Het verhaal van Ester (1)

Het verhaal van Ester 

Ofwel de keer van het lot

door Rob Cassuto

Een vrije bewerking van het bijbelboek Ester

(voor een aantal opmerkingen over het boek Ester zie noot 1)

Het feest van de koning; de koningin afgezet

Lang geleden was er een koning Achasjverosj (Ahasverus) geheten (noot 2) Hij regeerde over het onmetelijke rijk van de Meden en de Perzen, dat zich uitstrekte van India tot Ethiopië. Het imperium omvatte wel 127 provincies. Na de twee eerste woelige jaren van zijn regering voelde Achasjverosj zich zeker genoeg om zijn koningschap luister bij te zetten en zijn macht en rijkdom aan het volk te tonen. Maandenlang waren er schitterende feesten in de hoofdstad Sjoesjan en in het koninklijk paleis. Als besluit van al die festiviteiten vond er in de binnenhof van het paleis een groots feestmaal plaats, dat wel een week duurde. Alle Perzen en Meden van enige betekenis namen er aan deel, de ministers, de leden van de staatsraad, de generaals, de gouverneurs, de grootvorsten en de hertogen. Draperieën van fijn linnen, wit en blauwpurper van kleur, waren aan albasten zuilen bevestigd met roodpurperen koorden en zilveren ringen; op een mozaïekvloer van porfier, albast, parelmoer en gekleurde stenen stonden rustbanken van goud en zilver. Er werd wijn geschonken in gouden bekers, waarvan sommigen zeggen dat ze geroofd waren uit de tempel in Jeruzalem. De wijn vloeide rijkelijk. Op de zevende dag ging het dronkenmansgesprek aan tafel bij de koning over vrouwen; de hoge heren bralden laveloos een eind weg over de schoonheid en wulpsheid van hun vrouwen en minnaressen en de koning pochte nog het luidst; behoorlijk aangeschoten wankelde hij overeind en zei:

- Mijn koningin Vasjti is de mooiste, beeldschoon gezicht, volmaakt figuur, boezem van de bovenste plank, haar heupen rond en stevig maken een man gek. Haal haar maar, schreeuwde hij naar zijn dienaren, haal haar maar hier en zeg, dat ze alleen haar kroon draagt! Besmuikt gelach.

Een hele delegatie van dienaren betrad beschroomd de zaal van het vrouwenpaleis, waarin koningin Vasjti een feestmaal gaf aan de dames.

- Majesteit, sprak de eerste.

- Vergunt u ons, sprak de tweede,

- de wil van uw echtgenoot, de koning, over te brengen, sprak de derde,

- om met ons mee te komen naar de koning, sprak de vierde,

- gekleed in eh …, sprak de vijfde,

- alleen uw kroon, bracht de zesde er met moeite uit.

- Om voor hem een verleidingsdans uit voeren, sprak de zevende.

Koningin Vasjti werd doodsbleek. Ze vermande zich, stond op en zei moedig:

- Nee! Ik kom niet. Zeg aan mijn heer, de koning, dat ik niet kom naar zijn drinkgelag.

Toen de koning deze boodschap hoorde stikte hij bijna van woede. Hij riep onmiddellijk de leden van de Staatsraad bijeen. Geheel van zijn stuk en nog trillend van razernij zei hij:

- Wat pleegt men te doen met een koningin die het bevel van een koning niet opvolgt?

Een dreigende stilte viel en de zeven raadslieden keken elkaar hulpeloos aan tot de voorzitter van de Raad de stoute schoenen aantrok en een verlossend woord sprak:

- Majesteit, wat er gebeurd is betekent een ernstige ondermijning van het mannelijk gezag. Ook mijn eigen vrouw heeft dat soort kuren en de vrouwen van mijn collega’s, ja de vrouwen in heel uw rijk worden met de dag opstandiger en ongezeglijker. Als de vrouwen ook nog horen dat de koningin uw bevelen niet opvolgt en met haar ongehoorzaamheid ongestraft wegkomt, is het hek van de dam. Maar misschien is dit incident rond de koningin een verborgen zegen; laat uwe majesteit een wet afkondigen, een wet van Meden en Perzen, waarin bekend wordt gemaakt, dat koningin Vasjti wordt afgezet en waarin opnieuw in uw hele rijk aan het volk bevestigd wordt dat de man de baas in huis is.

