liefst zes hoofdstukken lang (Ex. 35-40) wordt openheid van zaken gegeven. Niet alleen alle materialen worden genoemd, maar er is meer: “Hier volgt een berekening van de kosten van het tabernakel…op bevel van Mozes becijferd” (Ex 38:21). Wat zullen we nu hebben? De grote Mozes die handelt in opdracht van God zelf, zou rekenschap moeten afleggen van zijn bestedingen? Deze man staat toch boven alle verdenking? Inderdaad, en toch moet hij een precies overzicht geven van de besteding van gelden van de gemeenschap! Zelfs als de Allerhoogste zelf laat weten dat deze man betrouwbaar is, dan nog moet publiekelijk verantwoording worden afgelegd. Het respect van de kant van het volk is even belangrijk als het respect van de kant van God.

In moderne termen: een bevlogen en geïnspireerd mens heeft de neiging om vóór de troepen uit te lopen. Toch zal hij of zij de instemming van zijn medewerkers dienen te krijgen, wil hij of zij dat charisma handen en voeten geven. Niets corrumpeert zo snel als charisma. Werkelijk gezag heb je niet, dat krijg je. En dat krijgen is geen permanente garantie: toen Mozes na het gouden kalf ontgoocheld naar zijn tent ging (Ex. 33:8), staat er: “de mensen bleven hem nakijken”. Waarom? Peli legt uit: ze roddelen: “wat een dikke nek en dikke benen! Hij heeft het maar goed van onze bezittingen!” Een ander zei: “Dwaas, verbaas je je daarover? Dacht je nou echt dat iemand die het tabernakel van goud maakt het zelf niet royaal zou hebben?” Mozes gaf ten antwoord: “Ik zal over alles verantwoording afleggen. Daarom zegt de Torah: “Hier volgt een berekening van de kosten van het tabernakel…op bevel van Mozes becijferd” (Ex 38:21).


Marcel Poorthuis


Voorzitter PaRDeS


Mozes als econoom

Wie ook maar enigszins thuis is in het lernen rond bijbel en jodendom kent de naam van Nechama Leibowitz. Zus van de scherpe orthodox-joodse denker Jesaja Leibowitz heeft zij zich jarenlang bekwaamd in uitleg van de Torah aan de hand van midrasj, Middeleeuwse commentatoren én moderne joodse exegeten.

Zij stuurde haar lessen elke week rond in Israël, aan iedereen die maar wilde, vergezeld van vragen. Zij corrigeerde vervolgens de antwoorden weer en stuurde ze weer terug. Binnen enkele jaren werden deze rondzendlessen een begrip in heel Israël! Dit hele proces heeft ze verwerkt in boekvorm. In de Yehuda Aschkenasy bibliotheek staan ze keurig op een rijtje: Studies in Genesis, in Exodus, Leviticus , Numeri, Deuteronomium. Ook die lessen worden gevolgd door intrigerende vragen die ik persoonlijk vaak niet weet op te lossen. U natuurlijk wel: vandaar dat ik ze maar even aan u voorleg. Thema is hoe Mozes, die zich een echte econoom betoont, omgaat met de vele kostbaarheden die hem worden toevertrouwd in verband met het vervaardigen van het tabernakel in de woestijn. Goud en zilver in grote hoeveelheden! Een riskant bezit voor een charismatisch leider, die gebruik kan maken van de goedgelovigheid van zijn volgelingen.

