Rouwtaal

ROUWTAAL

In het kerkblad lees ik regelmatig een pastoraal artikel over het ontvallen van een broeder of een zuster. Hiervoor wordt veelal plechtige rouwtaal gebruikt. Deze taal hebben we eveneens in verband met het overlijden van een lid van het Koninklijk Huis, bijvoorbeeld prins Claus, of een ander bekend persoon veel gehoord en gelezen. Enerzijds is die plechtstatigheid wel te begrijpen. Claus was de prins-gemaal, de echtgenoot van onze toenmalige vorstin. Over het koningshuis wordt sowieso nogal plechtig gesproken, ook in andere omstandigheden. Anderzijds had nou juist Claus moeite met de plechtmatigheid rond het koningshuis. Ik denk niet dat hij het erg had gevonden als men wat minder statig over hem zou spreken.

Maar die dingen gaan bijna vanzelf. De taal van de dood is bij uitstek statig.  Het is niet moeilijk om te begrijpen, waarom dat zo is. Je kunt wel roepen, dat de dood bij het leven hoort, maar in de praktijk hebben we er niet zoveel mee te maken. Althans, het verlies van mensen die ons dierbaar zijn, is (gelukkig) niet aan de orde van de dag. En dus brengt de dood ons geregeld in verlegenheid. We weten niet goed wat we moeten zeggen, we staan met de bek vol tanden. In dergelijke gevallen vallen we terug op standaardformuleringen op clichés, op statige, gedragen taal.

Ik ben zelf geen uitzondering. Hoewel geschiedenis en administratie mijn vakken zijn, kan ik ontzettend veel moeite hebben met het schrijven van condoleances. Mijn vrouw en dochter hebben dat helemaal niet. Zij zijn verpleegkundigen en hebben heel veel met de dood te maken gehad. Misschien komt het daardoor of misschien zitten zij gewoon anders in elkaar. Hoe dan ook: zij gaan zitten en schijnbaar moeiteloos schrijven zij in zulke omstandigheden de mooiste en persoonlijkste dingen – recht uit het hart. Ik heb daar bewondering voor en ik kan er jaloers op zijn. In het verleden heb ik wel eens rouwkaarten onbeantwoord gelaten, omdat ik niet wist wat ik moest schrijven. Ik heb daar altijd spijt van gehad. Ik weet inmiddels uit eigen ervaring hoe fijn het is om in dergelijke omstandigheden veel post te krijgen. Wát mensen schrijven is niet zo belangrijk; het is fijn dát ze schrijven.

Eén van de dingen die mij met het schrijven van een condoleance verlammen, is de weerzin tegen clichés. Maar er is meer. Ik heb opeens het gevoel, dat ik iets diepzinnigs moet schrijven, dat ik ‘woorden van troost’ moet bieden. Maar wat moet je tegen iemand zeggen die net z’n partner of z’n kind heeft verloren? Het is niet waar dat daar geen woorden voor zijn, ik zie ze mijn vrouw uit haar mouw schudden. Maar ik kan er nauwelijks woorden voor vinden. Ik denk dat dit komt omdat ik het te mooi of te ingewikkeld wil maken. Terwijl het soms zo simpel is. Doorgaans is het heel verdrietig als iemand sterft, soms hebben mensen er zelf vrede mee.

Een tijd terug is mijn grootvader overleden. Hij was achter in de negentig, hij had een rijk en mooi leven gehad en hij was er klaar voor. Hij had reeds zijn vrouw en drie van zijn kleinkinderen moeten wegbrengen. ‘Af en toe kijk ik naar de sikkel van de maan’, zei hij glimlachend op zijn sterfbed, ‘en dan zie ik daar mijn vrouw en kleinkinderen zitten. En dan zeg ik; jullie moeten een stukje opschuiven hoor, want ik kom eraan’.

Dit bedoel ik: het kan ook heel simpel.

Herman Schouten.



 


Webshop

Kirchner

Tenachon #48