Dat vond de koning een goed idee. Herauten vertrokken spoorslags naar alle delen van het rijk met in alle talen de boodschap: de man is de baas in huis en in het kader daarvan is koningin Vasjti wegens ongehoorzaamheid afgezet.

Wat er met koningin Vasjti verder is gebeurd vermeldt de geschiedenis niet, maar het gerucht gaat dat ze is ondergedoken en een clandestiene vrouwenbeweging heeft opgezet, die vele eeuwen lang ondergronds heeft geopereerd en in recente tijden weer is opgedoken.

Wie wordt de nieuwe koningin?

Toen de koning weer nuchter en gekalmeerd was, miste hij zijn mooie Vasjti en wilde hij haar terug; maar ja, ze was weggestuurd volgens een wet van Meden en Perzen en die kan nooit meer herroepen worden. Toen hij dat besefte raakte hij in een diepe depressie, die vele jaren duurde. Bleek, vermagerd en zwijgzaam hing hij in zijn pauwentroon. Bezorgde hovelingen kwamen vele malen in vergadering bij elkaar om deze zorgelijke zaak te spreken. Na veel beraad vonden ze een oplossing. Met goedvinden van de koning werd er onder supervisie van het Hoofd Vrouwenzaken Hegai een landelijke actie gestart onder het motto: wie wordt de nieuwe koningin? Herauten trokken er weer op uit naar alle provincies met deze bekendmaking en ook in de hoofdstad Sjoesjan werden alle mooie meisjes opgeroepen.

Daar woonde ook Mordechai. Mordechai was een Jood. Toen Jeruzalem was gevallen was hij met duizenden anderen naar Babylonië afgevoerd. Hij was de pleegvader van zijn nicht, die wees was en Hadassa heette. Hadassa was bijzonder lief en mooi. Ze werd dan ook door de scouts van de koning ontdekt en naar het paleis gebracht. Toen Hadassa in alle haast en in tranen afscheid nam van haar oom zei deze:

- Hadassa, zeg niet dat je een Jodin bent!

- Waarom niet oom? vroeg ze.

- Ik heb een voorgevoel. Zeg dat je Ester heet.

- Ester?

- Ja, Ester. Dan denken ze dat je naar de godin Isjtar bent genoemd. In het hebreeuws betekent het ‘ik zal mij verbergen’, maar dat zal niemand doorhebben.

Ester kwam gemakkelijk de eerste ronde door. Ze werd genomineerd voor de finale. De meisjes kregen allemaal een ruim budget voor schoonheidsbehandelingen en een jaar de tijd om zich voor te bereiden op een beslissende nachtelijke ontmoeting met de koning. Velen van hen deden de gekste dingen om maar zo mooi mogelijk te worden. Sommigen zochten zelfs hun toevlucht tot allerlei ingewikkelde kosmetische en plastische correcties van boven tot beneden toe. Ester deed daar niet aan mee. Ze beperkte zich tot wat oliebaden. Ze was aan Hegai opgevallen die haar een mooie kamer gaf en een paar goeie tips. Toen was het haar beurt voor een nacht met koning Ahasverus. Op weg naar het koninklijk slaapvertrek wekte ze de bewondering van allen die haar voorbij zagen komen. Ze had een grote natuurlijke uiterlijke schoonheid en een innerlijke schoonheid die onweerstaanbaar naar buiten straalde. Al die schoonheidsmiddelen had ze goed beschouwd helemaal niet nodig. Ook de koning raakte diep van haar onder de indruk. In de nacht was er iets bijzonders gebeurd, want de koning zei de volgende ochtend tot haar:

- Je hebt me heel blij gemaakt.