Na het debacle van het Gouden Kalf verzamelt Mozes goud en zilver voor het tabernakel. En wat gebeurt er? (Ex 35:21-29): “Iedere man en vrouw van wie het hart hen aanspoorde … brachten het offer van de Heer. Zij brachten gespen, oorringen en ringen”. Het woord ’brengen’  valt zelfs nog een paar keer, zo zeer benadrukt de bijbel de bereidheid van de mensen. Fijn voor Mozes, zou je denken. Maar wat gebeurt er? Mensen waarschuwen Mozes dat er al meer dan genoeg is. Mozes laat weten: “laat niemand meer werk doen voor het heilige offer”. Mozes maakt geen gebruik van hun enthousiasme. Nachmanides zegt dat hier zowel de edelmoedigheid van het volk als de onkreukbaarheid van Mozes wordt benadrukt, die “nog geen ezel van hen had genomen” (Num 16:15). Maar Nechama Leibowitz is niet tevreden met deze uitleg. Ze beluistert bedenkelijke boventonen in het enthousiasme van het volk. Ze citeert Rabbi Jehuda ben Pazzi die zelfs zegt: “Kunnen we dit lezen zonder te huiveren? Ten goede: “van wie het hart hen aanspoorde”. Ten kwade: “Heel het volk brak de sieraden af om ze te brengen” (Ex 32:3, namelijk voor het Gouden kalf).

Mozes kende het enthousiasme van de massa maar al te goed! Maar bij het tabernakel staat: “ieder mens”, bij het kalf “heel het volk”. Dat laatste geeft wellicht meer een collectieve roes aan. Zou het waar zijn dat dienst aan God een appèl doet op de individuele menselijke verantwoordelijkheid en geen collectieve roes nodig heeft? De joodse filosoof Levinas zou blij zijn met deze uitleg! Dan doet Nechama er nog een schepje bovenop: In Ex 35:21 staat: “van wie het hart hen aanspoorde en van wie de geest ertoe genegen was”. In Ex 35: 29 staat alleen: “van wie het hart hen aanspoorde “, zonder verwijzing naar de geest. Nachmanides en de commentator Ha-ketav we-ha-kabbala (Mecklenburg) leggen beiden deze passage uit. (zie Leibowitz, Studies in Exodus p. 671, sla na in uw exemplaar of kom het boek inkijken in de bibliotheek van PaRDeS!):

- Leg uit op welke tekstprobleem ze ingaan.
- Waarin verschillen ze?
- Waarin is Nachmanides meer precies wat de structuur van de tekst betreft?

Succes! De antwoorden neem ik mee in de volgende column: Mozes als econoom 2.

Marcel 


Wilt u reageren op deze column? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

De Art Scroll Tenach serie.

Sarah was volmaakt. In wijsheid , in schoonheid, in onschuld, in vaardigheid. Haar leven was een weefsel van volmaaktheid. Zo begint de Art Scroll de lofzang op onze aartsmoeder. Deze Art Scroll serie omvat vele tientallen boeken en is een wonder van geleerdheid. Maar er is wel iets mee aan de hand: de auteurs zijn zéér vroom. Bij het verhaal van Ruth roept de rabbijn uit: ‘God forbid’ dat het hier om een profane liefdesgeschiedenis gaat! Daarmee brengt hij precies datgene aan wat de bijbel niet kent: een scheiding tussen erotiek en spiritualiteit, tussen hartstochtelijke mensenliefde en verheven religie. En er is nog iets met de Art Scroll serie: de auteurs zijn ervan overtuigd dat de bijbelse figuren allen onberispelijk zijn en als heiligen gezien moeten worden, (dit ondanks het cliché dat alleen het christendom heiligen zou kennen). Het is de vraag waarom Sarah zo opgehemeld moet worden. Is dat omdat als je vrouwen op een voetstuk zet je minder last van ze hebt? Het lijkt er op dat de bijbel wel degelijk licht en donker van de hoofdpersonen beschrijft. Is het niet duidelijk dat Sarah eenvoudigweg jaloers is op Hagar die een bijzondere positie bij Abraham heeft als moeder van zijn kind? Talmoed en Midrasj geven dat nog toe alhoewel daar al het zwartmaken van Ismaël en Hagar begint: Ismaël zou zijn jongere (half)broer Izaak met de dood bedreigen, zowel hij als zijn moeder waren afgodendienaars, enzovoort. De bijbel is van dat alles niet op de hoogte! Volgens de Art Scroll natuurlijk wel.

