Jehoeda en Tamar

Jehoeda en Tamar

Als een plots intermezzo tussen de verhalen over Joseef vertelt de parasja het verhaal van Juda en zijn schoondochter Tamar.

Is de Joseef de hoofdpersoon van deze parasha, een dragende bijrol heeft zijn broer Jehoeda. De eerste keer, dat deze vierde zoon zich profileert is, als hij oppert Joseef niet te doden, maar te verkopen als slaaf. De tweede keer staat hij een poos middenin de schijnwerper. Want tussen de twee net kort samengevatte bedrijven rond Joseef speelt zich nog een intermezzo af rond Jehoeda en zijn schoondochter Tamar. Tamar – een Kena'anitische vrouw - huwt de oudste zoon van Juda, Er, die ze aan de dood verliest. De tweede zoon Onan weigert zijn zwagerplicht te vervullen om zijn overleden broer alsnog een erfgenaam te bezorgen en ‘verspilt zijn zaad op de grond' (1).
Ook hij overlijdt en dan is volgens de regels van het zwagerhuwelijk (Jiboem) de derde zoon Sjelah aan de beurt. Jehoeda voelt daar helemaal niets voor en schuift het op de lange baan en Tamar voorvoelt op de lange duur dat de toezegging van haar schoonvader niet tot het huwelijk met Shelach zal leiden, er zal niets van komen. Ze verzint een list – alweer misleiding! - , nu is Jehoeda het slachtoffer. Als de man op weg is naar zijn schapenscheerders in Timna komt hij onderweg - bij ‘petach enajim', de poort van het dorp Enajim, letterlijk ‘opening der ogen' – een gesluierde hoer tegen, de onherkenbare Tamar. Zij verleidt haar schoonvader (en inmiddels ook weduwnaar). Ze baart een tweeling - Perets en Zerach - en als Jehoeda later hoort van deze schande en dit, onwetend dat deze zwangerschap aan hem te wijten is, wil bestraffen met verbranding stelt zij hem aan de kaak als de vader van die twee zonen. Dat doet zij door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg voor de uitgestelde betaling van haar diensten: zijn zegel, zijn koord en zijn staf. Jehoeda herkent ze en erkent: ‘Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sjelah heb gegeven' (Ber/Gen 38:26).

Rabbijn Jonathan Sacks wijst erop, dat dit in de Tora de eerste keer is dat iemand met zoveel woorden zijn fout aan een ander toegeeft. Toen Jehoeda hoorde van de hoererij en zwangerschap van zijn schoondochter beval hij dat zij verbrand moest worden. Tamar klaagde hem toen niet rechtstreeks aan, maar gaf hem de gelegenheid zelf naar voren te komen en te bekennen. Ze zei immers: ‘Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn‘ (Ber/Gen 39:24). Jehoeda had ook zijn reputatie de voorrang kunnen geven en kunnen ontkennen. Tamar liep dus een groot risico, bij ontkenning door haar schoonvader zou ze verbrand worden.

Deze actie van Tamar gaf de Talmoedische Rabbi Jochanan - 3e eeuw westerse jaartelling - de gelegenheid op te merken: ‘Het is beter voor een mens zich in een brandende oven te werpen dan een medemens openbaar te schande te zetten. Hoe komen we daarbij? Van Tamar (Talmoed Sota 10b). Zouden de planners van dergelijke openbare onthullingen zich daaraan houden, dan zouden we een schrijnend gebrek aan brandende ovens hebben.

Eén van de zo op de wereld gekomen zonen, Perets, zal de voorvader worden van koning David, die zijn opvolger, Shelomo, ook verwekte bij een via een misstap aan zijn zijde gekomen vrouw, Batshewa (David die volgens de sage van het Nieuwe Testament de voorvader van Jezus zou zijn).

Ook hier zien we hoe de geschiedenis voortschrijdt middels misstappen van de hoofdpersonen van het drama. De geschiedenis van Israël is allerminst een geschiedenis van verheven personen van onberispelijke levenswandel. De voortstuwing van de gebeurtenissen houdt zich niet aan religieuze regels en ethische voorschriften. David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews' met verleidelijke ironie: ‘Nogmaals, (…) misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen’.

Zijn de dramatis personae geen zondeloze figuren, wat wel opvalt is dat het levende mensen zijn in ontwikkeling. Het zijn geen stereotypen, maar het zijn karakters, die groeien met de jaren. Misschien is dat wel het belangrijkste. Ze worden wijs door schade en schande; getekend door de gevolgen van hun beslissingen en hun daden winnen ze aan statuur. Dat geldt voor Jaäkov, voor Joseef en ook voor Jehoeda. De derde keer dat Jehoeda in de spotlight staat is zijn ‘finest hour' , dat is later als de broers in Egypte zijn en voor de machtige onderkoning van Egypte staan, die ze nog niet als hun broer hebben herkend. Dan houdt Juda als spreekbuis van zijn peers zijn lange pleitrede ten behoeve van Binjamiens terugkeer naar zijn vader, de langste monoloog in de Tora, woorden die het hart van de machtige heerser Joseef doen breken en deze ertoe brengen zich als hun broer bekend te maken (parashat Wajigash, Gen/Ber 44:18 ev).
Als de oude Jaäkov op zijn sterfbed ligt, zal hij in zijn visionaire laatste woorden niet Joseef omschrijven als de leider van zijn broers, maar Jehoeda (Ber/Gen 49):

Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon,
en zo verder

Jehoeda zal uiteindelijk de voorvader en naamgever van het Joodse volk worden

noten
(1) Van Onan is afgeleid het woord onaneren, in mijn jeugd nog gebruikt in de betekenis van masturberen. In feite heeft Onan dat helemaal niet gedaan, blijkens de tekst praktiseerde hij de zg. coïtus interruptus.
 



 


Review

Boekenbon?

Tenachon # 42