- Ook ik ben blij dat ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer, zei Ester.

- Ester, ik geloof dat ik van je hou, fluisterde de majesteit. Dat had hij nog nooit tegen iemand gezegd.

Zo werd Ester verkozen tot de nieuwe koningin, in het zevende jaar van de regering van koning Achasjverosj. Al die tijd had ze contact gehouden met oom Mordechai. Deze was ambtenaar in een van de ministeries. Hij had een kamer in het kantoor bij de paleispoort. Via de hovelingen hield hij contact met zijn geliefde pleegdochter. Op een dag luisterde hij toevallig een gesprek af, dat plaats vond in een kamer naast de zijne: twee generaals voelden zich schromelijk gepasseerd en vernederd door Achasjverosj en zonnen op wraak; ze beraamden een plan om hem te vermoorden. Mordechai schreef snel een briefje en liet dat aan koningin Ester bezorgen, die het weer doorbriefde aan de koning. De opstandige generaals werden aangehouden, aangeklaagd, schuldig bevonden, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. De koning was persoonlijk aanwezig toen de zaak te boek werd gesteld in de kronieken van de regering van koning Ahasverus (noot 3)

Haman en de Joden

Jaren gingen voorbij en een nieuwe ster was aan het hof verschenen: Haman. Haman, afkomstig uit het volk van Amalek en nakomeling van koning Agag, werd geplaatst boven alle andere ministers en staatsraden als oppergrootvizier met speciale voorrechten. Zo moesten alle beambten, ook die in het ministerie bij de paleispoort, knielen en buigen als Haman voorbijkwam. Dat deden ze dan ook, behalve Mordechai. Zijn collega’s waarschuwden hem, iedere dag weer:

- Mordechai, je neemt een groot risico; straks merkt zijne excellentie heer Haman, dat je als enige overeind staat en dan kan je het wel schudden.

Maar Mordechai hield voet bij stuk. Ze waren verbaasd over Mordechai’s koppigheid en overlegden met elkaar:

- Wat is er met die Mordechai aan de hand?

- Hij houdt wel vol, die koppige ezel.

- Ik snap het wel. Hij is een Jood en die mogen niet knielen, niet voor beelden, niet voor mensen, alleen voor hun God en dan nog alleen één keer per jaar, geloof ik.

- Aha, een Jood, ja, die hebben zo hun eigenaardigheden.

- Er speelt ook nog iets van een oude vete tussen die Joden en het volk van Amalek, heb ik wel eens gehoord.

- Laten we Haman maar eens inlichten over die Mordechai. Kijken hoe lang hij het volhoudt, dat niet buigen. 

Volgende week het vervolg.

Noten

noot 1) 
Inleidende opmerkingen over het boek Ester

Ester is het meest ‘seculiere’ boek van de Joodse bijbel (Tanach). Er is geen sprake van vermelding van Gods naam, goddelijke interventie, doorbreking van natuurwetten via wonderen (zoals in de Tora) en er is ook geen vermelding van tempelriten, Joodse leefregels (halacha zoals kasjroet, het kosjer eten), op het vasten en bidden gedurende drie dagen na, dat Ester en de Joden in Sjoesjan in hun nood volbrengen. Vele vrome Joodse bijbelcommentaren leggen niettemin allerlei vrome motivaties in het gebeuren en schilderen bijvoorbeeld Mordechai af als een bijzonder religieus observante man, die zijn zondige volksgenoten weer terugvoert op het juiste pad.

Het verhaal wijst in zijn entourage en beschrijvingen naar een samenleving waarin sprake was van een ver gevorderde assimilatie van de Joden. Indien de datering van het Ester-verhaal als plaats gevonden hebbend tijdens de regering van de Perzische koning Xerxes klopt, dan zou Mordechai niet zijn meegegaan met de naar Palestina terugkerende Joden onder Ezra, maar in Babylonië zijn gebleven met vele andere Joden. De namen van de twee hoofdpersonen wijzen op gevorderde assimilatie (of integratie?). De naam Mordechai hangt samen met de Babylonische god Mardoek en de naam Ester is wellicht te associëren met de vruchtbaarheidsgodin Isjtar of Astarte.