Om een kritischer beeld van Sarah te krijgen moeten we naar islamitische verhalen luisteren. Hagar speelt daar een centrale rol: Sarah is jaloers en wil haar verwonden, haar het oor doorboren als slavin, ja zelfs besnijden! Abraham heeft de wat slappe rol die we ook uit de bijbel kennen, maar anderzijds (ook de Islam hemelt de profeten op!) beseft Abraham al dat Hagar door God op een profetische missie wordt gestuurd. Hij verdrijft haar dus niet, maar helpt haar op weg. Zij zal de Ka ‘ba ontdekken en als eerste mens de Hajj, de pelgrimstocht voltrekken. Ze loopt namelijk tussen twee heuvels heen en weer op zoek naar water voor haar kind Ismaël (die dan nog wel erg klein blijkt te zijn!). De Art Scroll serie weet natuurlijk niets van die bijzondere ontdekkingstocht van Hagar en Ismaël. En toch, als je de bijbel leest dan hoor je dat Ismaël wel degelijk ook een belofte heeft ontvangen: twaalf vorsten zullen uit hem voortkomen. Dat klinkt behoorlijk verwant aan de twaalf stammen die Jacob in de lijn van Izaak worden toegezegd.

Het meest indrukwekkend zegt de bijbel het echter op een andere plaats: de twee broers staan samen aan het graf van hun vader Abraham. Is Ismaël weer teruggekeerd en hebben ze zich verzoend ten overstaan van hun overleden vader? De bijbel vertelt het niet. Juist de stilte van de bijbel laat ruimte voor vele verhalen. Maar zoveel is duidelijk: God schrijft recht op kromme lijnen: wij hoeven die lijnen niet recht te maken, hoogstens onze eigen kromme lijnen ermee verbinden!

Marcel Poorthuis 

Wilt u reageren op deze column? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

De naakte Waarheid en de mooie kleren van Verhaal

Parabels zijn zowel in jodendom als in christendom een belangrijk religieus medium. Het is alsof door schijnbaar simpele verhalen de meest diepzinnige waarheden worden verkondigd. Bovendien hebben verhalen de plezierige eigenschap dat ze over jouzelf gaan - "Jij bent die mens!" - maar zonder dat ze dwingend iets opleggen! 
Een unieke editie uit de Yehuda Aschkenasy-bibliotheek van PaRDeS is wel die van de parabels van de chassidische rabbi van Dubnov. Ik vermoed dat de oorspronkelijke editie in het Hebreeuws is (in het colofon worden verschillende Hebreeuwse werken genoemd), maar deze editie is in het Jiddisch. Nou heb ik dat nooit gestudeerd en voor een deskundig commentaar moet u bij mijn vriend Shlomo Berger zijn. Maar het grappige is dat als je probeert uit te spreken wat er staat (moet je wel Hebreeuwse letters kunnen lezen), dan hóór je als het ware wat het betekent.
Kijk maar naar de titel van de eerste parabel: a masjal auf a masjal, een parabel over een parabel. 
De eerste regel is ook goed leesbaar: man hat einmal (?) dem Dubner Maggid gefragt. Dan volgt een vraag: waar haalt het verhaal toch de kracht vandaan om zo sterk op een mens in te werken? De Maggid zegt: Ik zal het jullie uitleggen (erklären) met een ..... verhaal (masjal).
En dan volgt een verhaal dat zonder meer uniek is qua filosofische diepte: het lijkt de traditie van Plato, de Sofisten tot en met Nietzsche voort te zetten dat de waarheid nooit los verkrijgbaar is, maar altijd gebruik maakt van de retorica, de schone schijn en de glans (doxa), die kan verblinden.
Waarheid werd bij niemand binnen gelaten en was daar bedroefd over. Toen kwam hij Verhaal tegen die wel overal welkom was. Die zei: je moet mooie kleren aan trekken, dan laten mensen je wel binnen. Vanaf dat moment gaat Waarheid gekleed in de mooie kleren van Verhaal.
Verhullen de kleren nu de naakte waarheid? Misschien is de keizer alleen keizer met kleren aan. En dan: is het niet ook de situatie met onze media? We willen geen informatie meer, maar liever infotainment. Niet de precieze waarheid, maar het effect heeft in onze media de doorslag. En zelfs als een politicus eens echt de waarheid wil zeggen, komt dat alleen over, verpakt in ... de mooie kleren van een verhaal.
Wilt u meer verhalen van deze verhalenverteller horen? Lees dan het mooie boek Balk en splinter, over joodse achtergronden van de Bergrede, bij PaRDeS verkrijgbaar. Natuurlijk gaat het boek over rabbijnse achtergronden bij de Bergrede, maar auteur Marcus van Loopik heeft er heel wat mooie chassidische verhalen van veel later in gesmokkeld! Mede daardoor is het boek heel aantrekkelijk geworden! Want zonder mooie kleren...

Prof. dr. Marcel Poorthuis
Voorzitter Pardes
 

Wilt u reageren op deze column? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

Arabische schoonheden in het Heilige Land

Een periode die me altijd heeft geïntrigeerd is het begin van de zionistische beweging in Nederland. Al wordt er wel gesproken van de eerste zionistische ‘golf’, wat Nederlands betreft is het aantal joden dat toen feitelijk naar Palestina ging op enkele handen te tellen. Ik denk zelfs dat ik de meeste namen ken! Hoofiën, familie Bavly, Mirjam Gerson, Clara van Leer, om er enkele te noemen.

En de bankier Jacobus Kann, die het boek schreef: Erets Israel: het joodsche land, een reisverslag van Palestina, door de Leidse uitgeverij Brill in 1908 uitgegeven. Het doet op veel punten denken aan andere reisverslagen uit die tijd, inclusief de romantische verheerlijking van de Arabieren. De bedoeïenen en Arabische vrouwen bij de waterput werden steevast geassocieerd met aartsvaders en aartsmoeders. Zelfs de voorkaft lijkt me een Arabische vrouw te zijn. Tegelijkertijd heeft Kann een zakelijk oog voor de mogelijkheden om dit land verder te ontginnen. Overigens zag hij liever scholen verrijzen dan de vele wijnkelders die hij op zijn tocht tegenkomt! Hij kocht een stuk grond bij Jaffa, alhoewel het voor buitenlanders onder Turks bewind verboden was om grond te kopen. Uit dat stuk grond is Tel Aviv ontstaan. Kann eist dan al joodse autonomie, hetgeen schrikken was voor de zionisten in Palestina, die bang waren voor represailles.

Het boek heeft niettemin de ontwapenende naïviteit van de jeugd. Er was nog niets bekend rond 1900 van vastgelopen vredesbesprekingen, eindeloze beschietingen, hoge muren en wat dies meer zij. Wel merkt Kann op dat het zionisme door de pogroms in Oost-Europa sterk wordt bevorderd, maar je zou voor het overige de indruk kunnen krijgen dat het christelijk zionisme ouder en sterker was dan het joodse! Noties zoals de ‘verloren stammen van Israël’ en de ‘inzameling van de ballingen’ hielden de Engelse christenen immers al eeuwen diepgaand bezig.

Kann was echter de enige Nederlander op het eerste internationale zionistencongres in 1897 in Bazel. Zo sterk leefde dat zionisme dus niet in Nederland, al helemaal niet onder de rabbijnen, Dünner uitgezonderd. Toch moet er ook in Nederland rond 1900 fel zijn gedebatteerd. Kann werd de eerste Nederlandse consul in Jeruzalem. Een soort van contrapunt van Kann, een curieuze figuur, is de self-made dichter en socialist Abraham van Collem. Hij voelde zich diepgaand betrokken bij de jodenvervolgingen in Oost–Europa en werd de eerste voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond in 1899. Hij verliet de beweging echter alweer na een jaar. Hij vreesde dat de universele solidariteit van alle arbeiders die het socialisme leerde, door het zionisme zou verdwijnen, met andere woorden dat de Arabieren ter plaatse de dupe zouden worden. Een profeet? Natuurlijk is alles anders geworden na de Tweede Wereldoorlog, althans zo zie ik het. Ook de begeestering van Van Collem, die van socialist zelfs communist werd is heden ten dage moeilijk na te voelen. In ons land lijkt het socialisme als ideaal niet meer te leven.