Merkwaardig is het feit dat Mordechai niet wil buigen voor een Perzische hooggeplaatste hoveling; een dergelijke buiging (prostratie) was in die tijd zeer gebruikelijk en betekende in het geheel geen vernedering. De koppigheid van Mordechai kan meer te maken hebben gehad met de oude vete tussen de Israëlieten en het volk van Amalek, waarvan Haman een afstammeling was. In mijn versie van het verhaal geef ik toch ook maar een vroom motief voor zijn opstandigheid.

Overigens wordt de historiciteit van het verhaal door bijbelwetenschappers sterk betwijfeld. Zie bijv. het artikel in de Encyclopedia Hebraica.
Daarentegen ook Gil Student die pleit voor de historiciteit van het verhaal in zijn artikel ‘The Historicity of Megillat Esther’ op http://www.aishdas.org/toratemet/en_esther.html

Sommigen zien het verhaal van Ester en Mordechai louter als een later verzonnen verklaring voor het Poeriem feest.
De stijl van het verhaal staat in stilistisch vernuftig weloverwogen contrast met het drama, namelijk de dreigende uitroeiing van de Joden en is eerder de stijl van een komedie gezien de kluchtige coïncidenties, de vele plotselinge omkeringen, en bijv. de koddige scènes rond Haman, een stijl die al de richting wijst naar het carnavaleske karakter van het Poeriem feest. Deze stijl – beetje ‘tongue in cheek’ - heb ik in mijn verhaal ook zeker willen behouden en maakt het drama dragelijk.

Willen we het verhaal van Ester als zingevend opvatten, dan spreekt mij sterk aan de observatie, dat in tegenstelling tot het Exodusverhaal de mensen (i.c. de Joden) het hier zelf op moeten knappen, wat dan zo op te vatten is, dat de goddelijke sturing op de achtergrond of zelfs verborgen zijn mysterieuze werk doet. Ook is wel gewaagd van het concept van ‘Tsimtsoem’, een kabbalistisch begrip, dat hier dan zoveel wil zeggen als: God maakt de ruimte opdat de schepping überhaupt daarin kan bestaan en hij maakt die ruimte steeds groter voor de mens, die daarmee ook steeds meer verantwoording voor de schepping te dragen krijgt (in verband gebracht met Deuteronomium 31:18: Hasteer astir panaj, ‘Ik zal zeker mijn aangezicht verbergen’). Het verhaal van Ester getuigt dan van een nieuwe fase in de geschiedenis van de Joden, waarin God niet meer zichtbaar actief in de condities van de schepping ingrijpt.

Tenslotte: in mijn hervertelling zijn een paar midrasjiem (midrasj = verhalende uitleg of aanvulling) naadloos verwerkt (bijv. de midrasj dat de bekers van het feest van Achasjverosj de geroofde tempelbekers zijn).

Hoe men verder ook  de geschiedenis van Ester en Mordechai wil plaatsen, opvatten of verklaren, het staat als een paal boven water dat het een goed geconstrueerd, inspirerend en spannend verhaal betreft over het immer terugkerend thema van antisemitisme, een verhaal, dat ik in wat modernere bewoordingen en met behoud van een licht satirische toon heb proberen recht te doen.

Noot 2) Achasjverosj wordt geïdentificeerd met Xerxes (Perzisch: Khshayar-shah, 486 - 465 B.C.E)

Noot 3) Volgens de middeleeuwse bijbelcommentator Rasji een voorbeeld van goddelijke voorzienigheid: God maakt het geneesmiddel al klaar voor de ziekte, in dit geval het rampzalig decreet dat Haman voor de Joden zal bewerkstelligen. Zie verderop in het verhaal.



 


Webshop

Review

Boekenbon?