Van Collem wist wel beter:

Het communisme over u, het licht,
Waarbij gij zien zult wat ge hebt verricht,
Binnen de kernen uwer levensdaden,
Gij krimpende, gij angstdoorgroefde made.
(Van de nieuwe gemeenschap der menschen).

Geheel begrijpelijk is het niet, maar wel getuigt het van verheven idealen. Men denkt onwillekeurig aan die unieke dichtregel, lelijk van schoonheid:

De arbeidersklasse danst een reidans aan de oceaan der wereld. (Gorter).

Tot slot onthul ik nog graag hoe het boek van Kann in de bibliotheek van PaRDeS is gekomen. Niet via de schitterende Judaica-collectie van Yehuda Aschkenasy naar wie de bibliotheek is genoemd. Het is de nalatenschap van de ‘rooie dominee’ Kleis Kroon. De man was een uiterst politiek-kritische volger van de Israëlische politiek, maar tot in zijn vezels verbonden met het jodendom en overtuigd van het bestaansrecht van de staat Israël. Zijn nalatenschap bevat tal van unieke werken, hier heb ik er één gepresenteerd.

 


 
Een denker in donkere dagen: Rabbi Chayim van Wolozhin.

Het is in onze tijd nauwelijks voorstelbaar, maar de mystiek heeft strenge critici. Niet alleen stond een flink deel van de protestantse theologie er afwijzend tegenover, ook de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas moet er weinig van hebben. Punt van die kritiek is telkens dat de mens door fusie met het goddelijke zijn identiteit en verantwoordelijkheid zou verliezen. Deze kritiek op mystiek als monisme doet er natuurlijk geen recht aan. Des te opmerkelijker is dat Levinas altijd één uitzondering maakt: het boek Nefesj ha-Chayim van rabbi Chayim van Wolozhin. Natuurlijk staat dit boek ook op de prachtige Yehuda Aschkenasy bibliotheek van Pardes! Een wonderlijk boekje: de aanduiding voor God:  ‘Elohim’, wordt uitgelegd als “Meester van het geheel van de krachten”. Deze krachten ondersteunen elke seconde het geheel van de kosmos.  Welke visie schuilt er nu achter de gedachte dat de mens is geschapen naar het beeld van ‘Elohim’? De Wolozhiner deinst  er niet voor terug om het volgende te verklaren: de mens heeft op analoge wijze macht over ontelbare werelden en machten. “ De invloed van zijn gedrag kan weldadig zijn, of - wat God niet behaagt - het tegendeel van weldadig.” De mens kan heiligheid toevoegen aan al die werelden, hij is als het ware een bouwer van die werelden. Culminatie van die stoutmoedige visie is het volgende dat iedereen wel boven zijn bed mag hangen:

 

Laat de mens niet zeggen: wat ben ik?

Wat kan ik doen met mijn kleine daden in de werelden?

Laat de mens integendeel beseffen en zich ervan doordringen

dat elke kleine handeling , elk woord en elk gedachte op elk moment telt!

 

Er valt veel over deze Rabbi Chayim te vertellen: hoe hij een brug probeerde te staan tussen chassidisme en Talmoedische rationalisme (mitnagdim). Rabbi Chayim was immers een leerling van de beroemde Gaon van Wilna, de grootmeester van het Litouwse talmoedrationalisme, dat Levinas, een echte Litvakker,  trouwens ook niet onberoerd heeft gelaten! 

Het mooiste is echter een verhaal dat zomaar te vinden is in een uitgave van Pardes, het succesvolle Geliefd is de mens, door Yehuda Aschkenasy, Eli Whitlau, Dodo van Uden en Peter Tomson. Daar lijkt het boeddhistische ideaal van de Bodhisattva: de Verlichting pas ingaan als alle wezens die hebben bereikt, ook de Wolozhiner te bezielen.

Rabbi Chayim was zo rijk aan goede daden dat hij bij zijn dood te horen kreeg dat hij onmiddellijk in de Komende Wereld zou worden toegelaten. Maar hij weigerde totdat hij de garantie kreeg dat ook al zijn leerlingen zouden worden toegelaten. Het succes van de Talmoedschool was immers aan hen te danken, meende hij en niet aan hemzelf. Toen dit werd toegestaan vroeg hij om toelating van alle joden. Immers, veel mensen dragen bij door hun werk ook als ze zelf geen Torah studeren. Ook dit werd toegestaan. Maar zelfs daarmee was hij niet tevreden. Ook alle volkeren zouden mee moeten, omdat die volgens hem onderdak hebben verschaft en dus ook aandeel hebben gehad in de Torah. Rabbi Chayim wilde niet binnengaan voordat hij de garantie zou krijgen dat alle mensen zouden binnengaan. Hij kreeg te horen dat op dat moment dat niet mogelijk was omdat de verlossing nog niet was aangebroken. Dus weigerde rabbi Chaiym binnen te gaan en nog steeds staat zijn ziel geduldig aan de poorten te wachten, biddend voor de uiteindelijke verlossing van heel de mensheid.


Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Laat het ons weten.


Eerder verschenen:

Monatschrift für Geschichte und Wissenschaft des Judentums

door Marcel Poorthuis, voorzitter Pardes

In de bibliotheek van Pardes is een serie sfeervolle oude bandjes te zien met gotisch opschrift, bij elkaar zo’n twee meter op de bovenste plank. Het betreft het beroemde ‘Monatschrift für Geschichte und Wissenschaft des Judentums’. Het eerste deel stamt uit 1852. Wie zo’n deeltje opent treedt binnen in een andere wereld: hier is de geleerdheid van het Duitse jodendom in de 19e en 20e eeuw samengebald. Grote gestalten als de historicus Heinz Grätz en de kolossaal geleerde Louis Ginzberg doemen op voor het geestesoog. Natuurlijk ontdekken we nu merkwaardige eenzijdigheden die vooral te maken hebben met de positie van het Duitse jodendom in de 19e eeuw. Men wilde vooral goede staatsburgers zijn en benadrukte het redelijke karakter van het jodendom. Grätz had dus weinig oog voor de betekenis van de joodse mystiek, al wist hij er veel van. Nog minder kon hij de gnosis op zijn betekenis schatten, aangezien de beroemde vondst in het Egyptische woestijnzand van Nag Hammadi met allerlei gnostische geschriften pas in 1945 plaats vond. Hij stond kritisch tegenover het christendom, vooral omdat hij daarin Reform-tendensen meende waar te nemen. Het jodendom moderniseren door geboden op te heffen leek hem heilloos. De zaak ligt echter ingewikkelder: Abraham Geiger, geleerde uit de Reformbeweging, was zelf behoorlijk kritisch jegens het christendom. Zo betoogde hij dat de Farizeeërs niet de starre wetshandhavers waren, waarvoor het christendom ze hield, maar juist dynamische vernieuwers!

Louis Ginzberg schreef in 1899 en 1900 zijn eerste studies over de joodse midrasj bij de kerkvaders. Ook hier een eenzijdigheid: hij spreekt over verloren gegane midrasj (joodse bijbeluitleg) die bij christelijke auteurs als Hieronymus en Origenes terug te vinden zou zijn. Maar dat ook omgekeerd rabbijnen door kerkvaders beïnvloed kunnen zijn komt niet bij hem op. Veel later zou Ginzberg zijn ‘Legends of the Jews’ publiceren, waarin hij min of meer alle midrasj-teksten citeert met daarbij kerkvaders in Grieks, Latijn en Syrisch, Samaritaanse bronnen, Arabische, Armeense auteurs en wat al niet. Het kolossale werk is zevendelig, maar twee delen bestaan alleen uit noten! De talenkennis van Ginzberg en al die andere joodse geleerden uit het Monatschrift is formidabel. Curieus is ook een artikel van Perles over ‘Duizend-en-één-nacht’. Wie die boeiende verzameling verhalen heeft gelezen weet dat lang niet alle verhalen van Arabische of islamitische herkomst zijn. Inderdaad laat Perles zien dat heel wat verhalen regelrecht uit het jodendom stammen. Hij gaat nog niet zover als de Nederlandse arabist De Goeje, die in Sheherezade de oergestalte van de bijbelse Esther meende te ontwaren. Niet eens  zo’n gek idee: beide vrouwen trotseren door hun charme de dreiging van de dood en weten de koning in te palmen en zo verlossing te bewerken. Maar de duizend jaar die beide verhalen scheidt maken Sheherezade als bron van Esther wel heel onwaarschijnlijk!   

Het Monatschrift, door Zacharias Frankel opgericht, bewoog zich tussen Reform en orthodoxie en stond open voor wetenschappelijke discussies over de bijbel, jodendom én christendom, zonder daarbij de hyperkritische eenzijdigheden van de 19e eeuw over te nemen. Het tijdschrift is een monument van het intellectuele joodse leven in Duitsland: ik zou het naar een bekende uitdrukking ‘een kathedraal in de tijd’ willen noemen. Het feit dat het laatste tijdschrift het jaartal 1939 draagt is een stille getuige van het einde van deze schitterende cultuur, althans in Duitsland.  


Eerder verschenen:

De Kriegs-Buber voorbij

door Marcel Poorthuis, voorzitter Pardes

Stichting Pardes herbergt vele schatten in zijn bibliotheek. Het belang van het tijdschrift Der Jude van de grote denker Martin Buber, begonnen in het midden van de Eerste Wereldoorlog, kan nauwelijks worden overschat.

Buber bevond zich nog in zijn ‘mystische’ periode, op zoek naar een eenheid die het jodendom moest begeesteren en van losgeslagen individuen weer een volk moest maken. Vóór de oorlog meende Buber nog dat de Duitse jood zich onherroepelijk in de oorlog diende te storten.

Hier zouden reinigende krachten vrijkomen die werkelijk gemeenschap smeedden en de mens weer ten diepste kon bezielen en de jood zijn Duitse wortels konden doen voelen.

Onze eigen Frederik van Eeden was geschokt en sprak vol afschuw van Kriegs-Buber, oorlogs-Buber. Hij had samen met Buber, de joodse anarchist Gustav Landauer en nog een aantal bevlogen idealisten in 1914 de Forte Kreis opgericht. Een boeiende kring, zij het dat slechts één vrouw als lid werd aangemeld, de joodse filosofe Margarete Susman (rabbijn Elisa Klapheck promoveert op deze vrouw en zal in Pardes een studiedag aan haar wijden!). Haar lidmaatschap werd echter afgewezen: “vrouwen zijn als buskruit”, sprak een der leden!

Welnu, deze kring wilde – je moet de lat niet te laag leggen! - het geestelijke bestuur van Europa gaan voeren. Er schuilde iets profetisch in hun visioen: Europa zou te gronde gaan aan materialisme en nationalisme als het geestelijk ideaal van verbinding tussen Oost en West niet de overhand zou krijgen. Ze hadden gelijk: de Eerste Wereldoorlog brak diezelfde maanden uit. De kring zelf werd echter uiteengerukt door verschillende visies. Tot grote schrik van Van Eeden en van Landauer bleek Buber plotseling oorlogszuchtig. Het was misschien wel het grootste conflict dat Buber ooit heeft gehad. In het blad Der Jude vinden we al in het eerste artikel (niet in het Verzameld Werk opgenomen!) hoe hij zijn visie heeft bijgesteld. Buber signaleert hoe in de oorlog jood tegen jood zou moeten vechten. Hij ziet nu het zionisme als een legitieme roeping voor het jodendom om zijn volksbestaan weer te herontdekken. Bubers grondstreven is altijd gebleven om het individualisme te overstijgen. Nationalisme zag hij nu - midden in de oorlog - óók als een groot gevaar. Het streven om Duitser dan de Duitsers te zijn is kennelijk tot mislukken gedoemd.

Intussen staan we nog veraf van de Buber van de dialoog, van het Ik en Gij. Hij denkt nog in grote mystische bewegingen waarin het individu dreigt ten onder te gaan. Maar laten we eens naar onze eigen tijd kijken: slagen wij erin om van een verenigd Europa meer te maken dan ordinaire cententellerij? Het beschavingselan wil maar niet van de grond komen. En wat de toekomst van de religie betreft hebben we ook niet veel meer dan een geïsoleerd postmodern individualisme in de aanbieding. De rol van Buber is nog niet uitgespeeld!


Eerder verschenen:

Achthonderd gezegden en verhalen onzer Rabbijnen 

De bibliotheek van Pardes, genoemd naar Yehuda Aschkenasy, herbergt vele onvermoede schatten. Zo kwam ik laatst een alleraardigst boekje tegen uit 5662 / 1902, uitgegeven bij de bekende firma Joachimsthal. 

Het heet Achthonderd gezegden en verhalen onzer Rabbijnen, verklarend berijmd door een zekere S.M. Schepp te Maastricht. Nu is een boekje met joodse spreuken op zich niet zó bijzonder: alleen al van Pirke Avot (Spreuken der Vaderen; of zoals Leo Mock en ondergetekende het vertaald hebben Spreuken van de fundamenten), zijn tientallen uitgaven te vinden in de bibliotheek van Pardes. Maar dit boekje biedt als het ware een soort van Hiëronymus van Alphen. De auteur heeft namelijk zelf gedichten toegevoegd om de spreuken nog wat meer kracht bij te zetten. Het geheel is zeker stichtelijk geworden, net zoals het "Jantje zag eens pruimen hangen!"

Laten we de eerste spreuk van het bekende tractaat Pirke Avot eens nemen:

Wees gematigd in het recht,

breng veel leerlingen op de been

en maak een heg om de Tora.

De eerste regel krijgt de volgende vertolking:

Wanneer gij iemand rechten moet,

Vermijd dan onberaden spoed,

Misschien is hij onschuldig;

En is hij angstig van natuur,

Dan brengt uw drift hem overstuur,

Wees, rechter, dus geduldig.

De tweede regel is niet minder stichtelijk:

Geef, kunt ge, aan velen onderricht,

Ontsteek in vele hersens licht,

Om wijsheid te verbreiden,

Die wijsheid van Gods Leer en Wet.

Op Sinais top in woord gezet,

Om zegen te verspreiden.

En dan ook maar de derde: 

De heil'ge Wet van Horebs kruin,

Omhein haar als een schone tuin,

Behoed haar tegen 't schenden.

Van kwaden wil en overmoed,

Zooals ge een kostbaar sieraad hoedt,

Beveiligt tegen benden.

Het eigenaardige is dat ik - terwijl ik dit neerschreef - er al een melodietje bij ging zoeken. Probeert u het zelf ook maar eens, het is niet moeilijk!

Een andere ervaring die ik ook vaak heb met psalmen die berijmd worden: het origineel is vaak veel beter verteerbaar dan die uitvoerige zedenpreken. Toch wilde ik u deze 'joodse Hieronymus van Alphen' niet onthouden!

Ik vond op internet nog het volgende over de vermoedelijke schrijver, zoon van een koopman en zelf onderwijzer:   

Salomon Moses Schepp, weduwnaar van Rachel Goldstein, overl. in den ouderdom van.. de 23 Tisrie 5679/ 29 sept. 1918. Uw rust zij eervol een betrouwbaar man, die onschuldig ging. Het teken van het heilig verbond heeft hij aan velen bevestigd. Vroeg en laat hield zich bezig met Tora en gebed, om te studeren en te onderwijzen dag en nacht, Is dat niet de geleerdengenoot de heer Sjelomon, zoon van de heer Mosje. Hij stierf bij het lichten van zondag Simchat Tora (vreugde der wet, 23 Tisjrie) 679.

Verheven taal, passend bij een hooggestemd boekje!



 


Webshop

Contact

Tenachon # 35